Renate Dorrestein, Lisa Weeda, David Grossman, William S. Maugham, Virginia Woolf, Stephen Chbosky, Alessandro Baricco, Paavo Haavikkom, Robert Margerit

De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein werd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954. Zie ook alle tags voor Renate Dorrestein op dit blog.

Uit: Reddende engel

““Pal boven me hing een roofvogel te loeren op een prooi. Kale bomen, halfbezwijkend onder trossen maretak, strekten hun takken uit naar de vale hemel. Kraaien pikten met felle bewegingen in een omgeploegde akker. Je had hier vreemde grondsoorten, löss en mergel. En grottenstelsels waarin je voor altijd kon verdwalen, met als enig gezelschap de vleermuizen die er kwamen overwinteren. Eerder op de dag was ik langs gammele schuurtjes van geteerd hout gereden, met naast een ervan een pony die suïcidaal uit zijn ogen keek. En overal kruisbeelden en kapelletjes, opgetuigd met plastic bloemen die door de jaren heen hun kleur hadden verloren.
Midden op de vijfsprong op de heuvel stond ook zo’n kruis. Op zoek naar houvast liep ik er over de onverharde weg naartoe. Het was niet groot, het reikte maar net tot mijn middel. Ik moest me bukken om de inscriptie te kunnen lezen: ‘Red ons, Heer.’
Schielijk draaide ik me weer om. Ik had nu ergens in een dorpscafé achter een biertje kunnen zitten, gebrouwen met water uit eigen bron en hop en gerst van eigen land. Als ik maar beter had opgelet.
Als ik de tekenen niet veel te lang in de wind had geslagen, was ik hier zelfs nooit beland.
Maar geluk maakt je lui en zelfgenoegzaam.
Veel mensen schijnen het te betreuren dat je geluk niet kunt hamsteren, zoals bijen met hun honing doen, zodat je je opgeslagen voorraad kunt aanspreken als de nood aan de man komt. Die mensen realiseren zich niet dat het oprakelen van oud geluk juist een afschuwelijke bezigheid is.
Ik ging weer in mijn auto zitten en tuurde onthand door de voorruit. Verder van huis dan hier in Zuid-Limburg had ik niet kunnen komen zonder de grens over te rollen. Kilometers maken. Afstand creëren.
Moest ik rustig afwachten totdat er iemand langsreed die me zou kunnen vertellen dat er een paar kilometer verderop al een benzinepomp was, als je de weg tenminste wist? Zo ver kon ik nu ook weer niet van de bewoonde wereld vandaan zijn. Vanmiddag was ik door het ene dorp na het andere gereden, zonder dat een verblijf in een ervan me aantrekkelijk had geleken.”

 

 
Renate Dorrestein (Amsterdam, 25 januari 1954)

Lees verder “Renate Dorrestein, Lisa Weeda, David Grossman, William S. Maugham, Virginia Woolf, Stephen Chbosky, Alessandro Baricco, Paavo Haavikkom, Robert Margerit”

E. Th. A. Hoffmann, Ivan Ivanji, Eugen Roth, Ulrich Holbein, Edith Wharton, Jiří Karásek ze Lvovic, John Donne, Charles Sackville, Helen Darville

De Duitse dichter en schrijver Ernst Theodor Amadeus Hoffmann werd geboren in Koningsbergen op 24 januari 1776. Zie ook alle tags voor E. Th. A. Hoffmann op dit blog.

Uit: Die Serapionsbrüder

“Stelle man sich auch an wie man wolle, nicht wegzuleugnen, nicht wegzubannen ist die bittre Überzeugung, daß nimmer – nimmer wiederkehrt, was einmal dagewesen. Eitles Mühen, sich entgegenzustemmen der unbezwinglichen Macht der Zeit, die fort und fort schafft in ewigem Zerstören. Nur die Schattenbilder des in tiefe Nacht versunkenen Lebens bleiben zurück, und walten in unserm Innern, und necken und höhnen uns oft, wie spukhafte Träume. Aber Toren! wähnen wir, das, was unser Gedanke, unser eignes Ich worden, noch außer uns auf der Erde zu finden, blühend in unvergänglicher Jugendfrische. – Die Geliebte, die wir verlassen, der Freund von dem wir uns trennen mußten, verloren sind beide für uns auf immer! – Die, die wir vielleicht nach Jahren wiedersehen, sind nicht mehr dieselben, von denen wir schieden, und sie finden ja auch uns nicht mehr wieder!«
So sprach Lothar, indem er heftig vom Stuhl aufsprang, dicht an den Kamin hinanschritt und die Arme übereinandergeschlagen mit finsterm Blick in das lustig knisternde Feuer hineinstarrte.
»Wenigstens«, begann jetzt Theodor, »wenigstens lieber Freund Lothar, bewährst du dich insofern ganz als denselben, von dem ich vor zwölf Jahren schied, als du noch ebenso wie damals geneigt bist, nur im mindesten schmerzlich berührt, dich allem Unmut rücksichtslos hinzugeben. Wahr ist es, und ich, Ottmar und Cyprian, wir alle fühlen es gewiß ebenso lebhaft als du, daß unser erstes Beisammensein nach langer Trennung gar nicht so erfreulich ist, als wir es uns wohl gedacht haben mochten. Wälze die Schuld auf mich, der ich aus einer unserer unendlichen Gassen in die andere lief, der ich nicht abließ, bis ich euch heute abend hier vor meinem Kamin zusammengebracht hatte. Gescheuter wäre es vielleicht gewesen, hätt ich unser Wiedersehn dem günstigen Zufall überlassen, aber unerträglich war mir der Gedanke, daß wir, die wir jahrelang durch herzliche Liebe, durch ein gleiches schönes Streben in Kunst und Wissenschaft innig verbunden zusammenlebten, die nur der wilde Orkan, wie er daherbrauste in der verhängnisvollen Zeit die wir durchlebt, auseinanderschleudern konnte, daß wir, sage ich, auch nur einen Tag in demselben Hafen geankert haben sollten, ohne uns mit leiblichen Augen zu schauen, wie wir es unterdessen mit geistigen getan. Und nun sitzen wir schon ein paar Stunden zusammen und quälen uns mörderlich ab mit dem Enthusiasmus unserer frischblühenden Freundschaft. Und keiner hat bis zu diesem Augenblick etwas Gescheutes zu Markte gebracht, sondern fades langweiliges Zeug geschwatzt zum Bewundern. Und woher kommt das alles anders, als daß wir insgesamt recht kindische Kinder sind, daß wir glaubten, es werde nun gleich wieder fortgehen in derselben Melodie, die wir vor zwölf Jahren abbrachen.“

