De Duitse dichter en schrijver Crauss werd geboren in Siegen op 19 september 1971. Zie ook alle tags voor Crauss op dit blog.
de angst in eigen persoon
is een vrouw met krullend haar en een man langs de straat, de wind zwiept regen tussen de wissers, de auto glijdt veel te langzaam richting afscheid, het licht is een kegel, de keel is een knoop, de ogen zijn schrik en de mond te verkrampt om te schreeuwen – de stem is kwijt, dat is het begin.
de angst in eigen persoon is een stadsautoweg, geheel dichtgesneeuwd en een jongen met heimwee, de auto glijdt langzamer nu, want de afrit versperd, blijft liggen en achter de mast wordt de knaap overvallen door een ijskoude rilling. wensen vervliegen, bevriezen, het beeld is heel groen, de lust eraan rood en de jongen spoedig
weer thuis, is de angst een huwelijk, een minnaar op de openbare weg en een wachtende vader, met weinig woorden verstijft de toestand zoals regen verandert in sneeuw. verklaringen liegen, worden ontmaskerd, zodra men ze gelooft en verstoffen in een kastje vol waarheid.
de angst is een film, een vraatzuchtig wezen, waarvoor een stad ’s nachts bang is, de angst is een oeroude draad, die zich door het leven heen weeft.
URANUS II (Kometen) elephant melzow mix
op de golven van de nacht opgestegen (ik, (jouw sterdwaze adem ongrijpbaar: in de halfschaduw hemel (at mosfeer, maanstof, een ver uur nog, totdat de zon ons weer membraan maakt
wij zaten de hele avond boven een stapel foto’s jij, in israël, afgelopen zomer, jij met je vriendin, jij zei, het wordt weer eens tijd om op te ruimen in je leven, en schonk mij nog eens in
wij vielen proestend van het lachen deze avond krom van onze stoelen: jij lachte als lang niet meer, jij hield je buik vast en zei, laat ons nu naar de rijn gaan, en als wij ooit weer opduiken …
wij zaten toen later nog eeuwig in het grind: ik droogde je bevende borst en je tranen van absinth; jij sprak geen woord meer heel de nacht en pas toen het te schemeren begon, ging jij alleen terug.
Vertaald door Frans Roumen
Crauss (Siegen, 19 september 1971)
*************************
In de tweede helft van de jaren negentig werkte Frans Roumen aan een roman die de titel “Vriendschappelijke brieven” had moeten krijgen. Het manuscript gold na een verhuizing jarenlang als zoekgeraakt. Onlangs werden er echter toch flinke delen van bij een grote opruimactie ontdekt in een oude doos in de kelder. Romenu heeft de toestemming gekregen om er regelmatig fragmenten uit te publiceren. Vandaag volgt het zesde van een nog nader te bepalen aantal
Uit: Vriendschappelijke brieven
“Arnhem, 3 mei 1996
Lieve Bart,
6.37 uur. Goeiemorgen, Bart. Ook al wakker van de Zondags-krant?
Attentie, KENAN ! Ankara, stand by! Er zijn blijkbaar moeilijke mensen…
Wat zullen wij vandaag eens bijdragen aan de wereld. Deskundigheidsbevordering (daar heb je de KUN weer) ? How little we know.
ELF.
Zou
het Earth Liberation Front ook zijn wortels in Nijmegen hebben? Het
lijkt mij zo’n club met een door de SP geverfd gedachtengoed. De KEMA en
Akzo mogen wel uitkijken. En ik vraag mij ook altijd af tegenwoordig of
die bedrijven er zelf niet bewust achter zitten in verband met de
publiciteit.
Ondertussen zit iemand net als ik kopij te tikken, maar dan voor Ravage.
15.16
uur. Tijd is nog altijd geld en ik ben bij met de boekhouding en
constateer dat mij dat nog het meeste zorgen baarde. En dan laat ik ook
altijd de baard staan als een jood in rouw.
(Ik lijk Annelies wel, Paul, maar ik hou wel van golf en biljart en zelfs van voetbal. PSV gezien gisteren ?)
Someone to watch over me. Ik heb koorts, denk ik, of teveel koffie gedronken. Of toch teveel stress op het werk.
Ik
ga meteen maar de huur en de NUON betalen die mij tot april hebben
bijgewerkt en een rekening na stuurden van 31 gulden, waar ik niks van
snap, maar het zal wel door de computer komen.”
De Nederlandse dichter, schrijver, journalist en literair criticus Michaël Zeeman werd geboren op Marken op 18 september 1958. Zie ook alle tags voor Michaël Zeeman op dit blog.
Vespers voor Maria
I
De bus naar Krakau, ja ziek was ik er zieker dan thuis, bezweter mijn kleren versteender mijn huid – het steen van tochtige, jichtige grotten, weerbarstige pijn niet te stillen dorst die nauwelijks water verlangt. Bewijzen zijn onaandoenlijke documenten van mensen die men niet meer horen kan; de grond is daar al lang niet zompig meer de lucht om andere redenen bewolkt.
Er is te veel dat mijn schaamte verwekt, te veel dat zonder een teken van klacht mij altoos beschuldigt huiver en vrees zonder een naam kennis van dreiging terwijl zij allen ogenschijnlijk sluimeren.
Zij roepen er U aan, Maria, wat doet het er toe voor wie zo weinig gelooft; maar als wij aan de poorten zijn geraakt heb ik meermalen om jou zitten roepen; een oude stem schrikbarend schor piepend als die van tortels en een aftandse hond een lang gesloten deur die na moeite opent. Ik word een zwaar beschaamde man die zich onder zijn kleren en achter zijn ogen wil verbergen om de lucht niet langer te zien.
Namen, Maria, verheven de jouwe als van verleden geliefden of een gestorven verwant – heeft niet destijds reeds een profeet onbekend met Uw naam U schaamteloos geprezen aan wat de poorten van de morgen heetten?
