James Baldwin, Conrad Aiken

De Amerikaanse schrijver James Baldwin werd op 2 augustus 1924 in Harlem, New York, geboren. Zie ook alle tags voor James Baldwin op dit blog.

Uit: The Cross Of Redemption

“My quarrel with the English language has been that the language reflected none of my experience. But now I began to see the matter in quite another way. If the language was not my own, it might be the fault of the language; but it might also be my fault. Perhaps the language was not my own because I had never attempted to use it, had only learned to imitate it. If this were so, then it might be made to bear the burden of my experience if I could find the stamina to challenge it, and me, to such a test.
In support of this possibility, I had two mighty witnesses: my black ancestors, who evolved the sorrow songs, the blues, and jazz, and created an entirely new idiom in an overwhelmingly hostile place; and Shakespeare, who was the last bawdy writer in the English language. What I began to see — especially since, as I say, I was living and speaking in French — is that it is experience which shapes a language; and it is language which controls an experience. The structure of the French language told me something of the French experience, and also something of the French expectations — which were certainly not the American expectations, since the French daily and hourly said things
which the Americans could not say at all. (Not even in French.) Similarly, the language with which I had grown up had certainly not been the King’s English. An immense experience had forged this language; it had been (and remains) one of the tools of a people’s survival, and it revealed expectations which no white American could easily entertain. The authority of this language was in its candor, its irony, its density, and its beat: this was the authority of the language which produced me, and it was also the authority of Shakespeare.
Again, I was listening very hard to jazz and hoping, one day, to translate it into language, and Shakespeare’s bawdiness became very important to me, since bawdiness was one of the elements of jazz and revealed a tremendous, loving, and realistic respect for the body, and that ineffable force which the body contains, which Americans have mostly lost, which I had experienced only among Negroes, and of which I had then been taught to be ashamed.
My relationship, then, to the language of Shakespeare revealed itself as nothing less than my relationship to myself and my past. Under this light, this revelation, both myself and my past began slowly to open, perhaps the way a flower opens at morning, but more probably the way an atrophied muscle begins to function, or frozen fingers to thaw.”

 

James Baldwin (2 augustus 1924 – 1 december 1987)

 

De Amerikaanse schrijver en dichter Conrad Potter Aiken werd geboren in Savannah, Georgia op 5 augustus 1889. Zie ook mijn blog van 5 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Conrad Aitken op dit blog.

 

Lieveling, laten we nogmaals de regen prijzen

Lieveling, laten we nogmaals de regen prijzen.
Laten we een nieuw alfabet ontdekken,
Voor dit, wat zo vaak geprezen werd; en onszelf zijn,
De regen, de vogelmuur en het klisblad,
De groen-witte ligusterbloem, de gevlekte steen,
En alles wat de regen verwelkomt ; de mus ook, –
Die vanuit zijn afzondering met een scherp oog toekijkt,
Onder de iepentak, tot de regen voorbij is.
Er is een wielewaal die, ondersteboven,
Aan zijn nest hangt en zwaait met een oranje vleugel, –

Onder een boom zo dood en stil als lood;
Er is een enkel blad, in heel deze hemel
Van bladeren, die de regen van zijn twijg heeft losgemaakt:
De stengel breekt en hij valt, maar hij wordt opgevangen
Op een zusterblad, en zo hangt ze;
Er is een eikelnapje, naast een paddenstoel
Die drie druppels van de laag hangende wolk opvangt.
De schuchtere bij gaat terug naar de korf; de vlieg
Onder het brede blad van de stokroos
Hangt flauw van de kou; de regendonkere slak

Onderzoekt de natte wereld vanaf een waterige steen…
En nog steeds fluisteren de lettergrepen uit water:
Het wolkenrad draait langzaam: terwijl we wachten
In de donkere kamer; en in je hart vind ik
Een zilveren regendruppel, – op een meidoornblad, –
Orion in een spinnenweb, en de wereld.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Conrad Aiken (5 augustus 1889 – 17 augustus 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e augustus ook mijn blog van 2 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 2 augustus 2018 en ook mijn blog van 2 augustus 2017 en ook mijn blog van 2 augustus 2011 deel 2.

Gerrit Krol, Thomas Rosenlöcher

De Nederlandse dichter en schrijver Gerrit Krol werd geboren op 1 augustus 1943 in Groningen. Zie ook alle tags voor Gerrit Krol op dit blog.

 

Athletiek

Junior heeft gelopen.
Hij wordt opgevangen
en tot stilstand gebracht;
het voordeel in zijn rug
bekeken en gemeten
de lengte van zijn schoen,
de druppel aan zijn neus
afgenomen, doorgegeven;
het voordeel in zijn rug,
de thermometerstand
vermenigvuldigd met
de luchtweerstand,
uitgerekend: Junior
heeft gelopen – hoera –
harder dan in Rome
vier jaar terug,
het record is gebroken!
En van de tribune komt kaal,
oud en fier – hoera –
de legendarische Huizinga
die voor de Eerste Wereldoorlog
het tweemaal heeft opgenomen
tegen een paard – om Junior
de hand te schudden.

 

Landschap

Ik ben na jaren terug,
op een gewone dag; het pad
leidt langs de kant
van russen en laagveen
naar waar de molen staat
van ijzer en manshoog;
zijn draaipot is vernield.

