Luuk Gruwez, Philip Larkin

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook alle tags voor Luuk Gruwez op dit blog.

 

András de verzamelaar

András spaart van alles, zelfs zijn haar.
Om er de kussens mee te vullen voor zijn kop.
Zozeer wil hij soms slapen op zichzelf, zegt hij,
als op een schat die niemand hem ontstelen mag.

Van top tot teen is hij verslaafd aan kwijt
en niets is hem zo lief als wat hij ooit verloor.
Hij heeft zijn dierbaren alleen vermoord
om naderhand zichzelf te kunnen condoleren,

want verreweg het dierbaarst blijft hem András,
altijd András. Zo afgeladen vol zit hij met András
dat in zijn kop geen plaats meer voor een ander
en dat hij solo alle anderen is. Volkomen András.

 

Ballade van de bom

Ik ben de bom die weldra op het huis van
Jonas valt, op het verliefde hoofd van Evelien
of op de mooie Ellen met haar eerste baby.
Neem kennis van mijn meesterlijke zoeven

dwars door een lucht vol krassende kraaien.
Ik streef het sterven na, bezegel elk vergeten,
laat van de straat niet één muur langer heel
voordat ik roerloos lig, waarna eerst groot gekrijs,

daarna de stoffigste van alle stiltes, en ik
de bom ben die gevallen is. Vanuit den hoge
heb ik ze gezien: de kathedralen en kazernes,
de lunaparken, dierentuinen, hospitalen.

Want ik kan denken doordat een alomtegenwoordige
almachtige mij het vermogen heeft geschonken
dit te doen terwijl ik val. En dus denk ik: waarom?
En dan vooral: waarom nu ik, zomaar een bom?

Terwijl toch ook tornado of orkaan dit kan,
vulkaan of aardbeving of doodgewonere natuur:
zo’n herfst of nog het meest die lieve, lieve lente
in haar miskende maar wreedaardige momenten.

 

Equus caballus II

II

HIPPOSOMNIE

Het is mijn ultieme verlangen staande te slapen,
dampend als een paard in de wei, de laatste nevel
rondom kont en schoft en manen, terwijl er ginder
bij het eerste huis al werkvolk is voorbijgereden,

al kinderen – een droom nog in het oog – naar school
toe joelen en postbodes hun brieven bestellen.
Dan, als een paard in de ochtend, zal ik staan wenen
in de wei, gesteld dat paarden konden wenen. Maar paarden

wenen niet. Zij weten. Zij snuiven staande hun ik bijeen,
zij hinniken, verjagen hun tranen naar het vervagende veld
waarop zij ooit hun oorsprong hebben gevonden.
En zij luiken de ogen.

 

Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog

 

Bescheiden

Woorden prozaïsch als kippevleugels
vertellen geen leugens,
maken de zaken niet mooier –
zijn te verlegen.

Gedachten die rondscharrelen als munten
onder wisselende heren
raken tot op de rand versleten
maar blijven rouleren.

Onkruid mag niet tot wasdom komen
maar vormt toch soms
een bloem; alleen, het wordt
door niemand waargenomen.

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)
Standbeeld in Hull, East Riding of Yorkshire

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e augustus ook mijn blog van 9 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 9 augustus 2019 en ook mijn blog van 9 augustus 2017 en ook mijn blog van 9 augustus 2015 deel 2.

Jostein Gaarder, Philip Larkin

De Noorse schrijver Jostein Gaarder werd geboren op 8 augustus 1952 in Oslo. Zie ook alle tags voor Jostein Gaarder op dit blog.

Uit: Wij zijn de wereld (Vertaald door Lucy Pijttersen)

“Lieve Leo, Aurora, Noah, Alba, Julia en Máni,
Ik ben achter de computer gaan zitten omdat ik jullie een brief wil schrijven. Wel ben ik een beetje zenuwachtig, want het voelt wat raar om op deze manier contact met jullie te leggen. Het idee erachter is dat deze brief ook kan dienen als een klein boekje dat andere mensen kunnen lezen. Zo’n tekst die iedereen kan lezen, ook al is die in de eerste plaats geschreven voor één iemand, of voor hooguit enkele personen in het bijzonder, wordt ook wel een ‘open brief genoemd. Jullie kunnen deze brief dus pas lezen als het boek is gedrukt. Maar zo erg is dat niet, want ik zal pas wat over het boek vertellen als het gedrukt is, dus zodra de uitgever het gepubliceerd heeft. Ik kijk ernaar uit om jullie allemaal een exemplaar te geven. Daar heb ik al over nagedacht, en ik stel me voor dat het een plechtig moment zal zijn, zowel voor jullie als voor mij. We moeten maar even zien of jullie de brief van je opa een voor een krijgen, of dat we er een groot feest van maken bij iemand van ons thuis.
Zo’n brief in boekvorm heb ik eerder geschreven. Verschillende boeken van mij hebben diezelfde vorm, maar die waren gericht aan personen die ik heb verzonnen. De enige uitzondering was het boek Vita Brevis. Dat heb ik, met veel plezier, geschreven in de vorm van een brief aan Augustinus, een beroemde bisschop en kerkvader die zestienhonderd jaar geleden in Noord-Afrika heeft geleefd. De afzender was een vrouw die echt heeft bestaan, ik wilde haar een stem geven. Zij komt voor in de Belijdenissen, het boek dat de bisschop heeft geschreven, maar we weten maar weinig over haar, behalve dan dat de kerkvader haar op een dag de deur heeft gewezen na jarenlang met haar te hebben samengeleefd. Zelfs haar naam kennen we niet, maar in mijn boek heb ik haar Floria Aemilia genoemd. Natuurlijk heeft de bisschop die brief van Floria nooit gelezen, maar ik wilde dat zo veel mogelijk van zijn huidige volgelingen een kans zouden krijgen dat te doen. In dat boek heb ik zelfs met de veronderstelling gespeeld dat hij inderdaad een brief had ontvangen van de ongelukkige vrouw aan wie hij ooit zijn hart had verpand. De kerkvader had een keuze gemaakt. In plaats van de liefde voor een vrouw in zijn aardse leven had hij de voorkeur gegeven aan een eeuwig leven in het hiernamaals. Kennelijk vond hij dat het een niet te verenigen was met het ander. Wat ons hieraan misschien nog wel het meest verbaast, is de vraag hoe hij ertoe kwam om zo veel in het leven in déze wereld op te offeren voor een aantal veronderstellingen over een andere wereld. Ook zestienhonderd jaar later is dat nog altijd een actueel probleem. In dit boek wil ik het onder andere over dat soort filosofische levensvraagstukken hebben.
Een open brief schrijven aan echte mensen die nu leven, is voor mij iets heel nieuws. Jullie hebben allemaal een andere leeftijd; op het moment van schrijven is de jongste nog maar een paar weken oud en de oudste bijna achttien jaar. Bovendien z
ijn jullie met drie meisjes en drie jongens.”

