Rudolf Geel, Paolo Cognetti, Ethan Mordden, Lewis Carroll, Arie van der Krogt, Harvey Shapiro

De Nederlandse dichter en schrijver Rudolf Geel werd geboren in Amsterdam op 27 januari 1941. Zie ook alle tags voor Rudolf Geel op dit blog.

Uit: De voeten van Petrus

“3
Daar zal je het gedonder hebben. Vannacht heeft zij gedroomd van ‘allerlei Romeinse keizers’. En er slecht van geslapen natuurlijk. Ik kan nu onmogelijk bekennen (bij zoveel cultuur) dat ik droomde van een soort spionnage-affaire in een science-fictionachtige wereld, waarin een kopjeduikelende Chinese voorkwam met onder andere een bamboe-broekje aan.

4
Naast mij ligt een steentje. Ik haast mij eraan toe te voegen dat het afkomstig is van een tegen een muur gezet stuk mozaïekvloer in de thermen van Caracalla. Ik raakte het aan en zie: het liet los, in tegenstelling tot heel wat andere steentjes die ik met enige kracht probeerde te verwijderen.
Wat ga ik met dit brokje handwerk beginnen? Uiteindelijk zal ik het toch ergens verliezen omdat ik er niets aan heb. Om de waarheid te zeggen, is het een onooglijk stukje grijze steen, 1 × 1 × 2. Er zit nog wat cement aan vast. Ik zal het aan mijn vriend, de classicus H. ter hand stellen en hem vragen enkele conclusies te trekken. Als het maar conclusies zijn, iets definitiefs, want ik heb het niet voor niets meegesjouwd. Ik had veel liever een mooi rood stukje meegenomen, of bruin, ik moet zeggen dat de vloeren van de thermen prachtig zijn, hoezeer het gebouw mij ook verder tegenvalt. Met die thermen is het zo, en ieder die er geweest is zal het beamen: ze zijn niet meer wat ze geweest zijn. In de reisgids worden ze ook omschreven als ‘de prachtige ruïnes van’ en dat is overdreven. Het zijn ruïnes, dat is niet te loochenen. Achter deze ruïnes wonen mensen en als ìk er woonde zou ik de gemeente opbellen om te vragen wanneer ze die troep voor mijn deur eens zouden komen weghalen. Dit spijt mij. Ik zou het natuurlijk niet werkelijk vragen. Ik had echter graag echte thermen gezien, zoals in Pompeji en Herculaneum. En dan veel groter, zoals ze in werkelijkheid ook waren.
En dan had ik er kunnen rondlopen, vrijwel alleen. En ik had er die bolle koppen teruggezien en vrouwen, in rimpelend water gezeter op de mozaïek van een sater, maar nu heb ik alleen dit steentje en hoezeer ik het ook wrijf: er gebeurt niets. Het is gewoon een rotsteentje, gevonden in een door operarekwisieten verstoorde wildernis.”

 

 
Rudolf Geel (Amsterdam, 27 januari 1941)

Lees verder “Rudolf Geel, Paolo Cognetti, Ethan Mordden, Lewis Carroll, Arie van der Krogt, Harvey Shapiro”

Leopold von Sacher-Masoch, Benjamin von Stuckrad-Barre, Neel Doff, Eliette Abécassis, Mordecai Richler, James Grippando

De Duitse schrijver Leopold Ritter von Sacher-Masoch werd geboren op 27 januari 1836 in Lemberg. Zie ook alle tags voor Leopold von Sacher-Masoch op dit blog.

