Hugo Claus, Maya Angelou, Jesús Carrasco

De Vlaamse schrijver Hugo Claus werd in Brugge geboren op 5 april 1929. Zie ook alle tags voor Hugo Claus op dit blog.

 

Een kwade man

Zo zwart is geen huis
Dat ik er niet in kan wonen
Mijn handen niet langs de muren kan strekken

Zo wit is geen morgen
Dat ik er niet in ontwaak
Als in een bed

Zo waak en woon ik in dit huis
Dat tussen nacht en morgen staat

En wandel op zenuwvelden
En tast met mijn 10 vingernagels
In elk gelaten lijf dat nadert

Terwijl ik kuise woorden zeg als:
Regen en wind appel en brood
Dik en donker bloed der vrouwen

 

Achter tralies

Zaterdag zondag maandag trage week en weke dagen

Een stilleven een landschap een portret

De wenkbrauwen van een vrouw
Die zich sluiten als ik nader

Het landschap waarin blonde kalveren waden
Waar het weder van erbarmen
In het Pruisisch blauw der weiden ligt gebrand

Toen heb ik nog een stilleven geschilderd
Met onherkenbare wenkbrauwen en een mond als een maan
Met een spiraal als een verlossende trompet
In het Jerusalem van mijn kamer.

 

Repetitie

Ik wil dood
Zoals vijfenveertig procent
van de Belgen

Ik heb niemand
‘Omdat je nooit in liefde
hebt geïnvesteerd, liefje’.

Ik begin
Ga verder
Sodium thiopenthal
Zo, je bent bijna buiten westen
Dan pancurorium bromide
Je longen begeven
Dan Potassium chloride
En je hart houdt op

Dat kan ik nooit onthouden.

 

Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelou op dit blog.

 

Sla je ogen op
Op deze dag die aanbreekt voor jou

Geef nieuw leven
Aan de Droom

Vrouwen, kinderen, mannen
Vat de droom in de palm van je handen

En kneed hem naar het model van je
Meest intieme wens. Bewerk het

Tot de voorstelling van je publieke zelf
Open je hart
Ieder nieuw uur bevat nieuwe kansen
Voor een nieuw begin

 

Vertaald door Astrid Roemer

 

Uit: Bij het gloren van de dag (On the pulse of morning):

 

Maya Angelou (4 april 1928 – 28 mei 2014)

 

De Spaanse schrijver Jesús Carrasco werd geboren in Badajoz, Extremadura, op 5 april 1972. Zie ook alle tags voor Jesús Carrasco op dit blog.

Uit: De vlucht (Vertaald door Arie van der Wal)

“De honden liepen met hem mee aan een gerafeld touw om hun nek. Het was pijnlijk om te zien hoe de man zich voortbewoog in zijn lompe apparaat, en hij had zich altijd afgevraagd waarom hij de dieren die kar niet liet trekken. Op school zeiden ze dat als een van de beesten hem niet langer beviel, hij het ophing aan een olijfboom. In zijn korte leven had hij al tientallen honden in een of andere afgelegen boom zien bungelen. Huidzakken vol ontwrichte botten als reusachtige ingesponnen poppen.
Hij merkte dat de mannen al dichtbij waren en maakte zich gereed om doodstil te blijven liggen. Hij hoorde hoe zijn naam zich vermenigvuldigde tussen de bomen als druppels op het wateroppervlak. Weggedoken in zijn schuilplaats bedacht hij dat dit misschien zijn hele beloning zou zijn: horen hoe ze hem bij het aanbreken van de ochtend keer op keer riepen tussen de olijfbomen. Hij herkende de stem van de kastelein en die van een van de ezeldrijvers die de zomer in het dorp doorbrachten. En hoewel hij ze niet kon horen, nam hij aan dat ook de stemmen van de postbode en de mandenmaker erbij waren. Hij ervoer een onverwacht leedvermaak, vochtig en warm, op de bodem van zijn kuil. Een soort doffe, kinderlijke opgewondenheid die hem kippenvel bezorgde. Hij vroeg zich af of ze op dezelfde manier naar zijn broer zouden zoeken, of híj zoveel mannen op de been zou kunnen brengen voor een speurtocht. Bij dat koor van stemmen had hij het gevoel dat hij misschien een vorm van gemeenschapszin had losgemaakt, en heel even trok zijn wrok zich terug tot ergens diep in zijn maag. Hij had de mannen van het dorp om zich heen verzameld, al die sterke, gebruinde armen die voren trokken in het land en zorgden voor het graan in de platte broden. Hij had iets teweeggebracht. Hij dacht dat de noodzaak om die groep mensen bijeen te brengen oude vijanden mogelijk had gedwongen de mouwen op te stropen en schouder aan schouder naar hem op zoek te gaan. Hij vroeg zich af of er over een paar jaar of over een paar weken iets zou overblijven van dat moment. Of het een gespreksonderwerp zou zijn bij het uitgaan van de mis of in de kroeg. Toen dacht hij aan zijn vader en hij stelde zich voor hoe hij links en rechts uitleg gaf. Hij zag hem, zoals zo vaak, hulpeloosheid veinzen, waarbij hij iedereen probeerde te laten geloven dat de jongen, terwijl hij achter een jonge patrijs aan rende, vast en zeker in een beerput gevallen was.”