Zij, zij branden er kaarsen om en dragen hun beelden de straten door zingen hun dreunende lied zonder gedachten en ik, ik raakte vertrouwd met de kracht van een andere rede, grotere argwaan vragen, nooit bedoeld om antwoord te krijgen verzoeken, zonder met inwilliging te rekenen wie veel heeft gezocht ziet zelfs wat hij vindt wantrouwend aan betwijfelt zijn herinnering aarzelt tenslotte te vinden wat zo bezeten werd verbeden.
II
De kerk in Leuven, ja, ik ben er weer aan de abdij geweest nog veertien monniken, wat kippen en een half verlamde haan – de vijftiende had men er juist begraven. Het onaanzienlijk sentiment te staren van het voeteneind (een dode bidder in een doos) plichtmatig zuchten van de koster de kraai geen stof rest straks tussen die wortels noch zal men later dansen bij bazuingeschal de klok verstomt dan dempt het zand gezang.
Verwelkte nachtgeluiden brengen geen keerpunt aan van tekens is geen sprake afwachtend staat men aan het open raam sterren boven moreel besef van binnen wijsheid is een ijdel spel dat tijd verdrijft.
Maria zei: je was verdwenen plotseling en voor wie ver weg was moest gebeden; wellicht hecht ik doorgaans te min geloof aan al dat zoets dat men elkander biedt. Thans weet ik echter niet waar ik U zoek te goed ken ik het misverstand van plaatsen, namen noemen en hopen dat geprevel helpt; armzalig geestesoog, het bleke kinderhoofd stuntelig verbeeld. Nabijheid legt de nadruk op verschil, wat eender is vraagt groter afstand.
Een vrijwel naakte man te moe om te gaan slapen kleren angstvallig bij elkaar gelegd op doortocht laat men licht een spoor, een sok, een potlood of wat scheergerei, onschuldig teken van een afgemat gemoed.
Het gaat zoals het vaker ging en ik, ik ben alweer die ik reeds eerder was. Mijn kamer ligt vandaag aan een rivier spottend gefluister door de hele nacht een posttrein schuifelt langs de overkant nog altijd tel ik onbeholpen de wagons naamloze mensen berichten elkaar vernemen bestaan in andermans hoofd troost uit nooit gesproken woorden – hun gebeden blijven ieder altijd onbekend.
Michaël Zeeman (18 september 1958 – 27 juli 2009)
*************************
In de tweede helft van de jaren negentig werkte Frans Roumen aan een roman die de titel “Vriendschappelijke brieven” had moeten krijgen. Het manuscript gold na een verhuizing jarenlang als zoekgeraakt. Onlangs werden er echter toch flinke delen van bij een grote opruimactie ontdekt in een oude doos in de kelder. Romenu heeft de toestemming gekregen om er regelmatig fragmenten uit te publiceren. Vandaag volgt het vijfde van een nog nader te bepalen aantal
Uit: Vriendschappelijke brieven
“Arnhem, 2 mei 1996,
Lieve Bart,
Uwe Klein, Polizeisprecher aus Essen, denk maar niet, Kenan, dat wij iets te horen krijgen voordat het de politie goeddunkt. – Ja. Dan moet je maar met de Bildzeitung dreigen. — En dan zeggen ze ook nog dat een taxichauffeur iets verkeerd begrepen heeft. – Psalm 143 en 144. Vooral, Kenan, vers 7 en 8. Straks ga ik weer naar mijn zonen als planten en mijn dochters als zuilen. De regering van Mexico zou trouwens eens aan vers 14 kunnen denken.
Duitsland
roept een crisis in de scheepsbouw uit en vakbonden pleiten meteen voor
behoud van de werkgelegenheid en noemt dat industriebeleid met
hightech. Verspreekt zich over ware bedoelingen: Wij willen
Kriegsschiffe bouwen. Gelijk hebben ze. En ze hebben het van snelle Wim
afgekeken of van razende Hans. dat wil ik even in het midden laten.
Geef
die 200 Berlijnse jongeren een PC en je houdt ze, na vrolijke tips over
wat je er mee kunt doen van de straat. En politie-agenten uit het
ziekenhuis of de ziektewet. (Ik brand nog steeds een kaarsje voor Cor).
Goed. Arie werkt – voor hoe lang – in Samson. Zwolle – Nijmegen via Arnhem. Ach, Bartje hij spreidt er mijn bedje maar.
10.14 uur. Arie’s telefoonnummer bevestigd. En hem al vast weer even gesproken.
Braunschweig,
Halle en Leipzig. (Kenan, ik ben naar de COOP). Zo meteen ga ik wel
even bij de Aldi langs hoor. Ik heb geen koffie meer. Eerst even weer
wat soep eten. Dezelfde als gisteren. Daarna maak ik die weer zelf.
11.55
uur. Kers heeft gebeld. Er zijn geen ongelukken gebeurd met de deur, al
had ik de sleutel aan de binnenkant laten zitten. Als Jeffrey inderdaad
minder streng en hard is dan zij is alle schade echt nog te overzien.
Want Paradox was wel zeker een ernstige zorg. Ik moet daar vrijdag – zij
besmuikt glimlachend – weer binnen kunnen wandelen.
Soms zou ik ook alleen van die lieve dingen willen zeggen.”
Lied voor de nog niet afgestreken lucifer bij de paleizen van het geheugen
Wat de beademde slangenarend in de schemering zong: De paleizen van het geheugen zijn dan groot, dan klein. Je schrikt soms van wat je ziet, als de regen even ophoudt. Sommige spreuken en beraadslagingen vliegen naar Smeerenburg waar de walvissen gekookt werden, andere worden as in de gevallen adderburchten of tolden over schaapachtige heuvels. Brand niet op, niet afgestreken lucifer al is Tsjitsjikovs koets nog niet door ‘t duister opgeslokt. Oude ar kamfer moe: Ik de zoon van een verschrikte, wil liever niet op het uur van de wandelende tak mijn dwaas hoofd 180 graden draaien.
