„Meine Mutter öffnete die Tür und betrat, energischer als sonst, mein Zimmer. Hatte mein Wecker schon geklingelt? Normalerweise weckte mich meine Mutter nicht mehr. Ich überlegte kurz, ob es mir unangenehm sein sollte, dass sie so unangekündigt hereinkam, war aber zu müde und ließ die Augen geschlossen und meine Gefühle im Dämmerschlaf. Ohne ein Wort lief sie die paar Schritte zum halb geöffneten Fenster und zog die Vorhänge auf. Vogelgezwitscher. Hätte ich gewusst., dass diese Frühlingsatmosphäre, dieser Klang der erwachenden Vögel, gepaart mit den ersten vorsichtigen Sonnenstrahlen des Jahres, bis heute eine Art wiederkehrenden Soundtrack, einen Schlüsselreiz meiner Erinnerung darstellen wird, hätte ich meine Mutter bestimmt gebeten, das Fenster zu schließen und die Vorhänge zuzuziehen, bevor sie sich zu mir ans Bett setzte. Ich tat, als ob ich noch schliefe, ließ sie meinen Rücken streicheln und genoss die paar Sekunden, die ich noch hatte, bevor ich mich anziehen und in die Schule musste. Ich war Ende des vergangenen Jahres dreizehn geworden, Körperlichkeit zwischen meinen Eltern und mir war selten. Der Dämmerschlaf dieser morgendlichen Augenblicke erlaubte es mir, mich nicht gegen die Hand meiner Mutter zu wehren. Langsam kamen die Gedanken. Eine Lateinarbeit, er die ich mit meinem Vater die Tage zuvor noch gelernt hatte, stand an. Latein lernen mit meinem Vater. Er war nicht der Geduldigste, ich nicht der Begabteste und diese Kombination nicht die beste. Ich sog den Geruch des Kissens ein, streckte mich ein wenig, versuchte, mir die Geborgenheit des Betts, die Besonderheit dieses Moments zu bewahren. »Johann, ich muss dir etwas sagen.« Der Klang der Stimme meiner Mutter war nicht wie sonst Ich kannte diesen Eröffnungssatz von früheren Situationen. Er verhieß nichts Gutes. Das war mir schlagartig klar. Behutsam schien meine Mutter den nächsten Satz vorbereiten zu wollen. »Wir müssen jetzt gemeinsam ein Abenteuer bestehen. Jan Philipp ist entführt worden. Die Entführer wollen zwanzig Millionen Mark_ Die Polizei hat einen Krisenstab eingerichtet. Christian Schneider ist auf dem Weg hierher. Ich weiß ganz sicher, dass es gut ausgehen wird, aber bis dahin wird es schwer für uns werden.« Es war der 25. März 1996, es war Frühling, und mein Leben sollte von da an ein anderes sein. Es sollte keinen unbeschwerten Frühling mehr für mich geben, kein Vogelgezwitscher ohne diesen Satz in meinem Kopf ohne meinen ersten Gedanken an die Lateinarbeit, die ich hätte schreiben sollen und die ich, das war mir in diesem rasenden Chaos sofort klar, verpassen würde. Meine Mutter sah mich an, als wolle sie mit ihrem Blick in meinem Kopf die Gewissheit einbrennen, dass wir es schon schaffen würden, dass mein Vater nicht ermordet würde, dass alles — was auch immer das sein mochte — gut ausgehen werde.“
Johann Scheerer (Henstedt-Ulzburg, 6 november 1982)
Nacht, geel van onweersbuien, de huizen zijn leeg, in de koele grond waar de vlierbes standhoudt slapen de slapers zich de wereld uit
Maar de bewaker loopt rusteloos, in een flikkerende droom loopt hij moeizaam, hij roert de trommels van steen en roept met de scheerlingstrompet de verspreide botten
Ze staan op en kauwen op de papaver, ze praten met het rusteloze vee, ze vragen de muizen om brood en trekken ijzeren spijkers uit de dood
Grond, koud van vergeten, daar was ik met Pechmarie, had maggikruid in de mond, in zijn houten pak staat de trommelaar in een verscheurde tijd
“Mijn moeder, ik kijk tegen haar op maar ze lijkt me niet te zien. Mijn twee zusjes Maria en Rata, die zoveel op elkaar lijken dat ik ze moeilijk uit elkaar kan houden en die ouder zijn dan ik. Twee jaar maar, toch kunnen ze dingen die ik niet begrijp, ze delen een boek en slaan pagina’s om. Mijn broertje Antonie, die twee jaar jonger is dan ik; ik moet hem beschermen. Ik ben drie, vier, vijf. Mijn vader, het vuur in zijn werkplaats en het harde geluid van een hamer op roodgloeiend ijzer. ‘Niet te dichtbij komen, “Abeltje,” zegt hij, “vuur is gevaarlijk”.’ Ik kijk naar de vlammen als mijn vader de blaasbalg bedient. “Radmaker”, een woord dat ik met verwondering uitspreek en waarvan ik de delen proef op mijn tong, het klinkt toverachtig en het smaakt. Mijn vader is radmaker, hij maakt wielen voor de boerenkarren.* De woonkamer van ons huis, schaars verlicht, het is alsof ik mijn eerste jaren heb doorgebracht in eeuwige schemering. Ik herinner me uit die tijd geen zon, wel de geuren van een zomerdag. De sneeuw, die samenklontert onder mijn klompen, die me optilt en even groot maakt als mijn zusjes. Ik zit op schoot bij mijn Duitse opa Anton, de vader van mijn moeder, en hij vertelt me verhalen over het légion d’honneur en zijn paard Kaiser, dat hem door een rivier vol ijsschotsen heeft gedragen. De rivier heet Berezina.* Hij draait de punten van rijn snor op en vertelt hoe ze Russische boeren ophingen en hoe die nog even spartelden voor ze stierven. Mijn oma zegt: ‘Je maakt die jongen bang.’ Hij legt mijn hand in de zijne, kijkt me diep in de ogen en zegt: ‘Deze hand heeft de keizer aangeraakt!’ Mijn moeder die de handen vouwt en begint: ‘Onze Vader… De pan met aardappelen op de houten tafel, de jus op ons bord, mijn vader die twee aardappelen aan zijn vork prikt en ze door de jus haalt. Hij staat op en loopt naar de kast waarop de bijbel ligt, een groot boek met bronskleurige sloten, waaruit hij voorleest; ik droom weg bij de woorden, de verhalen vol verschrikkingen. De bijbel Is later meegegaan naar Amerika. Hij is allang opgelost in Lake Michigan, in elke liter van dat eindeloze meer zitten een paar atomen van het woord van God. Elke flard roept nieuwe op – hoeveel herinneringen bewaart een mens? Waar komt de onverklaarbare droefheid vandaan die me soms overvalt?”
