Leonard Nolens, Mark Strand, Silvia Avallone, Marc Tritsmans, Patrick Cornillie, Stefan Chwin, Walid Soliman, Hubert Nyssen, Dorothy Allison

De Belgische dichter en schrijver Leonard Nolens werd geboren in Bree op 11 april 1947. Zie ook alle tags voor Leonard Nolens op dit blog.

 

De zoon

Je kijkt in het voorbijgaan in de spiegel
naar een paar dat steeds je blik ontwijkt.
Zij heeft je ogen groen gemaakt, je kreeg
zijn mond die nooit je wang heeft aangeraakt.

Ook als je bang weer doorloopt hoor je mat
als achter glas een man zijn ladders zingen,
hoog. En hoger. Tot zijn kopstem knapt
in het voorbijgaan om zich op te dringen.

Zo schuw en schril ben jij die twee dat pijn
in het geheim je roepnaam is, alleen
de spiegel weet hoe jij stilzwijgend heet.
Hij neemt een paar de maat en krijgt je klein.

 

Deontologie

Hoe ver mag ik gaan, hoe ver in alleenzijn, hoe diep,
En zonder dat ik straks uit haar gezicht verdwijn?
Zij, die ik in mij heb opgenomen, de noemenswaardige
Van wie ik leef, aan wie ik sterven moet, hoe ver
Kan zij mij volgen, mij, het zwartste pad, de smalste weg,
De wet die haar door mijn geboorte voorgeschreven werd?

Zij is de mens die ik besteel in al zijn vormen.
Ik ben het spook dat haar bekruipt, de giftige honing
Van haar bloed moet proeven om gezond te worden,
Dagelijks zuig ik haar dood. Hoe lang kan zij dit aan?
Hoe bang is zij in dit alleenzijn opgegaan, hoe klein?
Tot wij bij leven uit elkaars gezicht verdwenen zijn?

 

Deur

Hoe lang, met het getreuzel van de vrek
Die voor de reis zijn centen telt,

Hoe lang heb ik hier niet staan kloppen
Aan de deur van het leven,

Met de schuchterheid van vrouwen
Die zich schamen voor hun schoonheid,

Met mijn honger zich verkijkend
Op de kater na de dis, hoe lang

Heb ik hier niet staan kloppen
Aan de deur van het leven,

Met de pubernijd die spuwde
In de kluizen van het ouderhuis,

Met ongeborenheid bedorven
In de zon van moeders buik, hoe lang,

Met de misplaatste beleefdheid
Van een ongelukkig mens, hoe lang

Heb ik hier niet staan kloppen
Aan de deur van het leven

Die openstond.

 

 
Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)
Cover

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.

Our Masterpiece Is The Private Life
For Jules

I
Is there something down by the water keeping itself from us,
Some shy event, some secret of the light that falls upon the deep,
Some source of sorrow that does not wish to be discovered yet?

Why should we care? Doesn’t desire cast its rainbows over the coarse porcelain
Of the world’s skin and with its measures fill the air? Why look for more?

II
And now, while the advocates of awfulness and sorrow
Push their dripping barge up and down the beach, let’s eat
Our brill, and sip this beautiful white Beaune.

True, the light is artificial, and we are not well-dressed.
So what. We like it here. We like the bullocks in the field next door,
We like the sound of wind passing over grass. The way you speak,

In that low voice, our late night disclosures . . . why live
For anything else? Our masterpiece is the private life.

III
Standing on the quay between the Roving Swan and the Star Immaculate,
Breathing the night air as the moment of pleasure taken
In pleasure vanishing seems to grow, its self-soiling

Beauty, which can only be what it was, sustaining itself
A little longer in its going, I think of our own smooth passage
Through the graded partitions, the crises that bleed,

Into the ordinary, leaving us a little more tired each time,
A little more distant from the experiences, which, in the old days,
Held us captive for hours. The drive along the winding road

Back to the house, the sea pounding against the cliffs,
The glass of whiskey on the table, the open book, the questions,
All the day’s rewards waiting at the doors of sleep . .

 

 
Mark Strand (11 april 1934 – 29 november 2014)

 

De Italiaanse schrijfster Silvia Avallone werd geboren in Biella op 11 april 1984. Zie ook alle tags voor Silvia Avallone op dit blog.

Uit: Swimming to Elba (Vertaald door Antony Shugaar)

“Within the round blur of the lens, the body, headless, shifted slightly. A backlit wedge of flesh pulled into focus. From last year to this, that body had changed, slowly, under its clothing. And now, this summer, in the binoculars, it was bursting into view. The distant eye nibbled at the details: the strap of the swimsuit, the swimsuit bottom, a strand of seaweed on the hip. Muscles flexing just above the knee, the arc of the calf, an ankle dusted with sand. The eye swelled and reddened with the effort of burrowing into the lens. The teenage body leaped out of the field of view and plunged into the water. A moment later—the viewfinder now repositioned and the focus recalibrated—the body reappeared, topped by a gleaming blond head of hair. And a burst of laughter so violent—even from this distance, just the sight of it—that it shook you down to the ground. It felt like you had tumbled into that laugh, past the white teeth. And the dimples on the cheeks, and the hollow between the shoulder blades, and the indentation of the belly button, and all the rest. She was playing like any girl her age, without a hint of suspicion that someone might be watching her. Her mouth opened wide. What could she be saying? And to whom? She sliced into a wave, emerging from the water with the triangle of her swimsuit top askew. A mosquito bite on one shoulder. The man’s pupil constricted and dilated as if he were under the influence of narcotics. Enrico continued watching his daughter; the impulse was too strong to resist. He spied on Francesca from the balcony, after lunch. He was off his shift at the Lucchini steelworks. He tracked her, studying her through the lenses of his fishing binoculars. Francesca scampered over the wet sand and through the splashing waves with her friend Anna. They chased one another, tagging, touching, pulling each other’s hair, while he, from his vantage point high above, motionless with a cigar in one hand, stood sweating. His giant bulk, his sweat-drenched T-shirt, eyes staring, intent in the crushing blast of heat. He was just keeping an eye on her, or that’s what he said. He’d been doing it since she started going to the beach with those older boys, those characters that he found deeply suspicious. Boys who smoked cigarettes; boys who most likely smoked joints, for that matter. And when he talked to his wife about them, about those troublemakers who were clustering around his daughter, he shouted like a psychotic. They smoke joints, they snort coke, they deal pills, they want to fuck my daughter! He actually never uttered the last phrase. Instead, he pounded his fist on the table, or punched the wall. Maybe he’d started spying on Francesca before that, though: when the body of his little girl suddenly seemed to slough off its old skin, gradually taking on a specific flesh and odor, new and, perhaps, savage. His little Francesca had suddenly sprouted a mocking ass and a pair of irreverent tits. The bones of her pelvis had developed an arch, forming an angled spillway between her ribs and her abdomen. And he was her father.”

 


Silvia Avallone (Biella, 11 april 1984)

 

De Vlaamse dichter Marc Tritsmans werd geboren in Antwerpen op 11 april 1959. Zie ook alle tags voor Marc Tritsmans op dit blog.

 

Lenteschoonmaak

Weinig zachtzinnig zoals deze lentedag
in de luwte van het bos als een
woesteling tekeergaat: mijn ziel

zich snijdt aan het breekbare, messcherpe
groen van jong blad, door tomeloze
vogeldrift word overmand en vertrappeld,

binnenstebuiten gekeerd door de
goddelijke geur van kamperfoelie,
gekraakt en schoongeschraapt

door de weerloze zachtheid van dit
uit koude dromen ontwaakte landschap.
Door de mangel gehaald, verhakkeld,

als een voor mezelf onbekend man
ben ik blij als ik ’s avonds nog mijn
eigen huis herken en binnenga.

 

Aarde

dat ze van ons houdt is onwaarschijnlijk
dat ze ons wil houden lijdt geen twijfel
zo stevig trekt ze ons tegen zich aan
dat gewrichten almaar harder gaan kraken

en wij blijven wel koppig ontkennen
dat ze met ons kan doen wat ze maar wil
trachten vaak aan haar greep te ontsnappen
maar langer dan een dag laat ze ons niet los

op knieën dwingt ze ons ten slotte allemaal
doet ons huilend bekennen dat wij haar aanbidden
en als niemand het ziet willen we niets liever

dan haar vruchtbare koelte strelen, opsnuiven
de oeroude geur, koesteren de lome zwaarte
die ons draagt en ons uiteindelijk zal verpletteren

 

Geluk?

Soms, fietsend langs donkere
grachten, duikt je blik ongevraagd
een woonkamer binnen, stuit
op een glimlach, een hand op
een schouder, maar je bent al

voorbij. Niet meer dan een tiende
seconde lijkt nodig om haarscherp
te tonen waar het om gaat. Moet je
in je huis misschien gewoonweg trachten
te kijken alsof je er toevallig voorbij rijdt.

 

 
Marc Tritsmans (Antwerpen, 11 april 1959)

 

De Vlaamse dichter en schrijver Patrick Cornillie werd geboren in Roeselare op 11 april 1961. Zie ook alle tags voor Patrick Cornillie op dit blog

 

Een bed

Een bed is de nacht genegen.
De warmte gist er, doorzichtig & traag.
Een bed is op zijn best belegen,
gerijpt in de volle smaak van de slaap.

Een bed is gebouwd van sterke bomen
en plant zich voort in de adem van het hout.
Bladerend in de voedzame nerven van zijn dromen
wordt een handvol streelzucht er nimmer koud.

In een bed hoeft men zich nooit te vervelen.
Elk verhaal laat er zich lezen: zo voorlopig het wit
omheen wat ronde vormen zit,

zo raakt het geheim van satijn er aan kant.
Meervoudig krijgt elk vermoeden er gestalte. Want
: een bed immers is meer dan het geheel van de delen.

 

Gedicht

Dit is het beraamde uitzicht:
bij de stamelplaats aan het glas van een oude
ruit houdt de vlakte dagenlang
de adem in. Winter is een steenworp ver.

(Het is bitterkoud.
In de schaduwen van het sneeuwland
blinkt wat blauw.)

Straks kruipt de vorst naderbij
en bouwt de leegte verder uit.
Het dorp trekt een deken over het hoofd.
Huizen schuiven dicht tegen elkaar aan.

 

 
Patrick Cornillie (Roeselare, 11 april 1961)

 

De Poolse schrijver en literair historicus Stefan Chwin werd geboren op 11 april 1949 in Gdansk. Zie ook alle tags voor Stefan Chwin op dit blog.

Uit: Ein deutsches Tagebuch (Vertaald door Marta Kijowska)

„Meine Mutter kam in die Stadt am 30. September 1945. Eigentlich hätte sie sich nach dem, was sie im Warschauer Aufstand erlebt hatte, über gar nichts mehr wundern sollen. Doch als sie aus dem Warschauer Zug auf einem Gleis des niedergebrannten Bahnhofs mit der von Granatsplittern durchlöcherten Tafel „Danzig“ stieg, schreckte sie beim Anblick des Trümmerfeldes, das sich bis zum Horizont hinzog, richtig zurück. Im herbstlichen Nebel schimmerten die Ruinen der Marienkirche und der von einem Artilleriegeschoss geköpfte Rathausturm.
Dabei hatte es hier noch vor kurzem einige schöne Straßen gegeben. Dann aber kamen die Russen vom Süden und Osten her, bombardierten das Zentrum, Hitler erklärte die Stadt zu einer Festung, und die SS-Patrouillen machten in den Straßen Jagd auf junge Wehrmacht-Deserteure und hängten sie in der Großen Allee an den Straßenlaternen auf. Wie von einem überbelichteten Fotonegativ verschwanden im Gedonner der Artilleriekanonade, im Feuer und Rauch eines nach dem anderen die um die Jahrhundertwende errichteten Prachtbauten: das Hotel „Deutscher Hof“, das „Grandhotel Reichshof“ oder das „Continental“, und von dem ganzen Hotel „Danziger Hof“ war nur eine einzige verkohlte Wand übrig geblieben, in der jetzt durchgefrorene Spatzen wohnten. Vor dem Hohen Tor fiel auf die von Bomben durchlöcherte Fahrbahn das von seinem Sockel gestoßene Denkmal von Wilhelm I., vor dem am 27. September 1914 Paul von Hindenburg persönlich ein Soldatendefilee abgenommen hatte; es fand während der feierlichen Präsentation der russischen Kanonen statt, die von den deutschen Truppen in Ostpreußen erbeutet worden waren. Die Gebäude des Senats der Freien Stadt und der Provinzverwaltung gab es nicht mehr.
Meine Mutter verließ den Bahnhof, bestieg einen Pferdewagen und fuhr über die Große Allee zur Medizinischen Akademie. Hinter den Bäumen zogen die stillstehenden Kräne der zerstörten „Schichau-Werft“ vorbei, in der sie später viele Jahre arbeiten sollte.
Ich kann mich gut an die Landschaft jener Stadt erinnern. Es war die Landschaft meiner Kindheit. An heißen August- oder Septembertagen stieg über den Straßen der rote Staub zerbröckelter Ziegelsteine auf. Ich ging mit meinen Eltern in die Altstadt – oder besser: in das, was von der Altstadt übrig geblieben war – und schaute in die leeren Fenster ausgebrannter Häuser, in denen Gras, Moos und kleine Birken wuchsen. Die Innenstadt war leer. Im Januar 1945, im Schein des großen Feuers flohen von hier auf den Schiffen, die die Russen beschossen, Tausende Frauen, Männer und Kinder, von denen kaum jemand zurückkehren sollte.“

 


Stefan Chwin (Gdansk, 11 april 1949)

 

De Tunesische dichter, schrijver, essayist en vertaler Walid Soliman werd geboren op 11 april 1975 in Tunis. Zie ook alle tags voor Walid Soliman op dit blog.

Uit: Three hours in Fiumicino (Vertaald door Jason Casper)

“When I took my place on the plane, I noticed the fat lady speaking with one of the stewardesses. After sitting down, she turned to me and spoke as if she had solved a great puzzle, “They’ve taken the sick woman to the hospital. She’ll stay in Rome… they’ve contacted her husband…” It was only a few minutes until the plane took off. I, with tenderness, caressed the crystal dolphin in my pocket. After the plane had taken its route above the clear Roman skies, I put my hand in my pocket to take out the paper with Bella’s address…but I didn’t find it in my right pocket, although I was sure that’s where I put it. It wasn’t in my left pocket either. I frantically searched in all my pockets, but couldn’t find even a trace of it. It was then I realized it must have fallen from my pocket before getting on the plane. I took out the dolphin from my pocket, and contemplated it disappointedly… it was all that was left for me of Bella, or Anabella, who was born this day the sixth of April, of whom I could only wonder if I would ever meet her again.”


Walid Soliman (Tunis, 11 april 1975)

 

De Franse schrijver, essayist en uitgever Hubert Nyssen werd geboren in Boendael aan de rand van Brussel op 11 april 1925. Zie ook Zie ook alle tags voor Hubert Nyssen op dit blog.