 

Jesús Carrasco (Badajoz, 5 april 1972

 

Zie voor de schrijvers van de 5e april ook mijn blog van 5 april 2020 en eveneens mijn blog van 5 april 2019 en ook mijn blog van 5 april 2018 en eveneens mijn blog van 5 april 2016.

Hanneke Hendrix, Maya Angelou

De Nederlandse schrijfster en hoorspelmaker Hanneke Hendrix werd geboren in Tegelen op 4 april 1980. Zie ook alle tags voor Hanneke Hendrix op dit blog.

Uit: Aswoensdag

“Ja, nu hoef ik er ook even geen”, zei Maarten. “Nee, ik bedoel, ik hoef er echt geen meer. Laat maar. Dan ga ik extra werken. Dan gaan we naar Nieuw-Zeeland. Dan gaan we op reis. Dan gaan we ergens anders wonen. Waar we maar willen. Daar gaan we wonen. Gewoon weg. Weg.” Alle clichés. Alle dooddoeners. Ze gebruikte ze zelf ook. “Meen je dat echt?” Ze knikte. “Oké. Dan houden we er toch mee op?” Daarna was het stil. Hij legde geen hand op haar arm. Hij zei het gewoon.
“Hou je niet meer van me?” vroeg ze “s avonds in bed. “Hoe kom je daar nou weer bij?” “Omdat je geen kind meer met me wil.” Maarten knipte de lamp aan en ging rechtop zitten. “Jij wilde ermee stoppen.” “Ja, maar jij zei wel erg gemakkelijk “Ja”: “Had ik moeten drammen?” “Er zit nog een heel spectrum aan reacties tussen drammen en botweg zeggen dat we het maar moeten laten zitten.” “Jij was degene die heel stellig riep dat je niet meer wilde.” “Lekker, mijn reactie spiegelen. Wat vind je zelf dan? Nou?” “Ik vind niks! Helemaal niks!” Maarten hief zijn armen in de lucht, sloeg hard op het donzen dekbed en stapte uit bed. “Ik kan dit niet winnen!” riep hij vanaf de gang. Ze was toen geen sorry gaan zeggen. Ze was hem niet uit de logeerkamer gaan halen. Ze had zich omgedraaid en was gaan slapen. Ze had heel goed geslapen ook nog. Dat had ze de volgende ochtend misschien wel het engste gevonden. Aan het ontbijt zei ze dat ze toch verder wilde, met de baby”s.
“Prima”, zei hij. Ze balde haar vuisten. “Prima, prima, prima? Steeds maar dat prima, ik word er niet goed van. Echt helemaal niet goed van.” Maarten liep naar het koffiezetapparaat. “Wat wil jij?” zei ze. “Ik wil heel graag een kind, maar alleen als jij dat ook wil. Anders werkt het niet. Helemaal niet ingewikkeld. Echt helemaal niet zo ingewikkeld.” “Wil je misschien zo graag een kind dat je met iemand anders verder zou -” zei ze. Alles draait om bevestiging. Ze ging in die behandelstoel liggen, ze prikten haar lek en eigenlijk wilde ze gewoon zeker weten of hij echt van haar hield. Of hij zoveel van haar hield dat hij haar dit allemaal liet doorstaan. “Nee”, kapte Maarten haar af. “vind je het irritant?” zei ze. “Mijn vragen?” “Ik vind het heel lastig om constant op mijn hoede te moeten zijn.” “Ik heb gewoon twijfels. Over alles.” “Zeg dát dan.” “Ik moet iemand hebben die zegt: nee, we gaan het zo-en-zo-en-zo doen. Niet iemand die bij alles wat ik zeg of doe, mompelt: ja prima.” Maarten hief zijn handen weer op. “Ik wil heel graag een kind!” riep hij. “Oké!” riep ze terug. “Met jou!” schreeuwde hij. “Heel erg graag! Alleen met jou!” Daarna was het even stil. “Als het zo moet”, mompelde ze. “Kijk, dit bedoel ik nou!” riep hij.”

 

Hanneke Hendrix (Tegelen, 4 april 1980)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelou op dit blog.

 

De les

Ik ga steeds weer dood.
Aderen storten in, openen zich als de
Kleine vuisten van slapende
Kinderen.
Herinnering aan oude graven,
Rottend vlees en wormen
Brengen me niet af van
Deze uitdaging. De jaren
En de koude nederlaag leven diep in
Lijnen op mijn gezicht.
Ze doven mijn ogen, maar toch
Ga ik steeds weer dood
Omdat ik dolgraag leef.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maya Angelou (4 april 1928 – 28 mei 2014)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e april ook mijn blog van 4 april 2020 en eveneens mijn blog van 4 april 2019 en ook mijn blog van 4 april 2017 en ook mijn blog van 4 april 2015 deel 2.

Charles Ducal, Peter Huchel

De Vlaamse dichter en schrijver Charles Ducal (pseudoniem van Frans Dumortier) werd geboren in Leuven op 3 april 1952. Zie ook alle tags voor Charles Ducal op dit blog.