Het veen is omgekeerd,
de heide uitgebrand
van vuursteen; in de kuilen
ligt papier, de kuil
waar ik voorover lag
op een grijze morgen,
die kuil was hier.

 

Kleine oorlog

De illegalen zijn weer gevaarlijk
met hun fluitkoord om de hals.

Zij zeggen: als de sneeuw vuil is,
waarmee zal het worden gereinigd?

Dat is ons parool. En nog meer.
Want wie geen parool heeft is gek.

Zij werpen brandende lucifers
op een burger zijn kleren.

Zo een vrouw in de Spuistraat:
zij wordt met 1 schot neergelegd.

Afgelegd en de borsten gewreven,
of het niets is, met jongensgenade.

Dan komt het comitee te paard
om te zien of het is beëindigd.

 

Gerrit Krol (1 augustus 1934 – 24 november 2013)

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.

 

De stille grond

Van heel hoog boven, als uitgegoten,
maar zich stil losmakend, viel
rechts links de heuvel af een klein juichend geluk
als een hemelgordijn omlaag. Kortom, het sneeuwde,
zeilend door de lucht, tot op de grond.
Dat het takje van elke tak, beladen met sneeuw,
een ander, wit gevederd, kruiste,
en ik door een steeds grotere wirwar liep.
De brug sliep al lang onder de boog van de brug.
Slechts tot zichzelf nog sprak de beek,
als buikspreker. En zelfs als mijn sjokken
me trouw over de weg zigzaggend volgde,
bleef onbegrijpelijk dat ooit mijn voet
op een dag in het wit voor mij zou kunnen stappen.
Vooral omdat het profiel van de zool
de voetafdruk van elk moment onder zich begroef.
Zo leefde ik. Niemand kwam me tegemoet.
Zelfs mijn vader niet, veel te lang al dood.
Nog slechts een bundel botten in de grond.
Dat het me nu toch gelukt was,
om hem te vergeten want ik liep en liep,
niet wetende dat ik al lang net zoals hij
mijn armen achter mij gekruist hield terwijl ik liep.
En dat door alle vorst en sneeuw
mijn baard en haar wit geworden waren,
alsof hij mij in mijzelf tegemoet kwam
en niemand stierf. Krankzinnig gestuif
diagonaal over de weg. Onder mij in het ijs
van zeer grote bellen, de snelle pulsatie.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e augustus ook mijn blog van 1 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 1 augustus 2019 en ook mijn blog van 1 augustus 2017 en ook mijn blog van 1 augustus 2011 deel 3.

Cees Nooteboom, Jill McDonough

De Nederlandse dichter en schrijver Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook alle tags voor Cees Nooteboom op dit blog.

Uit: Roads to Santiago (Vertaald door Ina Rilke)

Something like that. Marks of power and heritage trying to tell me a story in a language I can no longer understand. The arms are surmounted by a hat with twenty tassels, held up by two minute angels whose defiance of the force of gravity does not appear to exact much effort. Cardinal or archbishop? I can’t remember. I stand there and look, and what I hear is what the early settlers in the twelfth century heard. I am inclined — accustomed as I am to so much more noise than they ever knew — to call that lack of noise “nothing”, but after lingering a while I begin to distinguish all those nuances of nothing which together make up the silence, all those early, non-existent noises, the hum of distant insects, the slow wingbeat of a pair of doves, the wind in the poplars.
I pull once more on the bell and hear unhurried footsteps. Leather on stone. A monk opens the door. He tears a ticket off a pristine booklet and indicates the monastery with a vague wave: go ahead and take a look. He doesn’t come with me, he doesn’t speak. I wander around. The late Romanesque facade of the abbey church is decorated with a row of frail columns lacking a base. Not touching the ground, supporting nothing, they simply frame the semi-circular arch through which I enter. The coolness of the garden contrasts with the heat of the landscape, the coolness of the church contrasts with that of the garden, it is almost chilly where I am now. The thick walls of a church prevent the outside air, the ordinary air, from having its way. Suddenly I am standing before an arbitrary structure made of stone; its mere presence alters the quality of what little air has managed to come in. This is no longer the air wafting in poplars and clover, the air that is moved this way and that in the breeze. This is church air, as invisible as the air outside, but different. Church-shaped air, permeating the space between the columns and, deathly still, like an absent element, rising up to fill the pointed vaulting constructed of rough-hewn blocks of stone. There is no one in the church. Enormous columns rise directly from the paved floor, the position of the sun casts a strange, static pool of light through the oculus somewhere on the right of the church. It’s a little ghostly. I hear my own footsteps. This space distorts not only the air, but also the sound of each step I take — they become the steps of someone walking in a church. Even if one subtracts from these sensations all that one does not in fact believe in oneself, then there’s still the imponderable factor that other people do believe, and especially have believed, in this space.
The notions one might entertain about architectural purism, which invariably arise when someone tries to put an office block up next to a seventeenth-century canal house, do not function in this sort of space. The exterior of the building is Romanesque, the cross-vaults are Gothic, the tomb of Don Lupo Marco is a masterpiece of Renaissance art, the sacristy door is particularly exuberant baroque, but still the eye does not balk. All those mad, baroque angels set against the rough, irregular thirteenth-century stonework, fan out and up like rampant ivy, to form the entrance to the purest Cistercian chapterhouse: low, clear and still.”