Uit: Der Capitulant

“Wer in leichter Gondel im stillen Meere schwimmt, das Element mit sich spielen, die schattenhaft gezeichneten Ufer des festen Landes, der Inseln hinter sich versinken läßt, die Luft über sich, ein zweites Meer mit wogenden Wolken ahnungsvoll schaut, wird mich vielleicht verstehen, wenn ich von der galizischen Fläche, dem winterlichen Schneeocean, der Fahrt in dem flüchtigen Schlitten berichte. Es zieht die Menschenseele wehmüthig sehnsuchtsvoll an, der Ocean wie die Ebene. Nur ist der Flug im Schlitten rascher, adlerhafter – während sich der Kahn im Wasser wie eine Ente in der Luft wälzt – nur ist die Farbe der unendlichen Fläche, ist ihre Melodie ernster, düsterer, drohender, man sieht die Natur in ihrer Nacktheit, den Kampf des Daseins, man fühlt den Tod näher, man empfindet seine Atmosphäre, man hört seine Stimmen.
Mich lockte der lichte Winternachmittag hinaus. Ich hatte die Fahrt beschlossen, mein Fuchs war krank, nicht jedes Pferd geht gut im Schnee, ich ließ den Mausche Leb Kattun kommen, einen großen Kutscher vor dem Herrn, und seine verläßlichen Pferde vor meinen Schlitten spannen. Der Tag war prächtig, die Luft stand still, auch das Licht, die goldenen Sonnenwellen zitterten nicht im leichten Dunste der Erde. Luft und Licht waren ein Element. Auch im Dorfe war Alles still, kein Ton verrieth die Bewohner der schweigsamen Strohhütten, nur die Sperlinge flogen an den Zäunen in Schaaren auf und schrieen.
Weiter stand ein kleiner Schlitten mit einem hinkenden Pferdchen bespannt, nicht größer als ein Fohlen; auf dem führte ein Bauer Holz aus dem Walde, sein halbgewachsenes Mädchen rief ihn und watete mit bloßen Füßen durch den ellenhohen Schnee nach einem kleinen Scheite, das er verloren hatte.
Wie wir den kahlen Berg hinabflogen mit klingenden, hellen Glöckchen, lag die Ebene vor uns, unermeßlich, unfaßbar, unendlich. Der winterliche Hermelin gab ihr die höchste Majestät. Sie war ganz von ihm bedeckt, nur die kahlen Stämme der niederen Weiden, entfernter einzelne langatmige Heidebrunnen, in der Ferne ein paar verlorene rußige Hütten, zeichneten sich schwarz auf dem weißen Schneepelz.
Mausche Leb Kattun schüttelte sich und schrie. Der erste Blick in die Ebene wirkte bei ihm wie schnelles Gift; seine palästinische Phantasie begann in biblischen Phrasen zu reden, sie kam mit einem einzigen Flügelschlag aus der Region der Pelzthiere in jene der Palmen und Zedern; es warf ihn auf dem Bocke wie einen Fieberkranken, er grub in seinem Hirn nach tausend Bildern für das eine Unfaßbare, das ihn quälte, er spuckte die Gleichnisse zu Dutzenden aus, bis ich ihn schweigen hieß. Jetzt murmelte er vor sich hin. Ich weiß nicht, ob er das Gespräch mit sich selbst fortsetzte, ob er betete? ob er endlich das Gleichniß gefunden? ein unendliches weißes Papier, auf das er seine unendlichen Rechnungen schrieb und zählte, und zählte.“

 

 
Leopold von Sacher-Masoch (27 januari 1836 – 9 maart 1895)
Het huis in Lindheim waar von Sacher-Masoch de laatste jaren van zijn leven woonde.

Lees verder “Leopold von Sacher-Masoch, Benjamin von Stuckrad-Barre, Neel Doff, Eliette Abécassis, Mordecai Richler, James Grippando”

Alexander Stuart, Guy Vaes, Bernd Jentzsch, Ilja Ehrenburg, Mikhail Saltykov-Shchedrin, Balduin Möllhausen, Samuel Foote

De Brits-Amerikaanse schrijver Alexander Stuart werd geboren op 27 januari 1955 in Brighton. Zie ook alle tags voor Alexander Stuart op dit blog.