 

Ochtendritueel

Elke morgen trap ik naar beneden.
In de keuken ligt het hoofd
onder de kraan. Ik sluit het aan,
het spreekt de trouwe ochtendbede:

‘brood’. Het lichaam is vooraf gesneden,
uit de ijskast dampt de rode pot gelei:

het offer aan de dag moet sober zijn.
Ik neem en eet, en voed de rede

met de nieuwe toestand in de krant.
Er wordt, zoals ook gister, veel geleden.
Dit verheugt, ik voel het huis in vrede,
hier alleen loopt alles in de hand.

Achter de rug kreunt nog een laatste trede,
droom en slaap plegen hun zwak verzet.
Boven ligt de nacht doorwoeld over het bed.
Het graf is leeg: hij is verrezen.

 

Aldonza

Elke zondag trekken zij de straten in:
de meester en de meid. Zij een godin
in duur toilet. Hij een afwezigheid.

De angel van het vlees trekt sporen,
in het park wordt hij verleid. Zij horen
even samen, als brood in vastentijd.

Op weg naar huis loopt hij gebogen:
Dulcinea bijt de ziel. Zij loopt op hoge
hak te pronken, lonkt naar Leo en Emiel.

 

Regie

Plaats der actie: kille kamer.
Requisieten: tafel, stoel en lamp.
Geluid: gehamer op de toetsen.
Pose: zelfvergeten, enkel hand.

De actie: staren door het raam,
de nacht in spiegelschrift ontginnen.
Rijmwoord zoeken: zelfvoldaan,
het bloed met eigen hand bedwingen.

In het hoofd de ijle sferen,
in het hart belegen pijn,
in de hand de zin te leven:
van zijn rol auteur te zijn.

 

Charles Ducal (Leuven, 3 april 1952)

 

De Duitse dichter Peter Huchel werd geboren in Lichterfelde bij Berlijn op 3 april 1903. Zie ook alle tags voor Peter Huchel op dit blog.

 

Ontmoeting

Kerkuil,
dochter van de sneeuw,
aan de nachtwind onderworpen,

maar wortel schietend
met de klauwen
in rotte, korstige muren,

snavelgezicht
met ronde ogen,
hart-stijf masker
van veren uit wit vuur,
dat tijd noch ruimte raakt,

koud waait de nacht
tegen de oude boerderij
op het erf bleke lichten,
sleeën, bagage, besneeuwde lantaarns,

in de potten dood,
in de kruiken gif,
het testament aan de balk gespijkerd.

Wat verborgen is onder
de klauwen van de rotsen,
de opening in de nacht,
de doodsangst
als prikkend zout in het vlees gelegd.

Laten we afdalen
in de taal van engelen
naar de gebroken stenen van Babel.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Peter Huchel (3 april 1903 – 30 april 1981)

 

Zie voor de schrijvers van de 3e april ook mijn blog van 3 april 2020 en eveneens mijn blog van 3 april 2019 en ook mijn blog van 3 april 2017 en ook mijn blog van 3 april 2016 deel 2.

Thomas Glavinic, Johannes Bobrowski

De Oostenrijkse schrijver Thomas Glavinic werd geboren op 2 april 1972 in Graz. Zie ook alle tags voor Thomas Glavinic op dit blog.

Uit: Gebrauchsanweisung zur Selbstverteidigung

„Mit dem Wort Opfer wird eine Person bezeichnet, der mit einer gewissen Regelmäßigkeit und in unterschiedlichen sozialen Situationen die Rolle desjenigen zukommt, der drangsaliert wird. In bestimmten Milieus wird das dem Opfer sogar recht unverblümt mitgeteilt („Ey, du Opfer!“).
In diesem Buch ist mit dem Begriff Opfer eine Person gemeint, die spürbar passiv, unentschlossen, unsicher oder furchtsam wirkt und so die Aufmerksamkeit von Menschen auf sich lenkt, die ein Ventil für ihren Zorn suchen.
Man möchte es nicht glauben, aber vielen Menschen ist es gar nicht bewusst, dass sie Opfer sind. Entweder weil sie diese schmerzende Tatsache verdrängen oder weil sie in bestimmten wiederkehrenden Ereignissen, die an einen sensiblen Bereich ihres Wesens rühren, keine Muster erkennen können.
Mit dem Wort Täter hingegen bezeichnen wir in diesem Buch einen Menschen, der gern andere drangsaliert. Von ihm unterscheiden wir den „guten“ Täter, also einen, der vorübergehend eine aggressive Haltung einnimmt, um jemandem, der in Schwierigkeiten ist, zu helfen. Dieser temporäre Täter ist sozusagen der gute Böse, der chronische Täter der böse Böse.
Ich bin nicht in einer Gegend aufgewachsen, in der Mord und Totschlag an der Tagesordnung waren, aber man kann auch nicht behaupten, ich wäre im Villenviertel von Graz groß geworden.
Wo ich wohnte, gab es keinen Spielplatz, keinen Fußballplatz und nicht einmal eine Grünfläche. Der nächste Park war eine Viertelstunde Fußweg entfernt, und die paar Bäume in unserer Straße, die noch nicht hässlichen Neubauten hatten weichen müssen, teilten sich Hunde und Obdachlose für ähnliche Zwecke. Damit waren sie nicht einmal als Torstangen zu gebrauchen, weil der Tormann vor jeder Parade Ekel und Ehrgeiz hätte abwägen müssen.