 

Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Jill McDonough werd geboren in Hartford, Connecticut in 1972 en groeide op in North Carolina. Zie ook alle tags voor Jill McDonough op dit blog.

 

Drie uur ‘s morgens

Onze taxichauffeur vertelt ons waarom Somalië beter is
dan hier omdat we in de islam moordenaars executeren.
Dus minder moorden. Maar is er geen burgeroorlog
daar nu? Zijn er niet veel moorden?
Ja, maar over het algemeen is het beter. Niet
nu, maar meestal. Hij vertelt ons hoe
slim het systeem is, hoe moeilijk het is om een vals getuigenis
af te leggen. Wij knikken. We leren veel.
Ik zeg – zodra we dicht bij huis zijn – zeg ik: Hoe zit het
met ons? Twee vrouwen, met elkaar getrouwd.
Wees niet beledigd, zegt hij ernstig. maar een man
met een man, een vrouw met een vrouw: dat zou
een openbare executie worden. Wij knikken. Even een stilte langs
de Southeast Corridor. Dan zeg ik: ja,
ik hou van mijn land. Dit maakt hem aan het lachen; we lachen allemaal.
We zijn niet beledigd, zegt Josey. Wij houden van u. Soms
heb ik het gevoel dat we missioneren, het Woord van Homo verspreiden.
De taxi trilt van het lachen, de arme man,
opgelucht dat we niet boos zijn omdat hij ons eigenlijk dood wil hebben.
Wij tweeën kalmeren hem, willen dat hij zich op zijn gemak voelt,
willen dat hij lacht. Wij houden van ons land,
wij vertellen het hem. En Josey geeft hem een fooi. Ze geeft hem een grote fooi.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jill McDonough (Hartford, Connecticut, 1972)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e juli ook mijn blog van 31 juli 2020 en eveneens mijn blog van 31 juli 2018 en ook mijn blog van 31 juli 2017 en ook mijn blog van 31 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Maja Lunde, Thomas Rosenlöcher

De Noorse schrijfster en scenariste Maja Lunde werd geboren in Oslo op 30 juli 1975. Zie ook alle tags voor Maja Lunde op dit blog. Zie ook alle tags voor Maja Lunde op dit blog.

Uit:  Het einde van de oceaan (Vertaald door Lammie Post-Oostenbrink)

“Niets hield het water tegen, je kon het vanaf de berg tot aan de fjord volgen; van de sneeuw die uit de wolken viel en zich op de top neervlijde tot de mist die boven de zee zweefde en weer in wolken veranderde.
Elke winter groeide de gletsjer, verzamelde hij sneeuw, elke winter groeide de gletsjer zoals het hoorde en elke zomer smolt hij weer, werd kleiner, stond water af, water dat in beken veranderde, het zocht zich een weg naar beneden, voortgestuwd door de zwaartekracht, de beken kwamen samen, werden watervallen, rivieren.
Er waren twee dorpen die een berg en een gletsjer deelden, we deelden de berg en de gletsjer al zolang we ons konden herinneren. De ene zijde van de berg was loodrecht, daar viel het water van Søsterfossene naar beneden, het stortte 711 meter recht omlaag, naar het Eidemeer, een diepgroen water dat de naam aan het dorp gaf, Eidesdalen, en dat de omgeving vruchtbaar maakte voor mens en dier.
Eidesdalen, het dorp van Magnus.

In Eidesdalen kon je de fjord niet zien, de zilte smaak niet op je lippen proeven, het zout werd niet door de wind meegevoerd, het bereikte het dorp nooit, ze roken de zee daarboven niet. Zo groeide hij op. Maar ze hadden water, smakeloos water, water dat alles liet groeien, en hij had de zee nooit gemist, zei hij later.
De andere kant van de berg was milder, zachter, hier verzamelde het water zich in de rivier Breio, de zalmrivier, de rivier van de Fossegrim, de rivier van de zoetwatermosselen, die zich via een breuk een weg baande door het landschap, die deze breuk ook gevormd had, met miljoenen druppels per seconde, op hellingen, in stroomversnellingen en in rustige, gladde stukken. Als de zon scheen, veranderde de rivier in een lichtgevend lint.
Breio liep helemaal tot aan Ringfjorden en daar, in het dorp op zeeniveau, kwam de rivier in contact met het zoute water. Daar werd het gletsjerwater één met de zee.
Ringfjorden, mijn dorp.
Zo werden ze verenigd, het water van de gletsjer en het water uit de zee, voor de zon de druppels weer opnam, ze de lucht in zoog als waterdamp, verder omhoog, tot de wolken waar ze zich onttrokken aan de zwaartekracht.
Nu ben ik terug, Blåfonna heeft me hierheen gelokt, de gletsjer die ooit de onze was. Het is windstil als ik bij Ringfjorden aankom, ik moet noodgedwongen het laatste stukje op de motor varen, het gebrom overstemt al het andere, Blå glijdt door het water en laat kleine draaikolkjes achter aan het oppervlak.”

 

Maja Lunde (Oslo, 30 juli 1975)

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.