Uit: The War Zone

“I’d be there now, getting soaked, if I wasn’t so determined to speak to Jessica. If I can get her alone, there are a good few questions I’m going to ask, but it’s as if she senses this. She’s playing for time, Miss Florence Nightingale, helping Mum change the baby and scrub the vegetables for dinner. I’m in the doghouse, meanwhile, for dumping all the shopping in the rain. I watch Dad. I watch everyone. Suddenly I feel like a spy. I’m the one who’s different, I’m the one with the knowledge — I wouldn’t trust me, if I was them. What’s changed? My mind is working overtime, reassessing everything. But Dad seems the same, snapping open a beer as he dumps himself into one of the cottage’s chintzy armchairs to sort through a pile of unopened office mail. `How far would we have to go, do you think,’ he ponders aloud, screwing his face up into a mask of weariness and disgust, `to get away from all this crap?’ `Not much further,’ Mum offers from the kitchen. ‘Another phone call like yesterday’s, and they’ll probably take you at your word.’ There’s a long pause in which Dad seems to be replaying yesterday’s phone call, enjoying the recollection of what was obviously a choice exchange. `They love it,’ he says. ‘Panics the accountants. They won’t know what they’ve got unless they’re made to sweat blood for it.’ When it comes to work, Dad likes a bit of passion to enter into things. I don’t think he’s happy unless emotions are aroused, and certainly where his current scam is concerned — a bloody great steel and glass pyramid for a Korean bank in Docklands —he’s played devil’s advocate from day one. Bad enough that he has to work for these wankers, he says — no reason to make it easy for them. But I think it’s a bluff. I think his work is what drives him, and coming down here to Devon has nothing to do with getting away from it all, it’s just another way of giving them the finger. Dad peers in the direction of the kitchen, stuffing the torn envelopes he’s been opening into one of the big manila ones.”

 

 
Alexander Stuart (Brighton, 27 januari 1955)
Cover DVD

Lees verder “Alexander Stuart, Guy Vaes, Bernd Jentzsch, Ilja Ehrenburg, Mikhail Saltykov-Shchedrin, Balduin Möllhausen, Samuel Foote”

Jannetje Koelewijn

De Nederlandse schrijfster en journaliste Jannetje Koelewijn werd geboren in Amsterdam op 27 januari 1959. Koelewijn groeide op in Amsterdam en studeerde Nederlands aan de Vrije Universiteit. Hierna werkte ze twaalf jaar bij Vrij Nederland. In 1994 publiceerde zij het boek “Het koningsdrama van Fokker” over het conflict in de bestuurstop van de vliegtuigbouwer. In 1997 trad zij in dienst bij NRC Handelsblad. Later schreef zij onder meer “Alleen winnaars overleven” over topondernemers in het Nederlandse bedrijfsleven en “De alledaagse dood” over chronisch zieken en hun nabestaanden. Veel boeken van Koelewijn zijn gestaafd op interviews met direct betrokkenen bij de onderwerpen waarover zij schrijft. Koelewijn is verbonden aan Uitgeverij Atlas in Amsterdam. In 2011 publiceerde zij “De hemel bestaat niet” over het leven van haar ouders en voorouders in Spakenburg en Amsterdam. Een signeersessie in Spakenburg moest worden afgelast omdat een familielid van Koelewijn protest aantekende bij de boekhandelaar waar de sessie plaats zou hebben. Volgens het Reformatorisch Dagblad zou niet iedereen in het dorp zich kunnen vinden in de manier waarop zij het orthodox-protestantse geloof in het dorp besprak. Begin 2012 kwam Koelewijn in het nieuws na het publiceren van informatie over het ski-ongeval van prins Friso. Een zakelijke relatie van haar man had haar over de toestand van de prins medische informatie gegeven, die zij publiceerde in NRC Handelsblad.[4] Er kwam veel kritiek op zowel het handelen van haar man, de arts in kwestie, het artikel van Koelewijn als de uiteindelijke publicatie door NRC Handelsblad.