Daher vertrieben meine Freunde und ich uns nach der Schule die Zeit auf mehr oder minder unkonventionelle Weise. Fußball spielten wir ungeachtet des Verkehrs mitten auf der Straße (so viele Autos fuhren ja nicht durch diese Nebenstraße, beschwichtigten wir unsere Eltern), unterhielten uns mit den betrunkenen Obdachlosen, die sich morgens, wenn das „Asyl“, wie die Nachtherberge für gestrandete Menschen eine Straße weiter hieß, ihre Türen bis zum Abend schloss, auf den Bänken entlang unserer Straße breitmachten, und einmal nahm mich ein Mitschüler, dessen Vater in jener Justizanstalt einsaß, in der mein Großvater als Aufseher arbeitete, zu einem Einbruch mit.
Wir erbeuteten 72 Schilling, umgerechnet 5 Euro, die die Mitglieder einer katholischen Jugendorganisation bei ihren Eltern für einen guten Zweck gesammelt hatten, wie aus beiliegenden Zetteln hervorging, auf denen mit krakeliger Handschrift stand: Mama Spende 1 Schilling, Opa Spende 3 Schilling, Franzi Spende 1 Schilling … Ich war damals neun Jahre alt, und ich schäme mich noch heute, wenn ich mir die Gesichter der Kinder vorstelle, wie sie die aufgebrochene Geldkassette finden.“

 

Thomas Glavinic (Graz, 2 april 1972)

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

 

Wagen rit

Mooie maan van Mariampol! Op jouw
strooien rand, mijn stadje,

achter de kramen,
komt hij op,
zwaar, en hangt een beetje
naar onderen door. Zo loopt de
paardenhandelaar, hij koopt
voor zijn moeder een franjedoek.

s Avonds
laat
zongen die beiden. Wij reden
huiswaarts langs de rivier,
bij de veerpont met roep en tegenroep
ging het praten als water
licht – en wij hoorden hem lang

boven de stad,
hoog in de torens, hoorden
de jiddische maan. Die is
als diep in de tuin het kleine
kruid van tranen en kussen,
ruit, onze meisjes
breken het af.

Joneleit, kom, verlies je
doek niet. De oudjes slapen.
Uitgezongen
is weer een nacht.

 

Vertaald door C. O. Jellema

 

Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)

 

Zie voor de schrijvers van de 2e april ook mijn blog van 2 april 2020 en eveneens mijn blog van 2 april 2019 en ook  mijn blog van 2 april 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Der erste April (Hoffmann von Fallersleben), Jay Parini

 

Bij het begin van de maand april

 

The Cornish April door Adrian Paul Allinson, 1938

 

Der erste April

Wie wir als Knaben uns doch neckten!
Wie wir voll Schelmenstücke steckten!
Ich mach´s noch heute nicht bekannt,
Wonach ich einstmals ward gesandt,
Ich schweige still,
Sonst hört’  ich heute noch: April, April!
Man schickt den dummen Narren wie man will.

Nach ungebrannter Asche gingen,
Nach Mückenfett und selteneren Dingen
wir ernsthaft in des Krämers Haus,
Der warf uns dann zur Tür hinaus.
Schwieg still, schweig still!
Sonst ruft man heute noch: April, April!
Man schickt den dummen Narren wie man will.

Wie wir´s gemacht als kleine Kinder,
So macht´s ein König auch nicht minder:
Er schickt sein Volk nach Freiheit aus,
Es kehret wiederum nach Haus
Ganz still, ganz still.
Die Nachbarn rufen laut: April, April!
Man schickt den dummen Narren wie man will.

 

Hoffmann von Fallersleben (2 april 1798 – 19 januari 1874)
Het geboortehuis van de dichter in Wolfsburg Fallersleben

 

De Amerikaanse schrijver, dichter en essayist Jay Parini werd geboren in Pittston op 2 april 1948. Zie ook alle tags voor Jay Parini op dit blog.

 

ANTRACIET LAND

De kalme vuilnisbelt brandt de hele nacht,
onnatuurlijk blauw en ver onder de hemel.

Hij smeult als bijna vergeten momenten,
de tijd dat je te duidelijk zei
wat je bedoelde en je kans op liefde verpestte.

Weigerend te slinken, gevoed van binnenuit
zoals mannen afgewezen voor niets specifieks,
blijft hij liggen aan de rand van de stad, bekeken
door niemand die in de buurt woont. De geur
gaat nu door voor natuur. Hij zou gemist worden.