 

De koop van een huis

“Nu zal ik u iets speciaals laten zien,” zei
de makelaar en reed meteen door de tuinpoort tot onder
de hoog boven het verzakte dak
bloeiende perenboom. Achter het keukenraam
een bord met de lepel er nog in,
een bundel brieven, de bril die iedereen
een keer in zijn leven voor eens en altijd vergeet.
In het puin bij de haard de esdoorn, die dansend
groen kleurt, zijn doorschijnende bladeren
uitstrekkend naar de keukenkast. “Wilde u
niet iets idyllisch? ”vroeg de makelaar
en gaf me de sleutel. Waarop ik prompt met
de deur in huis viel. Echter, hoe aarzelender
ik mij, rondom door kindertijd en poepdoos omwaaid,
gedroeg, hoe existentiëler het harde
kreunen van de trap, nakrakend bekrachtigd
door de klompvoet van de makelaar. Boven in de kamer
bloemetjesbehang, waskom, nachtkastje.
In bed lag een dode man naar me te kijken.
In het krijtwitte gezicht, de keizerlijke
kin wiebelde plotseling, de gerimpelde mond
begon zich uit te spreken: “Dat wordt ook tijd,
dat jullie me bezoeken. “Aanhoudend gerommel
te duiden als val van de trap. De achter mij aan
hinkende makelaar halveerde de prijs.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e juli ook mijn blog van 30 juli 2020 en eveneens mijn blog van 30 juli 2019 en ook mijn blog van 30 juli 2017 en ook mijn blog van 30 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Harry Mulisch, Thomas Rosenlöcher

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Harry Mulisch op dit blog.

Uit: De Aanslag

“Het was januari 1945. Bijna heel Europa was bevrijd, vierde feest, at, dronk, bedreef de liefde en begon de oorlog zoetjesaan al te vergeten; maar Haarlem veranderde steeds meer in een grauwe sintel, zoals die uit de kachel te voorschijn kwamen toen er nog kolen waren. Zijn moeder had een donkerblauwe trui voor zich op tafel liggen. De helft er van was al verdwenen. In haar linkerhand hield zij de groeiende knot wol, waar zij met haar rechter snel de draad uit de trui omheen wond. Anton keek naar de heen en weer schietende draad, waardoor de trui uit de wereld verdween, haar vorm, met de plat uitgespreide mouwen, als iemand die iets tegen wil houden, en veranderde in een bol. Toen zijn moeder even tegen hem glimlachte, keek hij weer in zijn boek. Haar blonde haren zaten in opgerolde vlechten over haar oren, als twee ammonshorens. Nu en dan stopte zij even en nam een slok van haar koudgeworden surrogaatthee, die zij had gezet met gesmolten sneeuw uit de achtertuin. De waterleiding was weliswaar nog niet afgesloten, maar nu was zij bevroren. Zijn moeder had een gat in haar kies, waar momenteel niets aan gedaan kon worden; net als haar grootmoeder placht te doen, had zij er tegen de pijn een kruidnagel in gestopt, waarvan zij er nog een paar in de keuken had gevonden. Zo rechtop als zij zat, zo gebogen zat haar man tegenover haar een boek te lezen. Zijn donkere, grijzende haar stond als een hoefijzer rond zijn kale kruin; van tijd tot tijd blies hij in zijn handen, die groot en lomp waren, ofschoon hij geen werkman was maar griffier bij de arrondissementsrechtbank. Anton droeg kleren waar zijn broer uit gegroeid was, Peter op zijn beurt had een te groot, zwart pak van zijn vader aan. Hij was zeventien, en omdat hij plotseling was beginnen te groeien toen er steeds minder eten was, leek het of zijn lichaam was samengesteld uit vurenhouten latten. Hij maakte zijn huiswerk. Sinds een paar maanden kwam hij niet meer op straat: langzamerhand had hij de leeftijd om bij razzia’s opgepakt te worden, voor de tewerkstelling in Duitsland. Omdat hij twee keer was blijven zitten, zat hij pas in de vierde klas van het gymnasium en kreeg nu les van zijn vader, met huiswerk en al, opdat hij niet nog verder achterop zou raken. De broers leken even weinig op elkaar als hun ouders. Er zijn echtparen die sprekend op elkaar lijken, en dat betekent misschien, dat de vrouw lijkt op de moeder van de man en de man op de vader van de vrouw (of iets ingewikkelder, wat het waarschijnlijkst is), maar het gezin Steenwijk bestond uit twee duidelijke delen: Peter had het blonde en blauwe van zijn moeder, Anton het donkere en bruine van zijn vader, ook de notenkleurige huid, die rondom zijn ogen nog iets donkerder was. Ook hij ging momenteel niet naar school. Hij zat in de eerste klas van het lyceum, maar wegens kolengebrek was de kerstvakantie verlengd tot het einde van de vorstperiode.”

 

Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)
Beeld op de Grote Markt in Haarlem

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.