 

Jostein Gaarder (Oslo, 8 augustus 1952)

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog.

 

Doorgaan met leven

Doorgaan met leven – dat is: herhaling van de gewoonte
waarmee je je zaakjes bedisselt –
is bijna altijd verliezen of tekortkomen.
Het wisselt.

Dit verlies aan belangstelling, haren, initiatief –
ja, als het pokeren was kon je vragen om
andere kaarten en een full house krijgen!
Maar het is schaken.

Je beheert iets duidelijks, een soort ladingsbrief,
als je al je gedachten bent langsgegaan.
Iets anders, wat dan ook, behoort voor jou
niet te bestaan.

En wat brengt het op? Dat wij op den duur
min of meer het stempel herkennen dat onze
gedragingen kenmerkt, ze thuis kunnen brengen.
Maar zeggen,

op die groene avond dat ons doodgaan begint,
wat het allemaal inhield, brengt ons niet verder.
Het sloeg alleen maar één keer op één mens,
en die ligt op sterven.

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)
Portret door Nick Cudworth, 2021

 

Zie voor meer schrijvers van de 8e augustus ook mijn blog van 8 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 8 augustus 2019 en ook mijn blog van 8 augustus 2017 en ook mijn blog van 8 augustus 2015 deel 2.

Robert Seethaler, Philip Larkin

De Oostenrijkse schrijver en acteur Robert Seethaler werd geboren op 7 augustus 1966 in Wenen. Zie ook alle tags voor Robert Seethaler op dit blog.

Uit: Das Café ohne Namen

„Roben Simon verließ die Wohnung, in der er mit der Kriegerwitwe Martha Pohl lebte, um halb fünf an einem Montagmorgen. Es war im Spätsommer des Jahres 1966, Simon war einunddreißig Jahre alt. Er hatte allein gefrühstückt — zwei Eier, Brot mit Butter und schwarzen Kaffee. Die Witwe hatte noch geschlafen. Aus der Kammer hatte er ihr leises Schnarchen gehört. Er mochte das Geräusch, es rührte ihn auf merkwürdige Weise an, und manchmal warf er einen Blick durch den Türspalt, wo er in der Dunkelheit die weit geöffneten Nasenlöcher der alten Frau ahnte. Auf der Straße schlug ihm der Wind entgegen. Wenn der Wind von Süden kam, brachte er den Marktgestank, den Geruch von Abfall und faulem Obst mit sich, aber heute kam er aus westlicher Richtung und die Luft war frisch und kühl. Simon lief an dem grauen Wohnblock der Straßenbahnpensionäre vorbei, an der Blechwerkstatt Schneeweis & Söhne und an einer Reihe kleiner Läden, die allesamt noch geschlossen waren. Er ging über die Malzgasse zur Leopoldsgasse und gelangte, indem er die Schiffamtsgasse überquerte, zur kleinen Haidgasse. An der Ecke blieb er stehen, um einen Blick in den Gastraum des ehemaligen Marktcafés zu werfen. Er legte die Stirn an die Scheibe und spähte mit zusammengekniffenen Augen ins Innere. Vor dem großen schwarzen Tresen standen Tische und Stühle übereinandergestapelt. Die Tapete war aus-gebleicht und wölbte sich an einigen Stellen. Es sah aus, als hätten die Wände Gesichter. Die Mauern brauchen Luft, dachte Simon. Die Fenster müssten ein paar Tage offen bleiben, erst danach würde er streichen. Der Moder und die Feuchtigkeit. Die alten Schatten und der Staub. Er drückte sich von der Scheibe ab, drehte sich um und über-querte die Straße zum Markt, wo Johannes Berg gerade mit lautem Knattern die Rollläden seiner Fleischerei auf-fahren ließ. »Guten Morgen«, sagte der Fleischermeister. »Du kannst mir ein paar Blöcke Eis hacken, wenn du willst.« »Ich hab genug mit dem Gemüse zu tun«, sagte Simon. »Neunzehn Kisten Steckrüben.« Der Fleischer zuckte mit den Schultern und machte sich daran, mit einer Kurbelstange die Markise auszufahren. Er schwitzte, und sein Nacken glänzte in der Morgensonne. »Wenn du willst, schmiere ich dir später die Scharniere«, sagte Simon.
»Das kann ich auch allein.« »Letzten Winter hast du sie mit ranzigem Schmalz ein-geschmiert. Im Frühling ist der Gestank bis hinüber in den Prater gezogen.« »Das war kein Schmalz, sondern Schlachtfett.« »Sag einfach, wenn ich dir helfen soll«, sagte Simon. »Ich kann es nachher machen. Dauert nicht lange.« »Ist gut«, sagte der Fleischer. Er hakte die Stange aus, stellte sie neben die Eingangstür und wischte mit den Händen über seine von Blutflecken bedeckte Schürze. Sein Gesicht wirkte weich im gedämpften Licht unter dem rot-weiß gestreiften Stoffdach. »Heute wird ein schöner Tag«, sagte er. »Viel Sonne, aber nicht zu heiß.« »Bestimmt«, sagte Simon. »Wir sehen uns später.« Er war ein hagerer Mann mit sehnigen Armen und langen, dünnen Beinen. Sein Gesicht war braungebrannt von der Arbeit im Freien, sein Haar hing ihm aschblond und wirr in die Stirn. Seine Hände waren groß und übersät mit Narben, wie sie beim Hantieren mit den spröden Holz-kisten entstehen. Seine Augen waren blau. Sie waren das einzig wirklich Schöne an ihm. Er ging langsamer als gewöhnlich, und viele Händler hoben die Hand oder riefen ihm ein paar freundliche Worte zu.“