Wond van de aarde, afval van een tijdperk
toen mannen met een terig gezicht merg groeven
uit de ruggengraat van een sprakeloos land,
weerstaat hij alle genezing.
Zijn lichtgevende bult huilt aangename pijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jay Parini (Pittston, 2 april 1948)

 

Zie voor de schrijvers van de 1e april ook mijn blog van 1 april 2020 en eveneens mijn twee blogs van 1 april 2019 en ook mijn blog van 1 april 2018 deel 2.

Stefan Hertmans, Nichita Stănescu

De Vlaamse dichter, schrijver en essayist Stefan Hertmans werd geboren in Gent op 31 maart 1951. Zie ook alle tags voor Stefan Hertmans op dit blog.

 

Bramenvingers

De lichte ruk waardoor het twijgje
vruchten lost, en veert,
en zich zo snel
door huid kan boren,

kleine weerhaak, groengepunt.

Zwart is het trosje
dat bloed lost, een druppel,

amper genoeg voor smaak,

het loskomen van heel ver,
noem het een einder
aan dit ogenblik

waarop je, vinger in de mond,
geschrokken naar me staart

met paarse ogen,
zo heel erg lang
geleden, het glanzen

van geplette vruchten
op de lippen van je buik.

 

Verwensing van de klok

Je hebt het glas niet stuk
gegooid omdat je lippen beefden;
ik heb dit drinken stuk gewenst
omdat niets mogelijk meer was.

Je kunt iets zo hard willen
dat de dagen sneeuwen in je hoofd.
Wijzers van klokken, slingers in
smalle lijven, adem is

haperen tussen wat even komt
en nu al was. Je kunt de
cijfers lezen in mijn huid.

Morgen sta je te luiden als
een oude liefde op de gang.
Met elke slag meet je
het breken van verlangen.

 

Wilde kiemen

Je kunt, tegen dit beeld
aanhikkend, de zinnen breken
die ons gister zinvol leken.

Dood komt het vlugst in
de details – een oogwenk
later, op het spitsuur,

als je aan gele bloemen denkt,
en dan donkere vlekken op de muur
als je mij zoekend
naar de bodem zinkt.

Laat snel gaan wat
niets meer belooft.
Ik wil een muur om bij te liggen,
lang en gerieflijk uit de wind,

misschien een losse steen of twee

om daar je groene ogen mee
te dekken, als het midden
in de zomer sneeuwt
en ik aan wilde kiemen denk.

 

Stefan Hertmans (Gent, 31 maart 1951)

 

De Roemeense dichter en essayist Nichita Stănescu werd geboren op 31 maart 1933 in Ploieşti. Zie ook alle tags voor Nichita Stănescu op dit blog.

 

Poëzie

Poëzie is het wenende oog
zij is de wenende schouder
het wenende oog van de schouder
zij is de wenende hand
het wenende oog van de hand
zij is de wenende ziel
het wenende oog van de hiel.
O, vrienden,
poëzie is geen traan
zij is het wenen zelf
het wenen van een niet uitgevonden oog
de traan van het oog
van degene die mooi moet zijn
van degene die gelukkig moet zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nichita Stănescu (31 maart 1933 – 13 december 1983)
Portret door Sorin Adam, 2004

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e maart ook mijn blog van 31 maart 2020 en eveneens mijn drie blogs van 31 maart 2019. 

Gerrit Komrij, Milton Acorn

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus, polemist en toneelschrijver Gerrit Komrij werd geboren op 30 maart 1944 in Winterswijk. Zie ook alle tags voor Gerrit Komrij op dit blog.

 

Willem Kloos

Er zijn in Oostenrijk veel hoge bergen.
Hoe in de nacht de leidingen verzuilen.
De reuzen willen ruilen met de dwergen.
Kijk, Kloos zit op een bloem te huilen.

Maar jij huilt met één opgetrokken been
Ook wel op zachte, maar zo vreemde wijze:
Je staat als zuil om hek van zuilen heen,
Enklave. Vrouwen dalen, mannen rijzen.

Waarom de tranen juist in kalme tijden?
Talloze klieren werken op de fallus,
En als je neuken wil, dan moet je lijden.
Je weet niet of met Kloos dat het geval is.

 

Du musst verstehn

Als kind vond je een puntenslijper ’t fijnst.
Ze waren ingebouwd onder in een poesje
Of zo. Dat vond je niet zo gauw.
Er zat een inktlap aan. Die moest je

Helpen als je vlekken had gemaakt.
Van kindsbeen af heb je ’n beeld behouden,
Dat, toen je eens verloren was geraakt
In een wild bos, een vrouw, wat ouder,

(Het kon een heks zijn) zo een van binnen
Ingebouwde slijper aan je gaf.
En zei: Van nu af aan zijn we vriendinnen.
En zei: Het zijn de dingen van je graf.

 

Slakkenhuis

De melkkruk werd op een zekere dag zo groot
Dat wij er gemakkelijk van konden eten,
Met z’n twaalven; maar, aan de andere kant, de goot
Steen verschrompelde tot een eierpan. Weten

Mocht het de hemel wat ik daar nou mee moest doen.
(Vaak is het zo droevig in een mensenleven.)
Ik stond mij ook juist af te vragen, waar de schoen
Dan knelde, toen op de koop toe hele scheve

Verzakkingen en zo knaagden onder de, ja,
Waaronder? Daarna opstulpingen en deuken,
Toen kleurverschietingen, en dat gedonderjaag.
Zeg maar jaja, vriend, daar gaat je mooie keuken.

