Paul Gellings, Adrienne Rich

De Nederlandse dichter en vertaler Paul Johann Gellings werd geboren in Amsterdam op 16 mei 1953. Zie ook alle tags voor Paul Gellings op dit blog.

 

Ook over voorbije winterdagen kun je wat zeggen,
ze geven alleen een stugger soort heimwee, zoals
die vrijdag: een lange rit naar het westen en
steeds het idee dat het nooit anders zou zijn.

Besneeuwde polders lagen lichtblauw in de zon,
het was een wat schrijnende middag,
niemand was dood, maar in het licht
hing een schreeuw. Toen de stad: land van belofte,
een glooiende diepte van schaduw, alle vensters
oude spiegels met een rode avond erin.

En de nacht kwam in de grachten, zo rimpelig
zwart dat de dag werd vergeten
en het donker vanzelf sprak.

 

Klas

Mijzelf overleefd kijk ik door grote
open vensters naar beneden op het plein,
waar ze staan te wachten. De zomer
gaat weer over ruisend blad.

Ze komen binnen en begroeten mij, zacht
en speels in alles wat ze zijn. Iets als liefde
vindt zijn plaats in dit gesprek, en in mij,
als in een leeg en hoog lokaal, blijft
een lichte klank wanneer ze gaan.

Later wordt het stil, ook buiten,
avond, nacht, lange tijd een ruimte
als een bos, waardoor
het weer gaat dwalen.

 

De reiziger

Zijn voet tussen een deur die klemt
en langzaam sluit. Door de hand
die hem liefhad en streelde
werd die deur een muur.

Tussen tederheid en geweld
bestaat niets meer
dan de weg naar het vliegveld,
waar de chauffeur hem groet
en laat staan.

Later in de lucht
ziet hij een donkere mantel
gespreid over land

van vroeger: de schaduw
van verre tochten.

 

Paul Gellings (Amsterdam, 16 mei 1953)

 

De Amerikaanse dichteres Adrienne Rich werd 16 mei 1929 geboren te Baltimore. Zie ook alle tags voor Adrienne Rich op dit blog.

 

Eénentwintig liefdesgedichten

I

In deze stad waar bioscoopreclames flikkeren
vol pornografie, science-fictionvampieren,
gehuurde slachtoffers gebukt onder de zweep,
moeten ook wij lopen … zo gewoon
als door verregende vuilnis, langs de alledaagse
wreedheden van onze eigen buurt.
We moeten ons leven pakken midden in
die ranzige dromen, die schroothoop, die afgang
en de rode begonia die gevaarlijk flitst
op de vensterbank van een huurkazerne, zes verdiepingen hoog,
of de jonge meisjes met lange benen die een balspel doen
op de speelplaats van de junior highschool.
Niemand heeft ons bedacht. We willen leven als bomen,
wilde vijgebomen, lichtend in de bezwavelde lucht
met littekens bedekt, toch overdadig in de knop,
onze hevige hartstocht in de stad geworteld.

 

Vertaald door Maaike Meijer

 

Adrienne Rich (16 mei 1929 – 27 maart 2012)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e mei ook mijn blog van 16 mei 2020 en eveneens mijn blog van 16 mei 2019 en ook mijn blog van 16 mei 2018.

Judith Hermann, Michael Lentz

De Duitse schrijfster Judith Hermann werd geboren op 15 mei 1970 in Berlijn-Tempelhof. Zie ook alle tags voor Judith Hermann op dit blog.

Uit: Wir hätten uns alles gesagt

„Vor einiger Zeit bin ich mitten in der Nacht auf der Berliner Kastanienallee in einem sogenannten Spätkauf zufällig und unverhofft meinem Psychoanalytiker begegnet – zwei Jahre nach dem Ende der Psychoanalyse und zum allerersten Mal außerhalb des Raumes, in dem ich jahrelang auf seiner Couch gelegen hatte.
An diesem Abend war ich mit G. unterwegs, dem einzigen Schriftsteller, mit dem ich befreundet bin. Wir hatten bei einem Italiener auf der Eberswalder Straße gegessen, vor einer Bar einige Gläser Wein miteinander getrunken, G. hatte mich zur Straßenbahn bringen wollen, auf dem Weg zur Straßenbahn hatten wir angefangen, von unseren Müttern zu sprechen. Es waren dieses Muttergespräch, das leichte Betrunkensein und die Tatsache, dass wir auf alten Pfaden gingen – Arkona, Rheinsberger, Wolliner, Straßen, auf denen wir in unserer Jugend unterwegs gewesen waren, vor tatsächlich einem Vierteljahrhundert also, als es noch schneite, die Welt um uns herum schwarzweiß und reine Poesie gewesen war – , die dazu führten, dass ich eine Straßenbahn nach der anderen fahren ließ, wir uns an der Kastanienallee auf die Treppenstufen vor einer Haustür setzten und beide unvermittelt eine Zigarette rauchen wollten, obwohl wir uns das Rauchen schon vor Ewigkeiten abgewöhnt hatten.
An uns vorbei ging ein rauchendes Mädchen, und ich sprach sie an. Ich bat sie um eine Zigarette, und sie sagte entschuldigend, sie habe keine, aber drüben – sie deutete zum Spätkauf auf der anderen Straßenseite – könne man Zigaretten einzeln kaufen: wie früher. Wir gingen quer über die Straße, betraten den Späti, im Späti saß der arabische Besitzer hinter der Kasse, und vor der Kasse stand mein Psychoanalytiker Dr. Dreehüs und bezahlte gerade ein schönes Softpack gelber American Spirit.
Ich habe in meinem Leben häufig Menschen nicht erkannt, wenn ich sie außerhalb der gewohnten Strukturen angetroffen habe. Dr. Dreehüs war ich außerhalb seiner Praxis nie begegnet, in seiner Praxis im Grunde genommen auch nicht. Er hatte mir dreimal in der Woche die Tür aufgemacht, ich war an ihm vorbei durch den Flur gegangen, hatte das Zimmer betreten, meine Jacke ausgezogen und über den dafür vorgesehenen Stuhl gehängt; dann hatte ich mich auf die Couch gelegt, er hatte hinter mir in einem Sessel Platz genommen.“

