Judith Hermann, Michael Lentz

De Duitse schrijfster Judith Hermann werd geboren op 15 mei 1970 in Berlijn-Tempelhof. Zie ook alle tags voor Judith Hermann op dit blog.

Uit: Wir hätten uns alles gesagt

„Vor einiger Zeit bin ich mitten in der Nacht auf der Berliner Kastanienallee in einem sogenannten Spätkauf zufällig und unverhofft meinem Psychoanalytiker begegnet – zwei Jahre nach dem Ende der Psychoanalyse und zum allerersten Mal außerhalb des Raumes, in dem ich jahrelang auf seiner Couch gelegen hatte.
An diesem Abend war ich mit G. unterwegs, dem einzigen Schriftsteller, mit dem ich befreundet bin. Wir hatten bei einem Italiener auf der Eberswalder Straße gegessen, vor einer Bar einige Gläser Wein miteinander getrunken, G. hatte mich zur Straßenbahn bringen wollen, auf dem Weg zur Straßenbahn hatten wir angefangen, von unseren Müttern zu sprechen. Es waren dieses Muttergespräch, das leichte Betrunkensein und die Tatsache, dass wir auf alten Pfaden gingen – Arkona, Rheinsberger, Wolliner, Straßen, auf denen wir in unserer Jugend unterwegs gewesen waren, vor tatsächlich einem Vierteljahrhundert also, als es noch schneite, die Welt um uns herum schwarzweiß und reine Poesie gewesen war – , die dazu führten, dass ich eine Straßenbahn nach der anderen fahren ließ, wir uns an der Kastanienallee auf die Treppenstufen vor einer Haustür setzten und beide unvermittelt eine Zigarette rauchen wollten, obwohl wir uns das Rauchen schon vor Ewigkeiten abgewöhnt hatten.
An uns vorbei ging ein rauchendes Mädchen, und ich sprach sie an. Ich bat sie um eine Zigarette, und sie sagte entschuldigend, sie habe keine, aber drüben – sie deutete zum Spätkauf auf der anderen Straßenseite – könne man Zigaretten einzeln kaufen: wie früher. Wir gingen quer über die Straße, betraten den Späti, im Späti saß der arabische Besitzer hinter der Kasse, und vor der Kasse stand mein Psychoanalytiker Dr. Dreehüs und bezahlte gerade ein schönes Softpack gelber American Spirit.
Ich habe in meinem Leben häufig Menschen nicht erkannt, wenn ich sie außerhalb der gewohnten Strukturen angetroffen habe. Dr. Dreehüs war ich außerhalb seiner Praxis nie begegnet, in seiner Praxis im Grunde genommen auch nicht. Er hatte mir dreimal in der Woche die Tür aufgemacht, ich war an ihm vorbei durch den Flur gegangen, hatte das Zimmer betreten, meine Jacke ausgezogen und über den dafür vorgesehenen Stuhl gehängt; dann hatte ich mich auf die Couch gelegt, er hatte hinter mir in einem Sessel Platz genommen.“

 

Judith Hermann (Berlijn-Tempelhof, 15 mei 1970)

 

De Duitse dichter, schrijver, literatuurwetenschapper en musicus Michael Lentz werd geboren in Düren op 15 mei 1964. Zie ook alle tags voor Michael Lentz op dit blog.

 

ik was nooit
op een plaats
neergezet als
een meubel wilde
ik zijn door mezelf
neergezet
op een plaats
de ik niet die ik
nooit verlaten kan
en ik ben blij
ik ben de plaats
die me nooit die
me nooit verlaat

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Lentz (Düren, 15 mei 1964

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e mei ook  mijn blog van 15 mei 2022 en ook mijn blog van 15 mei 2021 en eveneens  mijn blog van 15 mei 2019 en ook mijn blog van 15 mei 2018 en ook mijn blog van 15 mei 2017 en ook mijn blog van 15 mei 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Sander Kollaard, Jan Lauwereyns, Michael Lentz

De Nederlandse schrijver Sander Kollaard werd geboren op 13 mei 1961 in Amstelveen. Zie ook alle tags voor Sander Kollaard op dit blog.

