Pâques (Paul Verlaine)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen! 

 

Paasmetten door  Mykola Pymonenko, 1891

 

Pâques

De Rome, hier matin, les cloches revenues
Exhalent un concert glorieux dans les nues.

L’écho puissant qui flue et tombe de la tour
Vient magnifier l’air et la terre à leur tour,

L’oiseau, sanctifié par l’or des salves saintes.
Lui-même entonne un hymne aimable et, las de plaintes,

Clame l’alleluia sur un air de chanson.
Dans l’arbre, au ras des prés, et parmi le buisson.

L’alouette, un motet au bec, s’est envolée ;
Le rossignol a salué l’aube emperlée

D’accents énamourés d’un amour plus brûlant,
Et comme lumineux d’un bonheur calme et lent.

Le printemps, né d’hier, allègrement frissonne ;
La nature frémit d’aise, et voici que sonne

Partout dans la campagne, au cœur des vieux beffrois
De l’allier campanile et du palais des rois.

Et de tous les fracas religieux des villes
Des Paris aux Moscous, des Londres au Sévilles.

Le frais appel pour l’aime célébration
De l’almissime jour de résurrection …

La colombe vole au sillon et l’agneau broute.
Dis-nous, Marie, qui tu rencontras en route ?

Le fleuve est d’or sous le soleil renouvelé… «
C’est le seigneur : en Galilée il est allé ! »

— Ah ! que le cœur n’est-il lavé dans l’or du fleuve !
Sanctifié dans l’or des cloches, l’âme veuve !

Et que l’esprit n’est-il humble comme l’agneau.
Blanc comme la colombe en ce clair renouveau,

Et que l’homme, jadis conscience introublée.
N’est-il en route encore pour la Galilée !

 

Ostern

Die Glocken, die von Rom uns gestern kehrten, dröhnen
Zum Himmel Lobgesang in feierlichen Tönen.

Das Echo, das vom Turme mächtig flutend ruft,
Verherrlicht rings die weiten Lande und die Luft.

Der Vogel, der geweiht vom Goldklang heil’ger Grüsse,
Vergbisst sein Klagen und stimmt an der Hymnen Süsse.

Und froh sein Halleluja zwitschernd durch die Welt
Singt er auf Busch und Baum, in Wiese, Wald und Feld.

Die Lerche hat mit Festgesang sich aufgeschwungen,
Dem tau’gen Morgen hat die Nachtigall gesungen.

Mit zärtlich süssen Tönen heisser Liebesglut,
Der sonnenhell das Glück in stillem Herzen ruht,

Lebt freudenvoll der Lenz, der gestern neu erstanden,
So selig seufzt Natur, und in den weiten Landen

Von dunklen Türmen manchen altersgrauen Baus
Vom Campanile nieder und vom Königshaus.

Aus allen Städten, da von Festgeläut und Singen
Paris und Moskau, London und Sevilla klingen,

Tönt hell der Jubelruf der Glocken, der uns weiht
Zum gnadenreichen Fest der heil’gen Osterzeit.

Die Taube streift die Flur, das Lamm blökt im Gehege,
Wem bist, Maria, du, begegnet auf dem Wege?

Gold ist der Fluss, der neu der Sonne Glanz empfing.
Es ist der Herr, der einst in Galiläa ging.

– Was wäscht das öde Herz sich nicht im gold’nen Strome,
Was heiligt nicht den Geist der goldne Klang vom Dome?

Was fleht nicht wie ein Lamm der Seele bang Gebet,
Der weissen Taube gleich, da alles neu entsteht?

Was zieht der Mensch, der einst in götllichem Vertrauen,
Nicht heute noch den Pfad nach Galiläas Auen?

 

Vertaald door Wolf von Kalckreuth

 

Paul Verlaine (30 maart 1844 – 8 januari 1896) 
De kathedraal van Metz, de geboorteplaats van Paul Verlaine

 

Zie voor de schrijvers van de 10e april ook mijn blog van 10 april 2021 en ook mijn blog van 10 april 2020 en eveneens mijn blog van 10 april 2019 en ook mijn blog van 10 april 2016 deel 2.

In Memoriam Huub Oosterhuis

In Memoriam Huub Oosterhuis

De Nederlandse priester, theoloog en dichter Huub Oosterhuis is zondag op 89-jarige leeftijd overleden. Dat heeft zijn familie maandag bekendgemaakt. Huub Oosterhuis werd geboren in Amsterdam op 1 november 1933. Zie ook alle tags voor Huub Oosterhuis op dit blog.

 

Gabriël Smit

Gabriël belde mij.
Ik lag, de dood ontkomen,
in Purmerend. Hij schreeuwde:
Wat hoor ik? Heb je pijn?
Ach jongen, ik ben bij je,
dat weet je toch.
——————– Ik wist het.
Zo uit de diepte riep hij.

Zo godverlaten bij me
was hij. En is gebleven.

 

Moederkerk

Ben ik de boom niet
zolang er vogels zijn?
ben ik de moeder niet
opdat er kinderen zijn –
kinderen en vogels, zij
zwierven weg over zee
allen zijn heengegaan
en niemand nam mij mee.

Vogels bevolkten mij
bouwden hun nest in mij
kinderen beminden mij
sneden hun hart in mij –
als zij dan zwerven gaan
en niemand neemt mij mee
ruk ik mijn wortels uit
plant ik mij in de zee.