 

Gerrit Komrij (30 maart 1944 – 5 juli 2012)

 

De Canadese dichter Milton James Rhode Acorn werd geboren op 30 maart 1923 in Charlottetown, Prince Edward Island. Zie ook alle tags voor Milton Acorn op dit blog.

 

Wetende dat ik in een donkere tijd leef

Wetende dat ik in een donkere tijd leef vóór de geschiedenis,
kijk ik naar mijn portemonnee en
wordt minder getroffen door vuurgevechten in de lanen
dan door de nieuwslezer met zijn vuile roze schrale gezicht
die een sjofele dichter terugroept voor zijn wisselgeld.

De kraaien pesten de knipperende, zon-domme uil;
wolven eten eerst het achterste van een verlamd kalf,
houden hun vlees levend en vers … dit
zijn tekenen van een vooruitziende blik, een begin van verstand:
maar Jezus die doornen draagt en met een zonnesteek
die zijn leven en dood in woorden beitelt
om de roedes te breken en de bijlen van Rome bot te maken:
dit en soortgelijke dingen volgden.

Wetende dat ik in deze aangekondigde regenboog
leef als een trapezeartiest met hoofdpijn,
mijn gedichten zijn geen aspirines … ze laten
bleke bajonetten zien van gras die dunnetjes op duinen wuiven
de lamme en zijn lyrische geheimen;
mijn vriend Al, vakbondsbouwvakker en cynicus,
die aarzelt om zijn eigen fijngevoelige gedichten te geloven
uit vrees in iets beters te geloven dan zichzelf:
en de geschiedenis, die nog moet beginnen,
zal dit overtreffen, dit verheerlijken
zoals een gedicht zijn dichter uitwist en herschrijft.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Milton Acorn (30 maart 1923 – 20 augustus 1986)
Portret door Kent B. Johnson, 2018

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30 maart ook mijn blog van 30 maart 2020 en eveneens mijn blog van 30 maart 2019 en ook mijn blog van 30 maart 2018 en mijn blog van 30 maart 2017 en eveneens mijn blog van 30 maart 2014 deel 2 en ook deel 3.

Geert van Istendael, R. S. Thomas

De Vlaamse schrijver, dichter en essayist Geert van Istendael werd geboren in Ukkel op 29 maart 1947. Zie ook alle tags voor Geert van Istendael op dit blog.

 

Zevenmaal James Ensor

‘…Ostende, fée souveraine…’

De stad had zoute benen, zoete armen.
Toen kwam de vorst met wondere geschenken:
een stad die openkrulde als een blad,
een koningin, een zilveren oord, Oostende.

Al bouwend sloopt de stad zichzelf. Erbarmen.
Het jonge masker kan niet eens meer denken:
ooit was dit mooi. Een schilder huilde, vrat
zich op. Na hem komt, lomp en plat, ellende.

 

‘…Un piètre amoureux…’

Zij zei: hij was een armetierig minnaar.

Hij zegt: zij lokt en doodt. Zij heet Sirene.
Hij vreest haar huwbaarheid. Toch waakt hij jaren
bij haar. Nooit kruipt de waakhond op de meesteres.

Hij draagt de bloemen van de overwinnaar
als hij de kleur bevrucht. Hij is verdwenen
in verf. Die neemt hij, heftig, lang. Zo paren
de kuise schilder en de minnares.

 

…On le surnommait Pietje de Dood…

Het geraamte draagt een pak. Het schildert. Dat
kan zelfs niet op een schilderij. Want ogen
heeft een doodshoofd nooit. Met lege kassen
weet je van licht en schaduw niets. Je bent een dode.

Hij heeft zijn ogen in naakt been gevat,
verwijdert uit pupillen mededogen,
behoudt de koude aandacht. Hem verrassen
kan nooit. Dit ziende doodshoofd breekt een oude code.

 

Geert van Istendael (Ukkel, 29 maart 1947)

 

De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas werd geboren op 29 maart 1913 in Cardiff. Zie ook alle tags voor R. S. Thomas op dit blog.

 

De dood van een dichter

Op zijn zachte bed gelegd nu,
Voor de laatste keer, met een doffe blik
Door zware oogleden op de kleur van de dag,
Weduwe de lucht, wat kan hij zeggen
Dat waard is te vermelden, de boeken zijn allemaal geopend,
Pennen klaar, de gezichten, droevig,
Somber wachtend tot de vermoeide lippen
Een keer bewegen – wat kan hij zeggen?

Zijn tong worstelt om één woord te forceren
Voorbij het dikke slijm; geen toespraak, geen woorden
Voor het nieuws van de dag, alleen dat ene woord ‘sorry’;
Sorry voor de leugens, voor de lange mislukking
In de oorlog van de dichter; dat hij de voorkeur gaf aan
De gemakkelijkere ritmes van het hart
Boven het scanderen van de geest; dat hij nu sterft
Zonder testament, met niets achter te laten
Dan een paar liedjes, koud als stenen
In de dunne handen die om brood vroegen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

R. S. Thomas (29 maart 1913 – 25 september 2000)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e maart ook mijn blog van 29 maart 2020 en eveneens mijn blog van 29 maart 2019 en ook mijn blog van 29 maart 2015 deel 2.