————–
* De Achterhoek stond bekend om de goede kwaliteit van zijn wagenwielen. Die werden verkocht tot in Amsterdam en geëxporteerd naar Duitsland. De hoge kwaliteit had te maken met het goede eikenhout in de streek. De productie van één wiel kostte veertig uur. Radrnakers produceerden twee wielen per week. In het Openluchtmuseum in Arnhem staat een negentiende-eeuwse Achterhoekse radmakerswerkplaats. Ik hoopte dat dat misschien de oude werkplaats van Abels vader was geweest. maar dat bleek niet zo te zijn: hij kwam uit het Woold, niet uit Kotten.
• De Slag aan de Berezina (245-29 november 1812). Op de terugweg uit Moskou trokken de restanten van Napoleons Grande Armee. en de keizer zelf, de rivier in Wit-Rusland over. Nederlandse pontonniers hadden in enkele dagen een brug gebouwd van 87 meter lang en 4 meter breed. Maar Abeis opa gaf dus de voorkeur aan de rug van zijn paard.”
Een jonge moeder op een scooter stopte bij een stoplicht, haar zoontje gehurkt op de treeplank tussen haar benen; zij met een glimmende helm, hij met een replica ervan, kleiner, maar dezelfde kleur en net zo glanzend. Zijn vizier is dichtgeklapt, dat van haar is open.
Terwijl ik naast hen op mijn fiets halt hou, leunt de moeder voorover om het kind te omhelzen, terwijl ze iets in zijn oor fluistert, en ik ben geschokt, werkelijk geschokt, door de wens, de noodzaak om die slanke, sterke armen mij te laten omsluiten door hun heiligdom van genegenheid.
Ook al noemen ze dit regressie, ook al impliceert dat een terugkeer naar een andere staat en dit mij nooit verlaten heeft, deze fundamentele pijn van het te vroeg worden losgescheurd van een gelukzaligheid die nog meer geluk belooft, ongeacht of de spatborden van de scooter een deuk hebben, noch dat hij, terwijl hij stationair draait, knalt, zijn keel schraapt en gromt.
Vertaald door Frans Roumen
C. K. Williams (4 november 1936 – 20 september 2015)
Lieg alsjeblieft niet tegen me niet over iets groots niet over iets anders. Liever hoor ik het vernietigendste dan dat je liegt want dat is nog vernietigender.
Lieg niet over liefde, iets dat je voelt of iets dat je zou willen voelen. Liever word ik bedroefd dan dat je liegt want dat is nog bedroevender.
Lieg niet tegen me over gevaar want ik voel toch je angst en wat ik gewaar word is waar of ik ken je niet en dat is nog gevaarlijker.
Lieg niet tegen me over ziekte liever kijk ik die diepte in dan dat ik mij verlies in één van jouw lieve verzinsels want daarmee verlies ik me dieper.
Lieg niet tegen me over sterven want zo lang we er nog zijn vind ik dat toegangsloze niet mededelen wat je denkt erger en zo veel doder.
De vogelverschrikker regeert de spreeuwen
‘Niemand zo bang als ik met hoge hoed en houten poot. Ik houd me groot, maar aan het wapperen van mijn flarden zie je mijn schrik als een spreeuw op mijn schouder landt aan mijn haren pikt.’
Hij houdt zich staande als een oude man die tussen truck en tram de schrik van zijn leven zo weet te keren dat hij zelf, armen wijd, mild maar beslist, het zware verkeer langs zich leidt.
Afwasmachine
aan mijn bestek
Adieu messen en vorken, ik was jullie nooit meer af. Het is uit tussen ons. Geen toegewijd leuteren meer tussen zachte doeken, ik stop jullie als lastige kindertjes in een crêche, ik ben blij dat ik jullie heb, o, ik zou jullie niet willen missen! maar nooit meer zullen jullie als bekenden door mijn handen gaan. Handenbindertjes! voortaan zijn jullie vaat. Hoor eens, we moeten redelijk zijn, het gaat niet aan die conversaties na het ontbijt, hoe was de pap, maakte het ei erg vlekkerig, is er niet al te hard op je gebeten en was de rabarber verfrissend?
En het douwerideine lepeltje mijn deukje mijn klein fijn mongooltje, moet jij ook door de molen?
O grote opscheplepel worden je kinderen nu voortaan zonder aanziens des persoons door het water geslagen?
We moeten niet kinderachtig zijn. Warme sopjes hebben hun tijd gehad. De wereld eist ons op voor gewichtiger zaken. Mijn persoonlijkheid bijvoorbeeld, moet nog ontplooid. Dat kan natuurlijk niet met jullie, of met de kopjes.
Ik sta boven de vallei op de oude weg, Overwoekerd door onkruid en meiappel, de sporen Nog enigszins zichtbaar waar tractoren stenen Omdraaiden onder hun wielen en uitwiepen, Half opgegeten eikels voor jongere generaties Eekhoorns om te herontdekken en mee te nemen Naar voorouderlijke nesten in de oude eiken.
Vertaald door Frans Roumen
C. K. Williams (4 november 1936 – 20 september 2015)
De Tsjechische, Duitstalige schrijver en vertaler Jan Faktor werd geboren op 3 november 1951 in Praag. Zie ook alle tags voor Jan Faktor op dit blog.