 

Gelofte

Hoe diep gaat de pijn
van het moedernaakt
maar onaangeraakt
man moeten zijn.

in het niemandsland
van mijn zoete vlees
bekneld en verdeeld
tussen hoop en vrees

sterf ik uit, mijn naam
zal in rook opgaan.

Tenzij leven is
uit de dood opstaan.

 

Huub Oosterhuis (1 november 1933 – 9 april 2023)

Osterpredigt in Reimen (Otto Julius Bierbaum), Eva Gerlach, Johannes Bobrowski

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen! 

 

St. Johannes en St. Petrus bij het graf van Christus door Giovanni Francesco Romanelli, ca. 1640

 

Osterpredigt in Reimen

Verehrter Mitmensch, höre und vernimm
Freundwillig mit Hulden und ohne Grimm:
Dieweil es nun Ostern geworden ist,
Sollst du, von welcher Art du auch bist,
Ob Heide, Jude, Moslem, Christ,
Durchaus vergnügt im Herzen sein,
Osterwürdig und osterrein.

Mit einem Birkenreise kehre
Aus deiner Seele den Geist der Schwere!
Der Wenns und Abers und Achs und Os,
Die hart und starr dein Herz umwindet,
Dass der Geist der Leichte kaum Eingang findet,
Mache dich hurtig und heiter los!

Du brauchst nichts weiter dazuzutun,
Als dich im Grünen auszuruhn.
Da atmet sichs sehr wonnig ein,
Was dir das Herz macht frei und rein:
Der jungen Blumen frischer Hauch;
Und die Augen haben der Wonne auch,
Denn nichts ist lieblicher anzusehn,
Als wie sie da hold beisammenstehn,
Blau, weiß und rosa, klar und licht,
Der Erde süßestes Ostergedicht.

An ihnen dir ein Beispiel zu nehmen,
Sollst du, ach Mensch, dich keineswegs schämen!

Vergiss dein Gehirn eine Weile und sei
Gedankenlos dem lieben Leben
Blumeninnig hingegeben;
Vergiss dein Begehren, vergiss dein Streben
Und sei in seliger Einfalt frei
Des Zwangs, der dich durchs Hirn regiert!

Er hat dich freilich hoch geführt
Und vieles dir zu wissen gegeben,
Aber das allertiefste Leben
Wird nicht gewusst, wird nur gespürt.
Der Blumen zarte Wurzeln fühlen
Im keimlebendigen, frühlingskühlen
Erdboden mehr von ihm als du.
Und bist doch auch ein Kind der Erde.
Dass sie nicht sinnenfremd dir werde,
Wende ihr heut die Sinne zu!

Das ist der festlich tiefe Sinn
Der Ostertage: Mit Entzücken
Sollst du zum Mutterschoß dich bücken.
Gib heut, o Mensch, dich innerst zu beglücken,
Der Mutter Erde frühlingsfromm dich hin!

 

Otto Julius Bierbaum (28 juni 1865 – 1 februari 1910)
De oude markt met de katholieke kerk in Grünberg, de geboorteplaats van Otto Julius Bierbaum

 

De Nederlandse dichteres en vertaalster Eva Gerlach (pseudoniem van Margaret Dijkstra) werd geboren in Amsterdam op 9 april 1948. Zie ook alle tags voor Eva Gerlach op dit blog.

 

Veergeld 1

Liggen we ’s nachts met de doden die op ons gaan zitten
ons strelen met handen van talk bergamot en citroen

bij elke beweging levender: Han met de tanden
Mentja met puilende ogen, iets in ons haalt ze over

door te gaan, toe dan, aderen zwellen op
vellen als gedroogd bloemblad, een schrift van verwarring

verwijzing: nu wil ik mijn oma
Tsjoetsjoe, trillend, het ei van de struma beweegt

in haar hals en de hel breekt los, rent ze
met loshangend haar, de doden klemmen zich vast

wie zich verstopt kan nooit meer weg, blijft daar
dubbelgevouwen steken zwart in zwart – : liefje

slaap je? ik moet je smoren, jij mij tegelijk!
waar is je kussen, hoe laten ze anders los –

De ochtend wekt ons met geluid van vracht
wagens door de straat, de muren trillen

en we kijken naar buiten, het raam hangt scheef, in de verte
zien we de bergen, maar op de manier van de vlieg.

 

Figuur over de rivier gebogen 2

Zullen we nou nog gaan vissen of niet. Kijk de hengels,
allemaal gisteren voor je gekocht alle twintig,
je kwam niet en ik kon je nergens vinden.

Dus dit is het aas het zoetste zingen en fluiten
en daar staat de picknickmand vol met zelfrijzend verschiet
en hier heb je eersteklas stof waarmee ik je aankleed,

wil je het. Of toch liever
niet nee ik ga al blijf rustig hier bij de graten
schubben en staarten. Verteer maar ik breng je nog wat
.

 

Terug

Vannacht reed ik met je naar wat je zei,
je zat voorop en riep wat je bedoelde.
Wij stopten bij de horizon, daar bloeiden
achter de lage dijk de sterrenvelden.

Toen kwamen kleine dieren uit de greppel
de steil opsprongen tussen jou en mij,
die aten van ons goed en met hun hoeven
verschrikkelijk tegen onze levens sloegen.