 

Judith Hermann (Berlijn-Tempelhof, 15 mei 1970)

 

De Duitse dichter, schrijver, literatuurwetenschapper en musicus Michael Lentz werd geboren in Düren op 15 mei 1964. Zie ook alle tags voor Michael Lentz op dit blog.

 

ik was nooit
op een plaats
neergezet als
een meubel wilde
ik zijn door mezelf
neergezet
op een plaats
de ik niet die ik
nooit verlaten kan
en ik ben blij
ik ben de plaats
die me nooit die
me nooit verlaat

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Lentz (Düren, 15 mei 1964

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e mei ook  mijn blog van 15 mei 2022 en ook mijn blog van 15 mei 2021 en eveneens  mijn blog van 15 mei 2019 en ook mijn blog van 15 mei 2018 en ook mijn blog van 15 mei 2017 en ook mijn blog van 15 mei 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Brief aan mijn moeder (Frank Koenegracht), Jo Gisekin

 

Bij Moederdag

 

Moeder en zoon door Alice Schille, ca. 1910-1915

 

Brief aan mijn moeder

Moet je horen, mamma, luister je?
Ik lees hier over een aanbod
waarbij zeer oude moeders met
meestal zeer oude zonen die
om niet tastbare redenen niet meer
bij ze willen slapen
een zwaan ter beschikking wordt gesteld
door de thuiszorg.
Het gaat om Hollandse zwanen.
Ze zwemmen overdag rond,
maar ’s avonds worden ze opgeborgen
in prachtige vitrines.
Ze worden thuisbezorgd en in je bed gelegd.
Ze slaan hun linker vleugel om je heen: dat
is tegen angst voor duizeligheid en ze leggen
hun snavel op het andere kussen:
dat is tegen eenzaamheid.

’s Ochtends worden ze weer opgehaald.
Nou, doe het maar, mamma.
Je bent er immers voor verzekerd.

 

Frank Koenegracht (Rotterdam, 23 juli 1945)
De Oude Haven in Rotterdam

 

De Vlaamse dichteres Jo Gisekin werd geboren in Gent op 14 mei 1942. Zie ook alle tags voor Jo Gisekin op dit blog.

 

Stilten

Het gras kan leeftijdloos
te stoeien liggen

weiden van gekoeld glazuur
zwemmen met schaduwvleugels
aan bomen voorbij

er is geen wind
geen nukkigheid
die speels jouw zinnen scherpt

voorjaarsbloemen
worden blank geboren
langs trage muren
die de nacht niet zien

Ik voel mij als een waterplant
die stilten
aan elkander knoopt…

 

Lichtwoud

Ik hou niet van liefde
in doofpotten bedreven
de haan naait de nacht
met bloemen bitterheid

Narren hebben vergezichten
huppelbenen van papier
handen die uw huid volspelden
ogen die de weemoed wijder zien

hoor jij nachtegalen eten
de schimmen van hun eigen stem
zich dronken zuigen aan gestolen spelen
of slapen gaan in de huivering van hun web

lichtvoetigheid van duizendpoten
vlugheid die de wijsheid wiegt
kankerbuilen als kokosnoten rijpheid

Ik hou van liefde
die zonnedraden likt
in wouden van licht.

 

Comtesse de Paris

Het went niet dat opgeschoten kale
verwrongen en gespleten schamel in de oksels
perelaars gestript van blad en schors. Hun takken
als stiksels op een stalen lucht. Tentakels van wind
in dwarsligging.

Herhaaldelijk feestte de boomgaard een fruitorgie in kleur
en smaak wulps comtesse de Paris doyenné du Comice en
durondeau moegerijpt in hun zomerse vitrine en dan
naargeestig de val naar beneden en merels die zich bezopen
nog vóór de pluk.

Het dwangbuis van de winter wacht op ontknoping amechtig
het laatste ritueel: de aftocht van rijp en ijzel smeltensklaar
over gladde plaveisels

er is een voelbaar verglijden naar elk seizoen zoals letters
verschuiven op papier.

 

Jo Gisekin (Gent, 14 mei 1942)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e mei ook mijn blog van 14 mei 2019 en ook mijn blog van 14 mei 2018 en eveneens mijn blog van 14 mei 2017 deel 2.