1800
De honderd steden met poorten ’s nachts op slot. In de grachten, tollend van vuil, roeit de bacil van cholera asiatica aan. Venen tussen de steden dof overstromend. Droge gronden hoeden jager en
herder. Aan de oostgrens rondom de dorpen weiden; akkers met meekrap, vlas, hop, hennep. Laagveen daalde in ’t water af. Soms, in de mistflarden, bij vuurvliegjes, dwaallichten, zweeft als uit een bijt
gehakt, ivoor, het oudste beeldje aan van een eerst gezicht, haar hals omlijst door geplooid doek boven de laatste wolf en bever. Haar neus ruikt de geur
van het onland, pinksterbloem en zuring. Drijfnat, hard en onherbergzaam zijn duister toevluchtsoord grijze dorpen; koud volkje zit bij houtrook en vuur.
Vier Wespenzangen
1 In de Doorlichtingsbarak vol gevaarlijke straling hangt een groengeel affiche ‘Lucht het behoud van uw longen’
Vrolijk kleppende harten luiden ’t vet de kerk uit, zoals te zien op plakkaten in ’t huis van dokter Hartenaas.
Fonkelende spar, geschilderd op de loods van Zagerij Denneboom! Houtspaanders jagen als wespen de stad door, geel, honinggeel.
Iedereen moet gezond zijn. Iedereen moet heel gezond zijn, blaken van gezondheid, vrolijk zijn als een hakmes uit Solingen!
De Lower Manhattan Skyline lacht ons toe op de ansicht, maar hoor je dan niet op 5th Avenue Kojaks lugubere sirene?
Valium brult achter loketten in de traanogende apotheken; dronken keizers Unilever en Unox steken de bloedvaten in brand.
Plaag de kinderen, wespen. Doordrenk ze van werkelijkheid. Het affiche is onze vijand. De wespen zijn onze vrienden.
H.H. ter Balkt (17 september 1938 – 9 maart 2015)
*************************
In de tweede helft van de jaren negentig werkte Frans Roumen aan een roman die de titel “Vriendschappelijke brieven” had moeten krijgen. Het manuscript gold na een verhuizing jarenlang als zoekgeraakt. Onlangs werden er echter toch flinke delen van bij een grote opruimactie ontdekt in een oude doos in de kelder. Romenu heeft de toestemming gekregen om er regelmatig fragmenten uit te publiceren. Vandaag volgt het vierde van een nog nader te bepalen aantal
Uit: Vriendschappelijke brieven
“Arnhem, 4 mei 1996
Lieve Peter,
Hoe
is het zondag met je broer afgelopen ? Ik heb je gemist in de Spring en
dat heeft haast fatale gevolgen gehad voor Paradox. Het is maar goed
dat Kers de vrouw is die zij is en dat mijn 9 maanden training bij en
door de AA vrucht bleek te hebben gedragen, anders was er een klein
menselijk drama ontstaan waar in eerste instantie Bavaria, maar
uiteindelijk niemand meer iets positiefs had uit kunnen destilleren.
Ik
heb er gelukkig nog op tijd om kunnen lachen door mij uit de directe
omstandigheden terug te trekken en boven het kleinsteedse geroezemoes
uit te stijgen. Ik rij tegenwoordig dan met de DASA naar Esso of Shell
en zie het in het licht van de vredespolitiek in het Midden-Oosten en
dan valt het allemaal weer reuze mee.
Wou
jij niet iets met Jezus doen, Peter ? Mij staat ook steeds dat beeld
voor ogen van Christus die op het punt staat zijn kruis op te nemen om
het zo zijn leerlingen voor te doen. Hij zet er echt zijn schouders
onder. Die gevoelswaarde heeft die daad dan. En dán gebeurt er iets.
noem het een wonder. Want die leerlingen raken geïnspireerd ( de
voorbereiding op Pinksteren zogezegd, voel je Reve ? ) en gaan er dan
66k voor !
Het
inspirerende nu is dat Jezus, want ik schilder dat tafereel helemaal
uit, dat Jezus dat doet om niet. Voor noppes. Nou ja : pro Deo.
9.33
uur. Cor gebeld. Omdat ik dacht – ten onrechte – dat hij vandaag op
vakantie zou gaan. Maar dat is pas de negende. En dan voor drie weken.
Dit soort notities er even tussendoor kan ook zo mooi op de
tekstverwerker. Tenslotte kan ik het straks weghalen of verplaatsen. Cor
gaat naar Florence. Bella Italia. “Mijn biologische klok loopt zes
dagen voor op andere mensen.” Nou nee, het zijn er eerder zeven. Zo viel
Bevrijdingsdag voor mij op 28 april !
Het
is goed dat ik je gisteren nog gezien heb. Zo kan ik je mij nog
levendig voor de geest halen en even tegen je aan praten alsof je hier
bent. Ik ben hevig aan het werk en doe zeven dingen tegelijk. Spontaan,
zonder orde en discipline, en dat allemaal in de hoop om tot echte rust
te komen. Ik drink er nu maar een Bavaria malt bij, want de ergste
schrik is voorbij en de rode spa was bij de COOP uitverkocht. Behalve
die dure die mijn moeder altijd drinkt. ( Stik toch mens IK kan dat niet
betalen, want er wordt niet gewerkt in dit land.
Ik
ben met schrijven bezig en ik heb zelfs heel moeilijke boeken uit de
bibliotheek gehaald om mij af te leiden en mij zo nodig met zinnigere
dingen te kunnen vermoeien dan de Derde Wereldoorlog of zo. Ik heb toch
al weer twee jaar geleden op Koninginnedag in Wessem al geroepen dat die
niet zou komen en dat is ook niet gebeurd. Het is 4 mei en een
prachtige dag om dat te gedenken.
Kenan, gooi eens een lijn open naar het Witte Huis.
Michael P. Steinberg is lecturer in the Collegiate Division of the Social Sciences at the University of Chicago. Quote : “This study reveals Broch as a major historian as well, one who believes that true historical understanding requires the faculties of both poet and philosopher”.