Wij veegden elkaar schoon en liepen verder:
kronen zouden wij vlechten; maar er kwam
wind over ijs en water aan geblazen
die ons naar huis en naar gebrek meenam.

 

Eva Gerlach (Amsterdam, 9 april 1948)
Bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs voor poëzie door Kees Fens in 2000

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

 

PASEN

Daar nog steeds heuvels,
de duisternis, maar
goed te beklimmen, van veraf
naderen de vlaktes , met de wind
mee hun gehuil.

Over het bos. De rivier
komt, de berkenbosjes
gaan tot aan de muur, torens,
sterren rond de koepels, het gouden dak
heft aan kettingen een kruis omhoog.

Daar
in de donkere stilte
licht, zingen, zoals onder
de aarde eerst, klokken, slagen,
van de stemmen het hanengekraai

en omarming van briesjes,
klinkende briesjes, op witte
muurtorens, de hoge
torens van licht, ik heb
jouw ogen, ik heb jouw wang,
ik heb jouw mond,
opgestaan is de Heer, zo roept,
ogen, roep, wang, roep, mond,
roep hosanna.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)
Borstbeeld van de dichter in de Johannes-Bobrowski-Bibliotheek in Berlijn- Friedrichshagen

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e april ook mijn blog van 9 april 2020 en eveneens mijn blog van 9 april 2019 en ook mijn blog van 9 april 2018 en ook mijn blog van 9 april 2017 deel 2.

Great and Holy Saturday (Madeleine L’Engle), Hanz Mirck, Johannes Bobrowski

 

Bij Stille Zaterdag

 

Stille Zaterdag door Eugene Burnand, 1907-1908

 

Great and Holy Saturday

Death and damnation began with my body still my own,
began when I was ousted from my place,
and many creatures still were left unnamed.
Gone are some, now, extinct, and nameless,
as though they had never been.
In hell I feel their anxious breath, see their accusing eyes.
My guilt is heavier than was the weight of flesh.

I bear the waste of time spent in recriminations
(“You should not have…” “But you told me…” “Nay, it was you who…”).
And yet I knew my wife, and this was good.
But all good turned to guilt. Our first-born
killed his brother. Only Seth gave us no grief.
I grew old, and was afraid; afraid to die, even knowing
that death had come, and been endured, when we
were forced to leave our home, the one and only home a human man
has ever known. The rest is exile.
Death, when it came, was no more than a dim
continuation of the exile. I was hardly less a shadow
than I had been on earth, and centuries
passed no more slowly than a single day.

I was not prepared to be enfleshed again,
reconciled, if not contented, with my shadow self.
I had seen the birth of children with all its blood and pain
and had no wish ever to be born again.

The sound, when it came, was louder than thunder,
louder than the falling of a mountain,
louder than the tidal wave crashing down the city walls,
stone splitting, falling, smashing.
The light was brutal against my shaded eyes,
blinding me with brilliance. I was thousands
of years unaccustomed to the glory.
Then came the wrench of bone where bone had long been dust.
The shocking rise of dry bones, the burning fleshing,
the surge of blood through artery and vein
was pain as I had never known that pain could be.
My anguished scream was silenced as my hand was held
in a grip of such authority I could not even try to pull away.
The crossed gates were trampled by his powerful feet
and I was wrenched through the chasm
as through the eye of the hurricane.
And then—O God—he crushed me
in his fierce embrace. Flesh entered flesh;
bone, bone. Thus did I die, at last.
Thus was I born.
Two Adams became one.
And in the glory Adam was.
Nay, Adam is.

 

Madeleine L’Engle (29 november 1918 – 6 september 2007)
De Church of the Resurrection in Manhattan, New York, de geboorteplaats van Madeleine L’Engle

 

De Nederlandse dichter Hanz Mirck werd geboren op 8 april 1970 te Zutphen. Zie ook alle tags voor Hanz Mirck op dit blog.

 