Uit: Heilbrons hel

“Laat in de middag, vroeg in het nieuwe millennium, een kilometer voor het Shell-tankstation langs de a2 ter hoogte van Breukelen. Lucas Pauw keek op zijn horloge, een verguld Omega-horloge dat  nog van zijn grootvader was geweest, en daarna op het digitale klokje naast de snelheidsmeter op zijn dashboard. Twaalf over vijf. Tijd zat. Hij liet zijn blik van de binnenspiegel naar de buitenspiegel gaan, en vandaar verder naar rechts om te controleren of er geen medeweggebruiker in zijn dode hoek zat, gaf vervolgens het stuur een tikje in de richting van de uitvoegstrook en liet het gaspedaal los.
Strikt genomen hoefde hij niet te tanken, maar je wist nooit hoe zo’n eerste avond zou verlopen. Beter trouwens om even een plastic wegwerphandschoen aan te trekken. Bij een gelegenheid als deze wilde je niet naar benzine ruiken.
Hij haakte de slang los uit de houder, controleerde of er geen druppels aan het mondstuk hingen en stak het in de opening van de benzinetank. Terwijl hij in het handvat kneep om de pomp in werking te stellen keek hij gedachteloos naar de andere automobilisten die stonden te tanken en naar de Shell-shop, waar hij zo moest afrekenen. Het was al donker en er waaide een kille noordenwind, waardoor het binnen bij de kassa’s en de schappen met snoep en chips des te warmer en uitnodigender leek. Het licht viel in een wijde cirkel op het asfalt rond de glazen pui en scheen ook op de netten met houtblokken voor de open haard die daar lagen opgestapeld. Bij de ingang stonden emmers met in folie verpakte tulpen en chrysanten. Daarnaast: een schoolbord waarop in onhandige letters heden verse Vlaamse friet was geschreven.
Rondom waren vlaggetjes getekend en in de hoeken stond afwisselend:
Nieuw! lekker! nieuw! lekker!
Hij huiverde. Hij had geen jas aan. Bij drieëntwintig liter sloeg de pomp af en hij liep naar binnen om te betalen. Het rook er naar vers brood en nog iets anders. Geen friet. Gebakken spek. Ham. De rij voor
de kassa was lang. Achttien over vijf. Nog steeds tijd zat. Hij haalde zijn portefeuille uit zijn achterzak en stelde tevreden vast hoe los zijn broekband om zijn middel zat. Vijftien kilo in drie maanden. Het ging de goede kant op. Kijk nou eens naar die kerels die daar bij de counter met de warme snacks rondhingen. Ze vraten zich helemaal klem aan bamiballen en kroketten. Wat had die vent daar links nou op zijn bordje liggen?”

 
Jannetje Koelewijn (Amsterdam, 27 januari 1959)

Jos van Daanen, Menno ter Braak, Nora Gomringer, Jonathan Carroll, Achim von Arnim, Bhai, Lode Baekelmans, Michiel van Rooij, Martijn den Ouden

De Nederlandse dichter en schrijver Jos van Daanen werd geboren op 26 januari 1959 in Kerkrade. Zie ook alle tags voor Jos van Daanen op dit blog.

 

Soldaat in eigen huis

Hoe voelde dat voor je,
soldaat in eigen huis
in oorlog met de werkelijkheid
bevelen opvolgen van je meerderen
die in je elpees woonden?

Wist je nog wel pacifist
voor wie je moeite deed,
voor wie je aan het front streed
dat elke ochtend oprukte
tot aan je bed?

Was je bang toen je boos was,
verdrietig toen het er niet toe deed?

Wie maande je om niet te deserteren,
beval je om je helm af te zetten,
schoot je door je hoofd?

 

De man aan de kade

Er hangt een man aan de kade,
handen aan het stenen randje,
gezicht naar de muur.
Zijn voeten zoeken op het water
naar steun, maar zijn al moe.

Soms kijkt hij een beetje schuchter
over zijn linkerschouder
stroomafwaarts naar de zee
en denkt hij: ik hoef maar tot daar,
minder nog dan tien minuten lopen.