 

Hoeve

Betreed de binnenplaats. De ploeg,
overwoekerd, zinkt in de aarde, de wagen
valt uit elkaar, onmerkbaar, de paarden
knikken in hun graf.
Vul je zakken, de perenboom
zal spoedig zijn omgevallen, het huis,
verslaafd aan aarde, zakte al door de knieën.
Klim door de kapotte muren,
ontsteek in de gebarsten kachel
een vuur, wees onbevreesd, wie naast je hurkt,
hurkt om met jou te zwijgen,
terwijl de hemel boven jullie staat
als dak voor de schedeldaken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e juli ook mijn blog van 29 juli 2020 en eveneens mijn blog van 29 juli 2019 en ook mijn blog van 29 juli 2017 deel 1 en ook deel 2.

Remco Campert, Claudia Gabler

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

Uit: Tjeempie of liesje in luiletterland

“Jofel stasjon wel, dat haagse stasjon, dacht Cees Bakels. einde-ouwerwets weet je wel, maar dat maakte het juist zo tof. Hij vroeg zich af of al die mafketels en zakkewassers, die de trein in wilden stappen of er juist uit wilden stappen of zomaar wat op het perron stonden te lummelen, al of niet voorzien van koffers en kinderen, kortom het klootjesvolk, of die dat nou ook zagen net als hij: hadden ze wel eerst allemaal wat wiet moeten roken. Stel je voor, het hele perron hai, al die hagenezen met een stikkie in durlui hand verborgen, en maar vanderpaf gemaakt. Cees giegulde hardop en verscheidene duffe vogels keken bevreemd naar hem. Zagen hem natuurlijk aan voor een staatsgevaarluk individu, weet je wel-alleen langharige lanterfanters giegullen hardop in treinen, hebben niets beters te doen, opsluiten in werkkampen moest je ze, dan zou het lachen ze wel vergaan. Jesus, hij was stoont als de pest. Echte kongostuf was het geweest en het mooie was dat niemand iets aan hem kon zien, zelfs zijn eigen moeder niet, stel dat ze in de trein had gezeten. Ja, had ze natuurluk wel in de trein moeten zitten. Of niet, want ze had toch niks gezien. Inturrezzant probleempjun eigunluk: zat z’n moeder niet in de trein, zag ze niks, zat ze er wel, zag ze ook niks. Toch was ze niet blind. Jesus, wat wassie stoont! Die trein stond hier nou al uren of leek dat maar zo? Kon ook de wietkik wel wezen- sekonden leken eeuwigheden en eeuwigheden vlogen als een schaduw heen of hoe was het ook alweer. Zo’n trein was aan tijd gebonden, maar hij die erin zat niet. Rara-hoe kan dat? Zo was maar weer eens bewezen dat met wiet alles mogeluk was, ra-ra-zó kan dat. Vooral met wiet in rotterdam gekocht. Jofele stad. rotterdam, zeker als je wat gerookt had. een hele kliene sien met al dat glas en steen, net of je in een ander land was. Ja hoor, ze reden weer. Geweldig zoals ze dat stasjon uitschoven, als een aal uit de modder, weet je wel. Kijk nou toggus, al die maffe lage huizen. wat een dorp. Maar het dorpsleven had z’n aantrekkelijke kanten, zoals elke avond je pijpjun smoren aan de voordeur. En de gesprekken met de andere dorpsbewoners: Goejenavond buurman, schiet het gewas al flink op? Zeker buurman, ik verwacht dat de hennepoogst dit jaar niet gering zal wezen. De planten staan er knap bij. Dat doet deugd om te vernemen buurman, ons volk zal dus aan pot geen gebrek lijden als de lange winteravonden daar zijn. Zeker niet buurman, met spekulaas, ganzebord en hasj zal het waarachtig wel gaan. Wij vervullen met vreugde onze prachtige taak. Voor koningin en vaderland, weet je wel. In Leiden stopte de trein weer en de meeste mensen stapten uit. Als het nou zo leeg bleef kon hij straks op z’n gemak nog een stikkie roken en met volle teugen van de landschappelijke sien genieten. De knolle- en de bollevelden en de wentelende wieken en wat dies meer zij. Maar het geluk van een lege koepee was hem, Cees, natuurlijk niet beschoren, hoewel het een zeer toffe tsjik was die er tegenover hem kwam zitten, dat moest gezegd, een biezonder toffe tsjik zelfs, van het soort dat niet elke dag tegenover je in de trein kwam zitten. Maar dat wist hij niet zeker, want hij zat zelden of nooit in de trein, alleen zo nou en dan erris als in amsterdam de wiet op was. Waarom ging zo’n tsjik nou net tegenover hem zitten? “

 

Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

OVER HORST JANSSEN / Tegen vervloekte chaos heilige orde

Tegen vervloekte chaos heilige orde
geile gezondheid – alles werkt anders.
Werkt eigenlijk helemaal niet –

––––
met zoveel Dante / met zoveel tante –
(dat begrijpt nu weer niemand)
maar niet iedereen heeft ouders

–––
Die iemand van de drank afhouden.
Van de ziekte kunst, waarvan men op jonge leeftijd
mogelijk nog genezen had kunnen worden.

–––
Maar wanneer de elite zich solo
voor de spiegel staat op te blazen,
verwacht alleen de custos
–––
veiligheid van het marcheren

en een blauwe weergave
van veronderstelde koninkrijken des hemels.

–––
De neef verdrinkt echter zijn verraderlijke intelligentie
en zijn willekeurige talent
in 300 blikjes goedkoop bier.