Uit: L’Helpe Mineure

« Victor, lui, s’était mis au lit de bonne heure. Deux oreillers sous la nu que, les lunettes sur le nez, il relisait Le désert des Tartares de Buzzati. Le tiroir de la commode a grincé quand Julie l’a refermé. Mais qu’est-ce que tu fiches ? Sans se retourner elle a répondu qu’elle se choisissait des dessous pour le lendemain. Noirs, a-t-elle ajouté avec un petit ricanement car Victor y était attentif autrefois. Tu prends le deuil ? Elle s’est esclaffée, pourquoi prendrait-elle le deuil ? Parce que je suis en train de crever, Julie. Les neuf mots avaient trébuché l’un sur l’autre comme des dominos. Elle s’est retournée, les lunettes étaient tombées sur le livre, les yeux étaient révulsés. A la place qu’occupait Victor il y avait un spectre. Elle aurait dû se précipiter, se dirait-elle plus tard, tenter un massage cardiaque ou autre chose, mais la mort s’était manifestée avec une telle évidence que Julie n’avait pu en douter un instant. Victor avait disparu, rien ne le ferait revenir dans la vieille chrysalide abandonnée sur le lit. Elle a compris qu’elle était à nouveau seule, et cette fois pour le restant de ses jours. Tu me laisses donc tomber, mon tendre voyou, a-t-elle murmuré plus tard, alors qu’elle abaissait les paupières sur les yeux sans pupilles. Du bout des doigts elle a ensuite effleuré la barbe poivre et sel qui lui avait donné tant de frissons quand ce doux blaireau lui effleurait la nuque ou les seins. Mais la barbe était maintenant celle d’un mannequin dont le masque tentait d’imiter l’impénétrable visage aux yeux clos qu’avait Victor quand ses mains de médecin, courtes et potelées, après avoir palpé les flancs de Julie pour débusquer une douleur dont elle s’était plainte, ne tardaient pas à s’égarer. Pourquoi la mort parodiait-elle ainsi la vie ? Julie a remonté le drap jusqu’aux épaules en laissant le livre ouvert sur le ventre. Puis elle a éteint la lampe de chevet. Elle sortait d’un mauvais rêve, elle ne pleurait pas. Elle est descendue en chemise de nuit. Pour se remettre les idées en ordre elle allait se réchauffer un peu de café. Ce qu’il y avait à faire, coups de fil, légiste, mairie, il serait temps d’y penser le matin. Cette nuit, dans la soudaine solitude de L’Helpe mineure, cette vieille demeure qu’elle avait baptisée du nom de la rivière qui la frôle, elle laisserait la tristesse se répandre lentement en elle. S’il avait vécu quelques années encore, se disait Julie, Victor n’aurait sans doute pas tardé à entrer dans le cycle qu’il lui avait plusieurs fois décrit, où l’inutile rage de survivre engendre des misères. Perdre par des tremblements la précision des gestes, lui avait-il confié un soir, il s’y résignerait peut-être, il avait abandonné la chirurgie depuis longtemps. »

 

 
Hubert Nyssen (11 april 1925 – 12 november 2011)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Dorothy Allison werd geboren op 11 april 1949 in Greenville, South Carolina. Zie ook Zie ook alle tags voor Dorothy Allison op dit blog.

 

The Women Who Hate Me

2.
God on their right shoulder
righteousness on their left,
the women who hate me never use words
like hate speak instead of nature
of the spirit not housed in the flesh
as if my body, a temple of sin,
didn’t mirror their own.

Their measured careful words echo
earlier coarser stuff say

What do you think you’re doing?
Who do you think you are? Whitetrash
no-count
bastard
mean-eyed
garbage-mouth
cuntsucker
cuntsucker
no good to anybody, never did diddlyshit anyway

You figured out yet who you ain’t gonna be?

The women who hate me hate
their insistent desires, their fat lusts
swallowed and hidden, disciplined to nothing
narrowed to bone and dry hot dreams.
The women who hate me deny
hunger and appetite,
the cream delight
of a scream
that arches the thighs and fills
the mouth with singing.

 

 
Dorothy Allison (Greenville, 11 april 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e april ook mijn blog van 11 april 2018 en mijn blog van 11 april 2017 en ook mijn blog van 11 april 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en deel 3.

Leo Vroman, Jan van Mersbergen, Paul Theroux, Claudio Magris, Bella Akhmadulina, Stefan Heym, Richard Wagner, Marcel van Maele, Eric Knight

De Nederlandse dichter Leo Vroman werd op 10 april 1915 in Gouda geboren. Zie ook alle tags voor Leo Vroman op dit blog.

 

Een klein draadje

Met dat hoofd gebeurt nog eens wat.
Het gelaat ligt me al te plat
op de vette hersenkast.
Er gebeurt vast wat.

O, als ooit dit peinskistje splijt
als een vrij eetbare brei
verschijnt dan dit brein van mij
en bevlekt met gedachten de grond
maar de dood verzegelt mijn mond,
en minder dood dan wel veilig
sterft het schijnheilig.

Door de dood word ik graag overmand.
Ik vrees meer mijn gezond verstand.

Ik vrees dat leger van spinnen –
– de zenuwcellen daarbinnen.

Dat vreselijk web vol webben
kan ik eigenlijk niet goed hebben.

Wat zou er b.v. gebeuren
als twee draadjes zouden scheuren
en contact maken met elkaar
onzichtbaar, diep onder mijn haar,
terwijl ik uitwendig zo
maar in een winkel bezig ben
groenten en vlees te ko-
pen…

Er knetteren geen vlammen en vonken.
Iemand zegt: is hij dronken?

Opeens zit ik voor ons huis op de stoep
met zes duizend blikken soep.

En zegt mijn tedere vrouw:
lieverd, wat doe je nou?
Dan zeg ik: nu gaan we eten,
o nee, ik ben de soep vergeten.

Gebeurt het onder het dichten,
wie purp publiek dan inlichten
dat dit geen genialiteit
maar een purpje los is, of kwi

jt? Een draadje dat stroom opslurpt
van murp gedachtengurpt.

En kurpsluiting leidt tot brurp –
Brarp! Hurp! Hurp!

 

Lekker niet

Ach hoe verdacht lekker
languit in bed en
dat ik die wekker
niet hoef te zetten
vannacht

morgen niet met die pijpen va de
onder- en bovenbroek hoef te worstelen,
geen mensenvlees en tanden
meer hoef te borstelen,

geen griezelige roem en
geen angstig nieuw boek!
S.v.p. geen bezoek
en geen bloemen

 

Einde

Hij lijkt vast minder erg –
die lief bijeengebrachte
hoop spaanders van mijn gedachten –
op mij dan een berg.

Waar zal die laaiende gestalte
van mij dan uit bestaan
en waar kwam die al te late
eerste vonk vandaan?

 

 
Leo Vroman (10 april 1915 – 22 februari 2014)

 

De Nederlandse schrijver Jan van Mersbergen werd geboren in Gorinchem 10 april 1971. Zie ook alle tags voor Jan van Mersbergen op dit blog.

Uit: De laatste ontsnapping

“Gordels om, knippert het lampje.
Volgens mij is het de eerste keer dat hij zichzelf aan een stoel ketent en ook de eerste keer dat hij dat doet omdat een ander hem dat vraagt, eerst dat lampje en nu een blonde stewardess met een groene rok en dunne benen.
Zijn zoon Deedee zit links naast hem aan het raampje. Hij klikt ook zijn gordel vast.
De motoren zoemen al. We gaan opstijgen, we gaan naar de zon, naar het strand, naar het feest. Ik heb er zin in, echt.
In de auto naar het vliegveld deed hij zijn riem niet om. Ik zei er niks van. Toen we vlak bij het vliegveld waren vroeg ik hem hoe hij zich voelde nu ze samen op reis gingen, hij en zijn zoon. Hij dacht lang na. Toen zei hij: Ik ben nog nooit zo bang geweest.
Ik kon het wel aan hem zien. Hij was heel stil. Nog stiller dan anders. Ik liet hem een tijdje zo naast me in de auto zitten. De jongens zaten op de achterbank, mijn zoon Ruben en Deedee, beste vrienden. Ze keken uit het raam en telden vrachtwagens, ze volgden het gesprek niet. Ze waren al over de vierhonderd.
Nog nooit zo bang geweest.
Vlak voor we vertrokken zocht ik hem thuis op. We zaten op zijn balkon. Ik vroeg hem of hij nog mee wilde. Ik had hem een tijd niet gezien en hoopte dat hij wel zou gaan. Ik hoopte het echt want die jongens keken ernaar uit en zonder zijn act zou het gewoon een normale vakantie zijn. Ook toen op dat balkon zei hij lang niets en legde een hand op mijn arm en zei: Toen ik alles kwijtraakte verloor ik ook de angst om alles kwijt te raken.
Heel lang was hij nergens bang voor, echt nergens voor. Vrij als een vogel die zomaar ergens heen kan vliegen, niet omdat hij voedsel moet zoeken of omdat hij dorst heeft, omdat hij moet schuilen voor de regen, gewoon omdat hij op deze wereld is en zijn plek niet alleen hier is maar ook daar, aan de andere kant van die schutting, hoog in een boom, over de schoorstenen, op een oude antenne op een of ander dak.”

 

 
Jan van Mersbergen (Gorinchem, 10 april 1971)

 

De Amerikaanse schrijver Paul Edward Theroux werd geboren op 10 april 1941 in Medford, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Paul Theroux op dit blog.

Uit: Hotel Honolulu

“Nothing to me is so erotic as a hotel room, and therefore so penetrated with life and death. Buddy Hamstra offered me a hotel job in Honolulu and laughed at my accepting it so quickly. I had been trying to begin a new life, as people do when they flee to distant places. Hawaii was paradise with heavy traffic. I met Sweetie in the hotel, where she was also working. One day when we were alone on the fourth floor I asked, Do you want to make love? and she said, Part of me does. Why smile? At last we did it, then often, and always in the same vacant guest room, 409. Sweetie got pregnant, our daughter was born. So, within a year of arriving, I had my new life, and as the writer said after the crack-up, I found new things to care about. I was resident manager of the Hotel Honolulu, eighty rooms nibbled by rats.
Buddy, the hotel’s owner, said, We’re multistory.
I liked the word and the way he made it multi-eye.
The rooms were small, the elevator was narrow, the lobby was tiny, the bar was just a nook.
Not small, Buddy said. Yerpeen.
I had gotten to these green mute islands, humbled and broke again, my brain blocked, feeling superfluous, out of the writing business, and trying to start all over at the age of forty-nine. A friend of mine recommended me to Buddy Hamstra. I applied for this job. It wasn’t for material; it was the money. I needed work.
My manager’s a typical local howlie — a reetard, Buddy said. Fondles the help. Always cockroaching booze. Sniffs around the guest rooms.
That’s not good, I said.
And this week he stepped on his dick.
Not good at all.
He needs therrpy, Buddy said. He’s got lots of baggage.
Maybe that’s what he likes about the hotel — that he has a place to put it.
Buddy sucked his teeth and said, That’s kind of funny.
The idea of rented bedrooms attracted me. Shared by so many dreaming strangers, every room was vibrant with their secrets, like furious dust in a sunbeam, their night sweats, the stammering echoes of their voices and horizontal fantasies; and certain ambiguous odors, the left-behind atoms and the residue of all the people who had ever stayed in it. The hotel bedroom is more than a symbol of intimacy; it is intimacy’s very shrine, scattered with the essential paraphernalia and familiar fetish objects of its rituals. Assigning people to such rooms, I believed I was able to influence their lives.”

 

 
Paul Theroux (Medford, 10 april 1941)

 

De Italiaanse schrijver en vertaler Claudio Magris werd geboren op 10 april 1939 in Triëst. Zie ook alle tags voor Claudio Magris op dit blog.

Uit: Het museum van oorlog (Vertaald door Linda Pennings)

“Gebruikte onderzeeërs — inkoop en verkoop. De annonce in de Piccolo banditore was van 26 oktober 1963; kennelijk zag hij zich gedwongen —toen hij was overladen met schulden, misleid door de miljoenenbeloften van verschillende instanties en zelfs ministeries, afgeperst door woekeraars, belaagd door de eigenaren van de terreinen en hangars waar hij zijn vliegtuigen en gebombardeerde legerbruggen had opgesteld — om enkele stukken van grotere tonnage te verkopen, maar was hij op het moment dat hij tot verkoop besloot meteen weer in de greep van zijn Furiën geraakt en probeerde hij ook te kopen, onduidelijk met welk geld, maar hoe dan ook te kopen: duikboten, pantservoertuigen of toestellen voor het vegen van mijnen. Dat kon het begin zijn; het voorportaal van het Museum, waar je binnenkomt. Aan de wand tegenover de bezoeker een groot zwart scherm, bewogen door een vage rimpeling, geluid van water op de achtergrond; zijn gezicht verschijnt in dat donker, een foto van begin jaren zeventig. Een hoofd dat uit de zwarte wateren opdoemt, schichtige, schrandere ogen; straaltjes zweet, waterdruppels druipen langs de Pannonische jukbeenderen. Midden in de zaal de onderzeeër, een U-boot van de Kaiserliche und Kaigliche Kriegsmarine uit de Eerste Wereldoorlog, onduidelijk hoe verworven of verkregen. Gebruikte onderzeeërs — inkoop en verkoop. Een pompeuze, insinuerende stem. Gereconstrueerd, kundig samengesteld uit verschillende radio-opnamen van Radio Triëst. Een onschuldige handelsadvertentie die dankzij de stem — gemonteerd en dus echt, wezenlijk, niet toevallig en veranderlijk zoals op het moment van praten — een lokaas wordt, het aanbod van een pooier in de schaduw. Het Museum betreden zoals je een nachtclub betreedt, beloftes in neonlicht; dat kan een goed idee zijn, dacht Luisa. Ook al ontbrak de hoofdattractie, het meest gezochte en besproken kopstuk, die befaamde dagboeken. Een inwijdingsmysterie waarin het dulcis in fundo, de korenaar die de adept zegent, ontbreekt. De familie was daarover duidelijk geweest, in die brief gericht aan de directeur van de Corriere Adriatico en met groot vertoon gepubliceerd. `…Staat u ons toe, als zijn erfgenamen, om uiting te geven aan onze verbijstering en ontsteltenis over het op 12 maart jongstleden in uw krant gepubliceerde bericht. Wij begrijpen niet met welk recht en op welk gezag kan worden aangekondigd dat ook zijn dagboeken — duizenden bladzijden van genummerde schriften, met diverse verwijzingen en aanvullingen — tezamen met het omvangrijke oorlogsmaterieel zullen worden ondergebracht in dat Museum gewijd aan de documentatie van de oorlog ter verheerlijking van de vrede, een Museum dat hij, met zijn rijke maar altijd doordachte verbeelding, besloten had “Ares voor Irene” te noemen, de god van de oorlog die een apostel voor de vrede wordt.”

 

 
Claudio Magris (Triëst, 10 april 1939)
Cover oorspronkelijke uitgave

 

De Russische dichteres Bella Akhmadulina werd geboren op 10 April 1937 in Moskou. Zie ook alle tags voor Bella Akhmadulina op dit blog.

 

Farewell

And I shall tell you at the end:
farewell, don’t pledge self to love, helpless.
I go mad, or just ascend
to the high echelon of madness.

How had you loved? – You’d put aside
even the Death. But ‘tis not matter.
How had you loved? You’d done that right,
but you had had to do that better.