 

Robert Seethaler (Wenen, 7 augustus 1966)

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog.

 

KOMEND

Als avonden lengen,
Baadt ’t licht, nog gélig
En kil, het serene
Voorhoofd van huizen.
Een lijster zingt,
Omringd door laurieren
In tuinen diep en kaal, en
Zijn vers-gepèlde stem
Verbijstert de baksteen.

Snel zal ’t lente zijn,
Snel zal ’t lente zijn—
En ik, na een jeugd
Van vergeten verveling,
Voel me een kind
Dat een toneel opkomt
Van volwassen verzoening,
En niets anders kan vatten
Dan ’t ongewoon lachen,
En dat proeft aan blijdschap.

 

Vertaald door Cornelis W. Schoneveld

 

Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e augustus ook mijn blog van 7 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 7 augustus 2017 en ook mijn blog van 7 augustus 2011 deel 1 en ook deel 2.

Kjell Westö, Philip Larkin

De Finse schrijver Kjell Westö werd geboren op 6 augustus 1961 in Helsinki. Zie ook alle tags voor Kjell Westö op dit blog.

Uit: De zwavelgele hemel (Vertaald door Clementine Luijten)

“En het spijt me dat ik niet meteen heb gezien wat voor vlees ik in de kuip had. Als ik dat wel had gezien had ik je geen valse beloftes gedaan. De dubbele boodschap bracht me in verwarring en het kostte me nogmaals moeite om een geschikt antwoord te vinden. Poa was me voor en veranderde van onderwerp: Ik neem aan dat je nog contact met Stella onderhoudt? Vooral nu er in Berlijn eindelijk sprake is van feest en vrijheid. Nee, helaas, zei ik. Ik heb Stella al jaren niet meer gezien. We schrijven elkaar zelfs niet. Maar Alex zie ik best vaak. Ja, je zit immers in een van zijn besturen, zei Poa. Het gaat goed met de zaken van die jongen. Ik hoop alleen dat hij de risico’s goed heeft ingecalculeerd. Poa’s stem had een moment eerder nog dun en broos geklonken maar werd krachtiger toen hij het over Alex had. Hij vervolgde: Ze zijn allebei begaafd. Maar in mijn situatie moet ik de toekomst veiligstellen. Het is een grote verantwoording het Rabellse erfgoed te beheren. Dat begrijp zelfs jij, neem ik aan? Ik begreep niet waar hij het over had en voelde mijn ergernis groeien. Poa had mij gebeld en niet andersom, en toch bleef hij zich onbeschoft gedragen. Plotseling besefte ik waarom ik verrast was en bijna bang werd toen hij belde. Poa was zo lang onzichtbaar geweest, zo afwezig vanwege zijn ziekte en ziekenhuisopnames, dat ik hem onbewust al als dood had beschouwd. Ik dacht aan mijn grootouders van vaderskant die binnen twee jaar waren overleden, ik dacht aan hun sombere begrafenissen met alle zware en naar stof geurende psalmen, ik dacht aan mijn andere oma, die de diagnose dementie had gekregen en nu in een verzorgingstehuis in 45sterbotten zat, ik dacht aan alle tafelgebeden en kerkdiensten en vermaningen – as je maar niet denkt da je wat bint, jong – waar ik als kind al van had willen wegvluchten. En terwijl ik aan dat alles dacht, besefte ik dat ik dondersgoed wist wat een erfenis was, en welk gewicht het had. Alleen bevatte mijn erfenis geen goud en goederen zoals die van Poa. Ik opende net mijn mond om te zeggen dat ieder mens een vrije wil heeft en dat niemand een ander kan dwingen een erfenis te beheren, dat je zoiets prima kunt te weigeren, zoals Jakob had gedaan, zoals Stella deed, en ikzelf. Maar het lukte me niet de woorden uit te spreken voordat Poa verderging: Niet iedereen zal even blij zijn met hoe ik het heb geregeld. Voor als ik er niet meer ben, bedoel ik. Die beste Clara is nu al woedend op me. Maar ik zou graag zien dat Stella wat vaker kwam om met me te praten. Kun je dat aan haar overbrengen? Mijn ergernis bleef groeien. Ik had gezegd dat ik geen contact met Stella had, toch probeerde Poa mij als boodschapper in te schakelen. Verkeerde hij soms onder invloed van pijnstillers en andere medicijnen? Was hij net als mijn oma dement en ontoerekeningsvatbaar geworden? Brak hij daarom met de Rabellse tradities van discretie door zo vertrouwelijk met een zestig jaar jongere kennis van de familie te praten aan wie hij ook nog eens een bloedhekel had? Het is beter als je je boodschap via Alex laat overbrengen, zei ik. Zoals ik al zei hebben Stella en ik geen contact. Jaja, zei Poa en hij klonk weer gelaten. Alex heeft ook nooit tijd om bij me langs te komen.”

 

Kjell Westö (Helsinki, 6 augustus 1961)

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog.