–––

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor de schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2020 en eveneens mijn blog van 28 juli 2019 en ook mijn blog van 28 juli 2017 en ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

Michael Longley

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

The Boxers

We were combatants from the start. Our dad
Bought us boxing gloves when we were ten —
Champions like Euryalus, say, or Epeius
Of wooden-horse fame: ‘I am the greatest!’
‘Nobody’s going to knock me down!’ Listen,
Peter, to the commentary — gruesome teeth-­
Grinding, sweat splattering their arms and legs,
Huge fists in ox-­hide thongs slugging it out,
Then the knock-­out blow to Euryalus’s chin —
Hoisting him with an uppercut — like a fish

That arches out of weed-­tangled shallows
And collapses back into hazy water,
Sea wind sending shock-­waves up the beach —
The winner gives the loser a helping hand
And his seconds support him across the ring
On dragging feet, head lolling to one side,
Blood clots et cetera et cetera…
I’ll tie your gloves. Shall we fight again?

 

The Linen Industry

Pulling up flax after the blue flowers have fallen
And laying our handfuls in the peaty water
To rot those grasses to the bone, or building stooks
That recall the skirts of an invisible dancer,

We become a part of the linen industry
And follow its processes to the grubby town
Where fields are compacted into window-boxes
And there is little room among the big machines.

But even in our attic under the skylight
We make love on a bleach green, the whole meadow
Draped with material turning white in the sun
As though snow reluctant to melt were our attire.

What’s passion but a battering of stubborn stalks,
Then a gentle combing out of fibres like hair
And a weaving of these into christening robes,
Into garments for a marriage or funeral?

Since it’s like a bereavement once the labour’s done
To find ourselves last workers in a dying trade,
Let flax be our matchmaker, our undertaker,
The provider of sheets for whatever the bed –

And be shy of your breasts in the presence of death,
Say that you look more beautiful in linen
Wearing white petticoats, the bow on your bodice
A butterfly attending the embroidered flowers.

 

The Feet

You showed me my twin’s feet when he was dead,
Your sailor-husband’s feet, your engineer’s – how
Cold they felt, how handsome ankle and toe,
Bone-shapes out of our gloomy womb-tangle –
A god’s immortal feet, I’ll dare to think,
When we scatter his ashes in the North Sea
Off the windy pier at Whitburn Village –
Poseidon, say, who drives his chariot’s bronze-
Hoofed horses so headlong over the waves
All the sea-creatures know who it must be

And the sea parts with a kind of happiness
And the axle doesn’t even get wet.

 

Tuinieren in Cardoso

Wilde bloemen worden onkruid
In deze kleine driehoekige
Garfagnana-tuin
Waar ik robertskruid uittrek,
Wolfsmelk, muur-verslindende
Valeriaan, knoflookachtige
Daslook, dode netels.
Hoe zit het met oregano?
Niet hoger dan hondenpis,
Die de waternavel beschermt.

De schuilplaats van de hagedis?
Ik heb de wilde vijgenboom teruggesnoeid,
Zijn wortels onder de casa
Die tegen onze waterleidingen drukken,
Met slaperige slakken als enige vrucht.
Van acacia – zonder bijen,
Onverlicht – verbindt zich een seksuele
Zwaarmoedigheid met mij
En vijf oude vrouwen – de laatste
In het dorp die de

Pinksterrozenkrans zingen hier
Naast bij het heiligdom van San Rocco.
Ik laat herderstasje voor ze achter
Zaaddozen – kleine hartjes –
Lepelvormige bloemblaadjes op stekels.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)
Portret door Colin Davidson, 2011-2012


Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juli ook mijn blog van 27 juli 2020 en eveneens mijn blog van 27 juli 2018 en ook mijn blog van 27 juli 2017 en ook mijn blog van 27 juli 2011 deel 2.

Arthur Japin, Philip Gross

De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli 1956. Zie ook alle tags voor Arthur Japin op dit blog.