Kijk,
Peter, dan zit ik ineens in een stuk literatuurgeschiedenis te graven,
in mijn eigen verleden en via allerlei dwarsverbindingen in mijn eigen
brein met de actualiteit. Vrije associatie als het ware.
Maar
goed dat wij daar al over gesproken hebben. Dat tekstverwerken ten dele
bestaat uit schuiven met stukken die in flitsen bij je opkomen en in
een gewone tekst gevoegd nogal ongestructureerd en ongeordend en verward
overkomen. Maar je kunt later bij elkaar passende en horende stukken
bij elkaar voegen en er zo verschillende coherente teksten van maken. Al
vraag ik mij af of het dan nog wel literatuur is.
Op radio 10 gold is het 1974, Kenan.
18:03:20, uur
Ik denk aan Stefan, na een middagsluimering en met Sky-radio op de achtergrond.”
Uit: Een seizoen in het paradijs (Vertaald door Adriaan van Dis)
“Rattegif
zou niet veel helpen want dat strooien ze ‘s morgens al samen met de as
van een eerste sigaret over hun pap. De enige manier om aan hem te
ontkomen leek het dak, onze koffers met touwen om de nek en onze
schoenen in de jaszakken, als dieven in andermans nacht. Gelukkig zijn
hoernalisten even lui als ze beginselloos zijn. De snor uit Londen
besloot dat het dichtstbijzijnde café zijn beste uitkijkpost zou zijn en
dáár heeft het bruine of rode vocht te goeder tijd zijn visie
vertroebeld en zijn jachtinstinkt afgestompt. Over schoenen gesproken:
Ashoop zou de pelgrimstocht samen met ons maken. Ik bedoel, ik wil
Ashoop nu maar meteen tot het relaas toe laten. We hebben hem omgepraat
om mee te gaan en een paar dagen geleden maakte hij zijn opwachting uit
Rome, met splinternieuwe schoenen, van die bruine Volkswagentjes met
dikke Zolen en nog dikkere hakken. ‘Speciale sneeuwbanden’ zou je ze
kunnen noemen, of het soort schoenen dat Alan Ladd altijd droeg als hij
in films tegenover Ava Gardner speelde en waarbij ze haar in een gat in
de grond lieten staan zodat ze tijdens het schieten van liefdesscènes op
wederzijdse mondhoogte konden zijn. We hebben maar weinig
geslapen. Op straat was het nog stikdonker. Een taxichauffeur die, zoals
voorzien door de voorzienigheid, in onze straat woont, schoof zojuist
nog halfslapend achter het stuur om zijn dagdienst te beginnen. Hebbes.
Hij legde een draagbaar rood tapijt en zijn jasje voor onze voeten, want
we waren op reis naar het Grote Groot. Zwaar bepakt en bezakt kiest
zijn taxi koers door de grauwe voorsteden, op naar Le Bourget. Onderweg
wisselen we mondjesvol woorden. De stad sluimert nog en het besef dat we
aan de pas geboren grijze dag gaan ontsnappen, weg uit de winter, is
fantastisch, haast ongelooflijk. De chauffeur praat met een accent uit
de Midi. Zuid!
We
konden onze zitplaatsen aan boord op een kaart kiezen, zodat je weet
waar en hoe je er uitdondert als het ding op een bergspits tot sterven
komt. Toen moesten we wachten op de aankondiging van onze vlucht, op de
inscheping. Opeens konden we bijna niet meer recht op onze voeten staan.
Je waagt het ook niet ergens te gaan zitten uit vrees dat je
onmiddellijk wegtuimelt in de zich openende nacht van bewusteloosheid of
dat je uit woordeloos plezier je broek zal natmaken. Dan maar sterke
koffie drinken. Nu begin je te vitten en je humeur verfloddert. Is alles
en iedereen nu hier? Waar is alle handbagage? Ik heb jullie toch gezegd
dat onze spullen te zwaar zijn. Wie draagt wiens camera zonder
uitvoerbewijs. Wat zitten ze dan te donderjagen.”
Breyten Breytenbach (Bonnievale, 16 september 1936)
*************************
In de tweede helft van de jaren negentig werkte Frans Roumen aan een roman die de titel “Vriendschappelijke brieven” had moeten krijgen. Het manuscript gold na een verhuizing jarenlang als zoekgeraakt. Onlangs werden er echter toch flinke delen van bij een grote opruimactie ontdekt in een oude doos in de kelder. Romenu heeft de toestemming gekregen om er regelmatig fragmenten uit te publiceren. Vandaag volgt het derde van een nog nader te bepalen aantal
Uit: Vriendschappelijke brieven
“Nijmegen, 3 april 2005
Lieve Cor
Jouw
motor en Amsterdam, dat geloof ik allemaal wel, maar een verborgen
passie voor houtzagen? En vooral het detail dat je je aanbiedt in een
kleine advertentie.
Ik
kan er niets aan doen, maar sinds onze samenwerking enkele jaren
geleden„ geloof ik het dan achteraf toch niet meer helemaal.
Nu
heb ik niet meteen een passend kaartje in huis, maar godzijdank wel een
printer (ik zou er zo een kaartje bij kunnen downloaden), maar goed,
het is een brief geworden.
Ik
veronderstel dus maar bij deze gelegenheid dat je me hebt willen
vertellen dat je je in Arnhem bezig houdt met natuur en milieu en dat
hetgeen je op dat terrein doet in het verlengde ligt van onze
samenwerking destijds? De ondeugende blik en de ondertoon zijn
kenmerkend voor jou bij dit soort mededelingen over houtzagen… Cor
vertelt mij iets en het is net als in een gedicht van Achterberg: “Lees
maar, er staat niet wat er staat.”
Ik
had er waarschijnlijk mee moeten leren leven als ik de liefde van je
leven was geworden. Nou ja moeten… zoiets doe je dan graag nietwaar?
Bovendien hou ik van poëzië.