Sander Kollaard, Jan Lauwereyns, Michael Lentz

De Nederlandse schrijver Sander Kollaard werd geboren op 13 mei 1961 in Amstelveen. Zie ook alle tags voor Sander Kollaard op dit blog.

Uit: Uit het leven van een hond

“Het hart klopt, denkt Henk van Doorn als hij wakker wordt, en het bloed stroomt. Goedbeschouwd is dat het verstandigste wat je erover kunt zeggen.
Het is een merkwaardige gedachte en een onwaarschijnlijk begin van de dag, van zijn herwonnen bewustzijn, maar het doet in elk geval wat een begin behoort te doen: het suggereert een vervolg. Met die eerste gedachte dienen zich nieuwe gegevens aan: de ruimte waarin hij zich bevindt (zijn slaapkamer), de tijd (ergens tussen acht en negen) en van het weer (zonnig). Van harte gaat het niet. De nieuwe gegevens komen aansjokken als pubers die net wakker zijn en met zure, stuurse gezichten aan de ontbijttafel gaan zitten, beledigd dat hun weer een nieuwe dag in de maag is gesplitst. Henk slaat de nieuwe gegevens van enige afstand gade, nog loom en zwaar op de matras: dat het zaterdag is; dat Schurk gisteravond niet helemaal lekker leek en misschien iets verkeerds heeft gegeten; dat hij later vandaag zijn jarige nichtje Rosa moet bellen. De hoeveelheid informatie groeit en daarmee zijn bewustzijn en de man die hij is. Henk van Doorn, IC-verpleegkundige, 56 jaar oud.
Als hij op de klok kijkt, ontdekt hij dat informatie niet altijd betrouwbaar is. Het is nog maar een paar minuten over zes. Dat roept de vraag op of hij zich zal omdraaien en de ogen sluiten en zo de inmiddels verzamelde informatie zal lozen in nieuwe slaap. Het is een verleidelijke gedachte, maar het is te laat. Er is al een kritieke massa bereikt en intussen komt van alle kanten nieuwe informatie opgezet, opgewekter nu, niet zoals die pubers maar meer zoals de pinken die hij een paar dagen geleden in de wei zag en die hem en Schurk langs het hek volgden, opgewonden, baldadig, totdat hij een stap in hun richting zette, boe, en ze collectief achteruit stapten om hem vervolgens van een paar meter afstand aan te staren in een halve cirkel van natte neuzen en dromerige ogen – ongeveer zoals de gegevens over wie en wat hij is hem nu aanstaren, die nog altijd bewegingsloze man in bed.
Het hart klopt, hoort hij opnieuw, en het bloed stroomt. Hij realiseert zich dat de gedachte een restant is van het gesprek dat hij gisteravond voerde aan het eind van zijn dienst, met een nieuwe collega, een jonge vrouw van wie hij de naam alweer kwijt is. Ze hadden het over de betekenissen die aan het hart worden toegedicht: dat het geheimen verbergt; dat je het kunt vasthouden; dat het kan overlopen van liefde, maar in sommige gevallen angstaanjagend kil blijft. Allemaal onzin, had de vrouw gezegd, op een besliste toon die hij niet sympathiek vond. Onzin. Het hart is een pomp. Het klopt, het bloed stroomt, dat is alles.”

 

Sander Kollaard (Amstelveen, 13 mei 1961)

 

De Vlaamse dichter Jan Lauwereyns werd geboren op 13 mei 1969 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jan Lauwereyns op dit blog.

 

Het koeldingige van Sonic Youth

Zet dat nummer vier op met die vijand

Van het type dat vast geen dansen kun
Zet dat nummer vier op met die vijand

De stekker uit en ja, wat zie je wel
Van het type dat vast geen dansen kun

Haai zou niet willen, haai denke van niet
De stekker uit en ja, wat zie je wel

Zo bezwem je slaapkamers met slagroom
Haai zou niet willen, haai denke van niet

Zo bezwem je slaapkamers met slagroom
Wonderknaap wage zich an die proeve

Onder ijs woelen blauwgrijze golven
Wonderknaap wage zich an die proeve

Muzikaal ziet poesje van verre wreed
Onder ijs woelen blauwgrijze golven

Wie zal je slaaf, jouwe scheerbeurt geven
Muzikaal ziet poesje van verre wreed

Haai zou niet willen, haai denke van niet
Wie zal je slaaf, jouwe scheerbeurt geven

Haai zou niet willen, haai denke van niet
Zeg ze daar wat, hoe we dit gehoren

Ons meisjes van blanke handel bevrijd
Zeg ze daar wat, hoe we dit gehoren

Haai zou niet willen, haai denke van niet
Ons meisjes van blanke handel bevrijd

Verlegen wezen we niet op het woord
Haai zou niet willen, haai denke van niet

Schrik als we hebben van heure schappij
Verlegen wezen we niet op het woord

Schrik als we hebben van heure schappij
Pikdonker loert en besluipt de panter

Haai zou niet willen, haai denke van niet
Pikdonker loert en besluipt de panter

Bijkomstig smeult het gewricht op zolder
Haai zou niet willen, haai denke van niet

Je hemels licht knapt er dadelijk op
Bijkomstig smeult het gewricht op zolder

Alles vloeit, behalve dat alles vloeit
Je hemels licht knapt er dadelijk op

Alles vloeit, behalve dat alles vloeit

 

Jan Lauwereyns (Antwerpen, 13 mei 1969)

 

De Duitse dichter, schrijver, literatuurwetenschapper en musicus Michael Lentz werd geboren in Düren op 15 mei 1964. Zie ook alle tags voor Michael Lentz op dit blog.