Uit: De overgave

‘Dus jij wist dat hij zou komen?’ vroeg Croney. Die had zich natuurlijk van de nieuwsgierigen losgescheurd in de hoop dat mijn reactie nog groter vuurwerk zou opleveren, en nu klonk ze beteuterd. ‘En dat het om jou is, dat weet je ook?’
‘Er komen hier zo veel mensen om mij een keer te zien.’
‘Maar hij! Kom nou, ik bedoel… uitgerekend hij!’
Ik had zelf niet kunnen denken dat een dag als deze ooit zou aanbreken, dus waarom zou een ander het begrijpen? Granny Parker ontvangt de aanvoerder van de Comanche! Ze denken dat het een vergissing is. Dat ik krankzinnig ben geworden, of erger: week. Dat de regering erachter zit. Dat de politiek mij tot een gebaar wil dwingen. Niemand dwingt mij nog. Al heel erg lang laat ik mij nergens meer toe dwingen. Ik heb gezegd dat hij kan komen. Ik heb er zelfs om gevraagd. Ik wil hem zien, ja. Ik wil hem in zijn ogen kijken. Kijken of het waar is wat ze zeggen, dat het mijn eigen ogen zijn.
Zo komen dit soort dagen nou eenmaal. Wen d’r maar aan. Ze naderen, onvermijdelijk en onherroepelijk, als de ochtend waarop een kind voor het eerst zijn eigen schaduw ontdekt. Het draait zich om en wil het niet geloven.
Eerst trekt het één been op en dan het andere, het steekt zijn armen in de lucht, springt in de rondte en zet het op een rennen, maar het is te laat. Die lange zwarte lijs volgt hem voortaan overal en laat in dit leven niet meer los.
Laat het verleden rusten, van alle slechte raad moet deze wel de meest nutteloze zijn. En degene die ik het vaakst heb gehoord: ‘Wat gebeurd is, is gebeurd, Granny Parker, laat toch!’ Niet dat ik niet zou willen, geloof me, maar het heeft geen zin. Iets wordt in gang gezet en het leidt ergens toe. Al dat afscheid dat ik indertijd heb moeten nemen leidt me vandaag naar een ontmoeting. Een dasspeld met de ster van Texas! Zo gaat dat dus. Die dag heeft geleid tot deze, meer is het niet. De eerste heb ik overleefd. Hoe zou deze zwaarder kunnen zijn?
‘Die ouwe is keihard,’ zeggen ze. Ze bedoelen het als compliment. Taai zijn is hier een verdienste. Ze prijzen mij gelukkig, alleen omdat ik er nog ben. Volhouden wekt ontzag. Overleven dwingt respect af. Ze benijden me omdat ik nooit klaag. Als je zo oud bent als ik kun je met twee dingen nog bewondering oogsten: niet zeuren en doorademen. Ondertussen prijzen de mensen vooral zichzelf gelukkig dat ze mij niet zijn; dat hun nog een toekomst wacht en iemand om lief te hebben. Op zondag bidden ze dat het ze bespaard blijft ooit te moeten worden zoals ik. Voor de kerkgangers ben ik als een van die voorstellingen van de hel waarmee katholieken hun tempels behangen om gelovigen godsvrucht aan te jagen. Na de dienst knikken ze me allemaal vriendelijk toe. ‘Hoe gaat het vandaag, Granny Parker?’ Ik grom iets met mijn lippen stijf opeen. Ik doe geen moeite om te
lachen. Dat heb ik wel geleerd. Als je één keer naar ze lacht willen ze je naar huis rijden, en onderweg proberen ze het verleden op te rakelen.”

 

Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)

 

De Engelse dichter, schrijver en academicus Philip Gross werd op 27 februari 1952 geboren in Delabole in het noorden van Cornwall. Zie ook alle tags voor Philip Gross op dit blog.

 

De boot gemaakt van gedichten

zingt en neuriet en praat en fluistert in zichzelf.
Hij slaapt nooit.
Hij kreunt, hij siddert op het ritme van de golven.
Het hout kraakt
in de taal van elke haven waar hij heeft aangelegd –
de grote mond, het patois,
het gebabbel, het Babel, het gesmokkelde rijke Bargoens
van elke havenbar.
Maar stil: vertel het niet aan de kapitein of de bootsman
of de losjes rijmende bemanning:

er is echt niets aan, poëzie,
gewoon lucht, hete lucht en papier, oh, en vakmanschap
en liefde en hoop, tussen hen
en de diepe donkere stille zee.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Philip Gross (Delabole, 27 februari 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juli ook mijn blog van 26 juli 2020 en eveneens mijn blog van 26 juli 2018 en ook mijn blog van 26 juli 2017 en eveneens mijn blog van 26 juli 2015 deel 2.

Lieke Marsman, Philip Gross

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

 

Nederland

Je nostalgie is oprecht, maar je rookworst is nep
Je boodschap is groen, maar aan je platform kleeft bloed
Je algoritme sadistisch, je vangnet een hoepel
Je bijstand gekort, terwijl optimisme een plicht is

Je plan radicaal, wanneer de camera draait
Je vaccinatiegraad hoog, als je managers telt
Je vrijheid een waakvlam, democratie polyester
En niemand die weet wat je ware gezicht is

Je geweten, verleden, je opinies, experts
Je consultants, commissies, obsessies, je taal
Je vergeten kwitanties met het hele verhaal
En je schoorvoetende sorry, dat aan niemand gericht is

Je hoort ‘het begin van het einde’, denkt: einde
steeds vaker. Aan deze maskerade van nevenschade
met op de achtergrond het gerinkel van centen
Je bent een winkel, zegt men — die dicht is

Bij gebrek aan natuurijs ben je een schaatser die zwemt
en je zwemt langzaam omhoog naar een boei, waar het licht is
Wee wat zich wreekt, je bent een burger die stemt
Het is bijna lente. Je bent moe, maar je bent er nog

Vraag niet hoe, maar je bent er

 

De onttovering van de wereld

regen en ruzie
maar we worden beschermd
door de plastic blokken
van de McDonald’s speelplaats
in mijn broekzak heb ik
mijn meest kostbare bezit
tot nu toe: een miniatuur Katrien Duck
die uit een roze doosje springt
zodra je het opent
twintig jaar later raak ik verstrikt
in de wachtwoorden
en patiëntnummers
die ik nodig heb
om toegang te krijgen tot mijzelf
en ik voel mij onttoverd
er is niets magisch aan dit leven
waarin een balie een schavot is
waarin de snelle achteruitgang
aan het eind een angst is
‘Ze voelde zich goed. Toen was ze dood.’
als een nieuwe fleece trui die een keer gewassen werd
zeg me dat de mensheid
haar geloof verliest en ik antwoord
we waren altijd al achterdochtig
we knepen alleen nog een oogje dicht
hadden in een ver verleden ergens gelezen:

het is beter met één oog
het eeuwige leven binnen te gaan
dan met twee ogen
in het eeuwige vuur te worden gegooid

 

Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)

 

De Engelse dichter, schrijver en academicus Philip Gross werd op 27 februari 1952 geboren in Delabole in het noorden van Cornwall. Zie ook alle tags voor Philip Gross op dit blog.