Uit: Uit het leven van een hond

“Het hart klopt, denkt Henk van Doorn als hij wakker wordt, en het bloed stroomt. Goedbeschouwd is dat het verstandigste wat je erover kunt zeggen.
Het is een merkwaardige gedachte en een onwaarschijnlijk begin van de dag, van zijn herwonnen bewustzijn, maar het doet in elk geval wat een begin behoort te doen: het suggereert een vervolg. Met die eerste gedachte dienen zich nieuwe gegevens aan: de ruimte waarin hij zich bevindt (zijn slaapkamer), de tijd (ergens tussen acht en negen) en van het weer (zonnig). Van harte gaat het niet. De nieuwe gegevens komen aansjokken als pubers die net wakker zijn en met zure, stuurse gezichten aan de ontbijttafel gaan zitten, beledigd dat hun weer een nieuwe dag in de maag is gesplitst. Henk slaat de nieuwe gegevens van enige afstand gade, nog loom en zwaar op de matras: dat het zaterdag is; dat Schurk gisteravond niet helemaal lekker leek en misschien iets verkeerds heeft gegeten; dat hij later vandaag zijn jarige nichtje Rosa moet bellen. De hoeveelheid informatie groeit en daarmee zijn bewustzijn en de man die hij is. Henk van Doorn, IC-verpleegkundige, 56 jaar oud.
Als hij op de klok kijkt, ontdekt hij dat informatie niet altijd betrouwbaar is. Het is nog maar een paar minuten over zes. Dat roept de vraag op of hij zich zal omdraaien en de ogen sluiten en zo de inmiddels verzamelde informatie zal lozen in nieuwe slaap. Het is een verleidelijke gedachte, maar het is te laat. Er is al een kritieke massa bereikt en intussen komt van alle kanten nieuwe informatie opgezet, opgewekter nu, niet zoals die pubers maar meer zoals de pinken die hij een paar dagen geleden in de wei zag en die hem en Schurk langs het hek volgden, opgewonden, baldadig, totdat hij een stap in hun richting zette, boe, en ze collectief achteruit stapten om hem vervolgens van een paar meter afstand aan te staren in een halve cirkel van natte neuzen en dromerige ogen – ongeveer zoals de gegevens over wie en wat hij is hem nu aanstaren, die nog altijd bewegingsloze man in bed.
Het hart klopt, hoort hij opnieuw, en het bloed stroomt. Hij realiseert zich dat de gedachte een restant is van het gesprek dat hij gisteravond voerde aan het eind van zijn dienst, met een nieuwe collega, een jonge vrouw van wie hij de naam alweer kwijt is. Ze hadden het over de betekenissen die aan het hart worden toegedicht: dat het geheimen verbergt; dat je het kunt vasthouden; dat het kan overlopen van liefde, maar in sommige gevallen angstaanjagend kil blijft. Allemaal onzin, had de vrouw gezegd, op een besliste toon die hij niet sympathiek vond. Onzin. Het hart is een pomp. Het klopt, het bloed stroomt, dat is alles.”

 

Sander Kollaard (Amstelveen, 13 mei 1961)

 

De Vlaamse dichter Jan Lauwereyns werd geboren op 13 mei 1969 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jan Lauwereyns op dit blog.

 

Het koeldingige van Sonic Youth

Zet dat nummer vier op met die vijand

Van het type dat vast geen dansen kun
Zet dat nummer vier op met die vijand

De stekker uit en ja, wat zie je wel
Van het type dat vast geen dansen kun

Haai zou niet willen, haai denke van niet
De stekker uit en ja, wat zie je wel

Zo bezwem je slaapkamers met slagroom
Haai zou niet willen, haai denke van niet

Zo bezwem je slaapkamers met slagroom
Wonderknaap wage zich an die proeve

Onder ijs woelen blauwgrijze golven
Wonderknaap wage zich an die proeve

Muzikaal ziet poesje van verre wreed
Onder ijs woelen blauwgrijze golven

Wie zal je slaaf, jouwe scheerbeurt geven
Muzikaal ziet poesje van verre wreed

Haai zou niet willen, haai denke van niet
Wie zal je slaaf, jouwe scheerbeurt geven

Haai zou niet willen, haai denke van niet
Zeg ze daar wat, hoe we dit gehoren

Ons meisjes van blanke handel bevrijd
Zeg ze daar wat, hoe we dit gehoren

Haai zou niet willen, haai denke van niet
Ons meisjes van blanke handel bevrijd

Verlegen wezen we niet op het woord
Haai zou niet willen, haai denke van niet

Schrik als we hebben van heure schappij
Verlegen wezen we niet op het woord

Schrik als we hebben van heure schappij
Pikdonker loert en besluipt de panter

Haai zou niet willen, haai denke van niet
Pikdonker loert en besluipt de panter

Bijkomstig smeult het gewricht op zolder
Haai zou niet willen, haai denke van niet

Je hemels licht knapt er dadelijk op
Bijkomstig smeult het gewricht op zolder

Alles vloeit, behalve dat alles vloeit
Je hemels licht knapt er dadelijk op

Alles vloeit, behalve dat alles vloeit

 

Jan Lauwereyns (Antwerpen, 13 mei 1969)

 

De Duitse dichter, schrijver, literatuurwetenschapper en musicus Michael Lentz werd geboren in Düren op 15 mei 1964. Zie ook alle tags voor Michael Lentz op dit blog.

 

of we dat
doen kunnen vraag je
de suikerlepel een keer
in het koffielicht dompelen met suiker
vraag je en afwassen daarna
de suikerlepel de rode
en weer terug in de
suikerpot in het suikerglas de lepel
eigenlijk niet
zeg ik
eigenlijk niet

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Lentz (Düren, 15 mei 1964)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13 mei ook mijn blog van 13 mei 2022 en ook mijn blog van 13 mei 2020 en eveneens mijn blog van 13 mei 2019 en ook mijn blog van 13 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Hagar Peeters, Andre Rudolph

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

‘Krijg de Overmaasse hazewindhondenkorenmolenpestpokken!’

Een Rotterdamse tongval is het mooiste als hij scheldt,
als hij de Erasmusbrug doet deinen onder zijn verbaal geweld,
als Bep van Klaveren de bokser zijn spierballen rollen laat
op de maat van Deelders verzen, krijg ik het echt te kwaad.