Verschijningsvormen. Een kruisweg met dertig staties…

  • 1             Op wie alle eerste woorden hoorden, ook later.
  • 2             Die uit de knop kwam. Die bloeide. Die vrucht droeg. Die het kwadraat was van zichzelf. Van hen samen. Van hem. Appel van zijn stam, stam van zijn appel.
  • 3             Die donker was en bitter smaakte. En toch zoet.
  • 4             Met wie hij in een kwartet zat. Drie ervan stonden op de foto, met twee schreven ze een gedicht, haar alleen zag hij nooit meer terug. De tweede schreef niet meer, de derde zag hij nog eens met een eendenbek op TV.
  • 5             Die niet de vijfde maar wel zijn zevende wilde wezen.
  • 6             Die hem vroeg ‘Doe mij pijn’. Of hij zo lief zou willen zijn.
  • 7             Die hem tot aan de kerkdeur, die hem onder de ogen van de paus, die dronken werd van de miswijn, over wie hij niet biechtte.
  • 8             …over wie hij wel dacht, maar niets opschreef.
  • 9             Maar dan ook echt niets.
  • 10           Die werkte als bibliothecaresse waarvan hij dacht dat ze Tonke Dragt was (van wie hij geloofde dat zij een jonkvrouw was).
  • 11           Die in dezelfde trein de weg kwijtraakte.
  • 12           Die steeds zo eenzaam was; ze bleef het. Maar nu in Brussel.
  • 13           Die hij haatte omdat ze niet bekende; die hij niet bekende omdat hij haar haatte.
  • 14           Die praatte en praatte maar niets zei, halt hield maar niet wachtte, niet waarschuwde maar uitdaagde, heel zachtjes schreeuwde.
  • 15           Die meer zei dan er te zeggen bestond.
  • 16           Waarmee hij nooit sprak maar wier boodschappers men in koptelefoons kon horen galopperen en die beeldschermen deden trillen.
  • 17           Van wie het valse hondje zuiver werd toen het hem zag.
  • 18           Was hij nog niet en zij geen zestien. Geen auto en geen brommer dus, alleen een mandje dat met een touw op en neer kon de balustrade langs van haar balkon.
  • 19           Die op nummer 19 woonde. Of op 91, daar wil ik af zijn. Maar hij loopt er zo naartoe.
  • 20           Die twintig was geworden alsof ze dertig was. En nu dertig werd alsof ze twintig was. Eerst   was ze teveel, nu bleef er weinig meer van haar heel. Teveel van hem genomen, teveel aan hem verloren. Waar zou ze dat nu moeten gaan halen?
  • 21           Zij die geen woord zei. Ook toen niet.
  • 22           Hij gaf een vals adres op; zij een niet-bestaand telefoonnummer.
  • 23           Die te gemakkelijk was. Veel te gemakkelijk. Nee, echt, hou op.
  • 24           Die dacht dat het gedicht over haar ging. (Of over hem.)
  • 25           Naar wie hij keek als ze sliep.
  • 26           Die een engel was. Die angstaanjagend was en hij: zag niets daarvan.
  • 27           Die Vergilius te wonen wist. En een vrijgeleide voor de hel klaarlegde. Konden ze gezellig samen…
  • 28           Die hij uit achtentwintig dames zou herkennen, blindelings of dovelings, geboeid of geslagen.
  • 29           Die wilde dat het kon. Maar het kon niet dat hij het wilde.
  • 30           Zij. Die het verleiden eenvoudig oversloeg.
  • 31           Die haar handschoenen uitleende om terug te brengen.
  • 32           Op wier parfum hij verliefd werd. (Als ze de naam ervan prijsgeeft, zal hij ze een schadeclaim   sturen…)
  • 33           Die dat allemaal was. en meer. En niets van dat al.

 

Hanz Mirck (Zutphen, 8 april 1970)

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

 

DE KERK
«Verlicht mijn verdriet»

Boven de muren,
steen, boven de bogen
de koepels van wind, samengevoegd
onder de hemel, oud,
die met veerboten en vlotten komt,
die voor de avonden uit
zingt, bijenrook vaart met hem mee, adem
van de frambozenstruik, laat –
wanneer de vrouwe der velden,
met ronde ogen, wit haar,
verstijft met haar smalle armen,
licht, een essenboom,,
handen uit bladeren als wolken,
van de heide de bittere lucht
opvangt en de drank
naar de mond brengt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e april ook mijn blog van 8 april 2020 en eveneens mijn blog van 8 april 2019 en ook mijn blog van 8 april 2018 deel 2.

Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen (Jacqueline van der Waals), William Wordsworth

 

Bij Goede Vrijdag

 

De kruisdraging door Jacob Jordaens, 1657

 

Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen

Noem de overtreding mij, die Gij begaan hebt,
Het kwaad, gekruisigd God, dat Gij gedaan hebt,
Waaraan Uw volk U schuldig heeft bevonden,
Noem mij Uw zonden.

Gij wordt gegeseld en gekroond met doornen,
Geminacht als de minste der verloornen,
En als een booswicht, die zijn straf moet dragen,
Aan ’t kruis geslagen.

Zeg mij, waarom men U aldus gehoond heeft,
U dus, mijn vorst, gescepterd en gekroond heeft,
– Om voor mijn schuld verzoening te verwerven,
Moest Gij dus sterven?

Hoe vreemd, dat voor de schapen zijner weide
De herder zelf ter slachtbank zich liet leiden,
De heer zich voor de schulden zijner knechten
Aan ’t kruis liet hechten!

O wonderbare Liefde, die ons denken
Te boven gaat, wat kan mijn liefde U schenken,
Wat ooit bereiken met de arbeid mijner dagen,
Dat U behage?

O Liefde, voor dit offer van Uw leven,
Wat kan ik dan mijzelf ten offer geven,
Opdat ik nooit, hetzij ik leve of sterve,
Uw liefde derve.

 

Jacqueline van der Waals (26 juni 1868 – 29 april 1922)
De Paleiskerk in Den Haag, de geboortestad van Jacqueline van der Waal

 

De Engelse dichter William Wordsworth werd geboren op 7 april 1770 in Cockermouth, Cumberland. Zie ook alle tags voor William Wordsworth op dit blog.

 

De wereld is ons te nabij

De wereld is ons te nabij: wij gaan
Ten onder aan verspillen en verkrijgen.
Van de natuur is ons maar weinig eigen,
Ons hart, pover geschenk, is afgestaan.
Die zee, haar borst ontblotend voor de maan;
De winden, die ons ieder uur bedreigen,
Nu slaperig, als bloemen die zich neigen –
Wij zijn er niet op afgestemd, verdaan
Is alles wat ons raakt. O God! Indien
Ik heidens was, in oud geloof geboren,
En staand in deze blijde beemd misschien
Een glimp opving, was ik niet zo verloren;
Dan kon ik Proteus in de golven zien
En de omkranste hoorn van Triton horen.

