Toen U de mens met al zijn rijkdom schiep, Verloor hij snel die schatten weer; En toen zijn tijd verliep, Viel hij, o Heer, Heel diep. Uw Hand Zorgt weer dat ik Verrijzen zal en dan Zal jub’len als de leeuwerik, Omdat wie diep valt, hoger vliegen kan.
Al in mijn jeugd begon voor mij de pijn; Ziekte en schande deed mij zeer. Gestraft, voor mijn venijn Werd ik, o Heer, Heel klein. Uw Hand Verlost mij nu; De hele dag jubel ik van Uw opstanding, ik vlieg met U, Omdat na smart, ik hoger vliegen kan.
Vertaald door Arie van der Krogt
George Herbert (3 april 1593 – 1 maart 1633) George Herbert op Bemerton door William Dyce, 1860
Het lege graf door Michail Vasiljevitsj Nesterov, 1889
The Empty Tomb
Calv’ry’s tragedy is ended; They have laid Him in the tomb, And with jealous care, His enemies have sealed it; But they cannot keep Him there, For an earthquake rends the air, And an angel rolls away the stone that closed it.
None are there to greet the Savior, As He leaves the open tomb, All forgotten are the promises He gave them; And the women wend their way To the tomb, ero it is day; Not in faith, for death’s sad emblems bring they with them.
Oh, the darkness of that morning, When they stood before His tomb, With the spices and the ointments to anoint Him! And I hear sad Mary say: ” They have taken Him away, And I know not, and I know not where they’ve laid Him. “
Oh, ye ones of faithless doubting! Know ye not what Jesus said, While in life, His toil to you was freely given? Now ye stand, with hearts of woe, While your bitter tears doth flow, Knowing not your Lord and Savior has arisen.
Then the Savior speaks to Mary, And at first, she knows Him not, For her eyes are darkened by her doubts and sadness; Then, He speaks to her again, Gently calls her by her name, And she greets her risen Lord with wondrous gladness.
Often in the Christians’ struggle, When the battle rages sore, And on ev’ry side the bitter foes assail them, E’en like her, they sadly say: — ” They have taken Him away, And I know not, and I know not where they’ve laid Him. “
And, like her, with bitter weeping, As they face the empty tomb, All His promises and wondrous deeds forgotten, If they’d turn, they’d find Him near, With such loving words of cheer, That they’d know ’twas doubt, that made them feel forsaken.
Clara Ann Thompson (22 januari 1869 – 18 maart 1959) De United Church of Christ in Sycamore. Rossmoyne, de geboorteplaats van Clara Ann Thompson behoort tot de Sycamore Township in Ohio.
“Al zal het dan nooit wat worden, had hij gedacht, terwijl hij met zijn adem het raam besloeg en er hartjes in tekende die meteen weer vervluchtigden, laat me dan in ieder geval van je houden. Dramaqueen, zou Emma bijna zeker hebben gezegd, als ze hem zo had kunnen zien. Zijn moeder stond erop dat hij zijn parka en wanten aan zou trekken, waardoor hij er een beetje belachelijk uitzag – ‘Net het Michelinmannetje,’ lachte ze tot zijn ongenoegen – maar zodra Luca zijn Cannondale uit de schuur had gehaald en de Parklaan op fietste, was hij toch dankbaar dat hij ze had. De kou beet in zijn warme, onvoorbereide wangen, die op slag gevoelloos werden. Goed, het was een Hollandse december en het vroor maar een graad of twee, maar tot dan toe was het najaar buitengewoon zacht geweest en het verschil in gevoelstemperatuur maakte dat hij rilde tot op het bot. Hij trok zijn capuchon strakker aan en begon stevig te trappen om warm te worden. Het schemerde nog en in de mist zag alles er een beetje vreemd uit. De bomen en de geparkeerde auto’s waren vormen die pas herkenbaar werden als je er heel dichtbij was, en lichten zweefden dof en geheimzinnig in het niets. In de mist verschenen en verdwenen dingen, dacht Luca. Het had iets griezeligs. Emma stond op het pleintje voor de snackbar te wachten met haar te grote Gazelle tussen haar benen. Toen ze hem zag stopte ze haar telefoon weg. ‘Hé Luca!’ ‘Echt, fuck jouw hockey. Ik sterf van de kou.’ ‘Laten we gaan dan, dommie, dan word je snel genoeg warm. Leuke parka, trouwens.’ ‘Haha.’ ‘Nee, ik meen het.’ Luca zág dat ze het meende – dat zag hij aan haar grote, amandelvormige ogen, die net iets verder uit elkaar stonden dan bij andere meisjes, en die niets dan genegenheid uitstraalden – en voelde zich onmiddellijk rood worden. Met haar lange beige jas, wollen sjaal, leren handschoenen en gebreide muts zag Emma er zeer zeker niet belachelijk uit. Haar fiets, die van haar zus was geweest, maakte het af: ze leek volwassen. Luca begon zich alweer te schamen, eerst voor zijn eigen voorkomen, en vervolgens voor welk effect zij op hem had. Elke keer. Luca Wolf was niet bijzonder populair maar kon onder druk altijd wel een treffend of grappig weerwoord geven, waardoor hij prima in de groep lag. Maar in bijzijn van Emma’s natuurlijke zelfverzekerdheid was het net of zijn brein soep werd.”
Thomas Olde Heuvelt (Nijmegen, 16 april 1983)
De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.
Bij de witte viooltjes
Bij de witte viooltjes In het park zoals hij mij opdroeg Sta ik onder de wilg Ongekamd oudje bladloos Zie je zegt ze hij komt niet
Ach zeg ik hij heeft zijn voet gebroken Een graatje ingeslikt, een straat Werd plotseling omgeleid of Hij kan niet aan zijn vrouw ontsnappen Veel dingen belemmeren ons mensen
De wilg zwaait en kraakt Het is mogelijk dat hij al dood is Hij zag bleek toen hij je onder je jas kuste Kan best wilg kan best Dus laten we hopen dat hij niet meer van me houdt
Jezus wast de voeten van de apostelen door Duccio di Buoninsegna, 1308-11
Gethsemane
The grass never sleeps. Or the roses. Nor does the lily have a secret eye that shuts until morning. Jesus said, wait with me. But the disciples slept. The cricket has such splendid fringe on its feet, and it sings, have you noticed, with its whole body, and heaven knows if it ever sleeps. Jesus said, wait with me. And maybe the stars did, maybe the wind wound itself into a silver tree, and didn’t move,
maybe, the lake far away, where once he walked as on a blue pavement, lay still and waited, wild awake. Oh the dear bodies, slumped and eye-shut, that could not keep that vigil, how they must have wept, so utterly human, knowing this too must be a part of the story.
Mary Oliver 10 september 1935 – 17 januari 2019) St. Andrew Church in Maple Heights, Ohio, de geboorteplaats van Mary Oliver
In vrouwen zijn kleineren vrouwen, soms grotere vrouwen en nog grotere vrouwen in die vrouwen.
De mannen laten zien aan wie niet kan door te doen alsof zij bijna niet kunnen tussen schaduwen stil zitten.
Zij laten zien aan wie kan vliegen, niet als een vogel maar als een vogel die uit een vogel gehaald wordt en weer teruggezet.
Eerst dit dan dat
Allebei de schoenen? Een schoen doe je uit als een vrouw bij je op bezoek komt en je niet met haar wilt trouwen.
Eerst stilte, dan uitleg; eerst duidelijk, dan verbazend; eerst de rechterschoen, dan de linkerschoen, dan de linkersok, dan de rechtersok.
Is er iemand die daarover geen gedicht zou willen schrijven? Er is nog iets wat ik niet moet vergeten te doen, maar ik hoef er nu niet aan te denken.
Het paard
Een rechtvaardig man kwam op een paard aan. Hij sliep met alle vrouwen uit een dorp zonder te letten op een gezicht of een hand. Het paard stond over hem als hij in een veld met een vrouw lag. Als hij in een huis verdween wachtte het paard voor de ingang.