Ik
vroeg je: Hoe is het met de liefde, Cor? en toen zei je: “Daarom ben ik
hier”. Nou geloof ik niet dat je op onze leeftijd op zo’n feest als de
Kiss Kiss Club nog de liefde van je leven tegenkomt, al is het nooit
uitgesloten natuurlijk. Oude liefdes kom je er wel regelmatig tegen en
in het geval van gisteren had ik het geluk jou weer eens te zien.
Alleen
al met onze begroeting had ik er het entreekaartje helemaal uit… De
ene kus is immers de andere niet en deze van gisteravond wordt in mijn
geheugen opgeslagen naast de herinnering aan onze ontmoeting bij Wil, de
spelletjesavond op de Henri Dunatstraat en je bezoek aan mij in
Nederasselt.
In
de persoon van mijn tennisvrienden Aryan en Frank had ik trouwens
genoeg liefde zelf meegenomen en misschien is dat wel de beste manier om
nog naar zo’n feest als de Kiss Kiss te gaan. Dan is het bij voorbaat
al geslaagd. Maar gisteren waren er dus zelfs twee extraatjes.
Een politieman op het podium en een in de zaal. Het was leuk, Cor. Vandaar deze brief.
En graag tot ziens,
Het oude Doornroosje in Nijmegen, jarenlang de locatie voor de Kiss Kiss Club
De Nederlandse dichter en schilder Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook alle tags voor Lucebert op dit blog.
de schoonheid van een meisje of de kracht van water en aarde zo onopvallend mogelijk beschrijven dat doen de zwanen
maar ik spel van de naam a en van de namen a z de analphabetische naam
daarom mij mag men in een lichaam niet doen verdwijnen dat vermogen de engelen met hun ijlere stemmen
maar mij het is blijkbaar is wanhopig zo woordenloos geboren slechts in een stem te sterven
het gelijk – een chanson
het gelijk van vissen vingers het kwintet van de complicaties en braille het gelijk van de ogen op borsten het aanraken van de taille der vertedering het gelijk van honderd tegelijk zingende bossen
het gelijk van het gelijken op een grote gek die door drinken denkt – in de rivieren drijft de hemel mee met de aarde en de werelddelen stomen naar elkaar op door de zeven wereldzeeën – een processie van de progressie
– wind gelijk honing stroop tussen de personen de meest frivole tronie van de adem het meest idolate gelaat van de eenzaat – mimicry als leitmotiv
het gelijk van twee bokkingen op een bord in een kamer te huur twee geheime schaduwen aan de muur spuwen een wachtwoord naar elkaar het gelijk oversteken is een geluid in de lekke goot twee eendere handen zitten samen in het haar de eenzame honden zoeken hun brood
oorlog & oorlog
zij komen glanzend overgevlogen onder de bloedende moeder smelt de eerste sneeuw
onder wuivende palmen monstert hij de nieuwe limousine van zijn schoonzoon
Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994) Lucebert – Pythia 1960
El alma pesa veintiún gramos, afirman los filósofos esotéricos. La energía suprema encadenada a un cuerpo y sólo dos postigos trémulos le muestran un rincón desierto del universo.
La pseudovida sometida al tiempo; los sueños, a unos huesos, y el amor, a unos átomos de humo.
Todo en un cenicero.
Son sólo veintiún gramos eternos.
Sergio Esteban Vélez (Medellín, 15 september 1983)
“Ugwu
tried to read the titles, but most were too long, too difficult.
Non-Parametric Methods. An African Survey. The Great Chain of Being. The
Norman Impact Upon England. He walked on tiptoe from room to room,
because his feet felt dirty, and as he did so he grew increasingly
determined to please Master, to stay in this house of meat and cool
floors. He was examining the toilet, running his hand over the black
plastic seat, when he heard Master’s voice.
“Where are you, my good man?” He said my good man in English.
Ugwu dashed out to the living room. “Yes, sah!”
“What’s your name again?”
“Ugwu, sah.”
“Yes,
Ugwu. Look here, nee anya, do you know what that is?” Master pointed,
and Ugwu looked at the metal box studded with dangerous–looking knobs.
“No, sah,” Ugwu said.
“It’s
a radiogram. It’s new and very good. It’s not like those old
gramophones that you have to wind and wind. You have to be very careful
around it, very careful. You must never let water touch it.”
“Yes, sah.”
“I’m
off to play tennis, and then I’ll go on to the staff club.” Master
picked up a few books from the table. “I may be back late. So get
settled and have a rest.”
“Yes, sah.”
After
Ugwu watched Master drive out of the compound, he went and stood beside
the radiogram and looked at it carefully, without touching it. Then he
walked around the house, up and down, touching books and curtains and
furniture and plates, and when it got dark he turned the light on and
marveled at how bright the bulb that dangled from the ceiling was, how
it did not cast long shadows on the wall like the palm oil lamps back
home. His mother would be preparing the evening meal now, pounding akpu
in the mortar, the pestle grasped tight with both hands. Chioke, the
junior wife, would be tending the pot of watery soup balanced on three
stones over the fire. The children would have come back from the stream
and would be taunting and chasing one another under the breadfruit tree.
Perhaps Anulika would be watching them. She was the oldest child in the
household now, and as they all sat around the fire to eat, she would
break up the fights when the younger ones struggled over the strips of
dried fish in the soup. She would wait until all the akpu was eaten and
then divide the fish so that each child had a piece, and she would keep
the biggest for herself, as he had always done.”