 

Vertaald door Wiebe Hogendoorn

 

William Wordsworth (7 april 1770 – 23 april 1850)
Portret door Henry Edridge, 1804

 

Zie voor nog meer gedichten bij Goede Vrijdag ook alle Goede Vrijdag tags op dit blog.

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e april ook mijn blog van 7 april 2021 en ook mijn blog van 7 april 2020 en eveneens mijn blogs van 7 april 2019

Das Abendmahl (Rainer Maria Rilke), Kazim Ali

 

Bij Witte Donderdag

 

Het Laatste Avondmaal, Fresco door Leonardo da Vinci in
het dominicaner klooster Santa Maria delle Grazie in Milaan, 1495 – 1498

 

Das Abendmahl

Sie sind versammelt, staunende Verstörte,
um ihn, der wie ein Weiser sich beschließt
und der sich fortnimmt denen er gehörte
und der an ihnen fremd vorüberfließt.
Die alte Einsamkeit kommt über ihn,
die ihn erzog zu seinem tiefen Handeln;
nun wird er wieder durch den Wald wandeln,
und die ihn lieben werden vor ihm fliehn.
Er hat sie zu dem letzten Tisch entboten
und (wie ein Schuß die Vögel aus den Schoten
scheucht) scheucht er ihre Hände aus den Broten
mit seinem Wort: sie fliegen zu ihm her;
sie flattern bange durch die Tafelrunde
und suchen einen Ausgang. Aber er
ist überall wie eine Dämmerstunde

 

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
De St. Nicolaaskerk in Praag, de geboortestad van Rainer Maria Rilke

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

 

Exit-strategie

Ik hoor het geluid van de sproeier buiten, niet het zachte soort waar we vroeger doorheen renden
maar de harde soort die in één richting zwiept, dan terugdraait en opnieuw begint.

Gisteravond waren we van plan om het witte argument van de Melkweg te vinden
maar we zijn twintig jaar te laat. Gisteravond heb ik de laatste sterrenkijker
lelie afgesneden om in mijn haar te dragen.

Vanmorgen, de moeilijkste aardrijkskundequiz die ik ooit heb gedaan: hoe draag je
jezelf van berg naar meer naar woestijn zonder iets achter te laten?

Misschien had ik harder moeten werken.
Misschien had ik er beter op kunnen letten.
Een berg die ik niet heb beklommen. Muziek waar ik naar verlangde maar niet kon bereiken.

Ik reis zonder kaarten, freestyle mijn geschriften, doe alsof de lucht adequaat
mijn spirituele overtuigingen vertegenwoordigt.

De sproeier stopt ermee. Het gras zal nat zijn.
Ik ben nog niet eens op pagina 2 van mijn leven gekomen en ik ben waarschijnlijk meer dan halverwege,
wie weet wat voor wezen ik zal worden.

 

Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)

 

Zie voor nog meer gedichten bij Witte Donderdag ook alle Witte Donderdag tags op dit blog.

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e april ook mijn twee blogs van 6 april 2019.

Hugo Claus, Jesús Carrasco, Maya Angelou

De Vlaamse schrijver Hugo Claus werd in Brugge geboren op 5 april 1929. Zie ook alle tags voor Hugo Claus op dit blog.

 

MARSUA

De koorts van mijn lied, de landwijn van mijn stem
Lieten hem deinzend achter, Wolfskeel Apollo,
De god die zijn knapen verstikte en zwammen,
Botte messen zong, wolfskeel, grintgezang.

Toen vlerkte hij op, gesmaad,
En brak mijn keel.
Ik werd gebonden aan een boom, gevild werd ik, gepriemd
Tot het water van zijn langlippige woorden in mijn oren vloeide,
Die ingeweld begaven.

Zie mij, gebonden aan de touwen van een geluidloos ruim,
Geveld en gelijmd aan een koperen geur,
Gepunt,
Gericht,
Gepind als een vlinder
In een vlam van honger, in een moeras van pijn.
De vingernagels van de wind bereiken mijn ingewanden.
De naalden van ijzel en zand rijden in mijn huid.
Mij heeft niemand meer genezen.
Doofstom hangt mijn lied in de hagen.
De tanden van mijn stem dringen alleen meer tot de maagden door,
En wie is maagd nog of maagdelijke bruidegom
In deze branding?

(Een bloedkoraal ontstijgt in
Vlokken mijn hongerlippen.
Ik vervloek
Het kaf en het klaver en de horde die op mijn daken
De vadervlag uithangt – maar gij zijt van steen.
Ik zing – maar gij zijt van veren en gij staat
Als een roerdomp, een seinpaal van de treurnis.

Of zijt gij een buizerd – dáár – een wiegende buizerd?
Of in het zuiden, lager, een ster, de gouden Stier?)

Mij heeft niemand meer genezen.
In mijn kelders is de delfstof der kennis aangebroken.