Als men het paard alleen zag wierp men scherpe stenen en zand naar hem. Het voedsel nam men weg dat de man voor het paard neerlegde. De huid van het paard ging kapot en het paard werd steeds magerder. Ten slotte kon het paard niet meer rechtop staan met de man in het zadel.
Daarom liepen zij voortaan naast elkaar door het dorp. Zelfs de jongere vrouwen deden het hinken en angstig kijken van het paard na.
Tussen mijn vinger en mijn duim rust de gedrongen pen, knus als een buks.
Onder mijn raam een helder raspend graven als de spa zinkt in grinderige aarde: mijn vader die spit. Ik kijk ernaar
tot zijn gespannen romp zich laag over de bloembedden buigt, twintig jaar verder weer opduikt, ritmisch bukkend tussen aardappelrijen waar hij spitte.
De lompe schoen op het ijzer genesteld, de steel stevig kantelend over binnenkant knie. Hij ontwortelde hoog loof, begroef de scheprand diep om nieuwe aardappels rond te strooien die wij raapten, genietend van hun koele hardheid in onze handen.
Mijn god, kon die ouwe een spa hanteren. Net als zijn ouwe.
Mijn grootvader stak meer turf op een dag dan alle andere mannen op Toners veld. Eens bracht ik hem melk in een fles, morsig gekurkt met papier. Hij strekte zich om hem leeg te drinken, ging toen meteen weer aan ’t werk, afgepast stekend en snijdend, plaggen over zijn schouder gooiend, omlaag en omlaag naar de goede turf. Spittend.
De koude geur van teelaarde, het zuigen en kletsen van slappen turf, het straffe snijden van een scheprand door levende wortels, worden wakker in mijn hoofd. Maar ik heb geen spa om zulke mannen op te volgen.
Tussen mijn vinger en mijn duim rust de gedrongen pen. Ik zal ermee spitten.
Vertaald door Jan Eijkelboom
Seamus Heaney (13 april 1939 – 30 augustus 2013) Portret door B. Mullan, 2020
“Jede Nacht sind die Autos zu hören. Das Rauschen der Autos auf den dreispurigen Straßen und das Rascheln der Blätter am Vogelbeerbaum. Das sind die Geräusche. Sie dringen durch das Fenster herein, das einen Spaltbreit geöffnet ist. Das Meer hört man nicht. Die Ostsee, die im Süden liegt, jenseits der Plattenbauten, in einer Bucht mit verschilften Ufern, die im Winter schnell zufrieren wird. Peitschenlampen säumen die Wege. Nachts fällt ihr bleiches Licht auf den Bordstein und auf den Balkon der kleinen Wohnung, der zur Straße zeigt. Die metallenen Lampenschirme schwanken im Wind. Das Schlafzimmer zeigt zum Hof, wo es einen Spielplatz gibt, einen Verschlag für die Fahrräder und den Vogelbeerbaum. Die Wände der Wohnung sind weiß und leer bis auf den Spiegel im Flur. In der Küche hängen zwei Postkarten über der Spüle. Auf der einen Karte fahren gelbe Taxis durch eine Straßenschlacht in New York. Auf der anderen, einer Schwarzweiß-aufnahme, sitzen zwei Frauen in einem Pariser Straßencafé. Sie tragen Glockenhüte aus den zwanziger Jahren des letzten Jahrhunderts und elegante Röcke. Das sind die Bilder. Die Blumentöpfe im Metallregal auf dem Balkon sind unbenutzt Spinnweben haben sich dort verbreitet Die Spinnen leben noch. Es ist September. Am Horizont, wo Lagerhallen und ein riesiger Sendemast die Reihen der Plattenbauten begrenzen, türmen sich Wolken-berge auf. Der Sendemast ist der einzige Orientierungspunkt in den identischen Straßen. Niemand weiß, wo sie ist. Die Wanduhr zeigt halb drei. Das silberne Zifferblatt stellt den Weltatlas dar. Einen Sekundenzeiger gibt es nicht, nur ein kleines rotes Flugzeug, das die silberne Welt umrundet. Jede Weltumrundung dauert bloß eine Minute, und doch sieht es langsam, fast gemächlich aus. Ein Schatten fliegt unter dem Flugzeug mit und ist ihm manchmal ein kleines Stück voraus, je nachdem, wie der Lichteinfall ihn auf die glänzende Erde wirft. Sie könnte überall sein. Nina. Sala. Adina. In der Küche gibt es ein paar Töpfe, einen Wasserkocher und eine fleckige Espressokanne. Die Kanne fiept, wenn unter Druck Wasserdampf aus dem Ventil am Kessel tritt. Auf den Tassen im Schrank steht in Großbuchstaben IKEA. Die Wohnung sieht nach einer echten Wohnung aus, nach einem Menschen. Ein paar Bücher sind da, Kerzenständer, Hochglanz-magazine übers Kochen und Reisen. Im Flur liegt ein abgewetzter Läufer. Walkingstöcke stehen an der Garderobe. Das sind die Gegenstände. Sie stellt die Walkingstöcke in den Schrank im Flur. Aus dem Bad ist einlaufendes Wasser zu hören.“
Antje Rávic Strubel (Potsdam, 12 april 1974)
De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.