Chimamanda Ngozi Adichie (Enugu, 15 september 1977)
*************************
In de tweede helft van de jaren negentig werkte Frans Roumen aan een roman die de titel “Vriendschappelijke brieven” had moeten krijgen. Het manuscript gold na een verhuizing jarenlang als zoekgeraakt. Onlangs werden er echter toch flinke delen van bij een grote opruimactie ontdekt in een oude doos in de kelder. Romenu heeft de toestemming gekregen om er regelmatig fragmenten uit te publiceren. Vandaag volgt het tweede van een nog nader te bepalen aantal
Uit: Vriendschappelijke brieven
« Arnhem, 4 mei 1996
Lieve Stefan,
Love is the same old situation… Hoe zijn jouw de eerste werkdagen in de regen bevallen? Is our romance to continue? My love is mellow and my hopes are strong…
Dit
wordt voor mij een heel relaxte dag om thuis wat op mijn dooie gemak te
klungelen. Het is zo’n dag om uit te slapen, maar in dit jaargetijde
gaat mij dat nu eenmaal slecht af. Gisteren was ik in Entre Nous en ik
was pas om 4.00 uur thuis en dan vanmorgen toch weer om 8.00 uur op.
Eerder zelfs.
(Rob
heeft er ook meteen werk van gemaakt bij Ravage. Nog iets op de harde
schijf gevonden ? Wat nemen ze het hoog op, Kenan, snap jij dat nou ?
Omdat het vlak bij mij is? Ja, Toronto is ook vlabij, Kenan.)
Je kunt wel stellen dat de dag om 8.11 uur is begonnen te werken.
Weet
je, Stefan, dat ik gisteren een fiat heb gekregen van de coordinator
van Paradox ? Of was het een Fiat Jeffrey ? Als jij me kust, Stefan, kan
de rest van de wereld kapotvallen, wist je dat al?
Captain
Jack. Op Volkel starten een paar F 16’s, Yarci. De piloten denken dat
hun opdracht strikt vertrouwelijk is, want ze weten niet meer dan :
Maastricht. “Spanje heeft Nederland de oorlog verklaart”, zegt Yarci
tegen Raphaël.
Villa Franca. De boordcomputer.
Rihad : Nederland wil binnenkort meer olie importeren.
Den Haag : Mimnister Zalm heeft aangekondigd dat een verhoging van de gasprijs noodzakelijk is.
Bette Midler : To deserve you, Arie, moet nog een hit worden. Trendy Arie. Charmant, nietwaar?
Psalm 149:5, Bart.
Tot zover deze lezing.
Dat was net een variant van Jurriaan met Arie en Pim, Bart. Die zaken moeten toch wel iets met viriliteit te maken hebben.
Fokker
had gewoon aan een overname van Antonov moeten denken in plaats van aan
een overname dóór DASA. Laten wij de les leren die deze ervaring ons
biedt en overgaan tot de orde van de dag misschien kan DASA alsnog zelf
Antonov overnemen ).
Çiller tegen haar minister van cultuur : “Wat lees jij tegen-woordig ?” – “Verveel je je, Tansu?” –
Amsterdam : Nordholt vindt dat politie voorbeeld kan nemen aan Colombiaanse collega’s.
Bill tegen Hilary : “Dat proberen ze al te analyseren, dear. Dat proberen ze al.”
Wij moeten naar de Aldi, Kenan. 11.32 uur. Daar waren ze alert: LB SF 93. Wij moeten naar het park, Kenan. Eendjes voeren.
Vorige week om deze tijd was ik net van Cor terug…gesprek met Lies over Raphaël.”
Zonder begeerte, zonder hoop op beloning, ook niet uit angst voor straf, de roekeloze, de meedogenloze schoonheid
te fixeren waarin leegte zich meedeelt, zich uitspreekt in het bestaande.
Laat de god die zich in mij verborgen houdt mij willen aanhoren, mij laten uitspreken, voor hij mij met stomheid slaat en mij doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.
Bij herhaling blijkt het zelfs…
Bij herhaling blijkt het zelfs goed om te zijn in de werkelijkheid;
maar voor een gedicht is het meestal
niks. Bronmos markeert wel de plaats waar zich de bron bevindt, maar tevens talloze andere plaatsen waar van een bron allang geen sprake meer is,
laat staan van mos. Zo gaat het ook met bronnymfen en vinders van bronnen, met makers van verzen en met slagen van wieken langs de hemeltergende knechtende hemel.
Net als ik zeg
Net als ik zeg: er is niets meer, ik ben niets meer, hoor ik wat.
En het begint weer helemaal opnieuw: daar heb je mij weer.
Als ik het zelf niet was, help jij mij dan zeggen wie ik ben.
Hans Faverey (14 september 1933 – 8 juli 1990)
*************************
In de tweede helft van de jaren negentig werkte Frans Roumen aan een roman die
de titel “Vriendschappelijke brieven” had moeten krijgen. Het manuscript gold
na een verhuizing jarenlang als zoekgeraakt. Onlangs werden er echter toch
flinke delen van bij een grote opruimactie ontdekt in een oude doos in de
kelder. Romenu heeft de toestemming gekregen om er regelmatig fragmenten uit te
publiceren. Vandaag volgt het tweede van een nog nader te bepalen aantal
Uit: Vriendschappelijke brieven
“Dinsdag 4 juni 1996, 0.18 uur.
Liefste Stefan,
Terug van de Kringavond. Voor het eerst heel
“lieve” gevoelens voor Wil, die onder het rondje dan ook diverse
keren zelf lief mijn kant op keek,
Daarvoor zag ik kans toch nog even naar jou, Steefje,
te bellen om je succes te wensen morgen, Je had bij je moeder gegeten om, 19,00
uur, was je daar natuurlijk nog niet van terug.
De Europese Ariane 5 start vandaag. Kosten : 10
miljard. Vooruitbesteld zijn echter al 14 stuks. Er gebeurt dus toch nog wat in
de ruimtevaart.
Citaat Alex : “Het prachtige van hoger bewustzijn
is dat wat het beste voor jou is, het beste voor ieder ander is.” Alex is
een zeer bijzondere man.
Ander citaat : Als je op het vierde of een hoger
niveau gaat leven, verandert je stralend innerlijk wezen op een creatieve wijze
de gevoelens en handelingen van de mensen en de vibraties van de situaties
waarmee je in contact komt. Je geeft ze het grootst mogelijke geschenk – je
stemt je af op de mooie plek in hen, die achter hun
lager-bewustzijns-spelletjes ligt. Je hebt een harmonieus contact met ze, op
het vierde niveau, waar zij zuivere liefde zijn. En dit kan zelfs gedaan worden
met niets meer dan een liefdevol oog-in-oog-contact of een glimlach.