 

of we dat
doen kunnen vraag je
de suikerlepel een keer
in het koffielicht dompelen met suiker
vraag je en afwassen daarna
de suikerlepel de rode
en weer terug in de
suikerpot in het suikerglas de lepel
eigenlijk niet
zeg ik
eigenlijk niet

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Lentz (Düren, 15 mei 1964)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13 mei ook mijn blog van 13 mei 2022 en ook mijn blog van 13 mei 2020 en eveneens mijn blog van 13 mei 2019 en ook mijn blog van 13 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Hagar Peeters, Andre Rudolph

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

‘Krijg de Overmaasse hazewindhondenkorenmolenpestpokken!’

Een Rotterdamse tongval is het mooiste als hij scheldt,
als hij de Erasmusbrug doet deinen onder zijn verbaal geweld,
als Bep van Klaveren de bokser zijn spierballen rollen laat
op de maat van Deelders verzen, krijg ik het echt te kwaad.

Zijn klagen klinkt niet als gejammer als een wanklank hem ontvalt
want een echte Rotterdammer houdt zijn tong altijd gebald.

Al die schepen in Delfshaven die zich aan de Noordzee laven
varen op de adem van dokwerkers naar de wijde horizon.
Is die stad wat recht en hoekig en die taal een beetje vloekig,
als een Rotterdammer kankert klinkt het vloeiend en bon ton.

De Rotterdamse tongen zijn de snelste van het land.
Zij praten als hun vuisten van het bed tot ledikant.
Zij weten zich te weren tegen Overmaasse heren,
lullen wars van redeneren het gelijk steeds aan hún kant.

Helaas, ik ben geen Rotterdammer want ik scheld niet maar ik jammer.
Mijn verwensing doe ‘k mijn ergste vijand nog niet aan.

Ik neem de wijk naar kroostrijk Crooswijk
waar ik dat prachtig schelden afkijk
en daarna ga ik weer gewoon mijn eigen baan.

De roep die ik in mijzelf hoorde

Ik geef gevolg aan de niet geuite lokroep
die geheel en al buiten hen omgaat

die hun aanwezigheid slaakt zonder hen daarin te kennen
die aantrekking die ondanks hunzelf van hen uitgaat

kom ik tegemoet met beide armen uitgestrekt als een slaapwandelaarster
zo meander ik langs meubels, de afgronden van de kamer

en nader waar mijn radars mij brengen
daar waar mijn uitgestrekte armen in die van de ander

zich in de armen van de ander bergen. We doen ons tegoed.
Hier lopen we te hoop op botten en spieren en bloed

stuiten tegen muren ketsen af op gepantserde harten
want niemand riep mij op hem toe, niets verzocht mij te komen

dan de roep die ik in mijzelf hoorde.

 

Vlakte

Het vredig afgeduwde als een bootje
aan de oever van het water dat zo stil is
dat het amper vooruitkomt
ligt in het donker de maan een wonder
de zwarte hemel een mantel
ligt het daaronder

ik heb het water gewenkt
het water wenkte terug: de golven
mijn handen kommen mijn vingers kromden
de schuimkoppen rolden

en ik duw en ik duw
tot de arm van het water het van mij overneemt,
kom maar fluistert naar het bootje

dat alleen nog de omtrek van een bootje is
waarbinnen een zwartere vlakte
opgaat in een grotere vlakte

 

Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

De Duitse dichter en schrijver Andre Rudolph werd geboren in Warschau op 11 mei 1975 en groeide op in Leipzig. Zie ook alle tags voor Andre Rudolph op dit blog.

 

téchnē (“tijdens” / “en”)

dagelijks, en volledig onopgemerkt,
maakt de ziel haar back-ups –
en vertel het aan niemand
het gaat om een

transparante techniek; lang
heeft men aangenomen
dat het om een simpele droomroutine zou gaan
die wordt gevolgd, intussen

is het vrij zeker dat
het laat in de avond gebeurt,
terwijl je in slaap valt, en
vijf, hooguit tien seconden

duurt; terwijl de maan
in de ramen staat
ja, de maan, in de ramen,
sinds honderd jaar zijn ze

onderling verbonden; alles
heb je geprobeerd om er een break in
te lassen, maar het contact is gelegd,
om de chip te killen, maar

het contact is gelegd, zelfs om de hele
zaak in afzonderlijke delen op te split-
sen, maar het contact…
zoals je dromen trouwens

die doen alsof ze in de ochtend
het lichaam verlaten, terwijl
echter de glazen buis van de dag
stuk breekt, en de dromen hun

kwikzilverkogels in je spier-
weefsel schieten en de systemen
verlammen, terwijl je
lichaam totaal niet onder de indruk

zijn geheime kalender open-
vouwt en de programmagegevens
vergelijkt, en het contact echter,
monsterlijk en precies, gelegd is.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andre Rudolph (Warschau, 11 mei 1975

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e mei ook mijn blog van 12 mei 2020 en eveneens mijn blog van 12 mei 2019.