Uit: Trottel
„Die stille Frage meiner Jugend lautete, ob ein Trottel im Leben glücklich werden kann. Und im Grunde war es keine Frage. Um mich herum gab es viele Menschen, die versuchten, mir dies und jenes einzureden — wortlos, versteht sich, einfach durch den Membranendruck ihrer Zuneigung. Sie kannten mich aber nicht, sahen nur meine gesunde Oberfläche. Für mich war meine zukünftige Glücklosigkeit dagegen leicht vorauszusehen. Ich bin als ein Trottel auf die Welt gekommen, bin wie ein Trottel aufgewachsen und musste folgerichtig einer bleiben — zu retten oder gutzureden war da nichts. Gequält bis in die Tiefen meiner auf Dauer erigierten Riechzentralen dachte ich eine ganze Ewigkeit, dass ich die Scham über meine allumfassenden Unzulänglichkeiten nicht überleben werde. Überraschenderweise kam alles anders. Ich habe inzwischen konstant gute Laune, wobei ich mich mitunter unsympathisch finde, wenn ich mich unerwartet in einer Spiegelfläche erwische. Und flüchte gelegentlich vor schlecht gelaunten Individuen, die mein etwas motivloses Innenstrahlen missverstehen könnten. Leider begeben sich viele Menschen Tag für Tag in die Öffentlichkeit, egal wie viele Sorgen um die Gegenwart oder Zukunft (1) sie sich gerade machen. Ich für meinen Teil bin auf den Bürgersteigen unserer Städte eher auf der Suche nach noch mehr Freude, nach dampfendem Optimismus oder einfach spendablem Wohlwollen. Seitdem ich so blendende Laune habe, altere ich nicht. Neulich habe ich beispielsweise wieder mal sechzehn Klimmzüge geschafft. Und ich weiß nicht, wohin das alles noch führen soll. Auch meine Rennradstrecken werden immer länger; was allerdings eher damit zusammenhängt, dass ich mich unterwegs ein bisschen schlauer ernähre. Die Leute essen viel zu viel Käse, fällt mir gerade ein, viel zu fetten Käse und viel zu viel davon — zum Ausklang ihrer sowieso vollsättigenden Mahlzeiten. Manche Erkenntnisse habe ich in meinem Leben spontan im Terrain gewonnen, ohne sie später mühsam aus einem Prostata- oder Nasensekret extrahieren zu müssen. Die gerade angesprochene, seinerzeit ganz und gar ungeplant vorgenommene Feldforschung (2) hängt mit einem Kasein’-starken Erlebnis zusammen. Inzwischen habe ich hier in Deutschland schon mehrere solcher Sättigungsorgien erlebt — mit klarem Kopf und immer noch zystenfreier Leber. Mein ganzes Leben war eine einzige trottelige Feldforschung, habe ich den Eindruck; ein ewig währender Sonderlehrgang. Zum Glück blieb ich naiv genug, um mich immer wieder unter die Menschen zu trauen — wenigstens in einem begrenzten Auslaufradius. Da aß eine intellektuelle Runde viel zu viel von viel zu fettem französischen Käse, fraß sich nach und nach durch alle Sorten — nach einem gehaltvollen Abendbrot, versteht sich — und sinnierte darüber, wie irgendeine humanitäre Katastrophe hätte verhindert werden können und was die Politik dabei wieder falsch gemacht hatte. Wobei die Leute nur das wiederholten, was sie am Vortag in einer einzigen Fernsehsendung gesehen hatten.“
Zelfs als de regen relatief hard neervalt, gaat slechts één blad per keer van de kleine boom die je vorig jaar op het balkon hebt geplant, dan nog een blad op zijn eigen tijd, en nog een, beven door de constante druppels,
maar de regen, de wolken zwermden over de stad, jij aan de piano binnen, je aarzelende muziek, vermengd met het geraas van de stortbui, de stroom van beekjes losgelaten uit de dakrand, de ijzeren balustrades en overstromende goten,
het smelt allemaal met zoveel intensiteit in mij samen dat ik me wel af moet vragen waarom mijn verlangen om eeuwig te leven zo is afgenomen dat het me nauwelijks nog overvalt, en nooit meer zoals het eerder deed, als spijt van wat ik misschien niet zou meemaken in mijn leven,
maar eerder als een gelaagdheid van momenten zoals deze, vergankelijk als de mist die van de daken wordt getrokken, maar toch nadrukkelijk als elke noot van de nocturne, die je oefent, en, terwijl de storm hapert en verdwijnt in zijn eigen stralende overgang, steeds weer oefent.
Vertaald door Frans Roumen
C. K. Williams (4 november 1936 – 20 september 2015)
Onafhankelijk van geboortedata
De Nederlandse schrijver Richard Osinga werd geboren in Haarlem in 1971. Hij studeerde economie en algemene letteren aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Daarna werkte hij, naast zijn schrijverschap, als diplomaat, internetondernemer, online-marketeer en meest recentelijk zorgondernemer. Hij debuteerde in 2003 met “Bor in Afrika”, dat deels gebaseerd is op zijn ervaringen als diplomaat bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarna verschenen “Klare Taal” en “Wembley”. Dit laatste boek verscheen deels als weblog. In 2011 verscheen “Een Duivel met een Ziel”. In 2019 publiceerde Osinga de roman “Wie de Rechtvaardigen zoekt”. In dat boek beschrijft hij onder meer hoe een Nederlandse diplomaat het Wikipedia-artikel over de door hem bedachte islamitische sekte Qibla al-Qudsiyya schrijft. “Wie de Rechtvaardigen zoekt” stond op de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs 2020. In mei 2021 verscheen zijn roman “Arc”, in 2023 gevolgd door de roman “Munt”.