 

Vogels

Vandaag
is de vogellucht
een loos gerucht

Hun gekrijs om spijs
verbluft

Zij hebben voornamen
Zij onthouden gezichten

Hun lawaai
is vervormd tot lied

Zij weten immers niet
dat een immens netwerk
de planeet omspant
om mensen
en vogels te vangen
en splinters meteoriet

Men herkent in de zwerm
de raaf
Hij verft zijn haar
met bloed

 

Behoud

Behoud de begeerte.
Vergeet waarvoor je in de kou
wou staan en sterven
toen je dacht dat de wereld een lente
was of een vrouw.

Verwacht dag en nacht
maar vergeet de vrees die je was.
Betaal geen rente voor je gedrag.

Morgen versnelt.
Gisteren zwelt
liefde doodt, gaat niet dood.

Behoud geen resten.
Stap over haar schreef.
Zij blijft de welkriekende dreef
in jouw verwoeste gewesten.

 

Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)

 

De Spaanse schrijver Jesús Carrasco werd geboren in Badajoz, Extremadura, op 5 april 1972. Zie ook alle tags voor Jesús Carrasco op dit blog.

Uit: Bring mich nach Hause( Vertaald door Silke Kleemann)

„Ende der Sechziger warfen die Felder immer weniger ab, die Fabriken suchten fortwährend nach Arbeitskräf-ten, und von einem Tag auf den anderen wurde aus dem Maultiertreiber einer, der an der Fräsmaschine stand. Juans Vater verließ das Ackerland und sein Dorf, Cruces, für eine Faserzement-Fabrik in Getafe südlich von Mad-rid. Seine Mutter wiederum tauschte den steingefliesten Boden der Mühle, in der sie zur Welt gekommen war, gegen die lackierten Dielen einer gutbürgerlichen Woh-nung im Zentrum der Hauptstadt ein. Hinten im Lichthof führte für sie eine Dienstbotentreppe direkt in die Küche. Am Haupteingang öffnete ein Concierge den Herrschaf-ten die Tür. So lernten die beiden sich kennen, durch den Concierge, der ein Freund des Vaters war. Eines Sonntag-nachmittags stellte er sie einander vor, als sie aus dem Kino kamen. Sie setzten sich in ein Straßencafd in der Nähe, wo sie ihm erzählte, dass sie aus Aldeanueva de la Vera kam, in Cdceres, und hierhergekommen sei, weil kaum noch mit Wasserkraft Mehl gemahlen wurde. Er mochte ihre schüchterne Art zu lachen. Ihr fiel die wet-tergegerbte Haut seiner Hände auf und so was wie ein Weizenduft, als sie einander zum Abschied auf die Wange küssten. Sie waren zwei Jahre verlobt, bevor sie heirate-ten. Kurz nach Isabels Geburt zahlten sie die erste Rate für eine winzige, dunkle Wohnung im Arbeiterviertel Las Margaritas, gleich dort in Getafe, wo sie auch den Groß-vater väterlicherseits nach dem Tod seiner Frau aufnah-men. Als Juan geboren wurde, ersetzten sie den kleinen Seat 600 durch einen Renault 4. Jedes Wochenende stie-gen sie ins Auto und fuhren mit dem Großvater zurück nach Cruces, um im Haus dort die Fenster aufzureißen und ihn mit auf die Felder zu nehmen, denn in Getafe hatte es den Anschein, als wollten die Ziegelsteine den alten Mann ersticken, was dann letztlich auch geschah. Nachdem der Vater von der Fabrik in Frührente geschickt worden war, zogen sie schließlich dauerhaft nach Cruces. Juan war sechs Jahre alt und seine Schwester zehn. Der Großvater kehrte nicht mit ihnen zurück. Obwohl der Vater nicht arbeiten sollte, verbrachte er die ersten Monate damit, das Land zurückzuerobern – da-mals ein Gemüsegarten mit Geräteschuppen und künst-lich angelegtem Wasserbecken, Mandelbäume, einige wenige Getreidefelder und eine Stallung, in der die Fami-lie früher einmal Zicklein gezogen hatte. Mit dem Geld, das er in Getafe als Abfindung erhalten hatte, erwarb er die Maschinen einer gerade in Iliescas pleitegegangenen Türenwerkstatt, brachte sie nach Cruces und stellte sie in den alten Stall. Elf Monate, nachdem er aufgehört hatte, Asbest einzuatmen, begann er Sägemehl einzuatmen.“

 

Jesús Carrasco (Badajoz, 5 april 1972)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelou op dit blog.

 

Aangeraakt door een engel

Wij, niet gewend aan moed
ballingen van genot
leven opgerold in schelpen van eenzaamheid
totdat de liefde haar hoge heilige tempel verlaat
en voor ons in zicht komt
om ons vrij te maken om te leven.

De liefde komt aan
en in haar gevolg komen extases
oude herinneringen aan plezier
oude geschiedenissen van pijn.
Maar als we moedig zijn,
Breekt liefde de ketenen van angst
om onze zielen.

We zijn gespeend van onze verlegenheid
In de gloed van het licht van de liefde
durven we moedig te zijn
En opeens zien we
dat liefde alles kost wat we zijn

en ooit zullen zijn.
Maar het is enkel liefde
die ons vrij maakt.

 

Frans Roumen

 

Maya Angelou (4 april 1928 – 28 mei 2014)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e april ook mijn blog van 5 april 2020 en eveneens mijn blog van 5 april 2019 en ook mijn blog van 5 april 2018 en eveneens mijn blog van 5 april 2016.