Zijn klagen klinkt niet als gejammer als een wanklank hem ontvalt
want een echte Rotterdammer houdt zijn tong altijd gebald.

Al die schepen in Delfshaven die zich aan de Noordzee laven
varen op de adem van dokwerkers naar de wijde horizon.
Is die stad wat recht en hoekig en die taal een beetje vloekig,
als een Rotterdammer kankert klinkt het vloeiend en bon ton.

De Rotterdamse tongen zijn de snelste van het land.
Zij praten als hun vuisten van het bed tot ledikant.
Zij weten zich te weren tegen Overmaasse heren,
lullen wars van redeneren het gelijk steeds aan hún kant.

Helaas, ik ben geen Rotterdammer want ik scheld niet maar ik jammer.
Mijn verwensing doe ‘k mijn ergste vijand nog niet aan.

Ik neem de wijk naar kroostrijk Crooswijk
waar ik dat prachtig schelden afkijk
en daarna ga ik weer gewoon mijn eigen baan.

De roep die ik in mijzelf hoorde

Ik geef gevolg aan de niet geuite lokroep
die geheel en al buiten hen omgaat

die hun aanwezigheid slaakt zonder hen daarin te kennen
die aantrekking die ondanks hunzelf van hen uitgaat

kom ik tegemoet met beide armen uitgestrekt als een slaapwandelaarster
zo meander ik langs meubels, de afgronden van de kamer

en nader waar mijn radars mij brengen
daar waar mijn uitgestrekte armen in die van de ander

zich in de armen van de ander bergen. We doen ons tegoed.
Hier lopen we te hoop op botten en spieren en bloed

stuiten tegen muren ketsen af op gepantserde harten
want niemand riep mij op hem toe, niets verzocht mij te komen

dan de roep die ik in mijzelf hoorde.

 

Vlakte

Het vredig afgeduwde als een bootje
aan de oever van het water dat zo stil is
dat het amper vooruitkomt
ligt in het donker de maan een wonder
de zwarte hemel een mantel
ligt het daaronder

ik heb het water gewenkt
het water wenkte terug: de golven
mijn handen kommen mijn vingers kromden
de schuimkoppen rolden

en ik duw en ik duw
tot de arm van het water het van mij overneemt,
kom maar fluistert naar het bootje

dat alleen nog de omtrek van een bootje is
waarbinnen een zwartere vlakte
opgaat in een grotere vlakte

 

Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

De Duitse dichter en schrijver Andre Rudolph werd geboren in Warschau op 11 mei 1975 en groeide op in Leipzig. Zie ook alle tags voor Andre Rudolph op dit blog.

 

téchnē (“tijdens” / “en”)

dagelijks, en volledig onopgemerkt,
maakt de ziel haar back-ups –
en vertel het aan niemand
het gaat om een

transparante techniek; lang
heeft men aangenomen
dat het om een simpele droomroutine zou gaan
die wordt gevolgd, intussen

is het vrij zeker dat
het laat in de avond gebeurt,
terwijl je in slaap valt, en
vijf, hooguit tien seconden

duurt; terwijl de maan
in de ramen staat
ja, de maan, in de ramen,
sinds honderd jaar zijn ze

onderling verbonden; alles
heb je geprobeerd om er een break in
te lassen, maar het contact is gelegd,
om de chip te killen, maar

het contact is gelegd, zelfs om de hele
zaak in afzonderlijke delen op te split-
sen, maar het contact…
zoals je dromen trouwens

die doen alsof ze in de ochtend
het lichaam verlaten, terwijl
echter de glazen buis van de dag
stuk breekt, en de dromen hun

kwikzilverkogels in je spier-
weefsel schieten en de systemen
verlammen, terwijl je
lichaam totaal niet onder de indruk

zijn geheime kalender open-
vouwt en de programmagegevens
vergelijkt, en het contact echter,
monsterlijk en precies, gelegd is.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andre Rudolph (Warschau, 11 mei 1975

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e mei ook mijn blog van 12 mei 2020 en eveneens mijn blog van 12 mei 2019.

Ida Gerhardt, Andre Rudolph

De Nederlandse dichteres Ida Gerhardt werd geboren in Gorinchem op 11 mei 1905. Zie ook alle tags voor Ida Gerhardt op dit blog.

 

In den beginne

Ik zet mijn verzen als een schelpdier aan
in diepten waar geen sterveling mij kent;
ik adem in en uit, en zij ontstaan
uit stille kernen, in het element
dat was van den beginne. Altijd blijft
het grote stromen in mij overgaan.
Ik ben alleen. Een maatgang schrijft en schrijft:
ademende zet ik de mantelen aan

 

Het gebed

– de grootouders

Drie maal per dag, naar vaste wetten,
nemen zij de eigen plaatsen in,
en gaan zich rond de tafel zetten;
van haat eendrachtig: het gezin.

De vader heeft het mes geslepen,
De kinderen wachten, wit en stil.
De moeder houdt haar bord omgrepen,
alsof zij het vergruizelen wil.

Een grauw: dan vouwen zij de handen,
de disgenoten in het huis:
van tafelrand tot tafelranden
geschikt tot een onzichtbaar kruis.