Uit: Wie de Rechtvaardigen zoekt
“Wie een gedicht wil verwezenlijken Xin Ai vraagt zich af of je nog kunt zien dat ze heeft gehuild. Ze draagt meer mascara dan normaal en ze heeft haar lenzen verruild voor een Versace-bril. Ze glimlacht gemaakt naar zichzelf in de spiegel. De kuiltjes waar haar vader zo vrolijk van werd verschijnen. Haar Hello Kitty-blik, zoals Trevor het noemt. Ze laat de glimlach los en begint haar make-up terug op haar plankje te zetten. Trevor en Chaz zitten beneden met hun telefoon te pielen terwijl op de oled-tv een documentaire van National Geographic te zien is. Het geluid staat uit, een ranger leunt tegen een pick-uptruck vol dode vogels. Hij spreidt de vleugels van een van de beesten en houdt hem voor de camera. ‘Hey Xini Hoe gaat-ie met m’n meissie?’ roept Trevor van de bank. Zij lijken niets aan haar te zien, dan zal Vasili zeker niets merken. ‘Prima, met jullie?’ ‘Wat voor vraag is dat? Het is vrijdag!’ Boks, high five, dikke smile. ‘Wat kijken jullie?’ ‘Geen idee eigenlijk,’ zegt Chaz terwijl hij verbaasd naar het scherm kijkt. ‘Het ziet er wel smerig uit: Hij pakt de afstandsbediening en zapt naar MTV. Muziek uit de jaren tachtig. MC Hammer danst geluidloos in een harembroek over het scherm. ‘Jij ziet er strak uit, ga je stappen?’ vraagt Trevor. ‘Ik ga wat eten met Vasili.’ ‘Waar ga je heen?’ vraagt Chaz. “Umami Burger”. “Die burgerjoint op University Avenue? Dat is suf! Kan die gast je niet meenemen naar een of andere chique tent? Als wij tweeën op een date zouden gaan dan liet ik een Uber Black voorrijden en nam ik je mee naar die club op Sand Hill Road.” “Het is geen date, we gaan alleen…” “Als jij het zegt,” zegt Trevor. Vasili staat op de stoep te wachten. Xin vermoedt dat het uit een soort ouderwetse, misschien Oost-Europese beleefdheid is dat hij het restaurant niet binnengaat voor zij er is. Hij draagt een licht kamgaren colbert over een donkerblauwe polo, een nette kaki broek en Nikes. Ze begroet hem met een kus in de lucht net naast zijn wang. Hij heeft een nieuw merk aftershave. Bestellen bij Umami is simpel: een hamburger met parmesan crisp, shiitakes, langzaam geroosterde tomaat, gekaramelliseerde ui en ketchup van het huis. Patat met gekaramelliseerde ui en ketchup van het huis. Patat met truffelaioli, twee IPA’S en je bent klaar. Het gesprek op gang brengen gaat minder eenvoudig. Xin wil het nog niet hebben over wat er vanmiddag is gebeurd, en ze luistert ook maar half naar wat Vasili vertelt over AlphaGo. `Het fascinerende is dat de zetten die AlphaGo doet, door de menselijke go-experts afgedaan werden als verkeerde beslissingen. Ze leverden vreemde stellingen op waaruit geen duidelijk voordeel te halen was, maar uiteindelijk bleken het briljante nieuwe strategische moves die geen mens ooit had kunnen bedenken, omdat alle go-spelers geleerd hebben niet buiten de gebaande paden te treden.’ Waarom raakt het haar zo dat haar project gecanceld is? Ze weet dat dit is zoals het gaat en zoals het moet gaan. Het is eenvoudig om funding te krijgen voor een spannend idee, maar als het niet voldoende oplevert dan gaat de stekker eruit.”
Op het kerkhof in Fløng door Laurits Andersen Ring, 1904
Grabbesuch zu Allerseelen
Steingravur, ein Namenszug, Stern und Kreuz für Lebensspanne, Flamme auf dem Aschenkrug, Blumen in der Marmorwanne.
Keine Trauerträne quillt, fröhlich ist das Angedenken. Schmerz ist lange schon gestillt, innig das Gedankenschwenken.
Allerseelen, Grabbesuch, Plauderstunde mit den Lieben. Große Nähe, nie ein Bruch, nie für immer fern geblieben.
Ingo Baumgartner (24 december 1944 – 16 juli 2015) Oberndorf bei Salzburg, de geboorteplaats van Ingo Baumgartner
De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.
Winterantwoord
De wereld is van de stof die vraagt om beschouwing: geen ogen meer om de witte weiden te zien, geen oren om tussen de takken het gefladder van de vogels te horen. Grootmoeder, waar zijn jouw lippen naartoe om al het gras te proeven, en wie reikt ons uiteindelijk de hemel aan, wiens wangen schuren vandaag nog tot bloedens toe langs de muren in het dorp? Is het niet een duister woud waar wij in terechtkwamen? Nee, grootmoeder, het is niet duister, ik kan het weten, ik woonde lang bij de kinderen aan de rand, en het is ook geen woud.
Vertaald door Lucas Hüsgen
Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)
Uit:Medelijden, medeleven, bijna: vriendschap. Hans Werkman en Willem de Mérode (Samen met Cees van der Pluijm)
“Ook ik heb een aantal fouten gemaakt, zeker in mijn eerste biografie: daarin was ikzelf te nadrukkelijk aanwezig. Een biograaf moet de feiten geven. De manier waarop hij dat doet, heeft een forse mate van subjectiviteit, maar het gaat toch om controleerbare gegevens. Bovendien was ik te weinig op mijn hoede ten aanzien van briefgetuigenissen. Ik dacht: ‘Als die man aan Jaap Romijn iets in een brief schrijft, dan klopt dat.’ Pas later kwam ik erachter dat hij bij voorbeeld in de zelfde tijd iets heel anders aan Barend de Goede schreef. Dat moet je dan tegen elkaar afwegen. [Jaap Romijn, Barend de Goede en Bert Bakker waren vrienden die De Mérode tijdens de laatste jaren van zijn leven regelmatig bezochten; KvdH/CvdP.] Voor mijn tweede biografie heb ik alle brieven weer doorgelezen en daaruit heb ik dingen opgenomen die ik vroeger als minder belangrijk zag, maar die ik nu goed vond passen. In dat boek ben ik ook minder op de voorgrond getreden. En in De Mérode en de jongens heb ik dingen gepubliceerd die in dat kader weer van belang waren, zoals mijn eigen ervaringen met De Mérodes inmiddels oud geworden vriendjes. Hoe gaan die met zijn nagedachtenis om? Daar zit ook een verhaal in. Ik ben niet van plan nog meer over De Mérode te schrijven, maar als ik ooit weer de geest zou krijgen, zou het een boek worden over 1924, de acht maanden die De Mérode toen in de gevangenis heeft gezeten, met wat daaraan voorafging en wat erop volgde. Hoe is dat voor hem geweest? Ik kan dat enigszins reconstrueren aan de hand van een getuigenis van Ernst Groenevelt [vriend en collega-redacteur van Het Getij; KvdH/CvdP], die in de zelfde periode in de gevangenis zat, en van een aantal gedichten. Ik ben ook in die gevangenis geweest. Maar dat boek kan natuurlijk alleen maar een roman worden en geen biografie, daarvoor zijn er te weinig gegevens beschikbaar.