Hell of a blunder! I shall not
Forgive you else. It lives – my body –
it roams, sees the real world,
but just with emptiness it’s loaded.

My mind yet makes its scanty work,
But arms had helplessly felled down,
and, likewise a small airy flock,
vanish aslant all smells and sounds.

 

Incantation

Don’t mourn for me – I shall survive –
The kind convict, the somewhat happy pauper,
The frozen southerner inside the Pole Circle,
The angry northerner in the consumption’s locker
On the mosquitoes South – I shall survive.

Don’t mourn for me – I shall survive –
The little lame-one, begging in the parvis,
The drunken-one, that’s left amidst the tables,
And this one, daubing just the image Marie’s,
That God’s bad painter – I shall, yet, survive.

Don’t mourn for me – I shall survive –
The girl, in rules of grammar-books unblemished,
Which, in the future undefined and selfish,
Like a dull fool, under my fringe, the reddish,
Will know my verse. For sure, I will survive.

Don’t mourn for me – I shall survive –
The one who’s kinder than the fresh wounds’ nursing
Under the crazy military bursting,
Under the star of mine, that’s ever glossing…
In any way … I’ll really survive.

 

Vertaald door Yevgeny Bonver

 

 
Bella Akhmadulina (Moskou, 10 April 1937)

 

De Duitse dichter en schrijver Stefan Heym (eig. Hellmuth Flieg) werd geboren op 10 april 1913 in Chemnitz. Zie ook alle tags voor Stefan Heym op dit blog.

Uit: The Architects

“They would soon reach Brest, he heard one of the guards mention. The guards were playing dominoes, noisily banging the small black pieces on a board laid across their knees, and smoking Machorka. The car swayed and rattled, and the stench of sweat and agony refused to lift despite the open vents and door. Brest, he thought. Since last year—this much had penetrated taiga and prison wall—the town and fortress of Brest had been Soviet. Beyond them lay the border, lay Germany bloated with Nazi conquest. The blurred anxiety, his since being told he would be deported, now came into focus; it took energy to assure oneself that nothing more terrible lay ahead than a transfer from the frying pan into the fire. He had settled with life. The death of Babette, cruel though it was to think of it this way, was the finish to a worry; fear for Julia remained, but even that was blunted by the hope that Sundstrom, with his talent and connections, might have escaped arrest and be taking care of the child. His own road ran in a straight line: The forthcoming ceremony at the border—that act of friendly interna-tional cooperation by which one police force handed an inconve-nient Communist to another—led to a new jail and further ques-tioning, though no longer by Dmitry Ivanich or Ivan Dmitrych, and then to a camp, German this time, and reunion perhaps with comrades he hadn’t seen for seven years—since 1933—survivors like himself.
The car lurched; the segment of landscape in the open door swayed. His heart contracted in sudden shock: What would he tell them? This was a new angle; it held its own particular terror. Tell them the truth? That he and Babette had been arrested like enemies of the people, at four in the morning—four ten, to be pre-cise—and imprisoned, and starved, and beaten, and kept from sleep during the day and questioned at night, night after night, till their nerves screamed and their brains sagged? That they had done everything to coerce him into signing a confession to something he had never done, Ivan Dmitrych and Dmitry Ivanich shoving that sheet of yellow lined foolscap at him over and over again, hour after hour? That he had been left to rot in a cubicle of solid putrefac-tion, jammed in with an ever-changing number of men—Men, how proud that sounds, Gorky once had said—men confused and stupefied, staring blindly into space or slashing out over a drip of kasha, breaking into shrill hysterics or dying dumbly; men, like himself, left to wait for a decision that was to be made by some authority unknown at some time not scheduled?”

 

 
Stefan Heym (10 april 1913 – 16 december 2001)

 

De Duitse schrijver Richard Wagner werd geboren op 10 april 1952 in Lovrin, in Roemenië. Zie ook alle tags voor Richard Wagner op dit blog.

Uit: Der leere Himmel

„Der rumänische Geheimdienst hat mehrmals Auftragsmörder angeheuert, um Redakteure dieses Senders, rumänische Emigranten, zu überfallen. Schwere Verletzungen erlitt bei einem solchen Überfall im Juli 1981 Emil Georgescu. Er wurde in seinem Hauseingang mit 26 Messerstichen traktiert. Ungeklärt ist bis heute der Tod des populären Musikredakteurs Cornel Chiriac, dessen Sendung »Metronom« einen immensen Einfluß auf die rumänische Jugendkultur hatte. Mindestens zwei Generationen haben ihm ihren Bezug zur westlichen Popkultur und auch ihre Politisierung zu verdanken. Chiriac wurde 1975 in einem Münchner Park tot aufgefunden. Die rumänische Securitate versorgte die Carlosgruppe mit falschen Pässen. Im Vorfeld der Aktion »Münchner Tango« wurde Carlos vom stellvertretenden rumänischen Geheimdienstchef, dem General Nicolae Plesija, empfangen. Der Anschlag auf Radio Free Europe, der am 21. 2. 1981 ausgeführt wurde, war von Budapest aus vorbereitet worden. Der ungarische Geheimdienst war über die Aktion im Bilde. Die schlampig arbeitende Terrorschickeria der Carlosgruppe traf aber fälschlicherweise die tschechische Abteilung des Senders. Und dann kamen Wende und Vereinigung, und die Demokratie hielt Einzug in Osteuropa. Die Restaurants waren plötzlich nicht mehr jugoslawische Restaurants, sie hießen zwar weiterhin Dubrovnik und Split, aber sie führten jetzt kroatische und internationale, manchmal ausdrücklich europäische Küche. Keiner fuhr mehr an die Adria und kaum noch einer ans Schwarze Meer. An der Adria, an der Fernseh-adria, wurde geschossen, und am Schwarzen Meer regierte das Nichts.“

 

 
Richard Wagner (Lowrin, 10 april 1952)
Cover

 

De Vlaamse dichter en beeldhouwer Marcel van Maele werd geboren in Brugge op 10 april 1931. Zie ook alle tags voor Marcel van Maele op dit blog.

 

Luistervink

In dit verlaten labyrint,
waaruit zelfs de voornaamwoorden zijn ontsnapt,
dwaalt de dichter als belleman
vermomd. Vogelvrij, denkt hij.
Zo treedt hij op in dit gedicht
en loopt verloren.

Geen kat in dit godvergeten gat:
een vogelschrik vol ongemak,
een praatpaal in de vlakte, stom en doof,
een praalgraf in pronkzucht verzonken.

En op de gebarsten steen troont, in vol ornaat,
een marmeren vink luisterend naar de stemmen
van weleer. Hier stokt het stoken.
Van labyrint tot graf vervreemden de beelden
en ketenen vriend en vijand aan elkaar.

 

 
Marcel van Maele (10 april 1931 – 24 juli 2009)
Uitnodiging voor een tentoonstelling in Brugge

 

De Amerikaanse schrijver Eric Knight werd geboren op 10 april 1897 in Menston in Yorkshire, Engeland. Zie ook alle tags voor Eric Knight op dit blog.

Uit: Lassie Come-Home

“A dog,” the old man said. He shaded his eyes with his hand. The artist did the same. “So it is. I can see now.” Now that he was satisfied, Freeth made as if to turn to his painting, but the older man still gazed steadily. His attention brought the artist back to steady staring. “A collie,” McBane said. “Now what would it be doing .. .” “Oh, probably one from somewhere around—a farm dog.” The Scotsman shook his head. Gazing steadily, he saw the animal come to the water’s edge and wade in several feet. Then it backed away, ran along the bank several yards, and tried again. It kept repeating this, as if at some new spot it would find the water had disappeared and dry land was at its feet. “Havers, Mr. Freeth. It looks as if it’s seeking to cross.” “Perhaps it wants to follow us to the island.” “Nay. It’s seeking to cross.” As if to remove all doubt, they heard a querulous whine—a short series of lifting cries such as a dog makes when it finds itself barred by something that surpasses its understanding. “Aye, it’s wishful to cross,” the Scot repeated. “I think I’ll tak’ a row across by there and . . .” As he spoke, he walked to the beach and lifted the bow of the rowboat. The shipped oars thumped in the rowlocks, and the noise went eddying across the still surface of the loch. At that moment Leslie Freeth saw the dog lift its head and then turn away.”

 

 
Eric Knight (10 april 1897 – 14 januari 1943)
Eric Knight, Lassie en regisseur Fred M. Wilcox op de set van Lassie Come Home, 1943

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e april ook mijn blog van 10 april 2016 deel 2.

Robert Binyon

De Engelse dichter, toneelschrijver en kunsthistoricus Robert Laurence Binyon werd geboren op 10 april 1869 in Lancaster, Lancashire, Engeland. Als zoon van een predikant werd Binyon opgeleid aan de St. Paul’s School in Londen. Op Trinity College, Oxford, ontving hij de Newdigate-prijs voor zijn gedicht “ Persephone” (1890). Hij combineerde zijn levenslange interesses – boeken en schilderen – toen hij in 1893 begon te werken in het British Museum in Londen, waar hij later de leiding had over de afdeling oosterse prenten en tekeningen. Zijn eerste boek over oosterse kunst was “Painting in the Far East” (1908), wat nog steeds een klassieker is. Tot zijn latere boeken over kunst behoren “The Flight of the Dragon“ (1911) en “The Spirit of Man in Asian Art” (1935), evenals geschriften over Engelse aquarellen. De Eerste Wereldoorlog onderging hij als een verpletterende ervaring en voor Binyons gedicht “For the Fallen” (1914) kreeg hij onmiddellijk erkenning als de uitdrukking van de gevoelens van een gedesillusioneerde generatie. Het gedicht werd op muziek gezet door Sir Edward Elgar. Zijn beste poëzie, hoewel geschreven na de oorlog, gebruikte de traditionele dictie van de vooroorlogse jaren. Zijn Verzamelde Gedichten verschenen in 1931. Hij zette zich ook in voor de herleving van het versdrama; tot de werken in die vorm behoren “Attila” (1907), “Arthur” (1923) en “The Young King” (1934). Zijn vertaling in verzen van de Goddelijke Komedie van Dante werd in 1933, 1938 en 1943 in drie delen gepubliceerd.

For The Fallen

With proud thanksgiving, a mother for her children,
England mourns for her dead across the sea.
Flesh of her flesh they were, spirit of her spirit,
Fallen in the cause of the free.

Solemn the drums thrill; Death august and royal
Sings sorrow up into immortal spheres,
There is music in the midst of desolation
And a glory that shines upon our tears.

They went with songs to the battle, they were young,
Straight of limb, true of eye, steady and aglow.
They were staunch to the end against odds uncounted;
They fell with their faces to the foe.

They shall grow not old, as we that are left grow old:
Age shall not weary them, nor the years condemn.
At the going down of the sun and in the morning
We will remember them.

They mingle not with their laughing comrades again;
They sit no more at familiar tables of home;
They have no lot in our labour of the day-time;
They sleep beyond England’s foam.

But where our desires are and our hopes profound,
Felt as a well-spring that is hidden from sight,
To the innermost heart of their own land they are known
As the stars are known to the Night;

As the stars that shall be bright when we are dust,
Moving in marches upon the heavenly plain;
As the stars that are starry in the time of our darkness,
To the end, to the end, they remain.

 Lament

Fall now, my cold thoughts, frozen fall
My sad thoughts, over my heart,
To be the tender burial
Of sweetness and of smart.

Fall soft as the snow, when all men sleep,
On copse and on bank forlorn,
That tenderly buries, yet buries deep
Frail violets, freshly born.

Come Back, Sweet Yesterdays!

Come back, sweet yesterdays!
Sweet yesterdays, come back!
Ah! not in my dreams only
Vex me with joy, to wake
From dream to truth, twice lonely,
And with renewed heart–ache.
Let night be wholly black,
So day have some kind rays.
Come back, sweet yesterdays!
Sweet yesterdays, come back!

Robert Binyon (10 april 1869 – 10 maart 1943)

Eva Gerlach, Charles Baudelaire, Jelle Brandt Corstius, Karel Jonckheere, Jolz Denby, Albert von Schirnding, Johannes Bobrowski, Bernard-Marie Koltès, Yaël Vinckx

De Nederlandse dichteres en vertaalster Eva Gerlach (pseudoniem van Margaret Dijkstra) werd geboren in Amsterdam op 9 april 1948. Zie ook alle tags voor Eva Gerlach op dit blog.

 

Vaak vrij horizontaal

Een lijster: die hadden we nooit
gehad al die tien jaar, zong in de vlier en zong
onder ons raam juist zoals wij hadden gedacht
dat zij zingen. En zat met zijn snavel vol torren
stil zovaak wij keken, avonden lang
aten wij gebukt, het kon niet op
tot, zou je zeggen tsip? nee sjuk, hij wegbleef.
Een tijdje probeerde ik zijn lied
voor ’s ochtends vroeg, vierregelige ruime
verzen waarin iets koninklijks en iets
van krabben in de grond maar het wou niet, aldoor begon
wat ik niet had gehoord en niet gemist
zachtjes te zeuren. Waarom
als je zoveel van wat je ziet vergeet, de dingen
zo gauw, je krijgt me niet, uit je loslaten
dat je je afvraagt of je wel bestaat komt juist
het lichtste steeds voorbij, wacht tot de kust vrij is,
roept je met snavels vol eten.

 

Val

Een boom lag op de weg waarover wij
liepen jij en ik. Er zaten kleine
gaten rondom in zijn gepelde lijf
en toen wij op hem stapten barstte hij
tweemaal open. Door de kieren kwamen
imago’s aangekropen hemelsbreed,
de stroom in hem een zwerm. Wij konden geen
kant uit, stonden in het ongetemde
verhout, iets maakte ons van oor tot oor
eetbaar. Hart, zei je, gauw, wij lopen door.

 

13.00 uur

Eten, dagenlang voor je meegebracht,
verzamelde ik uit laden naast het bed
dat je afdruk nog niet kwijt wou. Aangebeten
vruchten, taart in zijn sarcofaag verdroogd,
vleesresten in je zakdoek uitgespogen,
brood dat onder een mossen deken lag.
Nu, het is tijd, ga zitten. Eet. Wees stil,
niet mopperen. Eet, leef omdat ik het wil.

 


Eva Gerlach (Amsterdam, 9 april 1948)

 

De Franse dichter Charles Baudelaire werd geboren in Parijs op 9 april 1821. Zie ook alle tags voor Charles Baudelaire op dit blog.

 

Hymne

À la très chère, à la très belle
Qui remplit mon coeur de clarté,
À l’ange, à l’idole immortelle,
Salut en l’immortalité !

Elle se répand dans ma vie
Comme un air imprégné de sel,
Et dans mon âme inassouvie
Verse le goût de l’éternel.

Sachet toujours frais qui parfume
L’atmosphère d’un cher réduit,
Encensoir oublié qui fume
En secret à travers la nuit,

Comment, amour incorruptible,
T’exprimer avec vérité ?
Grain de musc qui gis, invisible,
Au fond de mon éternité !

À la très bonne, à la très belle
Qui fait ma joie et ma santé,
À l’ange, à l’idole immortelle,
Salut en l’immortalité !