 

De paarden

Daags drinken bij het wed
de grote aardse paarden.
Hoefprenten staan op de aarde,
het gras is zilt geplet.

Te nacht, als sterren en maan
in zachte diepten spiegelen,
beweegt het wak een wiegelen:
twee vleugelen ruisen aan.

Het water ligt vervaard,
als witte manen zinken:
rimpelend om het drinken
van een geweldig Paard.

Later draagt het, weer blak,
de adem in nevel vegen
van ’t Paard dat, reeds ontstegen,
dronk uit een sterrewak.

 

Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)
Standbeeld in Zutphen (detail)

 

De Duitse dichter en schrijver Andre Rudolph werd geboren in Warschau op 11 mei 1975 en groeide op in Leipzig. Zie ook alle tags voor Andre Rudolph op dit blog.

 

de purusha ter grootte van een duim is als een rookloos licht
(de kaṅha-upanishad; 2, 13)

het was al ver in de middag
toen de jongens van de dierenambulance kwamen
en mij uit de
boom sjorden, waar ik zelf
abusievelijk was ingeklommen

ik was zo opgewekt als in lange tijd
niet meer, hoewel
mijn situatie behoorlijk uitzichtloos was
zoals jullie je kunnen voorstellen;

desondanks leek ik
op de een of andere manier helder;
als een lichtdwerg waar ze net
een nieuwe lamp van honderd watt
hebben ingedraaid

(zo gaat het immers soms:
eigenlijk voel je je rot, maar dan…)

en de jongens van de dierenambulance
wisten een moment lang
ook werkelijk
niet zo precies waar ze met me
naartoe moesten

wie heeft ze eigenlijk gebeld?
een eigenaar
schijn ik niet te hebben, mijn
naam ben ik vergeten;
de subtiele tekening
van mijn vacht en mijn slimme bruine
ogen wijzen weliswaar op
een best aardige, brave soort
en goede manieren,

maar wat heb ik daar nu aan, in deze
slechte omheining,
met de luidruchtige jongens
van de dierenambulance, die met hun
bestelbusje
kriskras door de
hele stad scheuren, op zoek
naar een geschikt

onderkomen?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andre Rudolph (Warschau, 11 mei 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e mei ook mijn blog van 11 mei 2020 en eveneens mijn blog van 11 mei 2019 en ook mijn blog van 11 mei 2018.

J. C. Bloem, Jayne Cortez

De Nederlandse dichter J. C. Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Zie ook alle tags voor J. C. Bloem op dit blog.

 

Conrad Ferdinand Meyer

In de stilte en de nacht verloren
Heb ik uwe verzen lang hermijmerd,
Tot mijn denken en mijn voelen warren.

Waarom schrijft gij in die verzen, dichter,
Toch zoo vaak van oogsten en van meisjes,
Die gaan maaien…, die ik zou beminnen?

Moede lijven, die tot liefde reê zijn –
Duizel-zon en lauwe korengolven –
Sikkelsnerpen en het lied der wespen –

Beeld is alles me en herinneringen,
Niet aan aardsche dagen, die ik leefde,
Maar aan droomen en mijn groot verlangen.

Als de zomer en de zon zoo machtig
In hun gulden boei de landen bannen,
Wat is er dan dit geluk nog rijper?

Om mij is de nacht. ’t Begint te misten.
Als er misten gaan door zomernachten
Meen ik wel den vreemden dood te ruiken.

 

De Schaduw

Geenzijds der dagen en hun bonten luister,
Wier volheid wentelt in het open licht,
Is een gebied van schaduwen en duister,
Waar alles uitdeint wat zich ginder richt.

En tusschen beide gaat ons korte leven:
De dagen dwingen ons in ’t luid vertier,
Maar wat den schemer boodschapt ons een beven
In ’t hart: de schaduw valt, uw rijk is hier.

Dan dwalen we in gepeins langs stille kaden,
Waar de avonddamp de steenen van beslaat,
Met de belofte van een droom beladen,
Die als een dauw ons langs de slapen gaat.

Wij zien alom de schemer dichter worden,
Hij groeit en rijpt en ruischt, een donkere oogst –
De huizen en de boomen zich omgorden
Met duister, dat hun deerlijke armoe troost.

Het zwarte water deint in zwakke rimpels,
Die murmelen als een geheim dat riep,
En de lantarens ontplooien hun wimpels
Van weerschijn in het kabbelende diep.

En langs der weinge wandelaars gelaten
Speelt schaduw, slagschaduw en weifle schijn,
Zoo teeder, dat zij, rein van alle haten,
Als van beminden en vertrouwden zijn.

Er spoelt een golf van deernis over de aarde,
De harten raken vlot en drijven mee,
En deinen, nu de storm des daags bedaarde,
Op nacht en stilte, een eindelooze zee.

En tot de dageraad langs bleeke wegen
Den hemel wint en de geruchten wekt,
Is er verteedering en warm bewegen
Van leven, dat naar zijnen oorsprong trekt.

 

J. C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)

 

De Amerikaanse dichteres en performster Jayne Cortez werd geboren op 10 mei 1936 in Fort Huachuca, Arizona. Zie ook alle tags voor Jayne Cortez op dit blog.