Waarom heeft u juist over Willem de Mérode een biografie willen schrijven?
Hans Werkman: De Mérode drong zich als het ware aan me op: ik ben geboren in Uithuizermeeden, waar hij als onderwijzer werkzaam is geweest. Als jongen had ik al belangstelling voor literatuur in het algemeen en ik was dus geïnteresseerd in de dichter die in mijn dorp had geleefd. Als ik langs dat huis kwam, wist ik: ‘Daar heeft een redelijk beroemd dichter gewoond.’ Bovendien had mijn vader een schoenmakerij en onder zijn klanten waren mensen die De Mérode gekend hadden. Af en toe werd er over hem gesproken, hoewel het al een hele tijd geleden was dat hij was weggegaan, en dan spitste ik mijn oren. Toen ik op mijn achttiende een tijd ziek was, kreeg ik van mijn oud-klasgenoten het tweede deel van de Gedichten en zo heb ik wat meer van hem leren kennen. Maar de biografie is eigenlijk de invalshoek geweest van waaruit ik zijn poëzie ben gaan lezen.”
Kees van den Heuvel (2 november 1960 – 11 januari 2010)
De glorie van alle heiligen door Guercino, ca. 1645
A Sonnet for All Saints Day
Though Satan breaks our dark glass into shards Each shard still shines with Christ’s reflected light, It glances from the eyes, kindles the words Of all his unknown saints. The dark is bright With quiet lives and steady lights undimmed, The witness of the ones we shunned and shamed. Plain in our sight and far beyond our seeing He weaves them with us in the web of being They stand beside us even as we grieve, The lone and left behind whom no one claimed, Unnumbered multitudes, he lifts above The shadow of the gibbet and the grave, To triumph where all saints are known and named; The gathered glories of His wounded love.
Malcolm Guite (Ibadan, 12 november 1957) De katholieke Kerk van de Verrijzenis in Ibadan
De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.
Maartwens voor de tuin
Blijf een panter, zwartling, gevlekt en hongerig, naar paasdinsdagen, regenstrengen, rozenkranswetten; ook naar zulke, die verslappen, naar de weggegooide winsten, van kinderloterijen, de inhoud van lieve, betekenisloze epistels, blijf zo, nat en woedend; als je nu bent, klaar om, vanaf de eerste kittens tot de wetsteen en tot de lange grens allen en met alle verschillen te verslinden, blijf zo, blijf hongerig naar ons.
Vertaald door Fans Roumen
Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)
Gisteravond werd bekend dat de Nederlandse dichter en schrijver Hans Tentije afgelopen donderdag, 26 oktober, op 78-jarige leeftijd is overleden. Zie ook alle tags voor Hans Tentije op dit blog.
Hoe ’t is
Wind, steek mosgrijs over ons op, kom over wat al is aangericht en in ’t uitgelopen wit hier van ’t ogenblik aan verte tenietgaat dit uitzicht van steeds snijdender lijnen
niet door vlakbijstaan bewasemd maar langzaamaan uit ’t denken weggewist ligt daar beneden wat ’t kijken nogmaals oproept een huivering onder ’t klamme peau de suède ontvouwt zich, opties als ’t bedrog de leegte
mosgrijs: tijd als rijp op alle takken, bevroren bluswater dat zich stort over de balkons
pas gemaaid ’t gras en de klaver langs de weg naar omlaag; afdalen naar de tuin waarin ’t tafelkleed met klemmen is vastgezet en ’t ijs smelt binnen de kringen van de glazen de hond, bijna blind, aan onze voeten
wat achterblijft blijft als mot op de prei tot er niets meer van over is – en alles wordt
zoals ’t altijd was
Thaulows dood
Walm van hulpstoomvermogen, grijs zeildoek dat neerhing in de ochtendnevel boven de Zuiderzee – de dagboot naar Amsterdam
onder zeil ook z’n kist, hoog op ’t achterdek geplaatst en nog net te ontwaren: ’t nakijken had ik te laat als ik was, even na vijven aan de haven of ik daarvoor de hondewagen over de dijk had gejaagd, om dat nog te zien
ik spande uit bij Spaander, gaf de honden wat water dronk lusteloos m’n koffie-verkeerd en kreeg de verhalen maar luisterde niet, hoorde enkel de meeuwen
en de pen weer gaan over ’t papier, ’t voorlezen van de akte: ‘Heden den zesden November negentienhonderd zes, verschenen voor ons, Ambtenaar van den burgerlijken stand der gemeente Edam…’, zette m’n handtekening op de aangewezen plaats, linksonder, alsof
hij iemand was die ik gekend had en geen vreemde die ik voor ’t eerst zag toen hij inmiddels dood was hierboven, in een opgeschud hotelbed
een nieuwe werkdag begon, tenminste de gelagkamer raakte al aardig vol; men rookte en praatte, vertelde dat hij de laatste tijd tot aan ’t vallen van de avond had zitten schilderen aan de waterkant te zwak om zelfde verf uit z’n tubes te knijpen –
aanlandige wind en tussen vloeibladen bewaard waren z’n schetsen verdwenen, landschappen als opgerolde stukken linnen over een schoongeveegde zee
Trick or Treat at House of Shadows door Lizzy Rainey, 2015
Halloween
Stil als de dood van een dode die niemand kent is het overal buiten je kamer waar je danst in je eentje als tevoren. Maar ook daar hoor ik wat je niet zegt zoals ik het wil horen. Ver van het verfomfaaid Europa waarover het heiige dodelijke daalt binnenkort staan wij naar elkaar te staren bijna dood als plastic stoelen en jij noch ik die de moord op mij of jou bekent.
Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008) Brugge, de geboorteplaats van Hugo Claus
Uit: Door het zwarte sparrenwoud (Vertaald door Josephine Rijnaarts)
“Ze hebben hem op de bovenste verdieping gelegd, de kritieke patiënt. Ik ruik zijn rauwe geur, die is blijven hangen onder de zeep van de kleine wasbeurt die Eva, zijn verpleegster, hem zojuist heeft gegeven. Ik zit dicht bij zijn oor, dicht genoeg om er een paar grijze haren uit te zien groeien. ‘Hoort u me?’ Ik ben acht maanden weg, en dan kom ik thuis en krijg dit voor mijn kiezen. ‘Eva zegt dat ik tegen u moet praten. Het voelt idioot, maar ik zal het een paar minuten proberen, tot mama komt. Ze mag me niet betrappen.’ Ze zou het opvatten als een teken dat ik milder word, dat ik eindelijk het brave katholieke meisje word dat ze altijd al van me heeft willen maken. Ik sta op en kijk uit het raam, alles wit, een langgerekt uitzicht over de rivier, een meter sneeuw. De sparren als een smeedijzeren hek in zwarte rijen tegen het wit. Zo koud buiten. De hemel is blauw en hoog. Geen wolken om ook maar enige warmte vast te houden. Dokter Lam wilde met hem naar Kingston vliegen, maar was bang dat hij de reis niet zou overleven. Hij zal hier doodgaan. Ik kijk naar de sneeuwscooters die over de rivier aan komen rijden, het spoor vanuit Moosonee volgend. De uitlaatgassen blijven in witte slierten in de lucht hangen. Februari. De saaiste maand. Het apparaat dat hem helpt ademen klinkt als het zuchten van een robot. Een aan zijn arm aangesloten toestel piept ongeveer elke seconde. Ik neem aan dat die piep het personeel vertelt dat zijn hart nog klopt. Ik hoor gedempte voetstappen de kamer binnenkomen en draai me om in de verwachting mijn moeder te zien, acht maanden geleden nog zwartharig maar inmiddels grotendeels wit, zodat ik even helemaal de kluts kwijtraakte toen ik haar voor het eerst terugzag. Maar het is Eva, groot en breed in haar blauwe broek met tuniek, die goed past bij haar mollige, bruine gezicht. Ik dacht altijd dat verpleegsters een wit uniform dragen, met zo’n raar kapje op hun hoofd. In dit ziekenhuis kleden ze zich als monteurs. Eigenlijk zijn ze dat ook. Eva controleert zijn vitale functies en noteert haar bevindingen op zijn status. Ze draait hem op zijn zij en legt ter ondersteuning kussens tegen zijn rug. Ze heeft me verteld dat ze dat doen om doorligwonden te voorkomen. Hij ligt hier nu al een maand en het enige wat ze kunnen zeggen is dat hij in een stabiele, maar ernstig catatone toestand verkeert. De kans is klein dat hij ooit nog ontwaakt.”
Joseph Boyden (Willowdale, 31 oktober 1966)
De Engelse dichter John Keats werd geboren op 31 oktober 1795 in Finsbury Pavement in Londen. Zie ook alle tags voor John Keats op dit blog.
Op de dood
I Kan dood slaap zijn, als leven dromen is En het geluk vervliet als ijdle schijn? De korte vreugd laat ons geen heugenis En toch lijkt ons sterven ons de diepste pijn.
II Vreemd is het, dat de mens op aarde zwerft En leeft in weedom, maar geen uur verzaakt Zijn doornig pad; en dat zijn blik hier derft Het zicht op streken waar hij straks ontwaakt.
Vertaald door Bert Voeten
John Keats (31 oktober 1795 – 23 februari 1821) John Keats op zijn sterfbed door Joseph Severn, 1821
De Franse schrijver Édouard Louis werd geboren als Eddy Bellegueule op 30 oktober 1992 in Hallencourt, Somme, in het noorden van Frankrijk. Zie ook alle tags voor Édouard Louis op dit blog.
Uit: Veranderen: methode (Vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre)
“Het is drie over halfeen en ik begin in deze donkere, stille kamer met schrijven. Buiten, door het open raam, hoor ik stemmen in het duister en verre politiesirenes. Ik ben zesentwintig jaar en een paar maanden, de meeste mensen zouden zeggen dat mijn leven voor me ligt, dat het nog beginnen moet, en toch leef ik al een hele tijd met het idee dat ik te veel heb geleefd; ik denk dat daar de reden ligt waarom de schrijfbehoefte zo diep is, als een manier om het verleden op schrift te stellen en het daardoor vermoedelijk kwijt te raken; hoewel het verleden misschien nu zo in me verankerd ligt dat ik me gedwongen zie er constant en bij elke gelegenheid over te praten, dat het van me gewonnen heeft en dat ik door te geloven ervan af te kunnen komen, het bestaan ervan en de greep die het op mijn leven heeft, alleen maar sterker maak, misschien zit ik in de val — ik weet het niet. Ik was eenentwintig en het was al te laat, ik had al te veel geleefd — ik had in mijn kindertijd ellende, armoede gekend, het gebeurde herhaaldelijk dat mijn moeder me vroeg aan te kloppen bij de buren of bij mijn tante en te smeken om een pak pasta en een pot tomatensaus, want ze had geen geld meer en wist dat een kind makkelijker medelijden zou opwekken dan een volwassene. Ik had geweld gekend, een neef die op dertigjarige leeftijd in de gevangenis omkwam, een oudere broer die nog voor zijn twintigste alcoholist was, ’s ochtends nog voordat hij had gedronken aangeschoten wakker werd, zo diep was de alcohol in zijn lichaam doorgedrongen, mijn moeder die dat met klem ontkende uit een behoefte haar zoon te beschermen, die ons telkens als hij dronk bezwoer dat het de laatste keer was, dat hij daarna nooit meer zou drinken. De knokpartijen in het dorpscafé, het dwangmatige racisme van geïsoleerde plattelandsgemeenschappen, dat doorklonk in bijna elk woord, elke zin, We zitten hier niet meer in Frankrijk we zitten in Afrika, overal een en al buitenlanders wat je ziet, de constante angst om het niet te redden tot het eind van de maand, om geen hout te kunnen kopen voor de kachel en om de kapotte schoenen van de kinderen niet te kunnen vervangen, de uitspraken van mijn moeder, mijn kinderen ik wil niet dat die zich rot schamen op school, en mijn vader, mijn vader die ziek was van een leven van werken in de fabriek, aan de lopende band, en daarna op straat, waar hij andermans afval moest opvegen, mijn grootvader die ziek was van hetzelfde leven, omdat zijn leven bijna een exacte kopie was van het leven van zijn overgrootvader, zijn grootvader, zijn vader en zijn zoon: geldgebrek, onzekerheid, stoppen met school op veertien- of vijftienjarige leeftijd, het leven in de fabriek, ziekte. Toen ik een jaar of zeven was, keek ik naar die mannen om me heen en dacht dat ik net zo’n leven zou krijgen, dat ik op een dag net als zij naar de fabriek zou gaan en dat de fabriek ook mij op de knieën zou dwingen.”