 

Je suis comme le roi d’un pays pluvieux

Je suis comme le roi d’un pays pluvieux,
Riche, mais impuissant, jeune et pourtant très vieux,
Qui, de ses précepteurs méprisant les courbettes,
S’ennuie avec ses chiens comme avec d’autres bêtes.
Rien ne peut l’égayer, ni gibier, ni faucon,
Ni son peuple mourant en face du balcon.
Du bouffon favori la grotesque ballade
Ne distrait plus le front de ce cruel malade ;
Son lit fleurdelisé se transforme en tombeau,
Et les dames d’atour, pour qui tout prince est beau,
Ne savent plus trouver d’impudique toilette
Pour tirer un souris de ce jeune squelette.
Le savant qui lui fait de l’or n’a jamais pu
De son être extirper l’élément corrompu,
Et dans ces bains de sang qui des Romains nous viennent,
Et dont sur leurs vieux jours les puissants se souviennent,
Il n’a su réchauffer ce cadavre hébété
Où coule au lieu de sang l’eau verte du Léthé.

 

Ik wijd je dit gedicht

Ik wijd je dit gedicht, zodat, als ooit mijn naam
Voorspoedig in een verre tijd aan land zal komen,
Groots voortgedreven als een schip door een orkaan,
En op een avond stervelingen zal doen dromen,

Jouw aandenken zo fabelachtig als fantomen
De lezer afmat als een monotoon timpaan
En, in mijn laaghartige verzen opgenomen,
Door een geheime broederband blijft voortbestaan,

Verdoemde vrouw, jij die vanaf de hellegrond
Tot aan de hemeltrans slechts mij als toevlucht vond:
-O jij die, als een schim onmiddellijk verzwonden,

Met lichte voet en onbewogen blik trapt op
De dwaze stervelingen die je wrang bevonden,
Standbeeld met gitzwart oog, engel met bronzen kop.

 

Vertaald door Paul Claes

 

 
Charles Baudelaire (9 april 1821 – 31 augustus 1867)
Cover

 

De Nederlandse schrijver, correspondent en programmamaker Jelle Brandt Corstius werd geboren in Bloemendaal op 9 april 1978. Zie ook alle tags voor Jelle Brandt Corstius op dit blog.

Uit: Rusland voor gevorderden

“Als ik bezoek heb, vertel ik ze altijd de belangrijkste regel om te overleven in Rusland. De regel klinkt simpel maar is het niet: Stel nooit de Waaromvraag. Enkele typische vragen: Waarom kijken ze zo lang naar mijn paspoort bij de douane? Waarom zit er wel iemand achter de kassa, maar is het museum gesloten? Waarom zit de warmwaterkraan op de plaats van de koudwaterkraan? Waarom zegt de giromaat dat mijn saldo niet toereikend is en geeft hij vervolgens te veel geld? ‘Maar waarom kan ik dat niet vragen?’ wil het bezoek vervolgens weten. Dat is simpel: ten eerste zul je nooit een antwoord krijgen. En ten tweede zul je vroeg of laat doordraaien als je je dat soort dingen te lang afvraagt. De Russen zelf hebben het al lang geleden opgegeven. Zij zijn gewend om in een land te leven waar niets vanzelfsprekend is. Bijvoorbeeld: ik rijd door een drukke straat in het centrum van Moskou. Ik weet niet zeker of ik op een bepaald stoepje mag parkeren. Er loopt een agent langs en ik vraag hem of dat mag. Een Nederlandse agent zou ‘ja’ of `nee’ zeggen. De Russische agent antwoordt: ‘V principje da’, wat neerkomt op: in principe wel. In principe ja en in principe nee, het zijn de meest gehoorde antwoorden in Rusland. Niets is vanzelfsprekend in Rusland, klagen de Nederlanders die koppig duidelijkheid verlangen. Maar aan de andere kant: alles is mogelijk in Rusland. Heel Rusland is een schemergebied van onduidelijke regels, onduidelijke mensen en onduidelijk eten. Doordat dingen hier voortdurend stuk- of misgaan, hebben de Russen overigens wel een gave om zich uit de meest onmogelijke situaties te redden. Onlangs las ik het boek What Would MacGyver Do? met echt gebeurde verhalen van mensen die, net als de man uit de gelijknamige serie, met beperkte middelen een uitweg zoeken uit een benarde situatie. De verhalen waren voornamelijk afkomstig van Amerikanen. Bijvoorbeeld het verhaal van een man die vast kwam te zitten in de sneeuw en met behulp van popcorn weer grip op de weg kreeg. Ik was niet onder de indruk. In elke Rus huist een MacGyver. Eén `waaromvraag’ blijft meestal toch hardnekkig hangen tot het eind van de vakantie: ‘Wat bezielde je in dit land te gaan wonen?’ Rusland heeft het imago een onherbergzaam en onwelkom land te zijn, vol met lelijke gebouwen en roestende fabrieken.”

 

 
Jelle Brandt Corstius (Bloemendaal, 9 april 1978)

 

De Vlaamse dichter en schrijver Karel Jonckheere werd geboren in Oostende op 9 april 1906. Zie ook alle tags voor Karel Jonckheere op dit blog.

 

Tussen zomer en herfst

De zomer waait uiteen, de natte blaren klagen,
verwilderd en verbaasd, in dezen regennacht.
De dieren schuilen dicht, geen vriend wordt meer verwacht,
wij zijn opnieuw alleen om ’t leven te ondervragen.

Ik vraag u dan terstond, nu gij u traag ontkleedt,
met het verdroomd gebaar, dat ik al ken sinds jaren:
een halfontblote borst, het uitslaan van uw haren,
terwijl ge ritueel een harden appel eet, –

ging iets van wat ons bond dit jaar alweer verloren,
niet uit verwijdering of matter liefdespel,
een nacht vereenzaming is van zo weinig tel
en kan misschien ons vlees maar niet ons hart verstoren; –

maar wat vergaat, voor goed, en niemans schuld verdient:
dat oud verdriet in ons, dat weinigen vermoeden?
De zomer waait uiteen, en wie zal ons vergoeden,
hoe wordt thans onze naam: geliefde of goede vriend?

 

Het spel

In ’t nieuw bezochte land, nog weken vóór het keren,
beviel hem soms het spel zijn ogen neer te slaan
en thuis te zijn, alleen om zich aan ’t oud begeren
te kunnen zeer doen, dàt van weer op reis te gaan.

Hij dreef de gril zo ver, wie bleven aan te spreken,
de vrouw, die hem begrijpt, den hond, die hem reeds kent,
het huis, waarvan hij houdt en dat hem zal ontbreken,
en veel dat men verlaat voor iets nog onbekend.

Had hem die pijn voldaan, dan kon hij niet geloven
hoe buiten om hem heen, ’t begeerde landschap lag,
hoe één flits van zijn wil het heimwee kon verdoven,
zodat hij aarzelde, als hij de palmen zag.

Een kinderlijk geluk ging telkens in hem zingen,
daar hij de macht bezat, die slechts een god behoort,
om verte en tijd, van droom tot vaste kern te dwingen,
zoals tot levend beeld een plots verrijzend woord.

Nu zit hij weerom thuis en in den schemer pogen
zijn woorden te verhalen hoe men ginder leeft.
Maar geen der vrienden leest uit zijn ontluisterde ogen
dat hier het land niet ligt, dat hij verlaten heeft.

 

De twee katten

De ene is de moeder. Zij ligt dichter bij het vuur
en haar gebroken wimperlijn dekt dieper dromen.
De jonge is zwanger en zit pronkend langs de muur
te luistren naar de wind en ’t spinnen van de bomen.

Er is geen peilen aan wie van hen, jong of oud,
het blindst gelukkig is; vóór morgen, na verleden?
Want wie zijn pijprook kent leest nuchter en vertrouwd:
‘Vraag aan het hart alleen een rustig kloppend heden.’

Tot eens de rust verveelt, – dit herfstweer woelt ons bloot
en blaast de askoek van het vlees tot nieuwer vuren -,
dan schrikken wij verbaasd, als uit een hoge goot
de wilde katerskreet weer lokt naar avonturen.

 


Karel Jonckheere (9 april 1906 – 13 december 1993)
Cover

 

De Engelse dichteres, schrijfster en “spoken-word artist” Joolz Denby werd geboren op 9 april 1955 in Colchester. Zie ook alle tags voor Joolz Denby op dit blog.

 

Bradford (Fragment)

Stark against the huge backdrop of the clouds stand
the monumental sandstone buildings,
the Wool Barons’ proud and unflinching legacy,
palaces of trade that couldn
t be built now,
will never be built again by modern hands
no longer trained to patience and the skills
that turned the primeval bones of earth into carvings
as dense and intricate as nature herself.

Glancing up I see faces, plants and creatures made from stone
decorating every cornice, edge and buttress;
petrified sailing ships in full rig and portraits of
adamantine queens in medallions set on the
slab-sides of crumbling, forgotten towers.
Camels stride past pyramids cut out of stone by
men who would never see such things for themselves.
In the hundred niches that pock the great cliff of city hall
blind saints and craggy kings gaze into nothing
bound by masonry ropes and sandstone swags of ivy.
On other walls, griffins perch on acanthus twists
and arabesques, curlicues and cutwork
so deep you can stick your fingers in it
foam, twine and snake up spires that
reach greedily for the golden light that daily
turns their crushed crystals to living amber
for a few brief moments of glory . . .

 


Joolz Denby (Colchester, 9 april 1955)

 

De Duitse dichter, schrijver, essayist en criticus Albert von Schirnding werd geboren op 9 april 1935 in Regensburg. Zie ook. Zie ook alle tags voor Albert von Schirnding op dit blog.

Uit: Thomas Mann

„Der Dichter Hans Carossa erinnert sich an das im Krieg zerstörte Münchner Café Stephanie, auch «Café Größenwahn» genannt, in dem um die vorletzte Jahrhundertwende Schwabinger Literaten und Künstler verkehrten. Obwohl auch der junge Thomas Mann in Schwabing wohnte, zählte er nicht zu den Gästen des Cafés.
Man konnte ihn aber durch die großen Fenster «raschen Schrittes» über die Straße gehen sehen, «unauffällig tadellos gekleidet». Den Verfasser von Erzählungen wie Gladius Dei oder Tristan merkte man diesem Herrn nicht an, eher konnte man ihn für einen «Vertreter der Großindustrie» halten, der sich «auf dem Wege zur Aufsichtsratssitzung ein wenig verspätet hatte». Weniger wohlwollende Augenzeugen assoziierten die Erscheinung des wenige Jahre nach der Veröffentlichung seines ersten Romans Buddenbrooks (1901) berühmt gewordenen Schriftstellers mit einem mittleren Bankbeamten. Der aus der Hansestadt Lübeck mit neunzehn Jahren nach München gezogene Senatorensohn trug und betrug sich nach hanseatisch korrekter, kühler und distanzierter Art. In der Hochburg der Boheme fiel er gerade durch seine Unauffälligkeit aus dem Rahmen. Seinen Doppelgänger, den Schriftsteller Tonio Kröger in der gleichnamigen Novelle von 1903, läßt er zu einer befreundeten Malerin sagen: «Wünschten Sie, daß ich in einer zerrissenen Sammetjacke oder einer rotseidenen Weste umherliefe? Man ist als Künstler innerlich immer Abenteurer genug. Äußerlich soll man sich gut anziehen, zum Teufel, und sich benehmen wie ein anständiger Mensch.» So hielt er es sein Leben lang. Seine Förmlichkeit im Umgang, die auf manche Menschen als Steifheit und Kälte wirkte, der «Artistengestus des Sich-draußen-Haltens» (Theodor W. Adorno), diente der Abschirmung des inneren Abenteurertums, dem Schutz der künstlerischen Freiheit vor den Zumutungen der Außenwelt. Doch war das äußere herrenhafte Gebaren keine Maske, sondern ein Teil von Thomas Manns Persönlichkeit, eben jener, der mit dem Namen «Kröger» bezeichnet ist. «Ich habe im Grunde ein gewisses fürstliches Talent zum Repräsentieren», gestand er seinem Bruder Heinrich 1904 in einem Brief. Wer Fotografien des Dichters aus den verschiedenen Lebensaltern betrachtet, wird ihm dieses Talent bestätigen müssen.“

 

 
Albert von Schirnding (Regensburg, 9 april 1935)
Thomas Mann in 1905. Gravure door Johannes Lindner

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

 

Wagenfahrt

Schöner Mond von Mariampol! Auf deinem
strohernen Rand, mein Städtchen,
hinter den Buden
kommt er herauf,
schwer, und hängt ein wenig
nach unten durch. So geht der
Pferdehändler, er kauft
seiner Mutter ein Fransentuch.

Abends
spät sangen die beiden. Wir fuhren
über den Fluß nach Haus,
an der Fähre mit Ruf und Zuruf
ging Gerede wie Wasser
leicht – und wir hörten ihn lang
über der Stadt,
droben in Türmen, hörten
den jüdischen Mond. Der ist
wie im Gartenwinkel das kleine
Kraut aus Tränen und Küssen,
Raute, unsere Mädchen
brechen es ab.
–––
Joneleit, komm, verlier dein
Tuch nicht. Die Alten schlafen.
Ausgesungen wieder
ist eine Nacht.

 

Am Strom

Du kamst den
Mondweg, von Ostra Brama
kamst du herab, von des alten
Bildes Glanz. In die Schürze
bargst du die Arme. Den Weg
kamst du zum Strom.

Abendgeleucht, vergängliche
Mühsal aus Staub,
unter dem Windfall immer
und entschwunden im Schwalbenflug.

Mädchen,
dein Blick aus dem Röhricht.
Ich rief dich den langen Tag.
Füll mir die Hände mit Sand,
die Feuchte will ich, die Schwere.
Nun atmen wir tiefer die Finsternis.

Lauscht’ ich über den Strom?
Dem Vogel nach oder drunten
dem Grundfisch? – «Lieber, immer
Sprunglaut hör ich und droben
Flügelschlag. Geh mir nicht fort.»

 

 
Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)
Gedenkplaat aan Bobrowski’s voormalige woonhuis in Berlijn

 

De Franse toneelschrijver Bernard-Marie Koltès werd geboren in Metz op 9 april 1948. Zie ook alle tags voor Bernard-Marie Koltès op dit blog.