 

Deze New York City-duiven

Deze New York City-duiven
die koeren in de luchtschacht
zijn er verantwoordelijk voor dat ik
mijn teen stoot
mijn enkel verzwik
en ziek word van ammoniakdampen

Die duif die aan de waslijn hangt
stal mijn nachthemd
Die duiven op de straatlantaarn
Gaven me het gevoel gek te zijn
bij het rijden in een zwarte auto
die helemaal bespetterd is
met hun grijs-witte poep poep

Deze New York City-duiven
zijn niet relaxed zoals duiven van Oxalá in Brazilië
en kreunen niet als duiven van Zimbabwe

Duiven uit New York City kreunen
vreemd laag treurig trillend kankerachtig gekreun
gemengd met
hongerige hyena geblaf
& slurpend verlies van de boskreten

New York City-duiven
zijn niet relaxed zoals
duiven die zonnebaden bij het
Marcel Duchamp-zwembad in San Francisco

New York City-duiven zijn niet zo gelukkig als
duiven die op het hoofd van de vrouw staan
die bananen verkoopt op een straathoek in Johannesburg

New York City-duiven
klapwieken viraal leer schimmel stof van vleugels in gezichten
gaan dan op de trap zitten, roepend en wachtend
op de dood van de mensheid

New York City-duiven
zijn niet vriendelijk zoals
duiven die schilferige halvemaanvormige broodjes eten
bij Hotel du Piémont in Parijs

New York City-duiven
zijn niet tevreden
zoals duiven
die voor foto’s poseren op de armen
van mannen op de plaza van Caracas

New York City-duiven
zullen op richels loungen
& de hele dag godslastering mompelen
zullen om neukruimte vechten in
de paartijd
op airconditioners schijten
& hun reet afvegen aan ramen
terwijl grote kakkerlakken
in het donker op zuigtabletten zuigen

New York City-duiven
zijn niet alert
zoals duiven
die rustig op fietsen zitten
in het vredesherdenkingspark van Hiroshima

New York City-duiven
rollen met hun parelwitte ogen
blazen hun keel op
en ontlasten zich op de schouders van voetgangers

New York City-duiven
voelen geen liefde voor kruimel gooiende duivenliefhebbers
& er wordt geen jaar van de duif gevierd
In elk geval
niet voor deze New York City-duiven

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jayne Cortez (10 mei 1936 – 28 december 2012)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e mei ook mijn blog van 10 mei 2020 en eveneens mijn blog van 10 mei 2019 en ook mijn blog van 10 mei 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Roddy Doyle, Gary Snyder

De Ierse schrijver Roddy Doyle werd geboren in Dublin op 8 mei 1958. Zie ook alle tags voor Roddy Doyle op dit blog.

Uit: Love

“He knew it was her, he told me. He told me this a year after he saw her. Exactly a year, he said.
—Exactly a year?
—That’s what I said, Davy. A year ago – yesterday.
—You remember the date?
—I do, yeah.
—Jesus, Joe.
He saw her at the end of a corridor and he knew. Immediately. She was exactly the same. Even from that far off. Even though she was only a shape, a dark, slim shape – a silhouette – in the centre of the late-afternoon light that filled the glass door behind her.
—She was never slim, I said. He shrugged.
—I don’t even know what slim means, really, he said. He smiled.
—Same here, I said.
—I just said it, he said. —The word. She was a tall shape – instead.
—Okay.
—Not a roundy shape.
—She’s aged well, I said. —That’s what you’re telling me.
—I am, he said. —And she has.
—Where was the corridor? I asked him.
—The school, he said.
—What school?
—The school, he said again.
—We didn’t know her in school, I said.
I knew he didn’t mean the school we’d both gone to. We’d known each other that long. I’d said it – that we hadn’t known her in school – to try to get him to be himself. To give back an answer that would get us laughing. He was the funny one.
[ Return to the review of “Love.” ]
—My kids’ school, he said.
—Hang on, I said. —It was a parent–teacher meeting?
—Yeah.
—The woman of your dreams stepped out of the sun and into a parent–teacher meeting?
—Yep.
—Thirty years after the last time you saw her, I said. —More, actually. Way more. Thirty-six or seven years.
—Yeah, he said. —That’s it, more or less. What did you say there? That she stepped out of the sun.
—I think so, yeah.
—Well, that’s it, he said. —That’s what happened.”

 

Roddy Doyle (Dublin, 8 mei 1958)

 

De Amerikaanse dichter Gary Snyder werd geboren op 8 mei 1930 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Gary Snyder op dit blog.

 

December in Yase

Je zei, die oktober,
In het hoge, droge gras bij de boomgaard
Toen je ervoor koos om vrij te zijn,
“Ooit weer, misschien over tien jaar.”

Na de universiteit zag ik je
Één keer. Je was vreemd.
En ik was geobsedeerd door een plan.

Nu zijn tien jaar en meer
Verstreken: ik heb altijd geweten
waar jij was-
Ik was misschien naar je toe gegaan
In de hoop je liefde terug te winnen.
Je bent nog steeds single.

Ik deed het niet.
Ik dacht dat ik het alleen moest redden. Ik
Heb dat ook gedaan.