 

IN DE WEI

Nauwelijks zichtbaar is het span
Waar ’t in de koele schaduw staat,
Tot wind hun staart en manen spreidt;
De ene graast, en stapt wat dan,
—’t Lijkt of de ander ‘m gadeslaat—
En staat weer stil in naamloosheid.

Toch maakt, terug vijftien jaar, een reeks
Van races, hoogstens twee dozijn,
Nog zwak van eeuwige roem gewag,
Hun naam, in handicaps en stakes,
Gegrift in bekers, fraai en fijn
Maar nu vervaagd, na n’ hoogtij junidag—

’t Gewambuisd starten; in de lucht
Getallen; parasols in ’t veld,
Veel auto’s leeg in hete staat,
Het gras bezaaid: dan luid gerucht
Dat klinkt tot het zich tanend meldt
In ’n laatste-nieuws rubriek op straat.

Plaagt terugzien, als een vlieg, hun oor?
Zij schudden ’t hoofd. De schaduw lengt.
Zomer na zomer sloop reeds heen:
Publiek, het starthek, ’t kretenkoor—
Alleen nog ’t gras dat ze niet krenkt.
Hun naam staat nog geboekt, alleen

Hun nu ontgaan; plaats rust in ’t veld
Of draf geeft hen nog wel plezier;
Geen kijker ziet ze huiswaarts gaan,
Noch stopwatch die benieuwd voorspelt:
Slechts ’n rijknecht, met zijn hulp, gespt hier
Bij avond nog de leidsels aan.

 

Vertaald door Cornelis W. Schoneveld

 

Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985

 

Zie voor de schrijvers van de 6e augustus ook mijn blog van 6 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 6 augustus 2019 en ook mijn blog van 6 augustus 2017 en mijn blog van 6 augustus 2016 en ook mijn blog van 6 augustus 2015 en ook mijn blog van 6 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Martin Piekar, Conrad Aiken

De Duits-Poolse dichter Martin Piekar werd geboren op 5 augustus 1990 in Bad Soden am Taunus. Zie ook alle tags voor Martin Piekar op dit blog.

 

Löwe Mojito

Ich grins Limettenzähne
Auf deinen Augenauftakt. vergiss nicht,
Wie Barhocker sich anstellen.
Im Dunkel
Der Minze leg ich mich
Dir auf die Lippen. wie Strohhalme
Greifen unsere Zungen und
Wir treiben Rum
Durch die Sprachplätze. zwischen deinem
Mund, meinem Ohr, deinem Ohr
Meinem Mund.
Eine Geisterfahrt gegen die Musik. hörst du
Viel zu viele Zucker röhren
Zwischen unseren Zähnen. Süße.
Schwapp hin und her. doch ich
Werde fort sein
Bevor das Eis schmilzt.
Rette unser Eis.

Zutaten: Final Destination Club, Frankfurt am Main, stürmischer Weg zur Tanzfläche 

 

Kochanie on the Rocks

Rühre mich anstatt
Mich zu erschüttern: ich bin
Kein Glasabenteuer: vermeng
             Mich nicht
                         Mit Vorsicht
Schütze ich vor Vernüchterung:
Möchte Sonne endlich
Mit deinen Haaren
              Verhängen
                           Ins Kaltdunkel
Wo Schummerungen sich liebkosen
In Multiperspektivität oder:
Wie wir in der Trommel
            Eines Revolvers
                          Stecken zielsicher auf
Balz gehalten: gib Acht
Und nicht weniger in deinen Drink
Verzehrst du mich nach dir?
             Ich will keinen Longdrink mimen
                          Müssen: wer ist schon
In Bereitschaft dafür
Denn Zeit ist alles was wir haben
Das uns nichts bedeutet
             Ich empfehle mich:
                         Schlürf mich kochanie
                                      On the Rocks

Zutaten: Bei mir

 

Martin Piekar (Bad Soden am Taunus, 5 augustus 1990)

 

De Amerikaanse schrijver en dichter Conrad Potter Aiken werd geboren in Savannah, Georgia op 5 augustus 1889. Zie ook mijn blog van 5 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Conrad Aitken op dit blog.

 

Toevallige ontmoetingen

In de doolhoven van rondhangende mensen, de waakzame en heimelijke,
De schaduwen van boomstammen en schaduwen van bladeren,
In het soezen van het zonlicht, tussen de lage stemmen,
Sta ik opeens voor je,

Je donkere ogen keren terug voor een moment van haar die bij je is,
Ze schijnen in de mijne met een zonovergoten verlangen,
Ze zeggen: ‘Ik hou van je, op welke ster leef je?’
Ze glimlachen en worden dan donkerder,

En zwijgend antwoord ik: ‘Jij ook – ik heb je gekend, – ik hou van je! -‘
En de schaduwen van boomstammen en schaduwen van bladeren
Zijn verweven met lage stemmen en voetstappen en zonlicht
Om ons voor altijd te scheiden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Conrad Aiken (5 augustus 1889 – 17 augustus 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e augustus ook mijn blog van 5 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 5 augustus 2018 en ook mijn blog van augustus 2017 en ook mijn 2 blogs van 5 augustus 2011.

Rutger Kopland, Martin Piekar

De Nederlandse dichter en schrijver Rutger Kopland (eig. Rutger Hendrik van den Hoofdakker) werd geboren in Goor op 4 augustus 1934. Zie ook mijn blog van 4 augustus 2010 en ook alle tags voor Rutger Kopland op dit blog.

 

Tuin I

Ik zit voor het raam en zie
hoe de tuin niet is veranderd
voor haar ben ik niet weggeweest

de tuin kijkt mij recht in mijn gezicht
het is vreemd te bedenken dat zij mij
niet kent, zich mij niet herinnert

na al die tijd dat ik hier niet was
ik de tuin was vergeten, zij voor mij
niet bestond, is zij nog helemaal als toen

hoezeer ik ook van haar houd, voor mij
is zij niet gebleven, niet omdat ze op mij
wachtte is zij er, zij is er zoals ook ik er is

 

Vertrek van dochters

Ze moesten inderdaad gaan, ik had het gezien
aan hun gezichten die langzaam veranderden
van die van kinderen in die van vrienden,
van die van vroeger in die van nu.