Het nieuwe poëziehandboek
1 Als iemand een gedicht begrijpt zal hij problemen krijgen.
2 Als iemand met een gedicht leeft zal hij eenzaam sterven.
3 Als iemand met twee gedichten leeft zal hij er een ontrouw zijn.
4 Als iemand een gedicht ontvangt zal hij een kind minder krijgen.
5 Als iemand twee gedichten ontvangt zal hij twee kinderen minder krijgen.
6 Als iemand een kroon op zijn hoofd draagt als hij schrijft zal hij worden betrapt.
7 Als iemand geen kroon op zijn hoofd draagt als hij schrijft zal hij niemand misleiden buiten zichzelf.
8 Als iemand kwaad wordt op een gedicht zal hij door mannen worden veracht.
9 Als iemand op een gedicht kwaad blijft zal hij door vrouwen worden veracht.
10 Als iemand poëzie publiekelijk beschuldigt zullen zijn schoenen zich met urine vullen.
11 Als iemand poëzie voor macht opgeeft zal hij heel machtig worden.
12 Als iemand over zijn gedichten opschept zal hij door dwazen geliefd worden.
13 Als iemand over zijn gedichten opschept en van dwazen houdt zal hij niet meer schrijven.
14 Als iemand vanwege zijn gedichten naar aandacht hunkert zal hij als een onbenul in maanlicht zijn.
15 Als iemand een gedicht schrijft en het gedicht van een collega prijst zal hij een beeldschone minnares krijgen.
16 Als iemand een gedicht schrijft en het gedicht van een collega overdreven prijst zal hij zijn minnares verjagen.
17 Als iemand het gedicht van een ander opeist zal zijn hart in omvang verdubbelen.
18 Als iemand zijn gedichten bloot laat zijn zal hij de dood vrezen.
19 Als iemand de dood vreest zal hij door zijn gedichten worden gered.
20 Als iemand de dood niet vreest wordt hij al dan niet door zijn gedichten gered.
21 Als iemand een gedicht afmaakt zal hij baden in het blanke spoor van zijn passie en door het witte papier worden gekust.
Jezelf zijn. Jezelf zijn om het even wie. Maar jezelf zijn.
Je rechterhand verkwanselen Aan vreemden, je geboorterecht vertalen In een ander, tot huilens toe trainen In scheelzien naar doelen, je kop Verliezen in muizenissen van vrienden, Maar jezelf zijn. Jezelf zijn om het even wie. Maar jezelf zijn.
Je eigenliefde kopen Van straatventers, met je zelfhaat Honden dresseren, met je hartaandoening Honderden klokken gelijkzetten daar In een land overzee, in het holst Van de nacht elektronisch bankieren Als snotaap van zeven, verdwaald In zijn verdwenen ouderhuis.
Maar jezelf zijn. Hoe prachtig, hoe vermoeiend, Jezelf zijn om het even wie.
God
Ik kwam aan het licht in het gat van je afwezige natuur. Ik lag er blind in de armen van moeder en las je boek. Ik was doof in de pot van de wereld en hoorde je naam.