Alleen in dromen, zoals deze dageraad,
Keert de ernstige, machtige intensiteit
Van onze jonge liefde
Terug in mijn geest, in mijn vlees.

We hadden waar de anderen
Allemaal naar hunkeren en zoeken;
We lieten het achter ons met negentien.

Ik voel me heel oud, alsof ik
Vele levens heb geleefd.
En zal nu misschien nooit weten
Of ik een dwaas ben
Of gedaan heb waar mijn
karma om vraagt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Gary Snyder (San Francisco, 8 mei 1930)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e mei ook mijn blog van 8 mei 2020 en eveneens mijn blog van 8 mei 2019 en ook mijn blog van 8 mei 2018 en ook mijn blog van 8 mei 2016 deel 3.

Echte wereld (Huub Oosterhuis), David Guterson

 

Bij 4 mei

 

Oorlogsmonument in Steenwijk

 

Echte Wereld

Meer dan vijftig jaar geleden
in de dagen dat een nieuwe tijd begon
schreef Hans Lodeizen, een dichter:
‘deze wereld is niet de echte’.

1.
Denk je in: wij hier
met tien miljoen vermenigvuldigd
zouden zeker weten
dat door met spandoeken te lopen
op blote voeten en te zingen,
wij een nieuwe oorlog
konden voorkomen,
wie zou niet –

Bereken
of door prijs te geven
de helft van onze kapitalen
wij misschien doden
zouden doen leven,
breken
de armoedespiraal.

Stel dat een oogopslag bestaat
een handomdraai
die wij door gestage oefening
kunnen leren,
en waarmee wij,
in plaats van ons dood te vechten,
het lot keren en deze wereld
veranderen in de echte –

dan zou Afghanistan
weldra een boomgaard zijn,
en Irak het stromenland weer
waar de mensheid begon
en van Gaza

tot de ceders van de Libanon
zouden vriend en vijand
dansen tot diep in de nacht
bij de bandoneon.

2.
Sinds onheuglijke tijden
staat de hoop geschreven
dat ooit grote woorden als
‘verzoening – leed geleden –
mensenrecht – schoon water – vrede’

tot een nieuwe wereld worden
eindelijk de echte.

In naam van hen
die vóór ons waren
en omwille van wie na ons komen

blijf die grote woorden dromen –
laat de hoop niet varen.

 

Huub Oosterhuis (1 november 1933 – 9 april 2023)
Dodenherdenking op de Dam in Amsterdam, de geboorteplaats van Huub Oosterhuis

 

De Amerikaanse dichter en schrijver David Guterson werd geboren op 4 mei 1956 in Seattle. Zie ook alle tags voor David Guterson op dit blog.

 

GESLOTEN MOLEN

Sommige van die bomen zijn nu verdwenen en sommige zijn er nog.
De molen, die verdween, heeft mos achtergelaten.
Tussen de bramen ligt een kluwen kabels
Bij de rivier – in de open plekken tussen dorens,
In beslag genomen chokers, een in beslag genomen motor.
Zelfs de zaagselberg is tot onkruid verwaaid,
Waartussen brandnetels niet meer te ontwijken zijn.
Ik herinner me de ochtend dat de kok
Vertrok en zijn verfrommelde schort achterliet
Onder de warme lampen terwijl plakken wentelteefjes
Rookten op de grillplaat. Ik heb genoeg vijanden gemaakt
Om de toekomst te kleuren. ik heb niets gedaan
Om het heft uit handen te geven. Mijn vriend wilde
Jack Daniel’s in het ziekenhuis en kreeg het.
Iemand probeerde me met een hamer te slaan.
We konden nergens naar toe en we gingen
Er samen heen. Terugkomen is niet erger dan
Een nare droom, denk ik, maar ik heb spijt,
Nu, van die draaiende molen.
Al die luidruchtig door de zaag gedreven bomen
In de tijd dat ik koning was.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

David Guterson (Seattle, 4 mei 1956)

 

Zie voor de schrijvers van de 4e mei ook mijn blog van 4 mei  mijn blog van 4 mei 2019 deel 2.

Erik Lindner, Erich Fried

De Nederlandse dichter Erik Lindner werd geboren op 3 mei 1968 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Erik Lindner op dit blog.

 

De sleutel

II

Lichtvlekken in het matglas beramen
hoe lang stil te staan voor een deur

uit een boodschappentas steekt een wandelstok
in de goot liggen in touw gebonden vloerkleden
op de stoeptegels kleeft een panty

twee mannen maken twee gebalde vuisten
en kussen de rug van elkaars handen
terwijl de stad oogt

past het mesje halfweg in het sleutelgat.

III

Op de tramhalte tegenover het plantsoen
staat een in haar jas verscholen meisje
klaar om iemand bij de mouw te pakken
iemand voor haar bij de revers te grijpen
met een uitgestrekte hand hangend boven
het handvat van een koffer hengsels van een tas
naast haar duim droogt de kleine tatoeage van een ster.

IV

Het belletje van de winkeldeur gaat omhoog
een jongen stapt naar voren en bestelt een brood
een man leest in een schrift en noemt een naam
op de televisie op de toonbank zingt een mevrouw
die haar borst rondt tegen het blad van de gitaar
rook draait voor het scherm en trekt naar het plafond
de man legt de hoorn op de haak en het belletje klinkt.