 

De sleutel tot het koninkrijk

Het is geen ballingschap, huizen en families achter
ons, waar we elkaar ontmoeten. Het gebeurt overal,
nu: een staatloze
staat zonder naam, zich stilletjes afscheidend
van de afbrokkelende rijken om ons heen,

zonder postzegels of Eurovisie-inzendingen.
Niemand doet hem met een ruwe gids binnen een week.
Je woont er
of niet. Zo: op een terrasje
knipper je met je ogen en lijk je ze te verrassen,

de menigte, al zijn afzonderlijke gezichten tegelijk,
als kristallen die uit een oplossing opduiken,
als een stormloop van spreeuwen
of de bries die de canvas luifel optilt
nu en een deukje maakt in je cappuccinoschuim

met een knapperig geluid. En dat is het:
tussen ademhalingen, gewoon tussen jou en mij
alsof; Ja,
Q.E.D. Je wordt ontvangen. Dit is
de vrijheid van de stad, en de sleutel

tot het koninkrijk, en zijn grenzen rimpelen
naar buiten als de ruche van een brekende golf
op vlak zand,
een wijkende lijn die al aan het vervagen is
en schuimvlekken hoog en droog achterlaat,

een prikkeling op je handpalm; je bent vijf
jaar oud, kijkend naar de hele zee,
onzeker:
ga je lachen of huilen?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Philip Gross (Delabole, 27 februari 1952)  

 

Zie voor de schrijvers van de 25e juli ook mijn blog van 25 juli 2020 en eveneens mijn blog van 25 juli 2018 en eveneens mijn blog van 25 juli 2017.

Robert Graves, Philip Gross

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

 

A Lover Since Childhood

Tangled in thought am I,
Stumble in speech do I?
Do I blunder and blush for the reason why?
Wander aloof do I,
Lean over gates and sigh,
Making friends with the bee and the butterfly?
If thus and thus I do,
Dazed by the thought of you,
Walking my sorrowful way in the early dew,
My heart cut through and through
In this despair of you,
Starved for a word or a look will my hope renew:
give then a thought for me
Walking so miserably,
Wanting relief in the friendship of flower or tree;
Do but remember, we
Once could in love agree,
Swallow your pride, let us be as we used to be.

 

Double Red Daisies

Double red daisies, they’re my flowers,
Which nobody else may grow.
In a big quarrelsome house like ours
They try it sometimes—but no,
I root them up because they’re my flowers,
Which nobody else may grow.

Claire has a tea-rose, but she didn’t plant it;
Ben has an iris, but I don’t want it.
Daisies, double red daisies for me,
The beautifulest flowers in the garden.

Double red daisy, that’s my mark:
I paint it in all my books!
It’s carved high up on the beech-tree bark,
How neat and lovely it looks!
So don’t forget that it’s my trade mark;
Don’t copy it in your books.

Claire has a tea-rose, but she didn’t plant it;
Ben has an iris, but I don’t want it.
Daisies, double red daisies for me,
The beautifulest flowers in the garden.

 

The Beach

Louder than gulls the little children scream
Whom fathers haul into the jovial foam;
But others fearlessly rush in, breast high,
Laughing the salty water from their mouthes–
Heroes of the nursery.

The horny boatman, who has seen whales
And flying fishes, who has sailed as far
As Demerara and the Ivory Coast,
Will warn them, when they crowd to hear his tales,
That every ocean smells of tar.

 

Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)

 

De Engelse dichter, schrijver en academicus Philip Gross werd op 27 februari 1952 geboren in Delabole in het noorden van Cornwall. Zie ook alle tags voor Philip Gross op dit blog.

 

Brandoffer

Beste Ivor,
………………..Het gedicht dat je voor me hebt verbrand
steeg op, zoals het Geestenfeest in de straten van Singapore,
die lik-mij-schoon trottoirs, vroom bezaaid:
speelgoedgeld voor de doden, echte snoepjes en kartonnen

iPhones… Zulke wereldse geesten, even hebzuchtig
als wij. En waarom ook niet? We houden leven over
en dingen. Ik heb je soepblik bewaard, en de laatste onverbrande
kronkel. Wat as. Het moment echter, is… waar?

De zon kwam op. De verkolende rand tornde zich
niet zelf los; de vlam was niets dat we konden zien.
De woorden omgekruld, vertaald in lucht

zoals dit: een sonnet, ontbinding in een strikte
vorm, gebonden materie die welwillend ongedaan
wordt gemaakt. Zo reguleren we de adem. Hou je haaks.

 

Philip Gross (Delabole, 27 februari 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2019 en ook mijn blog van 24 juli 2018 en eveneens mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.