 
Jos van Daanen (Kerkrade, 26 januari 1959)

Lees verder “Jos van Daanen, Menno ter Braak, Nora Gomringer, Jonathan Carroll, Achim von Arnim, Bhai, Lode Baekelmans, Michiel van Rooij, Martijn den Ouden”

Florin Irimia

De Roemeense schrijver, criticus, letterkundige en vertaler Florin Irimia werd geboren in Iași op 26 januari 1976. Hij is assistent-professor aan de faculteit Letteren van de Alexander Jan Cuza-universiteit in Iași. Sinds 2001 heeft hij literatuurbesprekingen bijgedragen aan Observator Cultural, Roemenië Literara, Dilemateca, Timpul en Suplimentul de cultura, waarin hij een wekelijkse column schrijft. In 2009 debuteerde hij als schrijver in Noua Literatura (onder de naam Eduard Tautu) en in 2011 publiceerde hij zijn eerste roman, “Defekt”. Zijn roman “O fereastră întunecată” (“Een donker venster”) verscheen in 2012. Hij heeft “Oryx and Crake” van Margaret Atwood vertaald (2008) en mede-vertaalde, met Nicoleta Irimia, “Alias ​​Grace” van dezelfde auteur (2013). Hij publiceerde kort proza ​​in Familia, Steaua, Timpul, Zona Literara en Ziarul deIași. De roman “Câteva lucruri despre tine” (“Een paar dingen over jou”) verscheen in 2014.

Uit: A Few Things about You (Vertaald door Alistair Ian Blyth)

“I wake up abruptly and it is dark. I am alone and something tells me that I ought not to be and that in a few seconds the fear will grip me once more. Fear and revulsion at something. Something I have done, something that ought not to have happened, but did happen, something horrible, like an incurable disease, like a premature and violent death. Something for which I will have to make a reckoning. My ears are hissing like I had two seashells bunged inside them, and somewhere, in my brain, a malevolent little man is crushing a mound of walnuts with a hammer. There ought to have been someone beside me in bed. Yes, a sleepy, naked woman, my guarantee that I have things under control. A trace of memory, a diffuse feeling, the memory of a reality that perhaps did not take place signals to me the absence. I try to detect a trail of perfume in the air, among the sheets, something to tell me that I am not mistaken, but when I inhale I smell only the ordinary odour of a hotel room. I close my eyes and my limbs begin to tremble, a fine, almost imperceptible tremor, which would be visible only on a sheet of transparent plastic. Then, I think I fall asleep. And I become thirsty. I dream I get out of bed and go to the bathroom to pour myself a large glass of water. The door is closed, but the light is on inside. As if somebody were in there already. As if that somebody were waiting for me. I can hear the tap running, evenly, monotonously, conveying to me some kind of message. I dream that I am afraid. I grip the doorknob and am about to turn it, but in that same instant I wake up. I lie motionless, waiting to ascertain where I am (in a hotel room), whether it is summer or winter outside (it is spring), what day and month of the year it is (3 April). I couldn’t remember any of all that. In the end I looked around for a clock (my wristwatch has vanished or perhaps I never had one) and I found one in the form of a mobile ‘phone, placed neatly on the bedside table. The hour, the day and the month. The year is the current year… As for the hotel, I know only that it is a tall building, because I looked out of the window just now. I couldn’t see much – the window is small and rather narrow – but I saw that it was snowing, I have no idea what town this is, in this country all the towns look the same – but I could see that I was high up. At least literally, if not otherwise. I have always liked to take a hotel room on an upper storey. That I remember. It is as if you are above your destiny, above what others have decided in your stead. Which is an illusion, obviously.”

 
Florin Irimia (Iași, 26 januari 1976)

VSB Poëzieprijs 2018 voor Joost Baars

 

VSB Poëzieprijs 2018 voor Joost Baars

De VSB Poëzieprijs 2018 is gewonnen door de Nederlandse dichter Joost Baars. Baars nam de prijs en het bijbehorende geldbedrag van 25 duizend euro gisteren in ontvangst in Den Haag uit handen van juryvoorzitter Maaike Meijer. Naast “Binnenplaats” van Baars waren ook “Nachtroer” van Charlotte Van den Broeck, “Vonkt” van Marije Langelaar, “Ja Nee” van Tonnus Oosterhoff en de bundel “Leger” van Mieke van Zonneveld genomineerd. Joost Baars werd geboren op 2 oktober 1975 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Joost Baars op dit blog.