 

Erik Lindner (Den Haag, 3 mei 1968)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.

 

Waar leren we

Waar leren we leven
en waar leren we leren
en waar vergeten
om niet slechts het geleerde te leven?

Waar leren we slim genoeg te zijn
om de vragen te vermijden
die onze liefde niet harmonieus maken
en waar
leren we eerlijk genoeg te zijn
en omwille van onze liefde
de vragen niet te vermijden?

Waar leren we
ons tegen de werkelijkheid te keren
die ons van onze vrijheid
wil beroven
en waar leren we dromen
en wakker zijn voor onze dromen
zodat iets ervan
onze werkelijkheid wordt?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Erich Fried (6 mei 1921 – 22 november 1988)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e mei ook mijn blog van 3 mei 2022 en ook mijn blog van 3 mei 2020 en eveneens mijn blog van 3 mei 2019 en ook mijn blog van 3 mei 2017 en mijn blog van 3 mei 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Jeroen Brouwers, Ulla Hahn

De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Jeroen Brouwers overleed vorig jaar op 11 mei op 82-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.

Uit: Voorjaarsmoeheid. Autobiografisch opstel (1980)

“In deze lente van 1980 stierf eerst Jean Paul Sartre, schrijver en filosoof, toen Alfred Hitchcock, filmer, toen Joszef Broz, alias Tito, beroepsrevolutionair en staatsman. Waar tegenover staat, dat wij in deze zelfde lente een nieuwe koningin hebben gekregen, alsof wij een bijenvolk zijn, Beatrix heet ze, wat ‘gelukbrengster’ betekent. Op de dag van haar inhuldiging werd ik veertig jaar, ik bracht deze dag gekluisterd aan de kleurentelevisie door: zo heb ik haar zien ‘schrijden’, die Beatrix, rechtop, haar neus in de wind, dat deed ze indrukwekkend, eerlijk waar, men kon zien dat ze er goed op had geoefend, – ik kreeg die dag nieuwe pantoffels, en achter de decors waarvoor deze nieuwe koningin langs schreed op weg naar de Nieuwe Kerk waar zij zou worden ingehuldigd vond een gigantisch oproer plaats, het grootste in Amsterdam ‘sedert mensenheugenis’. Daar wordt maar gestorven en daar wordt maar getroonopvolgd, dit zou het begin zijn van De Nieuwe Tijd. De oproermakers werden in de krant omschreven als ‘tuig’, ‘janhagel’, ‘schorriemorrie’, ‘uitvaagsel’ en ‘geteisem’. Er waren voorstanders van de electrische wapenstok om het rattige rapalje in het vervolg terug te drijven naar de stinkende rioolkrochten waaruit het tevoorschijn was gekropen. Weliswaar ruikt mijn tuin naar seringen, mij hangt de stank van het bederf tussen de neusvleugels. Wat mankeer ik? Ik ben onbeschrijflijk moe, ik ben verzeild in malaiserigheid en impasse. Deze gevoelens overvielen mij op het ogenblik dat de oude koningin, Juliana, op het balcon van het paleis op de Dam verscheen om het volk te verkonden dat zij zojuist had afstand gedaan van de troon. ‘Zojuist…’ riep ze, maar aangezien er niemand zijn mond hield om te luisteren naar wat ze te vertellen had, begon ze na een korte stilte opnieuw, met nog meer stemverheffing en gelijktijdig sissend om stilte: ‘Zojuissssst…’ Ik dacht toen ik dit zag en hoorde: mens, wat verbeeld je je nou toch, te verlangen dat de menigte zijn kop houdt voor jou? Terstond dat ik dit dacht, zag ik op het scherm van mijn televisie een rookbom tussen het geteisem onder het balcon ontploffen, dat deed mij deugd: ziet, mijn hier gedachte gedachte komt ginds als een bom tot ontploffing en waaiert als een wolk boven de hoofden uit, zo behoor ook ik tot het janhagel. Op de dag dat ik de klap met de electrische wapenstok op mijn schedel of in mijn nek krijg, zal ik weten dat De Nieuwe Tijd inderdaad is begonnen. Er is niets om ons op te verheugen. In je eentje ‘ssssst’ staan doen op een hoog balcon, ervan overtuigd dat je bent dat de tienduizenden beneden je ogenblikkelijk zouden moeten zwijgen, – het is goed, en hoog tijd ook, dat die overtuiging achter rookwolken tot verdwijning wordt gebracht.”

 

Jeroen Brouwers (30 april 1940 – 11 mei 2022)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Ulla Hahn werd geboren op 30 april 1946 in Brachthausen. Zie ook alle tags voor Ulla Hahn op dit blog.

 

Hypothetisch sonnet

Naarmate we dieper ademhaalden, langzamer
liepen rustiger richtten onze ogen
van de een op de ander nog slechts zachtjes
spraken en zelden: eeuwig leefden we

niet maar een beetje eeuwiger toch
zoals de zee misschien of zelfs
zoals woorden en zinnen over de zee
of deze ene middag van vandaag

waarop we elkaar laten vergeten
wat er ook elders gebeurt
duurde zeg maar drie tot vier weken

die op hun beurt een paar
dubbele drievoudige jaren of
op zijn minst: Nu.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ulla Hahn (Brachthausen, 30 april 1946

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e april ook mijn blog van 30 april 2020 en eveneens mijn blog van 30 april 2018 en ook mijn blog van 30 april 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Robert Anker, André Schinkel

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Robert Anker werd geboren in Oostwoud op 27 april 1946. Zie ook alle tags voor Robert Anker op dit blog.