Ida Gerhardt, Andre Rudolph

De Nederlandse dichteres Ida Gerhardt werd geboren in Gorinchem op 11 mei 1905. Zie ook alle tags voor Ida Gerhardt op dit blog.

 

In den beginne

Ik zet mijn verzen als een schelpdier aan
in diepten waar geen sterveling mij kent;
ik adem in en uit, en zij ontstaan
uit stille kernen, in het element
dat was van den beginne. Altijd blijft
het grote stromen in mij overgaan.
Ik ben alleen. Een maatgang schrijft en schrijft:
ademende zet ik de mantelen aan

 

Het gebed

– de grootouders

Drie maal per dag, naar vaste wetten,
nemen zij de eigen plaatsen in,
en gaan zich rond de tafel zetten;
van haat eendrachtig: het gezin.

De vader heeft het mes geslepen,
De kinderen wachten, wit en stil.
De moeder houdt haar bord omgrepen,
alsof zij het vergruizelen wil.

Een grauw: dan vouwen zij de handen,
de disgenoten in het huis:
van tafelrand tot tafelranden
geschikt tot een onzichtbaar kruis.

 

De paarden

Daags drinken bij het wed
de grote aardse paarden.
Hoefprenten staan op de aarde,
het gras is zilt geplet.

Te nacht, als sterren en maan
in zachte diepten spiegelen,
beweegt het wak een wiegelen:
twee vleugelen ruisen aan.

Het water ligt vervaard,
als witte manen zinken:
rimpelend om het drinken
van een geweldig Paard.

Later draagt het, weer blak,
de adem in nevel vegen
van ’t Paard dat, reeds ontstegen,
dronk uit een sterrewak.

 

Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)
Standbeeld in Zutphen (detail)

 

De Duitse dichter en schrijver Andre Rudolph werd geboren in Warschau op 11 mei 1975 en groeide op in Leipzig. Zie ook alle tags voor Andre Rudolph op dit blog.

 

de purusha ter grootte van een duim is als een rookloos licht
(de kaṅha-upanishad; 2, 13)

het was al ver in de middag
toen de jongens van de dierenambulance kwamen
en mij uit de
boom sjorden, waar ik zelf
abusievelijk was ingeklommen

ik was zo opgewekt als in lange tijd
niet meer, hoewel
mijn situatie behoorlijk uitzichtloos was
zoals jullie je kunnen voorstellen;

desondanks leek ik
op de een of andere manier helder;
als een lichtdwerg waar ze net
een nieuwe lamp van honderd watt
hebben ingedraaid

(zo gaat het immers soms:
eigenlijk voel je je rot, maar dan…)

en de jongens van de dierenambulance
wisten een moment lang
ook werkelijk
niet zo precies waar ze met me
naartoe moesten

wie heeft ze eigenlijk gebeld?
een eigenaar
schijn ik niet te hebben, mijn
naam ben ik vergeten;
de subtiele tekening
van mijn vacht en mijn slimme bruine
ogen wijzen weliswaar op
een best aardige, brave soort
en goede manieren,

maar wat heb ik daar nu aan, in deze
slechte omheining,
met de luidruchtige jongens
van de dierenambulance, die met hun
bestelbusje
kriskras door de
hele stad scheuren, op zoek
naar een geschikt

onderkomen?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andre Rudolph (Warschau, 11 mei 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e mei ook mijn blog van 11 mei 2020 en eveneens mijn blog van 11 mei 2019 en ook mijn blog van 11 mei 2018.

J. C. Bloem, Jayne Cortez

De Nederlandse dichter J. C. Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Zie ook alle tags voor J. C. Bloem op dit blog.

 

Conrad Ferdinand Meyer

In de stilte en de nacht verloren
Heb ik uwe verzen lang hermijmerd,
Tot mijn denken en mijn voelen warren.

Waarom schrijft gij in die verzen, dichter,
Toch zoo vaak van oogsten en van meisjes,
Die gaan maaien…, die ik zou beminnen?

Moede lijven, die tot liefde reê zijn –
Duizel-zon en lauwe korengolven –
Sikkelsnerpen en het lied der wespen –

Beeld is alles me en herinneringen,
Niet aan aardsche dagen, die ik leefde,
Maar aan droomen en mijn groot verlangen.

Als de zomer en de zon zoo machtig
In hun gulden boei de landen bannen,
Wat is er dan dit geluk nog rijper?

Om mij is de nacht. ’t Begint te misten.
Als er misten gaan door zomernachten
Meen ik wel den vreemden dood te ruiken.

 

De Schaduw

Geenzijds der dagen en hun bonten luister,
Wier volheid wentelt in het open licht,
Is een gebied van schaduwen en duister,
Waar alles uitdeint wat zich ginder richt.

En tusschen beide gaat ons korte leven:
De dagen dwingen ons in ’t luid vertier,
Maar wat den schemer boodschapt ons een beven
In ’t hart: de schaduw valt, uw rijk is hier.

Dan dwalen we in gepeins langs stille kaden,
Waar de avonddamp de steenen van beslaat,
Met de belofte van een droom beladen,
Die als een dauw ons langs de slapen gaat.