 

kosmologie van het tapijt

daar opende zich onder haar in wat genoemd was het tapijt een wormgat

daar taalde de materie naar die als vanzelfsprekend haar omgaf
kamer tafel laminaat lamp boekenkast
en cel voor cel het weefsel waarin ze was vervat

ze greep zich aan de polen vast

daar in die zwaartekracht waar wat genoemd is zwaartekracht
en dat ons grondt aan wordt ontleend
als een magnetisch veld rond de planeet
dat er uiteindelijk niet tegen is bestand

daar 112’de ik de taal die ik nog had
het adres (en er was)
een ambulance (en er kwam)
het is haar hart (ze was er nog)
dat wegvalt (wormgat)

daar klonk een stem en er was tijd
genoeg voor wat zich daar voltrekken moest

daar lag ze op het vloerkleed als een pasgeboren baby’tje
dat naamloos op haar noemer wacht

 

dode hond

ik loop op een eiland genaamd dode hond
en denk aan mijn broer

die op een snikhete dag
zijn auto op slot deed

en daarbij zijn hondje vergat.
dode hond heet zo omdat

er een hond ligt begraven. toen ik klein was
hoorde ik ooit het gejank

van een krolse kat, hield die hartverscheurende klank
voor gehuil van mijn broer, liep door de nacht

naar zijn kamer, deed de deur open en zag
dat hij sliep, dat

hij het niet was. dode hond

is een kunstmatig eiland,
net als mijn kamer in het huis waar wij opgroeiden,

net als mijn broer,
net als ik,

als een auto met gesloten ramen
in de zonzee geparkeerd.

nu is het nacht
op dode hond en over het daar

omheen als aaneengeregen dagen
liggende water

klinkt zijn gehuil, zijn geblaf.

 

 
Joost Baars (Leidschendam, 2 oktober 1975)

Renate Dorrestein, Lisa Weeda, David Grossman, William S. Maugham, Virginia Woolf, Stephen Chbosky, Alessandro Baricco, Paavo Haavikkom, Robert Margerit

De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein werd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954. Zie ook alle tags voor Renate Dorrestein op dit blog.

Uit: Reddende engel

““Pal boven me hing een roofvogel te loeren op een prooi. Kale bomen, halfbezwijkend onder trossen maretak, strekten hun takken uit naar de vale hemel. Kraaien pikten met felle bewegingen in een omgeploegde akker. Je had hier vreemde grondsoorten, löss en mergel. En grottenstelsels waarin je voor altijd kon verdwalen, met als enig gezelschap de vleermuizen die er kwamen overwinteren. Eerder op de dag was ik langs gammele schuurtjes van geteerd hout gereden, met naast een ervan een pony die suïcidaal uit zijn ogen keek. En overal kruisbeelden en kapelletjes, opgetuigd met plastic bloemen die door de jaren heen hun kleur hadden verloren.
Midden op de vijfsprong op de heuvel stond ook zo’n kruis. Op zoek naar houvast liep ik er over de onverharde weg naartoe. Het was niet groot, het reikte maar net tot mijn middel. Ik moest me bukken om de inscriptie te kunnen lezen: ‘Red ons, Heer.’
Schielijk draaide ik me weer om. Ik had nu ergens in een dorpscafé achter een biertje kunnen zitten, gebrouwen met water uit eigen bron en hop en gerst van eigen land. Als ik maar beter had opgelet.
Als ik de tekenen niet veel te lang in de wind had geslagen, was ik hier zelfs nooit beland.
Maar geluk maakt je lui en zelfgenoegzaam.
Veel mensen schijnen het te betreuren dat je geluk niet kunt hamsteren, zoals bijen met hun honing doen, zodat je je opgeslagen voorraad kunt aanspreken als de nood aan de man komt. Die mensen realiseren zich niet dat het oprakelen van oud geluk juist een afschuwelijke bezigheid is.
Ik ging weer in mijn auto zitten en tuurde onthand door de voorruit. Verder van huis dan hier in Zuid-Limburg had ik niet kunnen komen zonder de grens over te rollen. Kilometers maken. Afstand creëren.
Moest ik rustig afwachten totdat er iemand langsreed die me zou kunnen vertellen dat er een paar kilometer verderop al een benzinepomp was, als je de weg tenminste wist? Zo ver kon ik nu ook weer niet van de bewoonde wereld vandaan zijn. Vanmiddag was ik door het ene dorp na het andere gereden, zonder dat een verblijf in een ervan me aantrekkelijk had geleken.”