Uit: Roberto Zucco

« Moi, j’ai fait des études, j’ai été un bon élève. On ne revient pas en arrière quand on a pris l’habitude d’être un bon élève. Je suis inscrit à l’université. Sur les bancs de la Sorbonne, ma place est réservée, parmi d’autres bons élèves au milieu desquels je ne me fais pas remarquer. Je vous jure qu’il faut être un bon élève, discret et invisible, pour être à la Sorbonne. Ce n’est pas une de ces universités de banlieue où sont les voyous et ceux qui se prennent pour des héros. Les couloirs de mon université sont silencieux et traversés par des ombres dont on n’entend même pas les pas. Dès demain je retournerai suivre mon cours de linguistique. C’est le jour, demain, du cours de linguistique. J’y serai, invisible parmi les invisibles, silencieux et attentif dans l’épais brouillard de la vie ordinaire. Rien ne pourrait changer le cours des choses, monsieur. Je suis comme un train qui traverse tranquillement une prairie et que rien ne pourrait faire dérailler. Je suis comme un hippopotame enfoncé dans la vase et qui se déplace très lentement et que rien ne pourrait détourner du chemin ni du rythme qu’il a décidé de prendre.
LE MONSIEUR. – On peut toujours dérailler, jeune homme, oui, maintenant je sais que n’importe qui peut dérailler, n’importe quand. Moi qui suis un vieil homme, moi qui croyais connaître le monde et la vie aussi bien que ma cuisine, patatras, me voici hors du monde, à cette heure qui n’en est pas une, sous une lumière étrangère, avec surtout l’inquiétude de ce qui se passera quand les lumières ordinaires se rallumeront, et que le premier métro passera, et que les gens ordinaires comme je l’étais envahiront cette station ; et moi, après cette première nuit blanche, il va bien me falloir sortir, traverser la grille enfin ouverte, voir le jour alors que je n’ai pas vu la nuit. Et je ne sais rien maintenant de ce qui va se passer, de la manière dont je verrai le monde et dont le monde me verra ou ne me verra pas. Car je ne saurai plus ce qui est le jour et ce qui est la nuit, je ne saurai plus quoi faire, je vais tourner dans ma cuisine à la recherche de l’heure et tout cela me fait bien peur, jeune homme.
ZUCCO. — Il y a de quoi avoir peur, en effet.
LE MONSIEUR. – Vous bégayez, très légèrement ; j’aime beaucoup cela. Cela me rassure. Aidez-moi, à l’heure où le bruit envahira ce lieu.»

 


Bernard-Marie Koltès (9 april 1948 – 15 april 1989)
Scene uit een opvoering in Valence, 2015

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijfster, journaliste en presentatrice Yaël Vinckx werd geboren in Hazerswoude in 1968. Zie ook alle tags voor Yaël Vinckx op dit blog.

Uit: De oorlog van mijn moeder

“Het huis in Scheveningen had een vriendelijk gezicht. Achter de ramen hing fris gewassen vitrage, in het voor-tuintje groeiden helmgras en vrolijke distelbloemen. Hubertina belde aan. Een oudere vrouw deed open. Ze droeg een zwarte jurk en zwarte lakschoenen, haar grijze haar had ze in een wrong op het hoofd gedraaid. Inge gluurde van achter de koffers naar dat haar. De vrouw lachte vriendelijk en stak haar hand uit: ‘Hallo, jullie zijn zeker de familie Brainich von Brai-nich-Felth.’ Geïntimideerd door de stijlvolle verschij-ning kon Hubertina alleen maar knikken. Toen stak ook zij haar hand uit. ‘Aangenaam, ik ben Hubertina. En dit zijn Inge en Carl junior.’ ‘Kom binnen,’ zei de vrouw. Ze stelde zich voor als mevrouw Van Doorn en gebaarde in de richting van een smalle gang. ‘De begane grond en de slaapkamer op de eerste verdieping zijn voor jullie. Ik zit op de tweede verdieping, maar we zullen elkaar vaak tegen-komen.’
Diezelfde middag begon Hubertina te boenen. Ze stuurde Carl jr. naar buiten om hout te halen, verwarm-de een pan water op de kachel en vroeg mevrouw Van Doorn om een doekje. Daarmee waste ze de ramen, veegde de vensterbank, boende de plinten. Ze dweil-de de vloer en sopte het toilet. Pas toen het allerlaatste stofje was uitgeklopt, mochten de kinderen de koffers naar binnen brengen.”

 


Yaël Vinckx (Hazerswoude, 1968)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e april ook mijn blog van 9 april 2018 en ook mijn blog van 9 april 2017 deel 2.

Mark DeBolt

De Amerikaanse dichter Mark DeBolt werd geboren op 9 april 1968 in Coldwater, Michigan. Hij bezocht de Frederick Fraize High School en de Marcellus High School en studeerde vervolgens aan het Fort Wayne Bible College (bijbelstudies) en de Western Kentucky University (taalkunde en poëzie). Op de middelbare school richtte hij de Rhomboid Society op, gewijd aan ongewone kunstvormen. Op zijn 15e jaar publiceerde hij zijn eerste gedicht. Er volgden publicaties in talrijke tijdschriften. DeBolt werd evangelisch opgevoed, is een tijd Quaker geweest, maar rekent zich nu tot de Anglo-katholieken. Op de universiteit legde hij de kloostergeloften af en maakte hij zeven jaar lang deel uit van de Protestant Order of St Bride. Hij verliet deze echter op 26-jarige leeftijd omdat hij verliefd was geworden op een vrouw. Talrijke chapbooks en boekjes met zijn werk zijn gepubliceerd door Holy Fool Press.

Triolet on a Theme from C. S. Lewis

God in his mercy made
The fixèd pains of hell,
and in that hell he stayed.
God in his mercy made
himself a ghastly shade,
as into hell he fell.
God in his mercy made
The fixèd pains of hell.

 

No Suicide Like Fate

There is no suicide like Fate,
which kills itself in coming true.
Our choice is free, determinate
            and new.

Our choice will make us what we are,
and what we are will make that choice.
Rhetorical, vernacular,
            our voice

echos from was to will become,
but only Christ is first and last.
Future is the pseudonym
            of Past.

And yet in chance we may not hide—
our free will shoots up soon or late
to bud. There is no suicide
            like Fate.

Mark DeBolt (Coldwater, 9 april 1968)

 

Hanz Mirck, Christoph Hein, Judith Koelemeijer, Nnedi Okorafor, Barbara Kingsolver, John Fante, Johann Christian Günther, Glendon Swarthout, Martin Grzimek

De Nederlandse dichter Hanz Mirck werd geboren op 8 april 1970 te Zutphen. Zie ook alle tags voor Hanz Mirck op dit blog.

 

Hospice

Je bent hier alleen gekomen, al waren er mensen bij je
Je moet het zelf doen en toch helpen we je. Vanaf hier
heeft de poortersklok een andere klank, een andere glans,
langer, ijler in de ijzige wind, langzaam wordt het winter,

het licht draalt over de glanzende straten. Laat je drijven
over de IJssel, langzaam laten onze handen je gaan
Zie hoe nietig de torens, twijfel niet langer aan wat je al
zo lang zeker weet. Ga nu maar, zie hoe onbeduidend

van bovenaf de stad, zie de kleuren vervagen, hoe koud
en grauw de lucht, grijs de daken en het water, het laatste
licht glanst nog één keer in de gouden bol op de Walburgkerk,
de winkelketens die de vrijhandel zullen vermalen,

de banken waar men voor wisselgeld moet betalen
en dit hospice in een ontwijde kerk, waar we de dood nu
anders zien, weerspiegeld in het water, onze handen leeg,
het grote geduld in de ruimte boven ons – wachtend

 

Ooit 2

Wie moet haar nu voorlezen
doen vergeten dat ze niet slapen kan
Wie moet naar haar kijken als ze elders is
bedenken waar ze zich om omdraait

Nu ik mijn angst om haar
te verliezen ben verloren
Nu ik haar niet meer in mijn dromen
hoef te zoeken, waar ben je toch?

Ga nu maar slapen; zo alleen
kan iemand je wakker kussen
het glas om je breken
de lucht om je in beweging brengen.

 

Liedje voor morgen

Een prijs, iemand zei het, ver weg, en toch klonk het dichtbij,
dichtbij je oor. Een prijs waarvan je nog nooit had gehoord
Het was gezegd voor je het wist. Nu weet je het niet meer zeker
Jij? Een prijs? Een gedicht waar een prijs is uitgehaald en

weer in is terug gezet. Je bent dezelfde als voor de prijs, toch
is er iets anders. Naar wie de prijs genoemd is ken je niet
Tot elkaar gebracht als twee mensen op eenzelfde perron,
in een denderende trein in de nacht, naar jouw huis. Onverwacht

Laat, maar eerder dan je dacht. Je schrikt op van je eigen
gezicht in het raam, ben je dat echt? Die winnaar?
De wereld is hetzelfde en toch anders, de wereld

is de helft van de tijd donker, een sein glijdt soepel
van rood op groen. Je bent op de goede weg, lijkt het wel,
het donker lijkt anders. Morgen weet je het zeker, zul je zingen.

 


Hanz Mirck (Zutphen, 8 april 1970)

 

De Duitse schrijver, essayist en vertaler Christoph Hein werd geboren op 8 april 1944 in Heinzendorf in Silezié. Zie ook alle tags voor Christian Hein op dit blog.

Uit: Gegenlauschangriff – Anekdoten aus dem letzten deutsch-deutschen Kriege

„Anfang der 80er Jahre des vergangenen Jahrhunderts, gegen Ende des letzten deutsch-deutschen Krieges, der seinerzeit als kalter geführt wurde, erhielt das Ensemble des Maxim Gorki Theaters in Ostberlin vom Düsseldorfer Intendanten die Einladung, mit seiner gerühmten Aufführung der Drei Schwestern von Anton Tschechow im Düsseldorfer Schauspielhaus zu gastieren, also mit jenem Stück, in dem die Schwestern Olga, Mascha und Irina in einer provinziellen Gouvernementsstadt verkümmern und lebenslang davon träumen, nach Moskau zu reisen. »Nach Moskau, nach Moskau!« Es wurden drei Aufführungen innerhalb von vier Tagen vereinbart, der dritte Abend sollte spielfrei bleiben. Ein Jahr nach diesem Gastspiel hatte eines meiner Stücke eine Uraufführung am Düsseldorfer Schauspielhaus, und meine Obrigkeit gestattete mir diesmal überraschend, das Land zu verlassen und nach Düsseldorf zur Premiere zu fahren. Bei einem Essen mit dem Chefdramaturgen des Theaters berichtete dieser von dem vorjährigen Gastspiel der Drei Schwestern, die Aufführung sei ein großer Erfolg gewesen. Am allerersten Tag, eine Stunde nach Ankunft der Ostberliner Schauspieler, sei die Darstellerin von Olga, der ältesten Schwester, in seinem Büro erschienen und habe ihn unter vier Augen gefragt, ob es eine Möglichkeit gebe, an dem dritten, dem spielfreien Tag nach Paris zu fahren, ohne an der Grenze einen Pass vorweisen zu müssen. An der Grenze zwischen Frankreich und der Bundesrepublik gab es zu jener Zeit noch immer, wenn auch sehr zwanglos, Ausweiskontrollen. Die Schauspielerin fürchtete, einem französischen Grenzer ihren Pass vorlegen zu müssen und von ihm einen Einreisestempel zu bekommen, den sie dann später bei der Heimreise zu erklären hätte.“

 


Christoph Hein (Heinzendorf, 8 april 1944)

 

De Nederlandse schrijfster en journaliste Judith Koelemeijer werd geboren in Zaandam op 8 april 1967. Zie ook alle tags voor Judith Koelemeijer op dit blog.

Uit: Het zwijgen van Maria Zachea – Een ware familiegeschiedenis

“Het was een onzinnig idee, al had ze dat niet zo tegen Lucie gezegd.
‘Moe heeft heimwee, Jo’, vertelde haar zus die ochtend door de telefoon. ‘Ze moet zo snel mogelijk naar huis.’
‘Naar huis?!’, had ze uitgeroepen.
‘Ja, het gaat niet goed met haar in het ziekenhuis.’
‘Maar wat moet ze thuis doen?’
Hun moeder had een paar weken eerder, op 29 december 1988, een hersenbloeding gehad. Ze was nog niet hersteld van de operatie, ze kon amper op haar benen staan.
‘Moe vindt het niks om zo lang van huis te zijn’, zei Lucie.
‘En wat zegt de dokter ervan?’
‘De specialist wil haar aan het infuus leggen omdat ze ’t verdomt om te eten …’
‘Nou dat bedoel ik!’
‘… en daar zijn wij het helemaal niet mee eens.’
Dat moest er nog bij komen. Misschien was zij behoudender in die dingen, ze was tenslotte zeventien jaar ouder dan Lucie. Maar het was toch raar om tegen het advies van de dokter in te gaan.
‘Jullie lopen véél te hard van stapel’, zei ze. ‘Kunnen jullie niet wachten tot ze is opgeknapt?’
Maar volgens Lucie ging moe alleen maar achteruit. Ook dat verbaasde Jo. De hersenoperatie was niet goed gelukt, dat wist ze. De chirurg had gesproken over verkalking, complicaties, een bloedvat dat hij slechts ‘provisorisch’ had kunnen dichten. Maar moe was toch niet opgegeven? Een paar dagen eerder had ze van de fysiotherapeut nog een rek gekregen, zodat ze kon oefenen met lopen.
‘Ik neem het niet voor mijn verantwoording’, zei ze. ‘Moe is tachtig. Zo’n oude, zieke vrouw hoort in het ziekenhuis. En wie gaat er thuis voor moe zorgen? Jij soms?’
‘Maak je geen zorgen, Jo’, zei Lucie. ‘Dat regelen we wel. En het is toch maar voor een paar maanden. Volgens de dokter is moe terminaal.’
Het duizelde haar na het telefoongesprek. De afgelopen weken waren al zo chaotisch verlopen. En nu kwam Lucie met dit idiote voorstel. Wat was er toch met moe? Ze was altijd een gezonde, ferme vrouw geweest, die niet hield van zeuren of moeilijk doen. Maar sinds ze in het ziekenhuis lag, wilde ze niks meer.”

 


Judith Koelemeijer (Zaandam, 8 april 1967)

 

De Afrikaanse-Amerikaanse schrijfster Nnedi Okorafor werd geboren op 8 april 1974 in Cincinnati, Ohio. Zie ook alle tags voor Nnedi Okorafor op dit blog.

Uit: Hello, Moto

“With the wig finally off, Coco and Philo felt more distant to me. Thank God.
Even so, because it was sitting beside me, I could still see them. Clearly. In my head. Don’t ever mix juju with technology. There is witchcraft in science and a science to witchcraft. Both will conspire against you eventually. I realized that now. I had to work fast.
It was just after dawn. The sky was heating up. I’d sneaked out of the compound while my boyfriend still slept. Even the house girl who always woke up early was not up yet. I hid behind the hedge of colorful pink and yellow lilies in the front. I needed to be around vibrant natural life, I needed to smell its scent. The flowers’ shape reminded me of what my real hair would look like if the wig hadn’t burned it off.
I opened my laptop and set it in the dirt. I put my wig beside it. It was jet black, shiny, the “hairs” straight and long like a mermaid’s. The hair on my head was less than a millimeter long; shorter than a man’s and far more damaged. For a moment, as I looked at my wig, it flickered its electric blue. I could hear it whispering to me. It wanted me to put it back on. I ran my hand over my sore head. Then I quickly tore my eyes from the wig and plugged in the flash drive. As I waited, I brought out a small sack and reached in. I sprinkled cowry shells, alligator pepper and blue beads around the machine for protection. I wasn’t taking chances.
I sat down, placed my fingers on the keyboard, shut my eyes and prayed to the God I didn’t believe in. After all that had happened, who would believe in God? Philo had been in Jos when the riots happened. I knew it was her and her wig. A technology I had created. Neurotransmitters, mobile phones, incantation, and hypnosis- even I knew my creation was genius. But all it sparked in the North was death and mayhem. During the riots there, some men had even burned a woman and her baby to death. A woman and her baby!
I didn’t want to think of what Philo gained after causing it all. She never said a word to me about it. However, soon after, she went on a three-day shopping spree in Paris. We could leave Nigeria, but never for more than a few days.”