Joost de Vries, Ada Limón

De Nederlandse schrijver Joost de Vries werd geboren op 28 maart 1983 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Joost de Vries op dit blog.

Uit: Rustig aan, tijger

“Wat wil je dat ik zeg? Vrije wil bestaat niet. Neurologen verklaren het leven en programmeurs bootsen onze hersenen zo na dat we ze niet meer hoeven te gebruiken. Het geluid van mijn laptop klinkt als iets wat opstijgt naar de hemel. God is een algoritme, ik heb er niets over te zeggen, ik log in en er wordt me van alles in de schoot geworpen. Nu dus jou. Sylvia. Hé, hallo. Ik kan niet aan jou denken zonder aan de rest te denken, en of de rest aan ons terugdenkt weet ik niet. Vast, soms. Om het zeker te weten kan ik dan maar beter zelf aan jou en mij denken.
John en Olivia hebben nog grootaandelen, ik nog een paar. Appeltje voor de dorst. Elias heeft zich laten uitkopen, zit in Cork – hij was vanbinnen altijd al een Ier, woont aan de kust, er zat eindeloos veel in hem wat moest uitwaaien. John woont nog steeds in Den Haag, hij nachttreint ondertussen al dertig jaar. De directeur in Brussel inmiddels, een grote meneer. De Muis kreeg een knobbeltje in haar borst. Ik zei ooit tegen haar: ‘We moeten het nog zo lang met elkaar uithouden, nog decennia, en dit wereldje is zo klein.’ We stonden bij de brug, na het zoveelste avondje in Het Brood. Ik bedoelde het claustrofobisch. Dat leven als een koket studentenhuis waar we elkaar steeds maar op de overloop tegenkwamen. Ze schokschouderde, ingesleten frons achter haar grote lesbische bril. ‘Laten we het hopen,’ zei ze.
Een zachte wijsheid. Later kwamen we daarop terug en vonden we het op jou slaan. Toen zij ziek werd durfde ik er niet over te beginnen. Je zou trots op haar zijn geweest, onze lieve Muis, een kleine stoïcijn, hard als vuursteen.
En ik zit dus hier. Ik kan de Middellandse Zee horen, maar net niet zien. De nieuwe buren hebben aan de voet van hun terrein een rij bomen gekapt, Russen, betaalden de groenboete lachend. Voor mij hoeft dat niet. Ik ken de zee onderhand, weet hoe het water verkleurt met de seizoenen. Vandaag blijf ik binnen, op de 7G, ‘Ik trek het hele internet leeg’ – bedacht jij die slogan nu of Elias? Zuckerbergs algoritme biedt me een herinnering aan. Ik ken die foto te goed. Zelfs als ik hem niet deel met mijn volgers is het te laat, zelfs als ik hem wegklik zit hij in mijn hoofd. Het orakel van Delphi vertelde je nooit wat je lotsbestemming was, maar wat je moest horen om die lotsbestemming te bereiken. Jij was niet mijn lotsbestemming. Weet ik wel. Klinkt ook pompeus. Maar toch zit ik hier naar je te kijken. Heb ik nooit echt genoeg van gekregen.”

 

Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983)

 

De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.

 

Gras maaien

De man aan de overkant maait 40 hectare op een kleine grasmaaier.
Die is zo klein, het moet hem dagen kosten, dus ik stel me voor dat hij het leuk vindt. Dat

moet wel. Hij gaat zorgvuldig om elke boom heen. Hij heeft 10.000 bomen; het is
een boomkwekerij, dus er zijn zo veel bomen. Een cirkel hier. één cirkel
daar. Mijn hond en ik hebben gekeken. Het licht ontsnapt aan de hemel,
en er is deze plek waar ik graag sta, het is voor zonsopkomst, dus ik ben on-
zichtbaar. Ik sta daar, en ik heb de hond, en de man is aan het maai-
en in zijn cirkels. Zoveel cirkels. Er zijn geen vogels of zo, of
geen die ik kan zien. Ik stel me voor hoe het moet zijn om verborgen te blijven,
te verdwijnen in het schemerige niets en stil te blijven in de nacht. Het is geen
verdriet, al klinkt het misschien zo. Ik denk aan mensen
en bomen en hoe ik zou wensen dat ik stiller kon zijn, meer boom kon zijn dan
iets anders minder onhandig en luid, minder kraai, meer koele witte den,
en hoe moeilijk het is om niet altijd iets anders te willen, niet slechts
het woeste gras te laten groeien.

 

Vertaald door Frans Romen

 

Ada Limón (Sonoma, 28 maart 1976)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e maart ook mijn blog van 28 maart 2020 en eveneens mijn blog van 28 maart 2019 en ook mijn blog van 28 maart 2017 en ook mijn blog van 28 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Heinrich Mann, Erica Jong

De Duitse schrijver Heinrich Mann werd geboren op 27 maart 1871 in Lübeck. Zie ook alle tags voor Heinrich Mann op dit blog.