En gevoeld en geroken als ze me kusten,
een huid en een haar die niet meer voor mij
waren bedoeld, niet zoals vroeger,
toen we de tijd nog hadden.

Er was in ons huis een wereld van verlangen,
geluk, pijn en verdriet gegroeid, in hun
kamers waarin ze verzamelden wat ze mee
zouden nemen, hun herinneringen.

Nu ze weg zijn kijk ik uit hun ramen en zie
precies dat zelfde uitzicht, precies die
zelfde wereld van twintig jaar her,
toen ik hier kwam wonen.

 

De stem van een cello

Waaraan het geluid van een cello doet denken

de cellist Widlund vertelde me dat
er in dit instrument iets huist – een stem
een al heel oude stem waarnaar je zoekt
als je speelt en die je herkent
als je haar vindt

misschien is het dat waarom ik moet denken
aan de oudste geluiden die ik ken, zoals
neuriën, zingen, kreunen, huilen

en ook aan de kleuren van een woud in de herfst
alsof je het heimwee hoort van de cello
naar zijn plek van herkomst

 

Rutger Kopland (4 augustus 1934 – 11 juli 2012)
Portret door Paul van Geert, 2003

 

De Duits-Poolse dichter Martin Piekar werd geboren op 5 augustus 1990 in Bad Soden am Taunus. Zie ook alle tags voor Martin Piekar op dit blog.

 

Marché des Fétiches, Togo

De krokodillenfirewall tegen inbrekers
en verpletter de vleermuis op de
geloofsrasp. Geloof! Offer

varkens, priesters, als men
niet aan sciencefiction hecht,
die het niet kan houden, nooit
wilde houden; slechts evident
functioneren. (net als voor mij)

In het skelet
steekt nog zoveel kracht.

De telemetrie van een paddenbek
is een kussen op de stoel

van de reis in spooktreinen.
Tussen remedie en epidemie

spiritistische links gespannen
in een delirium. Voodoo-

vereiste: schedels, staarten
van dieren, huiden,
falli, skelet en geloof.

Verkoopstands: zoals chatvensters
worden schedels behandeld, verwisseld
en begrijnsd. Bijna zoals zombies
geloven ze dat in de dood
een goed leven steekt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Martin Piekar (Bad Soden am Taunus, 5 augustus 1990)

 

Zie voor de schrijvers van de 4e augustus ook mijn blog van 4 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 4 augustus 2019 en ook mijn blog van 4 augustus 2017 en ook mijn blog van 4 augustus 2013 en mijn blog van 4 augustus 2011 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3 en mijn blog over Robert Beck.

Radek Knapp, Mirko Wenig

De Pools-Oostenrijkse schrijver Radek Knapp werd geboren op 3 augustus 1964 in Warschau. Zie ook alle tags voor Radek Knapp op dit blog.

Uit: Von Zeitlupensymphonien und Marzipantragödien

„An alle Österreicher: Kochen Sie sich aus Ihrer eigenen Globalisierung heraus
Österreich ist ein außergewöhnliches Land. Hier erfand man nicht nur die Psychoanalyse, um sich vom jahrhundertelangen Walzertanzen zu erholen. Hier macht man sogar mit Schnee mehr Geld als anderswo mit Erdöl. Und niemand wird auch leugnen, dass Mozart der weltgrößte Komponist ist. Nicht einmal Amerika, wo viele nach wie vor glauben, der begabte Musiker hätte unlängst eine olympische Medaille im Riesenslalom geholt.
Trotzdem hat es Österreich nicht immer leicht. Nicht genug, dass es kürzlich von einem Virus biblischen Ausmaßes getroffen wurde, nicht genug, dass es unter einer undurchsichtigen Organisation namens EU stöhnt, es wird auch noch regelmäßig von Individuen heimgesucht, die alles bloß keine österreichische Staatsbürgerschaft haben.
Einst waren es türkische Machos unter ihrem Anführer Kara Mustafa. Dann folgten slawische Vierkantschlüsselakrobaten, und neuerdings sind es Flüchtlinge, die durch ihre »Andersartigkeit« die heimische Identität noch gründlicher untergraben wollen, als es das iPhone ohnehin schon tut.
Wen wundert’s also, dass die Österreicher inzwischen scharenweise Seminare aufsuchen namens »Kochen Sie sich aus Ihrer eigenen Globalisierung heraus« oder langsam zu Vegetariern und Radfahrern mutieren. Spätestens da kommt die Frage auf, ob man das nicht ändern könnte, ja ob die Mitverursacher dieser unliebsamen Verwirrung den Österreichern hierbei nicht zur Hand gehen könnten.
Als eines dieser zweifelhaften Individuen möchte ich dieses Kunststück versuchen. Sowohl in meinem Namen wie auch dem anderer Fremdlinge, die dazu keine Gelegenheit bekamen. Und auch wenn es wahrscheinlich nicht ganz zu schaffen ist, so wäre schon viel gewonnen, dem einen oder anderen Österreicher sein eigenes Heim wieder so schmackhaft zu machen, wie es uns, den Fremden, erscheint.
Während die Skeptiker angesichts dieses mutigen Plans wahrscheinlich schon die Stirn runzeln und die Rechtsverliebten den Kopf schütteln, holt dieses Büchlein tief Atem und schreitet energisch zur Tat.”

 

Radek Knapp (Warschau, 3 augustus 1964)

 

De Duitse dichter Mirko Wenig werd geboren op 3 augustus 1977 in Gera. Zie ook alle tags voor Mirko Wenig op dit blog.

 

Wrak

Eigenlijk was het altijd hetzelfde bos. Dezelfde
plek, struiken achter de datsja, een opgedroogde
sloot. Daar stond onze Wartburg: schip, UFO en tank.