 


Nnedi Okorafor (Cincinnati, 8 april 1974)

 

De Amerikaanse schrijfster Barbara Kingsolver werd geboren op 8 april 1955 in Annapolis, Maryland. Zie ook alle tags voor Barbara Kingsolver op dit blog.

Uit: Unsheltered

“The simplest thing would be to tear it down,” the man said. “The house is a shambles.”
She took this news as a blood-rush to the ears: a roar of peasant ancestors with rocks in their fists, facing the evictor. But this man was a contractor. Willa had called him here and she could send him away. She waited out her panic while he stood looking at her shambles, appearing to nurse some satisfaction from his diagnosis. She picked out words.
“It’s not a living thing. You don’t just pronounce it dead. Anything that goes wrong with a structure can be replaced with another structure. Am I right?”
“Correct. What I am saying is that the structure needing to be replaced is all of it. I’m sorry. Your foundation is nonexistent.”
Again the roar on her eardrums. She stared at the man’s black coveralls, netted with cobwebs he’d collected in the crawl space. Petrofaccio was his name. Pete. “How could a house this old have a nonexistent foundation?”
“Not the entire house. You see where they put on this addition? Those walls have nothing substantial to rest on. And the addition entails your kitchen, your bathrooms, everything you basically need in a functional house.”
Includes, she thought. Entails is the wrong word.
One of the neighbor kids slid out his back door. His glance hit Willa and bounced off quickly as he cut through the maze of cars in his yard and headed out to the alley. He and his brother worked on the vehicles mostly at night, sliding tools back and forth under portable utility lights. Their quiet banter and intermittent Spanish expletives of frustration or success drifted through Willa’s bedroom windows as the night music of a new town. She had no hard feelings toward the vehicle bone yard, or these handsome boys and their friends who all wore athletic shorts and plastic bath shoes as if life began in a locker room. The wrong here was a death sentence falling on her house while that one stood by, nonchalant, with its swaybacked roofline and vinyl siding peeling off in leprous shreds. Willa’s house was brick. Not straw or sticks, not a thing to get blown away in a puff.”

 

 
Barbara Kingsolver (Annapolis, 8 april 1955)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver John Fante werd geboren in Colorado op 8 april 1909. Zie ook alle tags voor John Fante op dit blog.

Uit: The Brotherhood of the Grape

“The only change in the Cafe Roma in over a quarter of a century was the clientele. The old men I remembered were planted in the graveyard, replaced by a new generation of old men. Otherwise things were as usual. The long mahogany bar was the same and so were the two dusty, flyspecked Italian and American flags above it. A touch of the modern was displayed above the bar, a blowup of Marlon Brando as the Godfather, four feet square, in a frame of gold filigree. The same propeller fan droned from the ceiling, spinning slowly enough not to disturb the warm air, with sportive flies landing on the propeller blades, enjoying a spin or two, then jumping off. Green shades over the front windows gave the dark interior an illusion of coolness, as did the fragrance of tap beer. But this aroma was knifed by the gut-slashing pungency of olive oil and rancid parmigiano cheese mixed with the piny tang of fresh sawdust deep on the floor. Something else had changed: when I was a lad the patrons of the Cafe Roma spoke only Italian. Now the new breed of old cockers spoke English, the English of the street, but English all the same. Eight or nine of them were crowded around a green felt table in the rear. The low-hanging lamp lit up five card players seated around the table, the others standing about, watching and kibitzing. My father was one of the spectators. They were a cranky, irascible, bitter gang of Social Security guys, intense, snarling, rather mean old bastards, bitter, but enjoying their cruel wit, their profanity and their companionship. No philosophers here, no aged oracles speaking from the depths of life’s experience. Simply old men killing time, waiting for the clock to run down. My father was one of them. It came to me as a shock. I never thought of him that way until I saw him with his own kind. Now he looked even older than the gaffers around him. I moved to Papa’s side and said ‘Hi.’ He grunted. The bald-headed dealer never took his eyes off the cards as he spoke to my father. `Friend of yours, Nick?’ `Nah. This is my kid Henry.’ I recognized the dealer: Joe Zarlingo, a retired railroad engineer. Though he had not operated a train in ten years, he still wore striped overalls and an engineer’s cap and sported all manner of colored pens and pencils in his bib pocket, as if serving notice that he was a very busy man.
I looked around and said ‘Hello’ to everybody, and two or three answered with preoccupied growls, not bothering to look at me. Some I remembered. Lou Cavallaro, a retired brakeman. Bosco Antrilli, once the super at the telegraph office, the father of Nellie Antrilli, whom I seduced on an anthill in a field south of town in the dead of night (the anthill unseen, Nellie and I fully clothed, then screaming and tearing off our clothes as the outraged ants attacked us). Pete Benedetti, formerly postmaster.”

 


John Fante (8 april 1909 – 8 mei 1983)

 

De Duitse dichter Johann Christian Günther werd geboren op 8 april 1695 in Striegau. Zie ook mijn blog van 8 april 2007. Zie ook alle tags voor Johann Christian Günther op dit blog.

 

Ich will lachen, ich will scherze

Ich will lachen, ich will scherzen,
Ob es gleich den Neid verdreust,
Andre mögen Grillen fangen,
Nichts ermuntert mein Verlangen,
Nichts bekümmert meinen Geist
Als der Wechsel treuer Herzen.

Eilt man nicht in Rosenbrechen,
Lauft der Vortheil aus der Hand;
In der Jugend Frühlingsjahren
Steckt der Kram verliebter Wahren,
Aber auch der Unbestand.
Brecht, eh Reu und Dörner stechen!

Eh noch Glut und Kraft verrauchen,
Trägt der Kuß Zufriedenheit;
Heute lebt man ohne Sorgen,
Gott und Vorsicht weis, ob morgen;
Ey, so lerne man der Zeit
Bey Gesellschaft recht gebrauchen.

Ohne Lieben ist das Glücke
Hier auf Erden nichts als Dunst;
Reichthum kan den Gram nicht lindern,
Ehre kan den Schmerz nicht mindern,
Nur die Liebe kan die Kunst.
Eitle Wüntsche, bleibt zurücke!

Aus der Liebe quillt Vergnügen
Und der Nachschmack güldner Zeit;
Ein galant und treu Gemüthe
Reizt uns nebst der Schönheit Blüthe,
Bis die Wollust Flammen streut.
Ach, mein Herz, halt dies verschwiegen!

In des Mundes Purpurhöhlen
Nimmt der Kuß noch größre Kraft.
Von dem Warthen wächst der Zunder,
O wie viel Entzückungswunder
Nähren nicht die Leidenschaft
Gleich und klug verliebter Seelen.

Rühmt mir auch nicht blos das Prangen
Einer Haut, die auswärts gleißt!
In den Farben ohne Leben
Find ich lauter Eckel kleben;
Find ich aber Wiz und Geist,
Ey, so bin ich gleich gefangen.

Es erwehlt mein Herz zwo Lippen,
Nur es hält sich annoch still;
Bergt ihrs auch, ihr losen Augen,
Euer stetig Feuersaugen
Redet so bereits zu viel.
Grade zu stößt oft an Klippen.

 

 
Johann Christian Günther (8 april 1695 – 15 maart 1723)
Gedenkplaat in Königswinter

 

De Amerikaanse schrijver Glendon Fred Swarthout werd geboren op 8 april 1818 in Pinckney, Michigan. Zie ook alle tags voor Glendon Swarthout op dit blog.

Uit: De homesman (Vertaald door Jan Willem Reitsma)

“Aan het eind van de zomer zei Line tegen hem dat ze twee maanden op streek was. Nog een mondje om te voeden. En trouwens, zei ze, drieënveertig was te oud. Ze zei dat het kind een waterhoofd zou hebben, helemaal kreupel zou zijn of vervloekt met een hazenlip, want God was vast boos op ze. Kijk maar wat er dit jaar allemaal was gebeurd.
In het voorjaar waren ze alle koeien, op één koe en haar kalf na, aan boutvuur kwijtgeraakt.
Tegelijkertijd was Virgil van zestien, hun enige zoon en een echte mannetjesputter, ervandoor gegaan om in Californië naar pyriet te graven.
In juli hadden hagelbuien hun tarwe platgeslagen en toen in augustus de maïs rijpte, hadden helse winden die in twee weken voor zo’n groot deel verschroeid dat ze de armzalige kolven in het najaar met de hand hadden geplukt en gepeld in plaats van ze helemaal naar de molen te rijden. Acht hectare tarwe en twaalf hectare maïs waren weggevaagd. Oogsten die geld moesten opleveren. God beschikte over het weer, zei Vester.
Nu was het maart en Line bleef hun ellende opsommen zoals een kind een gedicht zou voordragen. Hij hoorde haar aan, want ze zei de laatste tijd nog maar zelden iets en misschien hielp het tegen wat het ook was dat haar mankeerde.
Voordat de eerste sneeuw gevallen was, toen ze wisten dat het erom zou gaan spannen of ze de hele winter te eten zouden hebben, stuurden ze Loney, hun oudste dochter, naar een familie veertien mijl verderop, waar ze veel beter af was. Sloven voor een derde van een bed plus kost en inwoning, het arme kind.
Toen kreeg een van hun ossen horzellarven – maden onder de huid. Je kon de zwelling opensnijden en de maden met petroleum bevochtigen om ze dood te maken, als je tenminste petroleum had. Als je niets deed, zogen de maden de ziel uit je os, dat wist Line zeker, en als hij dit voorjaar voor de ploeg werd gezet, zou hij daar op de akker neervallen, het arme beest.
Daarna deze winter der verdoemenis. Voor welke zonde boetten ze? Het was zo koud dat het hout en de maïskolven al in januari op waren en ze strovlechten moesten stoken en daarop koken.”

 


Glendon Swarthout (8 april 1918 – 23 september 1992)
Cover

 

De Duitse schrijver Martin Grzimek werd geboren op 8 april 1950 in Trutzhain, Hessen. Zie ook alle tags voor Martin Grzimek op dit blog.

Uit: Shadowlife (Die Beschattung, vertaald door Breon Mitchell)

“When he was finished he handed me a small cordless microphone Now hide this here in the room, while I’m concealing this somewhat larger one somewhere in the bathroom. When we’re finished we’ll pretend we’re children. You look for mine and I’ll look for yours. Whoever finds the other’s first wins.” Of course he won. Not more than a minute had passed before he was standing in the bathroom door: You made it much too easy for me.” I looked for fifteen minutes before I accidentally felt the little button on the inner edge of the shower curtain. “lour thinking’s too complicated,” he said, and took his leave. Nk a practiced every evening for an hour. I came to know each detail of my apartment, every object, every cavity, every protrusion. I never matched my teacher’s speed in hiding things and finding them, but I didn’t lag far behind. On his final visit he asked if he could kiss me on the cheek. Then he told me what a quick learner I was, and before leaving, added: “You were a good student. I want to give you some advice. Imagine that you want to keep something to yourself—a word, a name, an observation. Use Your mind to do it. That’s the best hiding place there is. Never NVrite anything down. Never hide a note that’s meant to be secret. You’ve learned that nothing is ever so well hidden it can’t be found. And if you write down a word, a number, or a code, your thoughts are in a material form; they can be used, manipulated, misused.” I knew immediately what he was getting at. Since the night I received my LIFT assignment from Walter, I’d been writing down any words I remembered which were typical of my mother. I kept some of the notes in my purse, while others were on a notepad in the kitchen, and some I even stuck under my pillow. It would never have occurred to me that this innocent habit could be dangerous. Even in the office canteen or on the subway I jotted down words while I sat: “rolling pin, lipstick, sneak trick, turn-off, silver blossoms”—a thousand fragments, a kaleidoscope of memories, just as you jotted down phrases for a time in our apartment on Field : Yen tie. ss hen you were bored, without really intending anything lo) it And just as you threw those notes one after the other into your elegant wastebasket, so I destroyed all of mine after my teacher’s final visit, by burning them in the kitchen sink. The very next evening a young woman spoke to me in the lobby of the apartment building: Can you tell me where the lifts are?” Since she said “lifts- and not “lift,” I responded cautiously: “Which floor do you want?” She named one near the top of the building. I stepped into the elevator with her, but she didn’t get off at my floor. I felt my caution had been justified. When I returned to the living room after having showered, I was shocked to find her sitting on my couch. She came up to me and apologized: “I’m sorry. The lift brought me back to you.”

 

 
Martin Grzimek (Trutzhain, 8 april 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e april ook mijn blog van 8 april 2018 deel 2.

Herinnering aan Gerard Reve

 

Herinnering aan Gerard Reve

Vandaag is het precies 15 jaar geleden dat de Nederlandse dichter en schrijver Gerard Reve overleed. Zie ook alle tags voor Gerard Reve op dit blog.

 

Slapeloos

In de nachtwind, als ik niet slapen kan,
hoor ik de toorn en het lijden van God.
Maar boven de storm uit
hoor ik de stemmen van miljoenen zielen,
voor eeuwig verloren,
die roepen om gerechtigheid.
Wat hopen zij? Wat denken zij?
Wat denken zij van Hem?
Wat denkt Hij van Zichzelf?

 


Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006)

 

Zie voor de schrijvers van de 8e april ook mijn volgende blog van vandaag.

Juliana Spahr, Özcan Akyol, William Wordsworth, Gabriela Mistral, Henk Fedder, Donald Barthelme, Jens Peter Jacobsen

De Amerikaanse dichteres, critica en uitgeefster Juliana Spahr werd geboren op 7 april 1966 in Chillicothe, Ohio. Zie ook alle tags voor Juliana Spahr op dit blog.

 

If You Were a Bluebird

Began with a list.
A bird. Reed cormorant.
Added a fish and a monkey. Hingemouth. White throated monkey.
Added because.
Because the six dorsal and anal fins of the hingemouth and its two teeth
too and also its swim bladder like a lung, covered in alveoli.
Because the silvery wings, longish tail, and short head crest of the reed
cormorant.
Because the white throated monkey, with its red belly and its white legs.
Added the phrase the principle of relation.
Because it was with the principle of relation that the Niger Delta came to
habitat.
So the hingemouth with its six dorsal and anal fins of and its two teeth too
and also its swim bladder like a lung, covered in alveoli, swims.
So the silvery wings, longish tail, and short head crest of the reed cormo­-
rant dives down to considerable depths in the Delta and also dives to
feed, as it tends to do, in more shallow water, bringing slow-moving
mormyrids and cichilds to the surface.
So the white throated monkey, with its red belly and its white legs, bangs
objects against the ground, throws sticks.

*

Then added another bird.
Eurasian spoonbill.
Added a crab and a fish.
Cleistostoma kuwaitense. Mudskipper.
Again added because.
Because the Eurasian spoonbill with its dark legs, occasionally grunting
and trumpeting.
Because the cleistostoma kuwaitense building a semi-permanent mud
hood over the entrance to its burrow.
Because the mudskipper digging a deep burrow then hiding in it during
high tide, a polygonal territory surrounded by dams, and defended
against rivals, yet also shared with digging crabs.
Added the phrase the principle of relation.
Because it was with the principle of relation that the Kuwait bay came to
teem.
So the Eurasian spoonbill with its dark legs, grunts and trumpets, sweeps
the end of its partly opened bill from side to side as it wades through
shallow water.
So the mudskipper builds its burrow beneath the mudflats, defends its ter­-
ritory, keeps a pool of water so as to also engage in surface activity.
So the cleistostoma kuwaitense, using the same mud of these mud flats,
builds a semipermanent mud hood.