Édouard Louis (Hallencourt, 30 oktober 1992)
De Vlaamse schrijver, , criticus, classicus en literair vertaler Paul Claes werd geboren in Leuven op 30 oktober 1943. Zie ook alle tags voor Paul Claes op dit blog.
Uit: Ezra Pound. Apologie voor ‘a poets’ poet’
“Tegenstanders verwijten Pound gebrek aan historische zin. De maker van de Cantos zou in één telescoperende beweging personen en gebeurtenissen uit de meest uiteenlopende tijdperken en beschavingen met elkaar vereenzelvigd hebben. Een voortgezette discussie zou al gauw uitmonden in een dovemansgesprek tussen hen die de geschiedenis als gelijkenis (Nil novi sub sole) en hen die ze als verschil (Panta rei) zien: het oude geschil tussen Zenoon en Herakleitos. In een echte dialectische opvatting moeten echter beide extremen aan hun trekken komen. Geschiedenis wordt dan een uitproberen van de variaties die binnen de structuur van de ‘condition humaine’ mogelijk zijn. Pound heeft meer de nadruk gelegd op de structuur dan op de verandering, maar dat hoeft geen reden te zijn om hem als een onhistorisch denker af te doen. Toch zien vele critici in het failliet van Pounds leven een bewijs voor de historische kortzichtigheid die zich ook in zijn poëzieconcept zou openbaren. De feiten zijn bekend: Pound compromitteerde zich voor en tijdens de tweede wereldoorlog zo met het Italiaanse fascisme, dat hij wegens hoogverraad voor een Amerikaanse rechtbank werd gedaagd en slechts door een ontoerekenbaarheidverklaring aan een veroordeling ontsnapte. Een verdediging lijkt moeilijk. Pound heeft ons immers zelf een uitweg afgesneden. Tegenover wie een zuiver esthetische opvatting – een scheiding tussen literatuur en leven – voorstonden, heeft hij altijd de maatschappelijke rol van de poëzie onderstreept. ‘Kunstenaars zijn de voelhorens van het volk’, schrijft hij in zijn essay The Teacher’s Mission en in een bespreking van Joyces Ulysses meent hij dat het woord van de kunstenaar van ‘openbaar nut’ is: ‘We are governed by words, the laws are graven in words, and literature is the sole means of keeping these words living and accurate’. Pounds eerste gedichten zitten nog sterk vast in de laat-Victoriaanse ‘l’art pour l’art’-sfeer (Swinburne, Rossetti, Morris, Symons): gewild zangerige en zweverig romantische verzen. In de eerste rijpe bundel Lustra klinkt een heel andere toon. Smalend luidt het over het ontgoochelde publiek: ‘Is this, they say, the nonsense that we expect of poets?’ Naast levensmoede estheten en bloedarmoedige aristocraten is er in deze verzen ook plaats voor de verworpenen dezer aarde: het meisje uit de theewinkel, de zigeuner, de vrouwen in de voorsteden, vissers. De oude jongedochter die ‘als een slap stuk zij’ in een Londens park rondhangt, botst er op een bende ‘vuile, kloeke, niet klein te krijgen kinderen van heel arm volk’. De versmade Whitman wordt weer in ere hersteld en in een gedicht waarin solidariteit met alle onaangepasten van de maatschappij wordt betuigd, staat de oproep: ‘Wees tegen alle vormen van verdrukking’ (Commission).”
Voor de duivel, Robert Browning, er kan maar één Sordello zijn. Maar Sordello, en mijn Sordello? Lo Sordels si fo di Mantovana. So-Shu karnde in de zee. Een rob ravot in schuim-gewitte cirkels tegen de klippen op, Glanzend hoofd, dochter van Lir, ogen van Picasso Onder zwarte bontkap, Oceaan’s lenige dochter; En de zee stroomt in de zandbaai: ‘Eleanor, ἑλέναυς and ἑλέπτολις!’ En de arme ouwe Homerus blind, blind als een mol, Luister, luister naar de golfslag, mompelen van oude mannen: ‘Laat haar teruggaan naar de schepen, Terug onder Griekse scharen, opdat geen onheil treft onze stad, Onheil na onheil, en een vloek vervloekend onze kinderen. Loopt, ja zij loopt als een godin En heeft een goddelijk gelaat en de stem van Schoeney’s dochters, En noodlot vergezelt haar op haar weg, Laat haar teruggaan naar de schepen, terug onder Griekse stemmen.’ Zo in de branding, Tyro, kronkelen de armen van de zeegod, Lenige spieren van water, grijpen haar, kruislings, En het blauw-grijze glas van de zee overhuift hen, Vlammend azuur van water, koude-golf, dicht dek. Kalme zon-tanige zandbank, De meeuwen breed-uit hun vleugels, pikken tussen de open veren; Snippen komen om hun bad, strekken hun vlerken, Spreiden natte vleugels in de zonschijn, En bij Scios, links van Straat Naxos, Overgroeide rots bootvormig, algen klitten op de helling, Er gloeit een onderzeese gloed wijnrood, een tinnen flits als zon verblindt.