In dat donker werd ik groot van je natuurlijke afwezigheid. Ik hield er al mijn kracht verzameld rond je leegte. Zo werd me vroeg geleerd te geloven in het onbestaande, In de droom die als een aftelvers door alle generaties gaat.
Schemering
Ik ben de zoon van hem die morgen wordt geboren En de vader van de jōngen die mijn ouders verwekt. Ik ben de dochter van het inzicht dat moet komen En de moeder van de hoop die mij nu schept. Ik ben de oudste minnares van de knaap die ik was En de trouwste weduwnaar van ieder lief in zak en as.
Ik leef niet en ik ben niet dood, ik waak noch slaap, En in die derde wereld moet ik altijd wonen. Ik ben er als een vreemde kind aan huis, begaap De penningmeester van mijn voddenbak met dromen, De beheerder met mijn broodzak in zijn hoofd. Ik ben hun luis, hun muis, en leef niet, kan niet dood.
Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)
De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.
Die laatste ogenblikken
We waren in een ander land, spraken over de oorlog Waar wel geen eind aan zou komen en over onze leiders Die niets ondernamen, toen we het uur naderbij Voelden kruipen en bedachten hoe mensen overal Langs de kust langzaam de slaap in versuften. De wind wakkerde aan, regen striemde het leien dak En het uitzicht op zee, plette distels en gras. Opeens stopte de regen en even was alleen Het doffe gebeuk van golven tegen de kust te horen. Ik zat aan tafel, leegde mijn glas, draaide me om En zag je staan in de gang voor de spiegel alsof Je op zoek was naar iemand die hier ooit was geweest. De katoenen paarsblauwe jurk gleed schouder na schouder Van je af op de grond. Ik keek hoe de nachtschaduw Je bleke vleesplooien rondde. Het restant Van de dag – een dunne streep licht in het westen – Gleed stil in de zee en de wereld waarover we hadden Gesproken was nog altijd gevaarlijk, leek buiten bereik.
Vertaald door Wiljan van den Akker en Esther Jansma
Come, drop your branches, strow the way Plants of the day! Whom sufferings make most green and gay.
The King of grief, the man of sorrow Weeping still, like the wet morrow, Your shades and freshness comes to borrow.
Put on, put on your best array; Let the joy’d rode make holy-day, And flowers that into fields do stray, Or secret groves, keep the high-way.
Trees, flowers & herbs; birds, beasts & stones, That since man fell, expect with groans To see the lamb, which all at once, Lift up your heads and leave your moans! For here comes he Whose death will be Mans life, and your full liberty.
Hark! how the children shril and high Hosanna cry, Their joys provoke the distant skie, Where thrones and Seraphins reply, And their own Angels shine and sing In a bright ring: Such yong, sweet mirth Makes heaven and earth Joyn in a joyful Symphony,
The harmless, yong and happy Ass, Seen long before this came to pass, Is in these joys an high partaker Ordain’d, and made to bear his Maker.
Dear feast of Palms, of Flowers and Dew! Whose fruitful dawn sheds hopes and lights; Thy bright solemnities did shew, The third glad day through two sad nights.
I’le get me up before the Sun, I’le cut me boughs off many a tree, And all alone full early run To gather flowers to wellcome thee.
Then like the Palm , though wrong, I’le bear, I will be still a childe, still meek As the poor Ass, which the proud jear, And onely my dear Jesus seek.
If I lose all, and must endure. The proverb’d griefs of holy Job , I care not, so I may secure But one green Branch and a white robe .
Henry Vaughan (17 april 1622 – 28 april 1695) St. Ffraid, de parochkerk in Llansanffraid, de geboorteplaats van Henry Vaughan
De Nederlandse dichteres en vertaalster Eva Gerlach (pseudoniem van Margaret Dijkstra) werd geboren in Amsterdam op 9 april 1948. Zie ook alle tags voor Eva Gerlach op dit blog.
Psalmen
1. Leg je mij strikken, Heer? Moet ik als Job mijn dag vervloeken? Ach, vernieuw mij. Neuken, roulette spelen, op het orgel beuken – in jouw dienst kan een mens zijn lol wel op.