Wij zien alom de schemer dichter worden,
Hij groeit en rijpt en ruischt, een donkere oogst –
De huizen en de boomen zich omgorden
Met duister, dat hun deerlijke armoe troost.

Het zwarte water deint in zwakke rimpels,
Die murmelen als een geheim dat riep,
En de lantarens ontplooien hun wimpels
Van weerschijn in het kabbelende diep.

En langs der weinge wandelaars gelaten
Speelt schaduw, slagschaduw en weifle schijn,
Zoo teeder, dat zij, rein van alle haten,
Als van beminden en vertrouwden zijn.

Er spoelt een golf van deernis over de aarde,
De harten raken vlot en drijven mee,
En deinen, nu de storm des daags bedaarde,
Op nacht en stilte, een eindelooze zee.

En tot de dageraad langs bleeke wegen
Den hemel wint en de geruchten wekt,
Is er verteedering en warm bewegen
Van leven, dat naar zijnen oorsprong trekt.

 

J. C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)

 

De Amerikaanse dichteres en performster Jayne Cortez werd geboren op 10 mei 1936 in Fort Huachuca, Arizona. Zie ook alle tags voor Jayne Cortez op dit blog.

 

Deze New York City-duiven

Deze New York City-duiven
die koeren in de luchtschacht
zijn er verantwoordelijk voor dat ik
mijn teen stoot
mijn enkel verzwik
en ziek word van ammoniakdampen

Die duif die aan de waslijn hangt
stal mijn nachthemd
Die duiven op de straatlantaarn
Gaven me het gevoel gek te zijn
bij het rijden in een zwarte auto
die helemaal bespetterd is
met hun grijs-witte poep poep

Deze New York City-duiven
zijn niet relaxed zoals duiven van Oxalá in Brazilië
en kreunen niet als duiven van Zimbabwe

Duiven uit New York City kreunen
vreemd laag treurig trillend kankerachtig gekreun
gemengd met
hongerige hyena geblaf
& slurpend verlies van de boskreten

New York City-duiven
zijn niet relaxed zoals
duiven die zonnebaden bij het
Marcel Duchamp-zwembad in San Francisco

New York City-duiven zijn niet zo gelukkig als
duiven die op het hoofd van de vrouw staan
die bananen verkoopt op een straathoek in Johannesburg

New York City-duiven
klapwieken viraal leer schimmel stof van vleugels in gezichten
gaan dan op de trap zitten, roepend en wachtend
op de dood van de mensheid

New York City-duiven
zijn niet vriendelijk zoals
duiven die schilferige halvemaanvormige broodjes eten
bij Hotel du Piémont in Parijs

New York City-duiven
zijn niet tevreden
zoals duiven
die voor foto’s poseren op de armen
van mannen op de plaza van Caracas

New York City-duiven
zullen op richels loungen
& de hele dag godslastering mompelen
zullen om neukruimte vechten in
de paartijd
op airconditioners schijten
& hun reet afvegen aan ramen
terwijl grote kakkerlakken
in het donker op zuigtabletten zuigen

New York City-duiven
zijn niet alert
zoals duiven
die rustig op fietsen zitten
in het vredesherdenkingspark van Hiroshima

New York City-duiven
rollen met hun parelwitte ogen
blazen hun keel op
en ontlasten zich op de schouders van voetgangers

New York City-duiven
voelen geen liefde voor kruimel gooiende duivenliefhebbers
& er wordt geen jaar van de duif gevierd
In elk geval
niet voor deze New York City-duiven

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jayne Cortez (10 mei 1936 – 28 december 2012)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e mei ook mijn blog van 10 mei 2020 en eveneens mijn blog van 10 mei 2019 en ook mijn blog van 10 mei 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Paul Lynch