Hanneke Hendrix, Maya Angelou

De Nederlandse schrijfster en hoorspelmaker Hanneke Hendrix werd geboren in Tegelen op 4 april 1980. Zie ook alle tags voor Hanneke Hendrix op dit blog.

Uit: De dyslectische-hartenclub


‘En jij bent dus ook verbrand’, zei Vandersteen. ‘Dan zijn we met z’n drieën. De Bolle is er het ergste aan toe, die heeft het ook in haar gezicht. Maar ze is al aan de beterende hand. Bij jou valt het wel mee. Dat kan ik zo zien, ik heb jaren in dit ziekenhuis gewerkt. Hoe oud ben je? Ik kan het zo raden. Ik heb het altijd goed. Ik zeg vierendertig. Klopt dat? Ben je vierendertig?’
‘Vindt ze dat niet vervelend?’ zei ik. ‘Dat u haar steeds “bolle” noemt?’
‘Ze is toch bol?’ zei Vandersteen. ‘Ik kan het ook níét zeggen, maar dat verandert niets aan de situatie, nietwaar? Kijk, als ik jou “bol” zou noemen, dat zou gemeen zijn, want je bent niet echt bol, maar ook niet echt dun. Hoeveel weeg je?’
Ik mompelde wat.
‘Zeventig kilo? Eenenzeventig?’
Ze schoof haar leesbril wat verder omhoog en bekeek me onderzoekend.
‘Achtenzestig’, zei ik snel.
‘Zeventig dus’, zei Vandersteen.
Ik wilde zeggen dat er niks van klopte, dat ze haar mond moest houden en dat ze terug in haar bed moest gaan.
‘Als u het zegt’, zei ik.
‘Nu hebben we dus twee meisjes en een ouwe taart en een meneer met een snor voor de deur. Ik zeg: met de kandelaar in de bibliotheek door mevrouw Green.’
Vandersteen vertelde dat ze had geprobeerd om een sigaretje te roken, maar dat de agent haar er niet uit had gelaten. De man gaf geen antwoord op de vraag waarom.
‘Ze kunnen u toch niet zomaar binnenhouden als u dat niet wilt?’ zei ik.
Ik prutste weer wat aan het laken. Het gesloten gordijn maakte me benauwd, nu Vandersteen hier zo binnen bleef staan en ik zelf geen kant uit kon door die slang in mijn zij.
‘Je bent een schatje’, zei Vandersteen. ‘Dat zie ik zo. En zeg in godsnaam jij. Ik krijg het gevoel alsof ik zojuist uit een sarcofaag ben komen stappen met m’n zwachtels.’
Vandersteen glipte weer door het gordijn. Ik zag een stukje raam. De lucht was helderblauw. Ergens aan de andere kant van het gebouw moest de zon schijnen.”

 

Hanneke Hendrix (Tegelen, 4 april 1980)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelou op dit blog.

 

Gekooide vogel

Een vrije vogel zweeft weg
op de rug van de wind
drijft mee op de vlaag
tot het eind van de stroom
en doopt zijn vleugel
in de gloed van de zon
en zegt: de hemel, die is van mij.

Maar een vogel die steeds
in zijn kooitje verwijlt
ziet weinig tot niets
door z’n spijlen van nijd
z’n vleugels geknipt en
z’n pootjes gestrikt
dus opent hij zijn keel en zingt.

De gekooide vogel zingt
met trillers van verdriet
van wat hij niet kent
maar o zo graag ziet
en op gindse heuvel
hoort men zijn lied
want de gekooide vogel
zingt van vrijheid.

Een vogel die vrij is denkt al aan winden die stromen
en de passaatwind die suist door zuchtende bomen
en volvette wormen die wachten in glorende weiden
en de hemel noemt hij de zijne.

Maar een gekooide vogel staat op het graf van zijn dromen
zijn schaduw is de gil van wie niet kon ontkomen
zijn vleugels geknipt en zijn pootjes gestrikt
dus opent hij zijn keel en zingt.

De gekooide vogel zingt
met trillers van verdriet
van wat hij niet kent
maar o zo graag ziet
en op gindse heuvel
hoort men zijn lied
want de gekooide vogel
zingt van vrijheid.

 

Vertaald door Arie Sonneveld

 

Maya Angelou (4 april 1928 – 28 mei 2014)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e april ook mijn blog van 4 april 2020 en eveneens mijn blog van 4 april 2019 en ook mijn blog van 4 april 2017 en ook mijn blog van 4 april 2015 deel 2.

Jean-Baptiste Andrea

De Franse schrijver, filmregisseur en scenarioschrijver Jean-Baptiste Andrea werd geboren op 4 april 1971 in St Germain en Laye. Hij groeide op in Cannes, waar hij korte films begon te maken. Later verhuisde hij naar Parijs en studeerde af in politieke wetenschappen en economie. In Parijs ontmoette hij Fabrice Canepa, en samen begonnen ze films te schrijven. Samen schreven en regisseerden ze de cult-horrorfilm “Dead End”. Zijn debuutroman, “Ma Reine” (Mijn Koningin), verscheen in 2017 en won een tiental prijzen, waaronder die voor Beste Franse Debuutroman en de Studenten Femina. Ook zijn derde roman, “Des diables et des saints”, werd meerdere malen bekroond, waaronder de Grand Prix RTL-Lire, en voor “Veiller sur elle” ontving hij in 2023 de prestigieuze Prix Goncourt en de Prix du roman Fnac.