 

 
Renate Dorrestein (Amsterdam, 25 januari 1954)

Lees verder “Renate Dorrestein, Lisa Weeda, David Grossman, William S. Maugham, Virginia Woolf, Stephen Chbosky, Alessandro Baricco, Paavo Haavikkom, Robert Margerit”

E. Th. A. Hoffmann, Ivan Ivanji, Eugen Roth, Ulrich Holbein, Edith Wharton, Jiří Karásek ze Lvovic, John Donne, Charles Sackville, Helen Darville

De Duitse dichter en schrijver Ernst Theodor Amadeus Hoffmann werd geboren in Koningsbergen op 24 januari 1776. Zie ook alle tags voor E. Th. A. Hoffmann op dit blog.

Uit: Die Serapionsbrüder

“Stelle man sich auch an wie man wolle, nicht wegzuleugnen, nicht wegzubannen ist die bittre Überzeugung, daß nimmer – nimmer wiederkehrt, was einmal dagewesen. Eitles Mühen, sich entgegenzustemmen der unbezwinglichen Macht der Zeit, die fort und fort schafft in ewigem Zerstören. Nur die Schattenbilder des in tiefe Nacht versunkenen Lebens bleiben zurück, und walten in unserm Innern, und necken und höhnen uns oft, wie spukhafte Träume. Aber Toren! wähnen wir, das, was unser Gedanke, unser eignes Ich worden, noch außer uns auf der Erde zu finden, blühend in unvergänglicher Jugendfrische. – Die Geliebte, die wir verlassen, der Freund von dem wir uns trennen mußten, verloren sind beide für uns auf immer! – Die, die wir vielleicht nach Jahren wiedersehen, sind nicht mehr dieselben, von denen wir schieden, und sie finden ja auch uns nicht mehr wieder!«
So sprach Lothar, indem er heftig vom Stuhl aufsprang, dicht an den Kamin hinanschritt und die Arme übereinandergeschlagen mit finsterm Blick in das lustig knisternde Feuer hineinstarrte.
»Wenigstens«, begann jetzt Theodor, »wenigstens lieber Freund Lothar, bewährst du dich insofern ganz als denselben, von dem ich vor zwölf Jahren schied, als du noch ebenso wie damals geneigt bist, nur im mindesten schmerzlich berührt, dich allem Unmut rücksichtslos hinzugeben. Wahr ist es, und ich, Ottmar und Cyprian, wir alle fühlen es gewiß ebenso lebhaft als du, daß unser erstes Beisammensein nach langer Trennung gar nicht so erfreulich ist, als wir es uns wohl gedacht haben mochten. Wälze die Schuld auf mich, der ich aus einer unserer unendlichen Gassen in die andere lief, der ich nicht abließ, bis ich euch heute abend hier vor meinem Kamin zusammengebracht hatte. Gescheuter wäre es vielleicht gewesen, hätt ich unser Wiedersehn dem günstigen Zufall überlassen, aber unerträglich war mir der Gedanke, daß wir, die wir jahrelang durch herzliche Liebe, durch ein gleiches schönes Streben in Kunst und Wissenschaft innig verbunden zusammenlebten, die nur der wilde Orkan, wie er daherbrauste in der verhängnisvollen Zeit die wir durchlebt, auseinanderschleudern konnte, daß wir, sage ich, auch nur einen Tag in demselben Hafen geankert haben sollten, ohne uns mit leiblichen Augen zu schauen, wie wir es unterdessen mit geistigen getan. Und nun sitzen wir schon ein paar Stunden zusammen und quälen uns mörderlich ab mit dem Enthusiasmus unserer frischblühenden Freundschaft. Und keiner hat bis zu diesem Augenblick etwas Gescheutes zu Markte gebracht, sondern fades langweiliges Zeug geschwatzt zum Bewundern. Und woher kommt das alles anders, als daß wir insgesamt recht kindische Kinder sind, daß wir glaubten, es werde nun gleich wieder fortgehen in derselben Melodie, die wir vor zwölf Jahren abbrachen.“