Hier staat beschreven wat er – in elk geval tussen Wil
en mij -gisteravond gebeurde. (het is 01.14 uur)
Ik hoorde trouwens een wat beklemmend gesprek in een Turkse
supermarkt hier in het Spijkerkwartier over twee broers die bij een aanslag of
iets dergelijks om het leven waren gekomen. De COOP was namelijk wegens een
verbouwing gesloten en ik moest mijn kipfilet ergens anders vandaan halen.
Morgen nog eens nagaan of het de Türkiyem Market was
of een andere. (2.48 uur) Terug van een wandeling door deze kant van het
centrum. Bij de Rabobank : “Bestellen Sie dem Stefan schöne Grüße!“ Daarna mijn weg langs V
en D, van Dam (sic) vervolgd. Via het politiebureau en de Damstraat weer terug
naar mijn bankje in het park. Om deze tijd rijden er praktisch alleen nog
taxi’s. En behoorlijk wat. Mercedes-Benz is het wat de klok slaat.
Het blijkt een slapeloze nacht te zijn. Een nacht om
te werken, Stefan.
Wist je al, Kenan, dat Zuid-Korea een licentie wil
hebben van Mercedes-Benz ? De eerste serie plannen ze natuurlijk in decent
legergroen. Ach, ja, je roddelt wat af in zo’n nacht na volle maan…
Arie ! Ik lees nog steeds Kundera en vraag mij plotseling bij hoofdstuk 4 af of jij je met Tereza identificeert, want jij werkt nu zelf dan wel niet als serveerster in een restaurant, maar wel als ober in een café…?”
De Hongaarse schrijver en anticommunistische dissident György Konrád is op 86-jarige leeftijd overleden. György Konrád werd geboren op 2 april 1933 in Berettyóújfalu (bij Debrecen). Zie ook alle tags voor György Konrád op dit blog.
Uit:Zonsverduistering(Vertaald door R. Kellerman)
“Het
was een feest om in de oceaan van geleuter een solide eiland aan te
treffen. In de jaren van censuur was lezen een vlucht, een elke avond
weerkerende emigratie, een tijdelijke opschorting van de valse verhalen
die de woning binnen drongen. Een goed boek in mijn tas was een
compensatie voor de frases die ik lijdelijk had moeten aanhoren, en een
bron van genot, zoals de theesalon of het bordeel dat voor opgeschoten
jongens was. Met behulp van de literatuur kunnen we streng zijn
tegenover onze medemensen, maar als we leren lezen kunnen we hun ook
vergeven, ons zelfs in hen verlustigen. Sedert mijn gymnasiumtijd stel
ik mij voor dat de mensheid in standgehouden wordt door aanhoudende
conversatie tussen dicht geschreven teksten. (…)
We
hebben een huis in het dorp gebouwd, we passen erin, in deze kamer heb
ik draaglijk geschreven en hier regel ik ook wat ik van elders heb
meegebracht. Dit zich terugtrekken om te kunnen observeren geeft
vrijheid. In Berlijn ben ik Boedapester, in Boedapest Berlijner, in
beide hoofdsteden iemand uit Hegymagas. Ik verkoop mijn gebrom aan het publiek, zolang ik nog enigszins in de markt lig. Ik schrijf, ik spreek, van andere dingen heb ik geen verstand, de manifestaties bevruchten elkaar en vermeerderen zich ongeremd. Laat het huis vol zijn, laat iedereen komen!”
Uit: Flanders Diary (Vertaald door Miriam McIlfatrick)
“The first to push this anticipation further into the future was
perhaps the Church itself, when it started to build heavy stone
churches, crypts, beneath which the chosen dead had to await the
Resurrection. The very thickness of the walls shows that this event is
not likely to to come about any time soon. I have not lived in
other cultures so I do not know if anticipation occupies such an
important place in them. Some claim that it does not, but I do not place
much trust in such external observation of foreign cultures. You see
what you are looking for there. And if you live it as your own, you do
not see anything other than life. This civilisation that I see here
in the heart of Europe, in old Flanders, on my salutary bicycle trips
through these endlessly branching and snaking little concrete roads,
this is our civilisation and yet it is not. I am as much inside it as
outside it. It is a question of a small shift of time and space. I am
still not used to everything being ready, concreted, smoothed, fully
constructed, in order and reliable. But I have seen the speed and
enthusiasm with which Estonia has in recent years aspired to this state,
and with some success, though “a great deal still has to be done”. I
have never really believed that we will ever achieve this state in our
country. We made it to the party-table at the very last minute, we did
make it but a wee bit too late. Just in time for dessert. Soon the
waiters will start clearing the table, the party is over, the guests are
tired and a little drunk, everyone is going home. We probably will not
achieve such a level of concreting, mechanisation and welfare, because
before getting there the spiritual and material preconditions will have
been lost. Boredom and fear will destroy the spiritual preconditions,
mother nature will take care of the material preconditions. Because
what will happen, I am thinking on the spiritual plane, when everything
is ready? What is left for people then? Boredom, because there is
nothing else to do except everyday aimless (yes, aimless, because it
changes practically nothing) pottering about, though of course like
Sisyphus people always try to get ahead, bring home a new computer,
install a faster internet browser, fly away to some even further part of
the globe. And come back no wiser because how far away was it really?
And fear, when they occasionally stop to think about things (and this
moment comes every day), just like when we walk past the mirror and see
ourselves, before it occurs to us to make that face that we usually make
when we look in the mirror. We are afraid because we have so much. Or
it seems to us that we have so much, i.e., we have so much to lose. Or
just as much to escape from? Creating well-being has for some time
been purely fictitious. As there is actually nothing more to add,
appearances are added. What is human well-being? To eat your fill (and
not just anything, but what tastes good), to be protected from the
elements, to sleep in a warm enough room between cool clean sheets, to
“have” a husband or wife, preferably children too, who appreciate and
love you, not to spend every minute in fear for your life. In short,
peace, a fear-free existence, just enough excitement … Voilà. Of
course, the trouble with this is that well-being is very hard to define.