Er was geen contactsleutel. Een kort stotteren, gebrom
in de mondholte, dan ging het op weg, moesten de riemen
worden vastgemaakt. Rijd niet zo snel, zo meteen stijg je nog op!

Het stonk naar olie, benzine en hars. Zitkussen
opengescheurd, We omklemden het stuur.
En de zalm in het water, de dodelijke stroomversnellingen,

de wilde beren: ook de hond moest mee, wij
reden het mijnenveld in. Zet alle helmen op!
Chocolade hielp tegen raketvuur.

Toen schoot de vijand onze achterkant weg. Wielen
hadden we al lang niet meer, de deuren
braken uit het frame. Iemand bracht

een tweede stuurwiel mee. Zo konden we ons
opsplitsen, de vijand insluiten. Omsingelen
tot we de nieuwe richting insloegen:

sommige vielen eruit, andere
gingen te voet verder. Eigenlijk
was het altijd hetzelfde bos.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mirko Wenig (Gera, 3 augustus 1977)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e augustus ook mijn blog van 3 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 3 augustus 2016 en mijn blog van 3 augustus 2015 en eveneens van 3 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Jussi Adler-Olsen, Conrad Aiken

De Deense schrijver Carl Henry Valdemar Jussi Adler-Olsen werd geboren op 2 augustus 1950 in Kopenhagen. Zie ook alle tags voor Jussi Adler-Olsen op dit blog.

Uit: Natriumchloride (Vertaald door Kor de Vries)

“Na de noodoproep verstreken er slechts vijf minuten voor de ambulance het grasveld opdraaide in dc richting van dc chaos die op je netvlies werd gebrand. Rond het dampende gat lagen zes levenloze lichamen en een scherpe stank van verbrand vlees vermengde zich met de ozongeur die na de blikseminslagen nog steeds in de lucht hing. “Allemaal achteruitgaan!”riep een van de ambulancebroeders naar het groepje studenten dat was toegesneld uit de universiteit aan de andere kant van de weg en bij de aanblik als aan de grond genageld stond. Zijn collega trok hem aan zijn mouw. “We kunnen hier niets doen, Martin, maar kijk daar eens!” Hij wees naar een oudere man wiens knieën langzaam in het doorweekte gras wegzakten. “Waarom stonden ze zo dicht bij elkaar en waarom is de bliksem niet in de bomen ingeslagen?” jammerde de man toen ze dichterbij kwamen. Hoewel de regen met bakken uit de hemel kwam en de jas van de man als een natte doek aan hem vastplakte, sloeg hij geen acht op iets anders dan op wat er zojuist was gebeurd. Martin draaide zich om naar de universiteitsgebouwen, waar meerdere sirenes en blauwe zwaailichten aankondigden dat er verscheidene ambulances en politievoertuigen onderweg waren.
“We geven hem iets kalmerends voor het nog tot een hersenbloeding komt”, zei hij tegen zijn collega. Martin knikte at kneep zijn ogen samen. Door de stortregen heen werd hij twee vrouwen gewaar die op hun hurken bij een aangroeiende waterplas aan de windsingel raten. “Kom snel!” riepen ze en Martin greep zijn tas en begon te rennen. “Volgens mij ademt ze”, steunde de ene vrouw, terwijl ze haar hand om de nek van het zevende slachtoffer hield. Afgezien van de zat zwartgeblakerde kleding van de bewusteloze vrouw leek ze niet direct zo heftig verbrand als de andere slachtoffers. “Ik denk dat ze hier door de blikseminslag naartoe is geslingerd
, zei de vrouw met trillende stem. “Kun je haar redden? Terwijl Martin het tengere lichaam wegtrok bij de waterplas die steeds dieper werd, nam het geschreeuw achter hem toe. Nu hadden zijn toegesnelde collega’s geconstateerd dat ze niets konden uitrichten. De bliksem had alle zes motsen gedood die in de regen dicht op elkaar hadden gestaan. Martin legde de vrouw in de stabiele zijligging en voelde haar pols, die langzaam en zwak was, maar stabiel leek te zijn. Op het moment dat hij opstond en naar zijn collega’s wenkte dat ze met een brancard moesten komen sidderde haar lichaam. Een paar korte, diepe inademingen deden haar borstkas spannen en in een plotselinge beweging kwam ze omhoog op haar ellebogen en keek ze om zich heen. “Waar ben ik?” vroeg ze met rood dooraderde ogen.”

 

Jussi Adler-Olsen (Kopenhagen, 2 augustus 1950)

 

De Amerikaanse schrijver en dichter Conrad Potter Aiken werd geboren in Savannah, Georgia op 5 augustus 1889. Zie ook mijn blog van 5 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Conrad Aitken op dit blog.

 

De beeldhouwer

Als uit graniet de kunstenaar
een kikvors, roos of vleugel maakt,
komt uit de harde steen zowaar
iets zachts tevoorschijn, teer en naakt.
In dit geval nam hij zijn hart,
dat als een steen werd mettertijd,
en beitelde met pijn en smart
in jarenlange eenzaamheid.
Werd het een vleugel of een roos,
een kikker op een lelieblad … ?
een meisjeshoofd kwam na een poos
uit wat hij onder handen had:
met heel veel haren, naar het scheen,
de ogen waren half dicht,
zo keek zij slaperig langs je heen
naar een denkbeeldig vergezicht.
Het mooie kind vond ons te min,
zij overdacht met trotse lach:
zij was een bloem, in zekere zin,
en bracht haar schoonheid aan de dag.
Gelijk een boom die nimmer weent,
maar schittert in een bliksemflits,
waar al het andere versteent,
zag zij zichzelf en anders niets.
Zo werd het stenen hart een hoofd
dat men vereert, beweent of … breekt.
Medusa had hij zich beloofd,
maar liever nog een slang gekweekt.