2. Als ik de kans maar kon berekenen dat ik je tref. Je zou de bank zien springen, en het zou niks voor ons betekenen. We zouden buiten ‘Hai Boer Hai’ gaan zingen.
3. Het vriest. Het gras wordt zwart. Ik hou niet meer zoveel van je als vroeger, Heer. Ik ken je beter, dat zal het zijn. Toch, met dit wee wordt het mij koud om het hart. Kom op, waar ben je?
Incipit
Mijn vader heeft mij de doorgang versperd, slagbomen zijn de spijlen van zijn bed: ik ben zijn vlees, dat hem vijandig werd, ik heb mijn hart tot zijn woord niet gezet.
Hij heeft zich voor het laatst aan mij gestoten, hij staat niet op. Ook is hij niet verslagen. Zijn koude aard ligt in mij opgesloten. Zijn harde schedel wordt mij nagedragen.
Oppas
Bericht aan mijn lichaam. Regel de zaken zoals je bent gewend; zet de deur vast na donker, vertrouw niemand die aanklopt; laat de hond uit, zorg’s avonds licht te maken en maai het gras, dat ik niet word gemist.
Er staat vlees in de kelder, eet het op. Schone handdoeken liggen in de kast.
Onze vader beheerste de redenaarskunst van de grote werkgevers en nutsbedrijven vragen maar niet antwoorden
Onze vader gaf mij speelgoed en pakte het weer af om het opnieuw te geven als ik dat verdiende en opnieuw
Geen man van gebaren: de wonderbaarlijke vermenigvuldiging niet voor steeds meer kinderen maar voor een steeds meer enig kind
Blijf weg uit de bossen (Spoorloos)
……..But there is no road through the woods. ……..Rudyard Kipling
Hij en de piano ze zijn niet voor elkaar. De handen van boogiewoogiebeest (niet aaien!) ze zijn te groot, te groot! Na elk stuk lacht hij droef dan weer kruist hij de zware enkels. En dof zingt Rippen van olifanten op gloeiende platen beren met plastic tanden, diep in de spaanplaatwouden.
Blijf er weg, onzalig is het er, een stam komt nooit alleen, altijd met z’n allen en bossen kunt u nooit vertrouwen, mevrouwen. Het groen draait er steeds omheen wat open plek is; een bos is niets dan doorzagen op hetzelfde ritme. Nooit eerder heb ik jou ontmoet en toch: ik ken je goed, Big Hand Tom, nooit vind je meer de weg terug.
Doe dicht die klep!
Kill devil hills
Bidt dat dit nooit af is maar onderweg blijft en niet stopt
Vroeger heette het hier Kitty Hawk, was het maanden wachten op de goede wind. Een circus, een fietsenfabriek, een leven voor twaalf seconden zweven. Daarna sterft één van ons aan tyfus.
De lucht is groter dan de aarde voor wie voor ’t eerst echt vliegt.
Nu is er niemand meer die helpen kan, die zo weet hoe de aanloop moet. Nu moet het geheim verstopt. Twaalf seconden. Dat was genoeg.
Bidt dat dit nooit af is maar blijft hangen en niet –
Toen hield ik van de wielewaal – het klokkenspel, boven opklonk het, neerzonk het door het bladerhuis,
als we hurkten aan de bosrand, aan een grashalm regen rode bessen; met zijn karretje trok de grijze jood voorbij.
’s Middags dan onder de elzen in zwartschaduw stonden de dieren, verjoegen met toornige staartslag de vliegen.
Dan viel de stromende, brede regenvloed uit de open hemel; naar al het donker smaakten de druppels, als aarde.
Of de jongens kwamen het oeverpad langs met de paarden, op de glanzende bruine ruggen reden zij lachend boven de diepte.
Achter de heining wolkte bijengegons. Later, door ’t struikgewas bij de rietplas, streek zilver de ritsel van angst. Dichtgroeiden, een haag, in het duister venster en deur.
Vertaald door C. O. Jellema
Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)