Uit: Ma reine

« C’est le soleil qui m’a réveillé, il appuyait sur mes paupières avec ses pouces chauffés à blanc. J’ai mis un bras en travers de mes yeux pour continuer à dormir. Il y avait un grand calme autour de moi, juste le bruit de l’air qui poussait sur la terre, mais au milieu de ce calme, il y avait quelque chose d’autre, une forme sculptée par le vent, et j’ai fini par ouvrir les yeux.
Elle me regardait, assise sur le rocher, le menton sur les genoux et les bras autour. J’ai sursauté et elle aussi. On s’est regardés sans trop savoir quoi faire.
– J’ai cru que t’étais mort, elle a fini par dire.
Elle avait une drôle de voix rauque, une voix de femme qui n’allait pas avec son corps de fille. Elle était très mince, tellement qu’elle avait l’air de pouvoir se glisser entre deux rafales de vent sans déranger personne. Ses cheveux étaient courts et blonds avec une longue mèche sur le front, un genre de coupe de garçon. Mais ce sont ses yeux qui m’ont frappé, et quand je dis frappé j’ai vraiment eu l’impression de recevoir un coup, parce qu’ils avaient l’air en colère et que je n’avais rien fait.
J’ai répondu que non, je n’étais pas mort. Je voulais qu’elle me laisse tranquille, j’avais besoin de penser, c’était la première fois de ma vie que j’avais dormi loin de mes parents et il fallait que je réfléchisse pour comprendre ce que ça voulait dire, j’étais sûr que c’était important. Au lieu de me laisser tranquille, elle m’a regardé en fronçant les sourcils mais pas tout à fait comme le font les gens à qui je parle pour la première fois et qui ont toujours l’air étonné. Ça m’a énervé parce que c’était nouveau et que je n’aime pas trop ce qui est nouveau.
Elle m’a dit son nom alors que je ne lui avais rien demandé. Viviane. Quand j’ai voulu lui dire le mien, elle ne m’a pas laissé parler.
– Ça fait mal, ta figure ?
J’ai touché ma joue, c’était dur et râpeux là où j’avais frotté la falaise, ça piquait juste un peu. J’ai grogné. Ensuite elle a désigné mon blouson, mon beau blouson jaune avec les lettres rouges dans le dos.
– Shell, c’est un drôle de nom. »

 

Jean-Baptiste Andrea (St Germain en Laye, 4 april 1971)

Charles Ducal, Peter Huchel

De Vlaamse dichter en schrijver Charles Ducal (pseudoniem van Frans Dumortier) werd geboren in Leuven op 3 april 1952. Zie ook alle tags voor Charles Ducal op dit blog.

 

Vader

Het was nacht. De hoeve gesloten.
Waakhonden hielden het erf in bedwang.
In de stal werd een ketting verschoven,
een kras op de stilte. Ik luisterde bang.

Alles scheen in zichzelf te geloven,
de kamer kwam los uit het grote verband.
De nacht bewoog. Ik kon het niet horen.
Vermoedens likten de ruiten zwart.

Toen stak een stem het donker over,
vrolijk geblaf beet de stilte kapot.
Ik stond op, trok het venster open.
Hij waterde, wijdbeens, standbeeld van God.

 

Het gebit

Heilige morgen. Hij voelt zich herboren.
In de badkamer schept hij het licht.
Het lichaam loost plechtig zijn dromen.
Kalm gooit hij de nacht van zich.

Naakt. De buik nog lauw van haar zweet.
De vuisten hard in het ijskoude water.
Zijn oog tart de spiegel. Het beeld
wrijft zich helder en schoon. Vastberaden

neemt hij het glas, het glinsterend gebit.
Tergend langzaam kraken de treden.
Beneden de vrouw, gedoken van schrik.
Hij grijnst, schikt de tanden nog even.

 

Opstand

Het huis komt in opstand.

De tafel vergiftigt het eten,
glazen en borden beginnen te breken,
het bed houdt de lakens verlamd.

De kachel steekt brieven in brand.

Trouwe foto’s verraden de muren,
de wijzers verbijten de uren,
de deur slaat door ieder verband.

Het tapijt schreeuwt om moord,
het mes wet de vingers,
het blad wacht, naakt en gewillig.

Tot alles bereid is het woord.

 

Charles Ducal (Leuven, 3 april 1952)

 

De Duitse dichter Peter Huchel werd geboren in Lichterfelde bij Berlijn op 3 april 1903. Zie ook alle tags voor Peter Huchel op dit blog.

 

Opvliegende zwanen

Het is nog donker, in de elzencirkel,
scheert de vlieghuid van natte mist
langs je kin. En in het meer hangt,
vademdiep,
zwaar de schaduw neer.

Een plotseling wit,
dat met voeten en vleugels het water geselt,
ontsteekt aan de wind. Ze vliegen op,
de winterboze majesteiten.

Het fluit metaalachtig.
Duik weg in het riet.
Snijdende degens
zijn hun veren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Peter Huchel (3 april 1903 – 30 april 1981)

 

Zie voor de schrijvers van de 3e april ook mijn blog van 3 april 2020 en eveneens mijn blog van 3 april 2019 en ook mijn blog van 3 april 2017 en ook mijn blog van 3 april 2016 deel 2.