 

Vertaald door H. F. H. Reuvers

 

Conrad Aiken (5 augustus 1889 – 17 augustus 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e augustus ook mijn blog van 2 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 2 augustus 2018 en ook mijn blog van 2 augustus 2017 en ook mijn blog van 2 augustus 2011 deel 2.

Mehis Heinsaar, Thomas Rosenlöcher

 De Estse schrijver Mehis Heinsaar werd geboren op 1 augustus 1973 in Tallinn. Zie ook alle tags voor Mehis Heinsaar op dit blog.

Uit: The Traveller’s Happiness

“The traveller’s happiness came from Latvia. Who knows what kind of mood it was in when it came or who sent it on its way, but in any case, it came with a big southern wind. Together with late summer clouds it sailed over large forests and felled areas, over rivers and villages like a sparkling wind or vaporized water – without a sound, color, or scent – carrying further and further towards Estonia. Over Ruhja and Ungurini, over Lilli and Karksi, until the squall blew him into the mouth of a man in the middle of Halliste as he was yawning in his own yard. Happiness slid down his windpipe, straight to the exhausted stomach from various food and drinks, mixing there with glands and acids, carrying long exhausted rivers of nerves to the brain and the soul, received an imagine and thought for itself, eyes and hearing, finally understood that his name is now Aap Anderson and thought while rejoicing:
„Yes, yes, I am a 50 year-old man already, I have worked hard all my life and I have 3 healthy and strong children, 4 bank accounts, 2 houses, a wife whom I don’t love, though who loves me more than that, and also a lover in Haapsalu who keeps my soul young. I couldn’t want anything more from life!”
And the traveller’s happiness went into the room and made a fire in the fireplace, stuffed his pipe full of tobacco and poured himself 50 grams. Yes, it’s good to be alive!
Having drank his cognac and lit his pipe, happiness now remembered his former youth and first love, that beautiful and poor girl, whom he had left in the name of a better life, years of endless hard work on different farms, beautiful moments spent with friends fishing and in the mountains and now all this brought wistful tears to his eyes.
„Yes, yes, I have lived a difficult but interesting life,” he thought. „I have worked and seen poverty, amassed wealth, gained respect and despite an ulcer and kidney stones I am doing better and better.”
But then happiness became bored for some reason in this totally exhausted and wheezy body and left through the pipe smoke and breath from Aap Anderson, flying from the house through an open window and with a southern wind further towards Viljandi.
It was carried over yellow cornfields, green fir groves and low alder trees as scentless and colorless plankton, as a subtle flicker until one insect-catching swallow accidently bit it and swallowed it. The traveller’s happiness now became a swallow and glided up and down hunting insects, with lightening-quick dashes forwards and backwards, feeling enjoyment from the warm light around him and the sweet meat of the flies, though the bird cast him out of his backside at Mustla and happiness rained down straight as bird shit into the eye of a man laying down in the grass. He jumped up frightened, rubbed his eyes and thus pressed happiness ever deeper into his skull, intestines and nerves, until happiness finally fused with the man and understood that his name is now Venjamin the metal worker, that he is missing his left hand and his liver is worn out through drinking, though life is still beautiful and worth all that mi¬sery. Happiness looked for a time more together with Venjamin between the nomadic clouds and swallows among of them, drank half a bottle of vodka lounging on the grass next to him, then, while smiling, tore a strap from his belt and went into the room whistling to beat his wife.”

 

Mehis Heinsaar (Tallinn, 1 augustus 1973)

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.

 

Het paradijs van het bekijken

Diep de struiken. De lieve God ziet alles.
Lieve God? Wie gelooft er nog in
zei ze terwijl we neerhurkten
en ik met een onderzoeksstokje,
ow, doet dat pijn? haar van binnen raakte.
Een teer ingelijst, lusjesachtig rood.
Het diepste mysterie in de wereldgeschiedenis.
Zelfs het stokje rook ernaar.
En aangrenzend begon een haan te kraaien,
totdat hij het hoogste kraaipunt bereikte
en onze lichtgroene bladerenholte
in het sijpelende licht bevroor tot zwaar goud,
maar boven ons, als keek God toch toe,
doemde een schaduw op: “Hou op, mijn moeder.”
En met gebogen knieën, naar voren stappend,
naar voren leunend, de struik opzij houdend,
keek zij ons daarbinnen met een serieuze bril aan:
Wat doen jullie toch daar beneden in de struiken –
Kom eruit, viezerikken! – Oh, we slopen
langs haar heen alsof we elkaar nooit hadden
ontmoet: laat je hier nooit meer zien!
Een uitgestrekte arm die me voor altijd
uit het paradijs van het bekijken verdreef.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e augustus ook mijn blog van 1 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 1 augustus 2019 en ook mijn blog van 1 augustus 2017 en ook mijn blog van 1 augustus 2011 deel 3.

Cees Nooteboom, Jill McDonough

De Nederlandse dichter en schrijver Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook alle tags voor Cees Nooteboom op dit blog.