*

Then another bird.
Pelican.
Added a mammal and a fish. Bottlenose dolphin. Red snapper.
Returned to because.
Because the gregarious pelican, traveling in flocks.
Because the bottle nose dolphin, remembering and comprehending.
Because the nibbling and the picking of the red snapper with its short,
sharp needle-like teeth.
Returned to principle of relation.
Because it was with the principle of relation that the Gulf of Mexico came
to be activated.
So the gregarious pelican hunts, hunts cooperatively, plunge dives from
high up so as to stun the fish, scoops them up, and then also breeds,
breeds colonially, in trees, bushes, in the ground, around the gulf.
So the dolphins talks, talks, over thirty distinguishable sounds.
So the red snapper spreads itself out in the artificial reefs of oil platforms,
the smaller fish in the upper part of the water column, the larger in
deeper areas.

 

 
Juliana Spahr (Chillicothe, 7 april 1966)

 

De Nederlandse schrijver en columnist Özcan Akyol werd geboren in Deventer op 7 april 1984. Zie ook alle tags voor Özcan Akyol op dit blog.

Uit: Eus

“Ik ben geboren en getogen in de Koekstad, een niet al te grote plaats langs de IJssel, precies op het grensgebied van twee oostelijke provincies. Mijn vader kreeg van de fabriek een arbeidershuisje toegewezen in een industriestraat. Bijna in het centrum. Vlak voor ons kot liep een treinspoor. Daar reed vier keer per dag een goederentrein overheen. Hij vervoerde meestal dode dieren. Een paar huizen werden bewoond door Hollanders, maar dat waren rare mensen. Maatschappelijk mislukte losers. Wij noemden hen aso s. Zij noemden ons batsen. Dat zit zo: de meeste Turken hebben platte achterhoofden. Een bats is een schop. Een schop is plat. Krijg je een knal met het blad van de bats op je kop, dan heb je een plat achterhoofd. Mijn achterhoofd is niet plat. De enige slaapkamer in huis deelde ik met Mahir en Kosta. Mijn ouders sliepen beneden op de slaapbank. De ruimte was zo klein dat ik mijn plekje alleen kon bereiken door over de bedden van m n broers te lopen. Het zorgde zo nu en dan voor problemen, omdat zij mij niet zo mochten kinderlijke jaloezie van twee knakkers die de aandacht van hun ouders niet wilden delen met de nieuweling. Ze vielen me aan. Vaak op een strategische manier, zodat ik niet kon vluchten. Ik dolf telkens het onderspit omdat ik als tenger jongetje krachteloos en daarbij nogal bangig was. Die sukkels schopten net zo lang tot ze die ene voltreffer hadden uitgedeeld. Mijn vader haalde zijn schouders op als ik voor de zoveelste keer huilend van de trap liep, op zoek naar wat troost. Het huishouden viel onder de verantwoordelijkheid van moeder, net als de kinderen. Hij zou keihard werken en voor het geld zorgen, zoals dat van hem werd verwacht. De rest was niet belangrijk. Toch liet Turis zich vrij rap afkeuren. Zijn werkzame leven in Nederland duurde amper vijftien jaar. Pijnscheuten in de onderrug, liet hij de bedrijfstolk voor de arboarts vertalen. Maar van die rugproblemen hebben wij nooit iets gemerkt. Hij was vooral werkschuw. Liever lui dan moe. Dat idee.
Daarnaast had-ie een obsessie met geld. Als hij op een slinkse manier wat centen kon uitsparen, vergat vader de tucht en orde die hij dagelijks tot ons predikte. Zo moest ik regelmatig bij Vroom & Dreesmann op de uitkijk staan terwijl hij de prijskaartjes van schoenendozen verwisselde. Met die truc nam hij elk kwartaal schoenen ter waarde van veertig gulden mee voor maar vijftien piek. Als er visite was, pronkte hij heel trots met zijn nieuwe schoeisel. Dat hij het warenhuis voor een paar joetjes had opgelicht vertelde hij er nooit bij. Dat zouden zijn vrienden, van wie sommigen volgens de islam leefden en diefstal als een enorme zonde zagen, streng veroordelen. Door die gierigheid mochten we maar één keer per week douchen. Op donderdag. Dan moesten we met zijn drietjes sámen onder de lauwe straal.”

 

 
Özcan Akyol (Deventer, 7 april 1984)

 

De Engelse dichter William Wordsworth werd geboren op 7 april 1770 in Cockermouth, Cumberland. Zie ook alle tags voor William Wordsworth op dit blog.

 

The Passing Of The Elder Bards

THE MIGHTY Minstrel breathes no longer,
Mid mouldering ruins low he lies;
And death upon the braes of Yarrow
Has closed the Shepherd-poet’s eyes:

Nor has the rolling year twice measured,
From sign to sign, its steadfast course,
Since every mortal power of Coleridge
Was frozen at its marvellous source;

The ’rapt One, of the godlike forehead,
The heaven-eyed creature sleeps in earth:
And Lamb, the frolic and the gentle,
Has vanished from his lonely hearth.

Like clouds that rake the mountain-summits,
Or waves that own no curbing hand,
How fast has brother followed brother,
From sunshine to the sunless land!

Yet I, whose lids from infant slumber
Were earlier raised, remain to hear
A timid voice, that asks in whispers,
“Who next will drop and disappear?”

 

Though Narrow Be That Old Man’s Cares

THOUGH narrow be that old Man’s cares, and near,
The poor old Man is greater than he seems:
For he hath waking empire, wide as dreams;
An ample sovereignty of eye and ear.
Rich are his walks with supernatural cheer;
The region of his inner spirit teems
With vital sounds and monitory gleams
Of high astonishment and pleasing fear.
He the seven birds hath seen, that never part,
Seen the SEVEN WHISTLERS in their nightly rounds,
And counted them: and oftentimes will start–
For overhead are sweeping GABRIEL’S HOUNDS
Doomed, with their impious Lord, the flying Hart
To chase for ever, on aerial grounds!

 

Sonnet

IT is not to be thought of that the Flood
Of British freedom, which, to the open sea
Of the world’s praise, from dark antiquity
Hath flowed, ‘with pomp of waters, unwithstood,’
Roused though it be full often to a mood
Which spurns the check of salutary bands,
That this most famous Stream in bogs and sands
Should perish; and to evil and to good
Be lost for ever. In our halls is hung
Armoury of the invincible Knights of old:
We must be free or die, who speak the tongue
That Shakespeare spake; the faith and morals hold
Which Milton held.–In everything we are sprung
Of Earth’s first blood, have titles manifold

 

 
William Wordsworth (7 april 1770 – 23 april 1850)
Cover

 

De Chileense dichteres en diplomate Gabriela Mistral werd geboren in Vicuña, Chili op 7 april 1889. Zie ook alle tags voor Gabriela Mistral op dit blog.

 

The Shining Host

In vain you try
To smother my song:
A million children
In chorus sing it
Beneath the sun!

In vain you try
To break my verse
Of affliction:
The children sing it
Under God!

 

Rocking

A thousand waves
Divine the sea she rocks
I hear the loving seas
And rock my son, my son

Night fields of wheat
The wandering wind rocks
I hear the loving winds
And rock my son, my son

His thousands worlds
Silent God Father rocks
I feel His hand in shades
And rock my son, my son.

 


Gabriela Mistral (7 april 1889 – 10 januari 1957)
Cover

 

De Nederlandse dichter en schrijver Henk Fedder werd op 7 april 1890 te Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Henk Fedder op dit blog.

 

Celwagen

De dievenwagen stopt vóór het station,
Geelgrijze auto op gloednieuwe banden.
Vier jonge mannen met geboeide handen
Staan plotseling in ’t licht van d’ochtendzon.

Eén tilt een oogenblik zijn wit gezicht
naar lang ontbeerde zeeg’ning van dit stralen.
De tweede blijft onwennig even dralen,
Dan slaat een marechaussee de deuren dicht.

De derde proeft opeens een bloemengeur,
Hij ziet een venter met een mand vol rozen
– (Sie haben gegen Wehrmacht sich verstossen) –
De haat brandt aan zijn kop met koorts’ge kleur.

De vierde wou dat ’t einde nu maar kwam,
Hij hoort de tram hard door een railsbocht gillen
en ziet de stad – zijn dunne lippen trillen,
Zóó neemt hij afscheid van zijn Amsterdam.

‘Die snuiters hebben vast wat uitgevoerd’,
‘Ze deejen niks dan oov’ral fietsen gappe’,
‘Nou motte ze hun jaartjes op gaan knappe’,
‘Ze binne jong’ – ‘Afijn’ – ‘’t Is toch beroerd’.

Hoog boven dit geroddel straalt de zon,
Ze denken: straks zal die onz’ angst genezen,
Waar zal het salvo in de hei op wezen?
Recht op ons hoofd? – Nee, dwars door ’t hart als ’t kon.

 

 
Henk Fedder (7 april 1890 – 29 mei 1979)
Een arrestatie in Amsterdam, 1940

 

De Amerikaanse schrijver Donald Barthelme werd geboren op 7 april 1931 in Philadelphia. Zie ook alle tags voor Donald Barthelme op dit blog.

Uit: The School

“Well, we had all these children out planting trees, see, because we figured that … that was part of their education, to see how, you know, the root systems … and also the sense of responsibility, taking care of things, being individually responsible. You know what I mean. And the trees all died. They were orange trees. I don’t know why they died, they just died. Something wrong with the soil possibly or maybe the stuff we got from the nursery wasn’t the best. We complained about it. So we’ve got thirty kids there, each kid had his or her own little tree to plant and we’ve got these thirty dead trees. All these kids looking at these little brown sticks, it was depressing.
It wouldn’t have been so bad except that just a couple of weeks before the thing with the trees, the snakes all died. But I think that the snakes – well, the reason that the snakes kicked off was that … you remember, the boiler was shut off for four days because of the strike, and that was explicable. It was something you could explain to the kids because of the strike. I mean, none of their parents would let them cross the picket line and they knew there was a strike going on and what it meant. So when things got started up again and we found the snakes they weren’t too disturbed.
With the herb gardens it was probably a case of overwatering, and at least now they know not to overwater. The children were very conscientious with the herb gardens and some of them probably … you know, slipped them a little extra water when we weren’t looking. Or maybe … well, I don’t like to think about sabotage, although it did occur to us. I mean, it was something that crossed our minds. We were thinking that way probably because before that the gerbils had died, and the white mice had died, and the salamander … well, now they know not to carry them around in plastic bags.
Of course we expected the tropical fish to die, that was no surprise. Those numbers, you look at them crooked and they’re belly-up on the surface. But the lesson plan called for a tropical fish input at that point, there was nothing we could do, it happens every year, you just have to hurry past it.
We weren’t even supposed to have a puppy.
We weren’t even supposed to have one, it was just a puppy the Murdoch girl found under a Gristede’s truck one day and she was afraid the truck would run over it when the driver had finished making his delivery, so she stuck it in her knapsack and brought it to the school with her. So we had this puppy. As soon as I saw the puppy I thought, Oh Christ, I bet it will live for about two weeks and then…”

 

 
Donald Barthelme (7 april 1931 – 23 juli 1989)
Cover

 

De Deense dichter en schrijver Jens Peter Jacobsen werd geboren op 7 april 1847 in Thisted. Zie ook alle tags voor Jens Peter Jacobsen op dit blog.

Uit: Niels Lyhne (Vertaald door Annelies van Hees)

“Hij was moe, uitgeput, hij kon al die poëzie niet meer verdragen, hij snakte ernaar op de vaste grond van het dagelijks leven te staan, zoals een vis die stikt in de warme lucht moet snakken naar de heldere, frisse koelte van de golven. Het moest ophouden, het moest vanzelf overgaan. Bartholine stond niet meer onervaren tegenover leven en literatuur, ze was er evenzeer mee bekend als hij, hij had haar alles gegeven wat hij had gekregen en nu moest hij blijven geven. Dat was onmogelijk, hij had niet meer – zijn enige troost was dat Bartholine zwanger was.
Al een tijdje had Bartholine tot haar verdriet gemerkt dat haar beeld van Lyhne langzamerhand was veranderd en dat hij zich niet meer op de duizelingwekkende hoogte bevond waar zij hem in hun verlovingstijd had geplaatst. Ze twijfelde er nog niet aan dat hij een poëtische natuur was, zoals ze dat noemde, maar ze was afgeschrikt nu het proza af en toe zijn lelijke gezicht begon te tonen. Des te ijveriger joeg zij de poëzie na en poogde zij de oude toestand weer op te roepen door hem met een nog grotere rijkdom aan stemmingen, een nog diepere begeestering te overweldigen, maar ze vond zo weinig weerklank dat ze zichzelf bijna sentimenteel en geaffecteerd vond. Nog een poos probeerde ze de tegenstribbelende Lyhne mee te lokken. Ze wilde niet geloven wat ze vermoedde, maar toen langzamerhand het vruchteloze van haar pogingen twijfel wekte of haar geest en haar hart werkelijk zo’n grote rijkdom bevatten als ze had gedacht, liet ze hem opeens los, werd koel, zwijgzaam en gesloten en zocht de eenzaamheid om in alle rust om haar verloren illusies te treuren. Want dat zag ze nu in, dat ze bitter teleurgesteld was en dat Lyhne diep van binnen eigenlijk niet verschilde van haar oude omgeving en dat wat haar om de tuin had geleid zoiets gewoons was als dat zijn liefde hem een poosje een vluchtig aureool van geest en grootheid had verleend, zoals zo vaak gebeurt bij lagere naturen.”

 

 
Jens Peter Jacobsen (7 april 1847 – 30 april 1885)
Jacobsen leest voor in de literaire kring “De Moderne Doorbraak”. Getekend door Erik Henningsen, ca 1910

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e april ook mijn vorige blog van vandaag.

Hervé Bazin, Johannes Mario Simmel, Quinsy Gario, Victoria Ocampo, Gustav Landauer, Flora Tristan, Roger Lemelin

De Franse schrijver Hervé Bazin werd geboren in Angers op 7 april 1911. Zie ook alle tags voor Hervé Bazin op dit blog.