Uit: Die Vollendung des Königs Henri Quatre

„Was sollen wir aber tun? Ein Geflüster unter Vertrauten, ein heimliches Gebet zu Gott, und nach dem unverhofften Sieg des Königs bei Arques schwillt für kurze Zeit unsere Hoffnung an, daß der Tag kommt! Höchst merkwürdig, die Weitentfernten machen sich von den Ereignissen meistens einen größeren Begriff als die nahe Wohnenden. Der Sieg des Königs geschah an der Küste der Nordsee: im Umfang von zwei oder drei Tagereisen hätte man staunen sollen. Besonders in Paris hätten sie sich prüfen und ihre hartnäckigen Irrtümer endlich berichtigen müssen. Durchaus nicht. Dort im Norden sahen wohl viele mit Augen, wie das geschlagene Riesenheer der Liga durch zersprengte Banden das Land unsicher machte — was ihnen aber nicht in den Kopf ging. Die Liga blieb für sie unbesiegt; der König hatte vermöge des dichten Nebels, den das Meer verbreitete, und dank anderen Umständen des Kriegsglücks ein unbedeutendes Stück Landes behauptet, das war alles. Für den innersten Teil des Königreiches hatten dagegen die erhofften Entscheidungen sich wirklich angekündigt. Am Flusse La Loire und in der Stadt Tours glaubten sie nach alten Er-fahrungen, daß zuletzt doch immer der König in Person bei ihnen einkehrte. Manchmal als armen Flüchtling, aber endlich als den Herrn, so hatten sie ihn seit Jahrhunderten empfan-gen. Wie nun erst die entlegenen Provinzen des Westens und des Südens! Dort sahen sie diese Schlacht bei Arques, als ob sie vor ihren Blicken nochmals geschlagen würde und wäre ein Machtwort des Himmels selbst. Die stürmischen Protestanten der Festung La Rochelle am Ozean sangen: »0 Gott, so zeige Dich doch nur« — denselben Psalm, mit dem ihr König gesiegt hatte. Von Bordeaux schräg abwärts, der ganze Süden nahm aus ungemessener Be-geisterung vieles als geschehen vorweg, was in weitem Felde stand, die Unterwerfung der Hauptstadt, die Bestrafung mächtiger Verräter und ruhmvolle Einigung des Königreiches durch ihren Henri, geboren bei ihnen, ausgezogen von hier, und jetzt so groß! Gingen seine Landsleute wirklich weiter als alle anderen? Groß — nennt man am leichtes-ten den Mann, den man nicht einmal von Angesicht kennt. Seine Landsleute im Süden wissen aus eigenen Begegnungen, daß er nur gerade mittleren Wuchses ist, den Filzhut zum abge-wetzten Wams trägt und niemals Geld hat. Sie erinnern sich seiner sanften Augen: sprechen diese eigentlich vom heiteren Gemüt oder von manch erlebter Trauer? Jedenfalls ist er schlag-fertig und versteht sich auf den Ton des gemeinen Mannes — versteht sich noch besser auf die Art der Frauen. Von ihnen könnten viele, niemand ermißt die Zahl, seine Geheimnisse verra-ten. Aber sonst so plauderhaft, auf einmal schweigen sie. Genug, hier kennt man ihn von An-gesicht und war nur nicht bei seiner vorigen Arbeit mit, dort oben, wo Nebel lag, wo die Un-seren den Psalm sangen, als sie angriffen und das gewaltige Heer schlugen.“

 

Heinrich Mann (27 maart 1871 – 12 maart 1950)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Erica Jong werd geboren in New York op 26 maart 1942. Zie ook alle tags voor Erica Jong op dit blog.

 

Boeken
“Het universum (dat anderen de bibliotheek noemen).” JORGE LUIS BORGES

Boeken die in het midden zijn dichtgenaaid met grof wit garen
Boeken op het strand met door een zonnebril gekleurde pagina’s
Boeken over eten met foto’s van treurende grapefruits
Boeken over brood bakken met gebruinde hoeken
Boeken over langharige Fransen met niet opengesneden pagina’s
Boeken met erotische gravures met pagina’s die plakken
Boeken over herbergen waarvan de sterren zijn uitgesputterd
Boeken van illuminaties omgeven door duisternis
Boeken met blanco pagina’s en opgedrukte marges
Boeken met fanatieke voetnoten in puntloos zetsel
Boeken met boekenluizen
Boeken met rijstpapier stijfsel
Boeken met boekenzwam die boven hun pagina’s bloeit
Boeken met pagina’s van huid met vleeskleurige banden
Boeken van mannen die verliefd zijn op de letter 0
Boeken die naar aarde ruiken waarvan de pagina’s omslaan

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Erica Jong (New York, 26 maart 1942)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e maart ook mijn blog van 27 maart 2020 en eveneens mijn blog van 27 maart 2019 en ook mijn blog van 27 maart 2017 en ook mijn blog van 27 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.