 

De seizoenen, gekorrigeerd

III Herfst

De bladeren in je hoofd zal je bedoelen.

Dit is een man die in zichzelf praat.
Noem het een beperking, maar hij praat.
Hoe hij zijn hoofd bedekt zodra hij opstaat,
het brood snijdt in de keuken: onwankelbare deemoed.

Ochtendmist, het krassen van een kraai.
Het piepen van de riemen. Hoe hij omkijkt.

Dat hij uit de sloten om te gaan
ooit deze koos en sedert nam:
het verzelfstandigen van beweging.

Dat het land door de verkaveling geopend is
en hij daarin is dichtgegroeid.
Dat hij met name een rug geworden is
die toekomst voor zich uitroeit. D.w.z. uit en thuis.

Het water heeft de diepte van een huid.
Daar steekt hij stokken in. Zo spant hij netten.
Hij vist wat ooit is uitgezet, ook wel door hem.
Hij is verheugd te weten wat hij kan en weet.
Over de scherpte van zijn inzicht terzake van het vissen.
Maar ook: dat helderheid de duisternis bedekt.

De krant voor je opgetrokken als een wereldbeeld.
Iemand – een geintje in zijn filosofie –
die daar met de vlakke hand doorheen slaat
in jouw schemeruur. Of je nog wel veilig bent.
Of je daarin nog weer mee wilt gaan.

Vanaf een uur of tien wordt hij een zuiltje in het riet.
Er landt een vogel op zijn hoed. Er worden wissels omgegooid,
zodat hij opgetogen verre steden binnenstroomt,
of aan de hand loopt van een autochtoon verleden.
Er ploffen appels en kastanjes in zijn hoofd.
Bankiers breken hun zonen open.
De zonen schrijven verder met een steen.

Een passacaglia vaart als herfst door hem heen.

Hoort hij de spartelende vissen in de bun.
Blijft hij hier, of gaat hij verder, d.i. terug naar huis.

Om 17 uur 15 schudt hij de abstraktie van zich af
en pakt de riemen voor het donker wordt en mompelt voort.

Om de volheid, de wijsheid en de pijn.

 

IV Winter

Of zijn adem door de bloemen heen kan breken.

Hij is zichzelf als anekdote nu voorbij.
Zijn denken is een leeg museum.
Soms: glazen schilderijen op een witte muur.
Soms: beelden, losgeraakt uit een bewoond verleden.
Het zijn de korte eksposities van een goochelaar.

In zijn oren ruist het als televisie ’s nachts.
Hij is al jaren doof en dito zwijgt hij, onophoudelijk.
Maar zijn glimlach is nog goed! Hij kan nog alles zien!
De krant, ja. Maar hij leest niet want hij kijkt.

Meestal staat hij ergens stil, de blik omhoog.
Bv. een landweg, of een blauwe tuin bij regen.
Of nu, in alle vroegte, in het melklicht van het raam.
Vindt zijn familie hem een lief objekt. Zoals een schoenendoos.

Zij vinden hem vooral een rug, die luistert.

In zijn hoofd wil alles soms verbaasd naar buiten, toch.
Om landschap groen als een emotie in te gaan.
De krant opslaan, verwarde mededelingen doen.
Waaronder dat hij van je houdt.

Beweegt hij in de keuken bij het dichtgevroren raam.
Er gaat een tuin met bomen schuil als een idee.
Of dat vermoede uitzicht achter bloemen een seizoen is.
Of zijn adem door die bloemen heen wil breken.

Of dat zijn keuze is: een bloem als Webern of een huilend raam.

 

Robert Anker (27 april 1946 – 20 januari 2017)

 

De Duitse dichter, schrijver en archeoloog André Schinkel werd geboren op 27 april 1972 in Eilenburg. Zie ook alle tags voor André Schinkel op dit blog.

 

Latitude in Ribnitz

Dat zag ik: een latere
Meester stak het
Versteende houtsap af, vormde de liefde,
Het ruisen, de dood.

Helderbruin, geelschuimend,
Melkachtige bastaard –
Het gevangen licht, bij libellen
En hagedissen geliefd;

Omgord door de draad
Van een treurende ziel:
Amber – een woord als uit
Het abc-boekje van de magiër,

Die zich, aan
De kust,
Met zichzelf,
Doodschiet.

Alleen ontroerde mij het huilen
Van de kinderen, bij de uitgang
Van het klooster, na de blik
In de schemer,

Geen
Magiër
Te
Zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

André Schinkel (Eilenburg, 27 april 1972

 

Zie voor de schrijvers van de 27e april verder ook mijn blog van 27 april 2020 en eveneens mijn blog van 27 april 2018 en ook mijn blog van 27 april 2016 en mijn blog van 27 april 2013 deel 1 en eveneens deel 2.