Het schip landde in Scios, de mannen verlegen om bronwater, En bij de rots-poel een jongen zat van wijn, ‘Naar Naxos? Ja, wij brengen je naar Naxos, Kom op jô.’ ‘Niet die kant!’ ‘Welwaar, die kant ligt Naxos.’ En ik zei: ‘Dit schip gaat rechtdoorzee.’ En een ex-galeiboef uit Italië sloeg mij de touwen in, (Hij werd gezocht voor manslag in Toscane) En met z’n twintigen tegen mij, Gek om een beetje slavengeld. En zij brachten het schip uit Scios En uit zijn koers… En de jongen kwam bij, weer, in de herrie, En keek uit over de boeg, en oostwaarts, naar Straat Naxos. Gods-wonder toen, gods-wonder: schip rotsvast in zee-kolk, Wingerd langs de riemen, Koning Pentheus, druiven zónder zaad, mét zeeschuim, Wingerd langs het dolboord. Jawel, Ik, Acoetes, stond daar, en de god stond naast mij, Toen het water stolde onder de kiel, Golf-breuk van voor tot achter, zog stroomde van de steven, En waar het gangboord was, stond nu een wijnstruik, En ranken in het want, loof van druiven op de klampen, Zware trossen aan de riemen, En, ontstaan uit niets, een ademen, hete adem rond mijn enkels, Beesten als schaduwen in glas, een bonten staart uit niets. Lynx-gespin, en prikkel geur van beesten, waar eerst teerlucht hing, Gesnuffel en geschuifel van beesten, ogen schitteren uit duisternis. De lucht droog, doorschoten, zonder storm, Gesnuffel en geschuifel van beesten, bont schuurt langs mijn knie, Ritselen vluchtige schichten, droge vormen in de aether. En het schip als een kiel in het dok, geslagen als een os in smidskling, Ribben vastgeklonken in de boorden, wijntrossen aan de roerpen, lege lucht met bont bekleed. Levenloze lucht gespierd, katachtig op hun gemak de panters, Luipaarden besnuffelen de rank uit de spuigaten, Gehurkte panters bij het voorluik, En de zee diep-blauw rondom, groen-rossig in schaduwen, En Lyaeus: ‘Vanaf nu, Acoetes, mijn altaren, Vrees geen slavernij, vrees niet de katten van het woud, Veilig voor mijn lynxen, voer druiven aan mijn panters,
Olibanum is mijn wierook, de wijnrank groeit om mij te eren.’ Het kielzog verstild nu om de roerketting, Zwarte snoet van een bruinvis waar Lycabs stond, Visschubben op de roeiers. En ik dien. Ik zag wat ik zag. Toen zij de jongen brachten zei ik: ‘Er schuilt een god in hem, al weet ik niet welke god.’ En zij sloegen mij de touwen in. Ik zag wat ik zag: Medon’s gezicht als de bek van een zonvis, Armen schrompelend tot vinnen. En gij, Pentheus, Deed beter naar Tiresias te luisteren, en naar Cadmus, of het zal u slecht vergaan. Visschubben rond de dijen, lynx-gespin midden op zee… En in een later jaar, bleek in de wijn-rode algen, Als je leunt over de rots, het koralen gezicht onder golven-spel, Bleek-rose onder water-wisseling, Ileuthyeria, schone Dafne van de kusten. Zij zwom en zag haar armen in takken verkeren, Wie zegt in welk jaar, op de vlucht voor welke school van tritons, Het kalme water fronste, gezien, en half gezien, nu stilte van ivoor. So-shu karnde in de zee, ook So-shu, gebruikte de lange maan als karn-stok… Lenige wending van water, spieren van Poseidon, Zwart azuur en hyaliet, glazen golf boven Tyro, Dicht dek, tuimeling, wervelen de strengen van de zee, Dan kalm water, kalm in het oker zand, Zeevogels spreiden vleugels, plassen in rots-holen en zand-holen In uitlopers bij het laag-duin; Glas-glinster van zee in tijsporen bij zonlicht, bleek als Hesperus, Grijze kam van golven, golven, kleur van druivenmoes, Olijf-grijs dichtbij, veraf, rook-grijs van de rots-val, Zalm-rode vleugels van de visarend werpen grijze schaduwen in water, De toren, grote gans één-ogig, richt zich op uit het olijvenbos.
En wij hoorden hoe de faunen Proteus gispten bij de geur van hooi onder de olijven. En hoe de kikkers zongen naar de faunen in de schemering. En…
Zij wil haar ochtenden met duizendschoon ontwaken bij lichte muziek en de klap van een gong haar meubels met een mozaïek van vogels en lopen op een bloesembed van witte kers
hij wil zitten met zijn rug tegen een koele muur en registreren hoe zij kijkt en hoe zij loopt hij wil knoppen aan de bloemen langs het pad
zij wil bloeiende pioenen en dansen met haar haren los
hij verlangt naar schaduwen en schemering kamille en papavers
zij verlangt naar rode peren, aardbeien een avond met kaarsen en donkere rosé en rozen uit de tuin der onwaarschijnlijkheid
De tuin van het verstand
Zij loopt dwars door alle cirkels doorbreekt de isobaren en maakt waarheden ongeldig
hij trekt zich snel terug in het kasteel en kijkt uit op de tuin van het verstand rent tussen torens heen en weer de hitte in zijn handen
het beeld van blauwe lucht werkt op hem in de wind van wilde bloemen geeft hem rust
De tuin van overvloed
Denk niet aan mij tussen de perenbomen of liggend op de paden, scherpe kiezels in mijn rug in de tuin van overvloed
denk niet aan mij als je door een doolhof rent denk niet aan de oranje abrikozen, rode bessen
denk niet aan mijn hand die langs je schouders glijdt niet aan mijn enkels en de bloemen in mijn haar aan mijn liefde als je over muren loopt
mis mij niet als je ver weg bent en met je bovenlijf ontbloot op ladders en in bomen klimt
Hete augustus, de as als gloeiende regen – Zo harmonieus leest de klassieke catastrofe Maar in werkelijkheid rijpten de granaatappels al Gistte de wijn in de vaten, droegen mensen Mutsen van bont, meestal waaide er een noordoostenwind (die transporteerde dan ook de dodelijke fallout) November dus! Ook een vooruitgang in de wetenschap: deadline van drie maanden voor de inwoners van Pompeï (ook al is het post festum, maar nog steeds beter dan niets) De onwetenden, zouden zij dankbaar zijn geweest? Net zo min als wij. Hoe vergevingsgezind zijn de achterwaarts- gerichte profeten. Graag wriemelen we verder