De Ierse schrijver die Paul Lynch werd geboren op 9 mei 1977 in Limerick in het zuidwesten van Ierland. Zijn ouders en zijn hele familie komen uit Limerick en andere delen van County Limerick. Toen hij negen maanden oud was, verhuisden zijn ouders naar het noorden van County Donegal in Ulster, de noordelijke provincie van Ierland, waar hij opgroeide. Zijn ouders vestigden zich in het noorden van Inishowen, een schiereiland aan de noordelijke kustlijn van Ulster, waarbij Lynch de rest van zijn kinder- en tienerjaren doorbracht in Malin Head en later in Carndonagh. Zijn ouders verhuisden naar Inishowen vanwege de baan van zijn vader bij de toenmalige Coast and Cliff Rescue Service (CCRS). Tegenwoordig woont hij in Dublin, waar hij vroeger zowel plaatsvervangend hoofdredacteur als hoofdfilmcriticus van The Sunday Tribune was, voordat hij zich tot het schrijven van fictie wendde. Zijn debuutroman, “Red Sky in Morning”, was het onderwerp van een veiling van zes uitgevers in Londen en leverde hem veel lof op in de Verenigde Staten en Frankrijk, waar het boek finalist was voor de Franse Prix du Meilleur Livre Étranger (prijs voor beste buitenlandse boek). De roman is geïnspireerd op een tv-documentaire over de opgraving van Duffy’s Cut, een plek in de buurt van Philadelphia waar in de jaren dertig van de negentiende eeuw Ierse emigranten, voornamelijk uit Ulster, werden ontdekt in een ongemarkeerd massagraf. Lynch’s tweede roman, “The Black Snow”, beschrijft de terugkeer van een Ierse emigrant naar zijn geboortegemeenschap in County Donegal en de daaropvolgende afdaling in een tragedie wanneer een stal in brand vliegt. De roman stond op de shortlist voor vele prijzen en won de Franse Prix Libr’à Nous voor beste buitenlandse roman. Zijn derde roman, “Grace” (2017), is zowel een beeldroman als een schelmenverhaal dat zich afspeelt tijdens de Ierse hongersnood en vertelt het verhaal van de strijd van een jong meisje om te overleven. De roman won de Kerry Group Irish Novel of the Year-prijs en stond op de shortlist voor vele prijzen, waaronder de Walter Scott-prijs voor historische fictie. Lynch’s vierde roman, “Beyond the Sea” (2019), is geïnspireerd door een waargebeurde gebeurtenis en is een existentieel verhaal over twee schipbreukelingen die zich afspelen op een boot in de Stille Oceaan. De roman is door verschillende recensenten vergeleken met het werk van Ernest Hemingway, Samuel Beckett, Herman Melville, William Golding, Fjodor Dostojevski en Pablo Neruda en won in 2022 de Franse Prix Gens de Mers. Lynch’s vijfde roman, “Prophet Song”, wordt beschreven als “een huiveringwekkende studie van Ierland dat een fascistische staat wordt”. “Prophet Song” ontving de veelgeprezen Booker Prize voor 2023. Lynch’s romans concentreren zich vaak op de beproevingen van de menselijke geest en onderzoeken metafysische en existentialistische thema’s in zowel Ierse als exotische omgevingen. Zijn werk onderzoekt onderwerpen als vervreemding, ontheemding, lijden, realiteit, geloof, religie en transcendentie, evenals meditaties over herinnering en identiteit.

Uit: The Black Snow

“Barnabas bent and grabbed a rock shaped like the tooth of some old animal that had fallen there to die under the wheel of an ancient sun, and perhaps that may have been, but as he tossed it lazy towards the ditch Matthew Peoples took a step forward and cleared his throat again. Jesus Christ, boys. They took no notice of him or perhaps they didn’t hear, for later in their memories what each of them heard was the dull sound of Matthew Peoples’ boots thudding up the field. Not a word from the man and something comic about the way he moved with his limbs all thickly, like he was set to stumble and hit the ground at the knees, fall without his hands into the dirt face-forward, break apart into his constituent elements. But they’d never seen him move quicker, his hands balled like stones and the whites of ankles winking at them through the rise and fall of his slacks. And if Matthew Peoples had known what he was running towards he might have stopped right there, turned instead for the road gated at the far side of the field. Barnabas wondering what was up with the man when he heard him bellow belatedly, a single word that came backwards over the man like a lobbed stone. Had to hear it twice in his mind till his eyes travelled to a place above the trees where he saw the swirl blackly, a shimmy of smoke that seemed to do a bow just for him.
Fire.
A skim of starlings in the sky above Carnarvan seemed to mirror the rising wreath of drift smoke. The murmuration swung in unison like minds entwined, weaved the sky with giant breathing until the dusk pulsed like a lung. The group inverted and swirled, caught the light and bent it, swung again into a strip of infinite looping, nature’s way of mocking perhaps what was playing out below, or more likely the birds were oblivious, locked into their own state of being. The boy saw the display above the townland but did not register it in his mind, watched instead his father run blind up the field, looked towards the darkening trees. Like a visitant, something passed through him cold.”

 

Paul Lynch (Limerick, 9 mei 1977)

Jorie Graham, Charles Simic

De Amerikaanse dichteres Jorie Graham werd geboren op 9 mei 1950 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Jorie Graham op dit blog.

 

On silence

I think I am probably in love with silence,
that other world.

And that I write, in some way,
to negotiate seriously with it.

If poems are records of true risks
(attempts at change)
taken by the soul of the speaker,
then, as much as possible, my steps are towards silence.

Silence which drowns us out,
but also which ignores us, overrides us, silence,
which is doubt, madness, fear,
all that which makes the language bend and slip.

I need to feel the places where the language fails,
as much as one can.

Silence which is awe or astonishment,
the speech ripped out of you.

All forms of death and mystery, therefore, working in each poem
against the hurry of speech,
the bravery of speech.

And I think it is very important to feel the presence of that ocean in the poem,
in the act of writing the poem.
Its emissaries are the white space, of course,
the full stops.

But, also, all acts of grammar,
which are its inroads.
And the way the lines break,
or slow. I’d like to think you can feel, by its accurate failures,
the forces pressing against the sentence,
the time order. And certain kinds of words, too,
are messengers of silence.

Not just vagueness and inaccuracy, but prepositions
and conjunctions, for instance; and diction
deliberately flattened to deaden
pain.

And certain sounds that deepen and slow
the poem
into sounds
you can’t hear –all the long vowels
in the sharp teeth of consonants.

And echoes, and what is said by implication, by default …

Because there is, of course, always the desire, the hope,
that they are not two separate worlds,
sound and silence, but that they become each other,

that only our hearing fails.