Because it does not exist. It is where we are not. If your stomach is
full of delicacies, it starts to hurt, your health.”
Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962) Cover
*************************
In de tweede helft van de jaren negentig werkte Frans Roumen aan een roman die de titel “Vriendschappelijke brieven” had moeten krijgen. Het manuscript gold na een verhuizing jarenlang als zoekgeraakt. Onlangs werden er echter toch flinke delen van bij een grote opruimactie ontdekt in een oude doos in de kelder. Romenu heeft de toestemming gekregen om er regelmatig fragmenten uit te publiceren. Vandaag volgt het eerste van een nog nader te bepalen aantal.
Uit: Vriendschappelijke brieven
“Arnhem, 1 juni 1996, 14.12 uur
Lieve Stefan,
Ik heb je net aan de telefoon gehad, dus studeer maar ijverig
verder met al je moeheid. Gefeliciteerd met je uitzicht op promotie, hoe
dan ook. Dat je je bij al die drukte niet lekker voelt kan ik me
voorstellen. Ik denk dat je op dit moment meer geleefd wordt dan zelf
leeft. Dat is heel vermoeiend.
(Voorhoeve kletst nog altijd uit zijn nek en ik vergeet ook
steeds weer dat die klojo minister van defensie is. En dat wou ik nou
even kwijt.)
14.43 uur. De wasmachine weer eens aangezet. Raar. Ik heb daar
maar twee minuten werk aan en toch moet ik mij er iedere keer toe
dwingen. 0 Mama Mia.
Naar de Aldi, Kenan.
Ik moet zeggen : je undercover uitvoering met de twee flessen
goedkope Martini is perfect. Die goeie ouwe tijd toch in het
Kronenburgerpark. Ik heb maar flink wat Primus Inter Pares ingeslagen. (
15.43 uur ).
Sorgdrager en Dijkstal hebben ook iets opgepikt over een hoeveelheid andere mentaliteit, gezien hun opdracht aan mr. C. Ficq.
Albrecht Nederland zit in Culemborg. Weten wij dat ook weer. Zou Albrecht veel lezen ?
V en D, Kenan, en daarna de COOP.
Ik sta iets zeer eenvoudigs te koken, nu om 18.28 uur, later dan
normaal. De computer staat aan. Ik luister naar mijn nieuwe cd van
Sinatra. De t.v. staat aan en af en toe lees ik in een boek en ik geniet
eigenlijk van deze vrijheid c.q. chaos. En net als ik denk dat ik
eenzaam ben – niet dus – belt Deny.
Een keizerlijk portret van de Chinese imperator Xianfeng, 1855
Der Kaiser von China spricht
In der Mitte aller Dinge Wohne Ich, der Sohn des Himmels. Meine Frauen, meine Bäume, Meine Tiere, meine Teiche Schließt die erste Mauer ein.
Drunten liegen meine Ahnen: Aufgebahrt mit ihren Waffen, Ihre Kronen auf den Häuptern, Wie es einem jeden ziemt, Wohnen sie in den Gewölben.
Bis ins Herz der Welt hinunter Dröhnt das Schreiten meiner Hoheit. Stumm von meinen Rasenbänken, Grünen Schemeln meiner Füße, Gehen gleichgeteilte Ströme
Osten-, west- und süd- und nordwärts, Meinen Garten zu bewässern, Der die weite Erde ist. Spiegeln hier die dunkeln Augen, Bunten Schwingen meiner Tiere,
Spiegeln draußen bunte Städte, Dunkle Mauern, dichte Wälder Und Gesichter vieler Völker. Meine Edlen, wie die Sterne, Wohnen rings um mich, sie haben
Namen, die ich ihnen gab, Namen nach der einen Stunde, Da mir einer näher kam, Frauen, die ich ihnen schenkte, Und den Scharen ihrer Kinder, Allen Edlen dieser Erde
Schuf ich Augen, Wuchs und Lippen, Wie der Gärtner an den Blumen. Aber zwischen äußern Mauern Wohnen Völker meine Krieger,
Völker meine Ackerbauer. Neue Mauern und dann wieder Jene unterworfnen Völker, Völker immer dumpfern Blutes, Bis ans Meer, die letzte Mauer,
Die mein Reich und mich umgibt.
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)
De keizer van China spreekt
In het midden van alle dingen Woon ik de Zoon des Hemels. Mijn vrouwen, mijn bomen, Mijn dieren, mijn vijver Sluit in de eerste muur.
Beneden ligt mijn voorgeslacht Opgebaard met hun wapens, Hun kronen op de hoofden, Zoals het een ieder past, Wonen zij in de gewelven.
Tot in’t wereldhart beneden Dreunt het schrijden van mijn hoogheid. Stom vanaf mijn zodenbanken Groene bankjes van mijn voeten, Gaan stromen in gelijke delen Oost-en west en zuid-en noordwaarts,
Om mijn tuin er te bevloeien, Die de wijde aarde is. Spiegelen hier de donkere ogen, Bonte vleugels van mijn dieren, Spiegelen buiten bonte steden, Donkere muren, dichte wouden
En gezichten veler volkeren. Mijn edellieden, als de sterren, Wonen rond om mij, zij hebben Namen, die ik hun gaf, Namen naar dat eerste uur, Toen er een mij nader kwam,
Vrouwen, die ik hun schonk, En de scharen van hun kinderen ; Alle edellieden dezer aarde, Schiep ik ogen, groei en lippen, Zoals de tuinman aan de bloemen. Echter tussen buitenste muren
Wonen volkeren, mijn krijgers, Volkeren, mijn akkerbouwers. Nieuwe muren en dan weer Deze onderworpen volkeren, Volkeren van steeds doller bloed, Tot aan de zee, de laatste muur,