Uit: Vipère au poing

« Mais, soudain, un hurlement déchira mes premières réflexions scientifiques et, de la fenêtre de la peu courageuse Mlle Ernestine Lion, tomba cet ordre épouvanté :
— Voulez-vous lâcher cela tout de suite ! Puis, en crescendo tragique :
— Ah ! le malheureux enfant !
Je restai perplexe. Quel drame ! Appels, exclamations entre croisés, affolement de talons par les escaliers. « Madame ! Monsieur l’abbé ! Par ici ! » Où sont les autres ? Aboiement de Capi, le chien (nous avons déjà lu Sans famille). Cloches. Enfin grand-mère, aussi blanche que sa guimpe, poussant du bout de sa bottine son éternelle longue robe grise, jaillit de la porte d’honneur. En même temps surgissaient de la bibliothèque, aile droite, la tante Thérèse Bartolomi, comtesse de l’Empire, puis mon oncle le protonotaire apostolique et, de la lingerie, aile gauche, la gouvernante, la cuisinière, la femme de chambre… Toute la famille et ses satellites débouchaient des innombrables issues de La Belle Angerie, cette grande garenne.
Prudente, à la vérité, la famille ! et formant cercle aussitôt, à bonne distance de la vipère, qui tournoyait toujours au bout de mes doigts et à qui le mouvement prêtait une suprême apparence de vie.
TANTE THERESE. — est-elle morte ?
LA BONNE. — J’espère que c’est une couleuvre.
LA GOUVERNANTE. — N’approchez pas, Frédie !
LA CUISINIERE, sourde et muette. — Krrrrrhh !
L’ABBE. — Je te promets une de ces fessées…
GRAND-MERE. — Voyons, mon chéri, lâche cette horreur !
Impavide, glorieux, je tendis mon trophée à l’oncle protonotaire, qui, professionnellement ennemi des reptiles, recula d’un bon mètre. Chacun l’imita. Mais grand-mère, plus brave, parce que, n’est-ce pas, c’était grand-mère, s’approcha et, d’un brusque coup de face-à-main, me fit lâcher le serpent, qui tomba, inerte, sur le perron et que mon oncle, rassuré, se mit à retuer, martialement, à grands coups de talon, comme saint Michel, son patron. »

 

 
Hervé Bazin (7 april 1911 – 17 februari 1996)
Cover

 

De Oostenrijkse schrijver Johannes Mario Simmel werd op 7 april 1924 in Wenen geboren. Zie ook alle tags voor Johannes Mario Simmel op dit blog.

Uit: Das geheime Brot

„Der Karfreitag ist schon immer ein trauriger Tag gewesen, aber in diesem Jahr war er ganz besonders traurig. Die Bäume und Sträucher blühten, auf den Wiesen verbreitete sich frisches, grünes Gras, und die Sonne schien aus einem wolkenlosen Himmel auf alle Häuser, auf alle Straßen der großen Stadt. Und dennoch hielt eine ungeheure, maßlose Traurigkeit die Menschen gefangen, so daß sie die Blumen nicht sahen und nicht die Spatzen in den rußigen Ästen der Bäume im Park, die hellen Kleider der Frauen nicht und nicht die vielen Geschäfte, in deren Auslagen die kostbarsten Dinge lagen. Die Arbeiter in den Fabriken fühlten, daß ihre Hände schwer waren wie Blei, die Angestellten in den Büros der großen Ämter legten in der Mittagspause ihre bleichen, verzagten Gesichter auf die verschränkten Arme und schliefen vor Müdigkeit ein, und die Bauern auf dem Lande gingen mit großer Bitterkeit im Herzen über ihre gepflügten Felder.
Niemand konnte in diesem Jahre wirklich froh werden. Sogar die Kinder hatten Sorgenfalten auf den Stirnen, und kleine Hunde, die immer vergnügt gewesen waren, schlichen bedrückt herum und wagten kaum mehr zu bellen.
So traurig war alles geworden.
Wer darüber nachdachte, der fand, daß die Menschen deshalb nicht mehr fröhlich zu sein vermochten, weil sie sich fürchteten. Sie fürchteten sich vor der Zukunft und vor allem, was diese Zukunft bringen sollte an Gewalttat, neuerlicher Zerstörung,
Rechtlosigkeit, Schmerz und Tod. Sie fürchteten sich nicht nur in der großen Stadt Wien, in der die Geschichte, die hier erzählt werden soll, spielt, sondern auch in allen anderen Städten des Kontinents, auf allen Kontinenten, auf der ganzen Welt. Es gab niemanden, der sich nicht gefürchtet hätte.
Tag für Tag, Stunde um Stunde überschwemmte eine Flut von Nachrichten die Erde, die geeignet war, neue Furcht, neuen Schrecken in den Herzen der Menschen zu wecken.
In Europa, dessen Gesicht noch die frischen Wunden eines grauenhaften Vernichtungskrieges trug, standen Soldaten vieler Nationen Gewehr bei Fuß und wären gerne zu Hause gewesen. Sie beargwöhnten und mißtrauten einander, und ihre Führer, die gekommen waren, um ein besiegtes Volk zu befrieden, sprachen von Krieg. In Palästina töteten die Araber täglich viele Juden, und die Juden überfielen täglich arabische Siedlungen. Und beide riefen die Weltöffentlichkeit zum Zeugen ihres gerechten Kampfes an. In Italien schossen Arbeiter ebenso aufeinander wie in der Tschechoslowakei und auf dem Balkan.“

 

 
Johannes Mario Simmel (7 april 1924 – 1 januari 2009)

 

De Antilliaans-Nederlandse dichter en kunstenaar Quinsy Gario (ook bekend onder het pseudoniem T. Martinus) werd geboren in Curaçao op 7 april 1984. Zie ook alle tags voor Quinsy Gario op dit blog.

Uit: Pepernoot (Column)

“Een van de opvallendste kenmerken van de pepernoot is dat hij vaak wordt verward met de kruidnoot. Hij wordt niet herkend voor wat hij is. Als je ‘pepernoot’ googelt, levert dat negen van de tien keer een afbeelding van een kruidnoot op. Het woord pepernoot rolt in de volksmond kennelijk gemakkelijker over de tong dan het woord kruidnoot. Het zijn twee verschillende dingen, maar we vinden het gemakkelijker dat onderscheid te laten voor wat het is. De pepernoot is een belangrijk onderdeel van strooigoed. De term strooigoed schept ook de mogelijkheid om niet moeilijk te hoeven doen over wat er wordt gestrooid in de dagen van gladde fietspaden en warme jassen. Goed wordt door de lucht geslingerd en handjes grijpen boven hun hoofd om te vangen wat ze kunnen. Daarachter staan ouders, om de bezitters van die handjes te vertellen dat ze geen pepernoten van de grond moeten eten. Je ziet die ouders praten en beseft dat ze dat zelf ook ooit te horen hebben gekregen van hun ouders, en die weer van hun ouders.
Het strooien met snoep zou een verwijzing zijn naar de wil om een zoete toekomst te oogsten. We herinneren onszelf eraan dat we een land zijn van boeren en van aandeelhouders. Maar vervoerd worden door suiker, die door de aderen raast en de tongen losmaakt om nog meer te wensen, nog meer te eisen, is een koud kunstje als slechts de schaduwen te zien zijn van de mensen van wier werk die suiker een erfenis is. Knusse voorstellingen worden ons voorgeschoteld alsof ze de normaalste zaak van de wereld zijn. Maar dat is net als de plant, die zich niet afvraagt waarom hij zo sterk heeft kunnen groeien. Hij is groot en werpt vruchten af; wat daaraan vooraf is gegaan, blijft verscholen.”

 

 
Quinsy Gario (Curaçao, 7 april 1984)

 

De Argentijnse schrijjfster Victoria Ocampo werd geboren op 7 april 1890 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Victoria Ocampo op dit blog.

Uit:Autobiografia II

“As. always, I am writing you to complain and say that life is stupid, the world injust, destiny blind, “society” idiotic, and nothing more . . . I have almost everything anyone could want, but one thing disturbs me: intelligence. Bete oU ange; I can accept one or the other. But I cannot accept having paws and wings at the same time. And that is my problem. . . . If God exists, why is He so cruel? Why impose on someone a battle between head and heart? Why a power to reason and an intensity of contradictory emo- tions?”
(…)

“I do not believe that there is any European country in which the bonds of blood and passions of the soul reach such a degree of intensity as is habitual in Hispanic America. Thus, an atmosphere of tension, of latent trag- edy, that disconcerts the foreigner and causes him to conjecture aimlessly about its nature. The spirit and the intellect (I distinguish between the two) count relatively little alongside those deep, dark, heavy and opaque things, which are often unintelligible and thus inexpressable, and from which one cannot extricate oneself. (I do not refer to Indians or mestizos, but to the whites of Latin America.) I defy someone to prove to me that in Europe-even in Italy-the bonds of family and love have the terrible weight of blood that they have here. The Europeans cannot seem to understand our way of feeling. Much more could be said in this regard.”

 

 
Victoria Ocampo (7 april 1890 – 27 januari 1979)
Cover

 

De Duitse schrijver, vertaler, anarchistisch politicus en joods denker  Gustav Landauer werd geboren in Karlsruhe op 7 april 1870. Zie ook alle tags voor Gustav Landauer op dit blog.

Uit: Aufruf zum Sozialismus

„Wer zum Sozialismus aufruft, muß der Meinung sein, Sozialismus sei eine Sache, die nicht oder so gut wie nicht, noch nicht oder nicht mehr in der Welt sei. Man könnte einwenden: “Natürlich ist kein Sozialismus, ist die sozialistische Gesellschaft nicht in der Welt. Sie ist noch nicht da, aber es sind Bestrebungen da, sie zu erreichen; Einsichten, Erkenntnisse, Lehren, wie sie kommen wird.”
Nein, nicht so ist der Sozialismus gemeint, zu dem hier aufgerufen wird. Vielmehr verstehe ich unter Sozialismus eine Tendenz des Menschenwillens und eine Einsicht in Bedingungen und Wege, die zur Erfüllung führen. Und allerdings sage ich: so gut wie gar nicht, so schlecht wie nur je ist dieser Sozialismus da. Darum rede ich zu jedem, der mich hören will, und hoffe, daß meine Stimme schließlich auch zu manchen, zu vielen dringt, die mich nicht hören wollen, rufe ich auf zum Sozialismus.
Was ist er? Was wollen die Menschen, die Sozialismus sagen?
Und was ist das, was sich heute so nennt? Unter welchen Bedingungen, in welchem Moment der Gesellschaft – wie man gewöhnlich sagt, der Entwicklung – kann er Wirklichkeit werden?
Der Sozialismus ist ein Bestreben, mit Hilfe eines Ideals eine neue Wirklichkeit zu schaffen. Das muß zunächst gesagt werden; wenn auch das Wort Ideal durch traurige Heuchler und gemeine Schwächlinge, die sich gern Idealisten nennen, und sodann durch Philister und Wissenschaftskrämer, die sich gern Realisten nennen, in Verruf gekommen ist. In Zeiten des Niedergangs, der Unkultur, der Geistlosigkeit und des Elends müssen die Menschen, die nicht bloß äußerlich, sondern vor allem innerlich unter diesem Zustand, der sie umgibt und bis in ihren Kern, in ihr Leben, in ihr Denken, Fühlen und Wollen sie selber erfassen will, leiden, müssen die Menschen, die sich dagegen wehren, ein Ideal haben.“

 


Gustav Landauer (7 april 1870 – 2 mei 1919)
Cover

 

De Franse schrijfster en strijdster voor vrouwenrechten Flora Tristan werd geboren op 7 april 1803 in Parijs. Zie ook alle tags voor Flora Tristan op dit blog.

Uit: l’Union Ouvriere (Vertaald door Doris en Paul Beik)

“Believing that woman, because of her structure, lacked strength, intelligence, and ability and was unsuited for serious and useful work, it has been concluded very logically that it would be a waste of time to give her a rational, solid, strict education capable of making her a useful member of society. Therefore she has been raised to be an amiable doll and a slave destined to entertain her master and serve him. To be sure, from time to time a few intelligent and compassionate men, suffering for their mothers, wives, and daughters, have cried out against such barbarousness and absurdity and have protested energetically against so unjust a condemnation. . . . Occasionally society has been momentarily sympathetic; but, under the pressure of logic it has responded: Well! Granted that women are not what the sages thought, suppose even that they have a great deal of moral force and much intelligence; well, in that case what purpose would it serve to develop their faculties, since they would have no opportunity to employ them usefully in this society that rejects them? What more frightful punishment than to feel in oneself the strength and ability to act and to see onese condemned to inactivity!
That reasoning was truly irrefutable. Consequently everyone repeats: It is true, women would suffer too much if their fine faculties endowed by God were developed, if from childhood they were raised in such a way that they comprehended their dignity as human beings and were aware of their value as members of society; never, no never, could they support the degrading position in which the church, the law, and prejudices have placed them. It is better to treat them as children and leave them in ignorance about themselves; they would suffer less.
Pay attention and you will see what frightful perturbations result solely from the acceptance of a false principle.
Not wishing to wander from my subject, although here is a good opportunity to speak from a general point of view, I return to my theme, the working class.”

 

 
Flora Tristan (7 april 1803 – 14 november 1844)
Cover Engelstalige uitgave

 

De Canadese schrijver en essayist Roger Lemelin werd geboren op 7 april 1919 in Quebec. Zie ook alle tags voor Roger Lemelin op dit blog.

Uit: Fantaisies sur les péchés capitaux

“Un élixir qui fait posséder une vierge… Les mots bourdonnent, triomphants, au-dessus du sommeil calme de maman. Une détente. Ghislaine se réfugie sur mon cœur. Ses petits sanglots font que sa tête heurte ma poitrine. Elle pleure et semble vouloir aspirer d’un seul trait la force immense qui repose entre mes épaules d’homme sain.
Quelle douceur ! Maman dort. Je ne puis la réveiller pour lui faire boire cet élixir. Vive la douleur qui me rend Ghislaine moins farouche! C’est tout son corps qui finit de sangloter contre moi maintenant. Sa robe est blanche. Mon bras s’enfonce mollement dans le creux de ses reins et le reste ondule sous je ne sais quelle brise fraîche. Nous marchons. Le banc de granit est là, toujours. Je ne pense plus aux pierres tombales, mais à des rochers moussus. Je m’étends et Ghislaine m’imite, sans pudeur, comme si elle se mettait à genoux. Je nous sens tomber dans un gouffre de volupté, où les fièvres nous traversent comme des sources chaudes.
Les muguets, les trèfles, me semblent grandir jusqu’au ciel, fleurs immenses dans un jardin merveilleux. Les arbres, trop grands, se sont soumis le firmament et cela nous fait un ciel clignotant et vert. La nature se gonfle avec nous, grisée par notre folie. »

 

 
Roger Lemelin (7 april 1919 – 16 maart 1992)
In 1946

En Jezus schreef in ’t zand (Gerrit Achterberg)

 

Bij de 5e zondag van de veertigdagentijd

 


Jezus en de overspelige vrouw door Pieter van Lint, ca. 1630

 

En Jezus schreef in ’t zand

Jezus schreef met Zijn vinger in het zand.
Hij bukte zich en schreef in ’t zand, wij weten
niet wat Hij schreef, Hij was het zelf vergeten,
verzonken in de woorden van Zijn hand.

De schriftgeleerden, die Hem aan de tand
hadden gevoeld over een vrouw, van hete
hartstochten naar een andere man bezeten,
de schriftgeleerden stonden aan de kant.

Zondig niet meer, zei Hij, ik oordeel niet.
Ga heen en luister naar het lied.

En Hij stond recht. De woorden lieten los
van hun figuur en brandden in de blos

waarmee zij heen ging, als een kind zo licht.
Zo geestelijk schreef Jezus Zijn gedicht.

 

 
Gerrit Achterberg (20 mei 1905 – 17 januari 1962)
De Hervormde kerk van Nederlangbroek, de geboorteplaats van Gerrit Achterberg

 

Zie voor de schrijvers van de 7e april ook mijn twee volgende blogs van vandaag.