 

Jorie Graham (New York, 9 mei 1950)

 

De Amerikaanse dichter Charles Simic werd geboren in Belgrado op 9 mei 1938. Zie ook alle tags voor Charles Simic op dit blog.

 

Charles Simic

Charles Simic is een zin.
Een zin heeft een begin en een eind.

Is hij een enkelvoudige of samengestelde zin?
Dat hangt van het weer af,
Dat hangt van de sterren daarboven af.

Wat is het onderwerp van de zin?
Het onderwerp is uw geliefde Charles Simic.

Hoeveel werkwoorden telt de zin?
Eten, slapen en neuken zijn er enkele.

Wat is het lijdend voorwerp van de zin?
Het lijdend voorwerp, lieve kindertjes,
Is nog niet in zicht.

En wie schrijft deze onhandige zin?
Een chanteur, een verliefd meisje
En iemand die solliciteert naar een baan.

Zullen ze eindigen met een punt of een vraagteken?
Ze zullen met een uitroepteken en een inktvlek eindigen.

 

Vertaald door Wiljan van den Akker

 

Charles Simic (Belgrado, 9 mei 1938)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e mei ook mijn blog van 9 mei 2022 en ook mijn blog van 9 mei 2020 en eveneens mijn blog van 9 mei 2019 en ook mijn blog van 9 mei 2018 en ook mijn blog van 9 mei 2015 deel 2.

Libris Literatuur Prijs 2023 voor Anjet Daanje

De Nederlandse schrijfster en scenariste Anjet Daanje (pseudoniem van Anjet den Boer) heeft de Libris Literatuur Prijs 2023 ontvangen voor haar romanHet lied van ooievaar en dromedaris”. Hoogleraar en historicus Beatrice de Graaf, voorzitter van de jury, maakte de winnaar gisteravond bekend in cultuurhuis Felix Meritis in Amsterdam. Anjet Daanje werd geboren in Wijster in 1965. Zie ook alle tags voor Anjet Daanje op dit blog.

Uit: Het lied van ooievaar en dromedaris

“Maar Susans moeder legde haar uit dat ze Susey uit liefde en eerbied zo goed mogelijk op het eeuwige leven voorbereidden. De gebeden die ze uitspraken, het wassen, het schone nachthemd, het borstelen van haar gekortwiekte haar, de gevouwen handen, alles moest volmaakt zijn voor wie haar nog één keer wilde zien, en ook voor Susey zelf, vooral voor Susey zelf, die haar Schepper dadelijk waardig tegemoet zou treden om als een klein engeltje tot de hemel te worden toegelaten. Het is als een trouwerij, zo zei Susans moeder, daarvoor was je ook je oren en tussen je benen, trek je je beste kleren aan, spreek je plechtige woorden uit, en dan begin je aan een nieuw leven. Dat was Susan nooit vergeten, een trouwerij, zo probeerde ze het te zien, terwijl anderen de Dood zagen.
Duisternis viel over Susans leven na Susey’s heengaan, ze ontwaakte in de schaduw van de Dood en ging erin ter ruste, iedere dag van voren af aan, als een niet aflatende mars van bed naar bed. Niet eerder in haar leven had ze stilgestaan bij het symbolische zwart van de rouw, bij de wijsheid van de Bijbelse woorden van pastoor Drayden, bij de troost die er uitging van een familiegraf, als een zorgvuldig opgemaakt bed waarin ze ooit zou mogen kruipen om Susey in slaap te wiegen. Tot steun was haar vooral het idee dat al die rituelen door de eeuwen heen zo waren gegroeid doordat miljoenen anderen haar waren voorgegaan in verdriet en hadden ondervonden dat dit de handelingen waren die verlichting schonken. Susey’s graf was er om te bezoeken, de lok van Susey’s blonde haar was er om aan te raken en te herinneren aan de tijd toen haar haar nog niet vanwege de koorts was afgeknipt, en de preek, psalmen en gebeden waren er om te beluisteren, te zingen, te fluisteren. Als een bezwering naderden de zorgvuldig gekozen woorden de rand van het duister, waar de lichtkring van het leven de doden raakte, hun tenen kietelde, hun kruin streelde, meer niet, zodat ze wisten dat er aan hen werd gedacht, maar ze niet ontwaakten. En daarom op zondag, op zondag alleen, ging Susan met het vredige gevoel naar bed dat ze boven bij Susey was geweest om haar een nachtzoen te geven en haar warm in te stoppen, en dat ze zou slapen, zijzelf zowel als Susey.Het liefst zou Susan de vleselijke verschijning van de Dood vergeten, maar juist het beeld van Susey’s opgebaarde lichaam bleef haar levendigste herinnering aan haar. Haar onnatuurlijk bleke gezichtje, haar trekken, verstard in een uitdrukking die het midden hield tussen berusting en verbazing, haar handjes volwassen vroom gevouwen op haar borst, en koud, iedere keer dat Susan zich er niet van had kunnen weerhouden om haar vingertjes te grijpen, haar wang te kussen, was ze teruggeschrokken van het stugge, kille dat ze beroerde, als gesteven lakens in de winter.”

 

Anjet Daanje (Wijster, 1965)