Uit: Paradijs verloren

“Dash-8 300. De hemel weet dat ik in allerlei vliegtuigen gevlogen heb, maar een Dash was er nooit bij. Het is een kleine, compacte machine maar hij lijkt groter omdat er weinig passagiers zijn. De plaats naast mij is leeg. Er is kennelijk niet veel belangstelling om van Friedrichshafen naar Berlijn Tempelhof te vliegen. Als een klein, verdwaald groepje zijn we van het minimale hoofdgebouw naar het vliegtuigje gelopen, dat mag hier nog. Nu wachten we. De zon schijnt, er is nogal wat wind. De piloot zit al voorin, hij draait aan het een en ander, ik hoor de copiloot praten met de verkeerstoren. Iedereen die vaak vliegt kent die lege ogenblikken. De motoren zijn nog niet gestart. Sommige mensen lezen al, anderen kijken naar buiten, maar daar is niet veel te zien. Ik heb het blad van de kleine vliegtuigmaatschappij tevoorschijn gehaald maar heb nog geen zin om echt te lezen. De gebruikelijke propaganda voor de eigen maatschappij, daarna wat gegevens over de weinige plaatsen die ze aandoen, Bern, Wenen, Zürich, en dan wat gekochte artikelen, iets over Australië en de aboriginals, rotstekeningen, beschilderde stukken boombast in vrolijke kleuren, alles wat de laatste tijd nogal in de mode is. Dan nog een stuk over Sáo Paulo, een horizon vol wolkenkrabbers, paleizen van rijke mensen en natuurlijk de eeuwige o zo pittoreske achterbuurten, slums, favelas, hoe noem je die dingen. Daken van golfijzer, wrakke houten constructies, mensen die eruitzien of ze het leuk vinden om daar te wonen. Allemaal al gezien, ik moet er niet te lang naar kijken of ik krijg het gevoel dat ik honderd jaar oud ben. Misschien ben ik ook wel honderd jaar oud, je hoeft alleen maar je werkelijke jaren met een geheime formule te vermenigvuldigen, een tovergetal waarin alle reizen van je leven en het onbetamelijke déjà vu dat daarbij hoort verwerkt zijn, en je bent er al. Doorgaans heb ik niet veel last van dergelijke gedachten, al was het maar omdat ik ze een beetje minderwaardig vind, maar gisterenavond in Lindau waren het drie Obstler te veel, en op mijn leeftijd wreekt zich dat. De stewardess kijkt door het deurtje naar buiten, zo te zien moet er nog iemand komen, en nu ze binnenkomt is die iemand een vrouw, zo een van wie je hoopt dat ze naast je komt zitten. Zo oud ben ik dus kennelijk ook weer niet. Naast me gaat niet door, ze heeft een plaats aan het raam, een rij voor me, links van het gangpad. Eigenlijk beter dan naast me, want nu kan ik haar goed bekijken. Ze heeft lange benen in een broek van kakikleurige stof, een mannelijk attribuut dat haar vrouwelijker maakt. Sterke grote handen, waarmee ze nu een boek uitpakt uit karmozijnkleurig pakpapier dat zorgvuldig met cellotape is dichtgeplakt. Daar hebben die grote handen geen geduld voor, als de tape niet meteen meegeeft wordt het pakje opengescheurd. Ik ben een voyeur. Een van de grootste genoegens van het reizen is om onbekenden gade te slaan die niet weten dat je naar ze kijkt. Ze slaat het boek zo snel open dat ik de titel niet kan zien. Ik wil altijd weten wat mensen lezen, maar meestal zijn mensen vrouwen, want mannen lezen niet meer. En vrouwen, heb ik geleerd, of dat nu in de trein, op een bank in een park of op een strand is, houden hun boeken vaak zo dat je de titel niet kunt lezen. Let er maar eens op. En zelfs al brand ik van nieuwsgierigheid, ik durf het bijna nooit te vragen.”

 

Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)

 

Onafhankelijk van geboortedata

 

De Amerikaanse dichteres Jill McDonough werd geboren in Hartford, Connecticut in 1972 en groeide op in North Carolina. Zie ook alle tags voor Jill McDonough op dit blog.

 

Golden Gate Hank

Ik word wakker met kiespijn, denk dat ik moet schrijven
over kiespijn, maakt het op de een of andere manier de moeite waard.
Het heeft alles: intimiteit, verval, hoe het lichaam
bezig is, dag en nacht, je lastig valt. Een van de honderden
van de lijken van springers, die uit de baai werden gehaald, had een briefje
in zijn zak waarop stond Geen enkele reden behalve
ik heb kiespijn. Josey’s grootvader
schoot zichzelf neer nadat zijn vijfde sinusoperatie was mislukt.
Josey zegt Lege Neus Syndroom en ik raak in de war…
hoe kunnen holtes worden uitgehold? Maar dan ga ik naar
legeneussyndroom.org, pak vol afschuw
mijn arme neus beet, dankbaar voor alles wat ik als vanzelfsprekend beschouw, niet kan zien.

Golden Gate Hank haat zijn bijnaam.
Als je Serenity Hank wilde heten,
Zegt Ken tegen hem had je niet van die verdomde brug
moeten springen. Degenen die leven
zeggen allemaal dat ze in vier seconden van gedachten zijn veranderd
voordat ze neerkwamen, probeerden met de voeten eerst te landen en erin slaagden.
Ken zegt: vertel het niet aan mensen, ik denk elke dag
hoe ik geen zelfmoord zou plegen, dan krijgen ze het verkeerde idee.
Ik denk elke dag aan hoe ik mezelf zou redden, Josey
redden: de slechterik neersteken, met de voeten vooruit vallen, de Grote Witte
op zijn oogbol slaan, voor dood spelen in het door kogels geteisterde massagraf.

Vanaf de achterbank van de Suburban, hoorde ik
mijn moeder tegen mijn vader zeggen Rijden over een hoge brug
maakt altijd dat ik wil springen. Je zou kunnen leven:
Een zeventienjarige jongen landde op zijn voeten en zwom naar de kust
en ging hulp halen, zei dat hij verging van de rugpijn.
Een andere man besefte dat hij leefde en onder water was, voelde iets
zijn gebroken benen borstelen. Geweldig, nu word ik opgegeten door een haai
dacht hij. Het gebeurt. Maar dit was een zeehond, die rondom zwom,
blijkbaar het enige dat me in leven hield,
en je kunt me niet vertellen dat dat God niet was, want dat is wel
wat ik geloof, en dat is wat ik zal geloven tot de dag dat ik sterf.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jill McDonough (Hartford, Connecticut, 1972)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e juli ook mijn blog van 31 juli 2018 en ook mijn blog van 31 juli 2017 en ook mijn blog van 31 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.