 

 
E. Th. A. Hoffmann (24 januari 1776 – 25 juni 1822)
Cover

Lees verder “E. Th. A. Hoffmann, Ivan Ivanji, Eugen Roth, Ulrich Holbein, Edith Wharton, Jiří Karásek ze Lvovic, John Donne, Charles Sackville, Helen Darville”

P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, João Ubaldo Ribeiro, Michel Droit, Fatma Aydemir

De Nederlandse schrijver Pieter Frans Thomése werd geboren in Doetinchem op 23 januari 1958. Zie ook alle tags voor P. F. Thomése op dit blog.

Uit: Grillroom Jeruzalem

“Het zijn de donkere dagen voor Kerst, en we zullen overnachten in Bethlehem. Dat is in het Palestijnse gebied. Aan de andere kant van de grens.
Die grens blijkt, als we arriveren, een muur te zijn van negen meter hoog. Van de ene op de andere straat is-ie er ineens. Baf. Midden in de bebouwde kom. Grijze betonnen platen, bekend uit de gevangenisarchitectuur. Wie zoiets neerzet, wil datgene wat daarachter is nooit meer terug hoeven zien. De utilitaire vormgeving detoneert nogal in het Bijbelse landschap. Wie hier wil dromen van het kindeke Jezus en de os en de ezel en de wijzen uit het Oosten, moet danig zijn fantasie aanspreken. Ons hotel heet overigens gewoon, alsof er niets aan de hand is, het Bethlehem Star Hotel, en de desbetreffende ster straalt ons in haar vuile neon zwakjes tegemoet.
Hier lagen ze dus, de herdertjes, hier lagen zij bij nacht bij het vuur. En daar hoorden zij engelen zingen. Ik probeer me een beetje te oriënteren, maar erg goed lukt dat nog niet.
Onze reisleidster, de Palestijnse Ghada uit Gouda, zegt dat het al laat is en dat we maar beter meteen kunnen gaan slapen.
Op mijn kamer, met de vertrouwde lekkende kraan en het leeslampje dat alleen aangaat als je het draadje op een bepaalde manier vasthoudt, lig ik op bed en probeer ik me thuis te voelen in dit beloofde land waar zovelen zoveel eeuwen naar gehunkerd hebben, waar zovelen met onbegrijpelijke graagte hun bloed voor hebben gegeven (en al hunkerend nog steeds willen geven). Kijkend naar het plafond luister ik naar mijn van thuis meegebrachte muziek: Bar Kochba, de ‘radicale joodse jazz’ van de New Yorker John Zorn, en Old Testaments & New Revelations, melancholisch absurdisme van ‘de eerste joodse countryster’ Kinky Friedman and his Texas Jewboys (‘They ain’t making Jews like Jesus anymore’). Maar ik geloof nog steeds niet helemaal dat ik hier ben. In het Heilige Land, sprookjesland der gelovigen. Het is allemaal zo… gewoon. Het zou net zo goed een hotelkamer kunnen zijn in Emmen of Terneuzen waar ik na mijn lezing uit eigen werk door de liefhebbende organisatie ben ondergebracht.
Om wat meer in de stemming te komen ga ik verder in Edgar Hilsenraths magnum opus Nacht, schitterende schelmenroman uit de sjoah, die ik elke keer moeilijk weg kan leggen, zo verslavend is deze beklemmende overlevingsgeschiedenis. Het verhaal speelt zich af in een ten dode opgeschreven joods getto aan de Dnjestr, ergens in de duistere krochten van oostelijk Europa, waar de grenzen met iedere oorlog veranderden tot niemand meer wist wie in welk land thuishoorde.”

 

 
P. F. Thomése (Doetinchem, 23 januari 1958)

Lees verder “P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, João Ubaldo Ribeiro, Michel Droit, Fatma Aydemir”