 

 
E. Th. A. Hoffmann (24 januari 1776 – 25 juni 1822)
Cover

Lees verder “E. Th. A. Hoffmann, Ivan Ivanji, Eugen Roth, Ulrich Holbein, Edith Wharton, Jiří Karásek ze Lvovic, John Donne, Charles Sackville, Helen Darville”

P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, João Ubaldo Ribeiro, Michel Droit, Fatma Aydemir

De Nederlandse schrijver Pieter Frans Thomése werd geboren in Doetinchem op 23 januari 1958. Zie ook alle tags voor P. F. Thomése op dit blog.

Uit: Grillroom Jeruzalem

“Het zijn de donkere dagen voor Kerst, en we zullen overnachten in Bethlehem. Dat is in het Palestijnse gebied. Aan de andere kant van de grens.
Die grens blijkt, als we arriveren, een muur te zijn van negen meter hoog. Van de ene op de andere straat is-ie er ineens. Baf. Midden in de bebouwde kom. Grijze betonnen platen, bekend uit de gevangenisarchitectuur. Wie zoiets neerzet, wil datgene wat daarachter is nooit meer terug hoeven zien. De utilitaire vormgeving detoneert nogal in het Bijbelse landschap. Wie hier wil dromen van het kindeke Jezus en de os en de ezel en de wijzen uit het Oosten, moet danig zijn fantasie aanspreken. Ons hotel heet overigens gewoon, alsof er niets aan de hand is, het Bethlehem Star Hotel, en de desbetreffende ster straalt ons in haar vuile neon zwakjes tegemoet.
Hier lagen ze dus, de herdertjes, hier lagen zij bij nacht bij het vuur. En daar hoorden zij engelen zingen. Ik probeer me een beetje te oriënteren, maar erg goed lukt dat nog niet.
Onze reisleidster, de Palestijnse Ghada uit Gouda, zegt dat het al laat is en dat we maar beter meteen kunnen gaan slapen.
Op mijn kamer, met de vertrouwde lekkende kraan en het leeslampje dat alleen aangaat als je het draadje op een bepaalde manier vasthoudt, lig ik op bed en probeer ik me thuis te voelen in dit beloofde land waar zovelen zoveel eeuwen naar gehunkerd hebben, waar zovelen met onbegrijpelijke graagte hun bloed voor hebben gegeven (en al hunkerend nog steeds willen geven). Kijkend naar het plafond luister ik naar mijn van thuis meegebrachte muziek: Bar Kochba, de ‘radicale joodse jazz’ van de New Yorker John Zorn, en Old Testaments & New Revelations, melancholisch absurdisme van ‘de eerste joodse countryster’ Kinky Friedman and his Texas Jewboys (‘They ain’t making Jews like Jesus anymore’). Maar ik geloof nog steeds niet helemaal dat ik hier ben. In het Heilige Land, sprookjesland der gelovigen. Het is allemaal zo… gewoon. Het zou net zo goed een hotelkamer kunnen zijn in Emmen of Terneuzen waar ik na mijn lezing uit eigen werk door de liefhebbende organisatie ben ondergebracht.
Om wat meer in de stemming te komen ga ik verder in Edgar Hilsenraths magnum opus Nacht, schitterende schelmenroman uit de sjoah, die ik elke keer moeilijk weg kan leggen, zo verslavend is deze beklemmende overlevingsgeschiedenis. Het verhaal speelt zich af in een ten dode opgeschreven joods getto aan de Dnjestr, ergens in de duistere krochten van oostelijk Europa, waar de grenzen met iedere oorlog veranderden tot niemand meer wist wie in welk land thuishoorde.”

 

 
P. F. Thomése (Doetinchem, 23 januari 1958)

Lees verder “P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, João Ubaldo Ribeiro, Michel Droit, Fatma Aydemir”

Delphine Lecompte, Wilhelm Genazino, Rainer Stolz, Ingrid Puganigg, Krzysztof Kamil Baczyński, Rainer Brambach, Lord Byron, August Strindberg, Gotthold Ephraim Lessing

De Vlaamse dichteres en schrijfster Delphine Lecompte werd geboren op 22 januari 1978 in Gent. Zie ook alle tags voor Delphine Lecompte op dit blog.

 

Karbonade in Poperinge

We rijden door het dorpje waar jij een gekweld kind bent geweest
vertederd spreek je over alle kikkers die je opblies
alle konijnen die je stroopte
nadat je vader de achterlijke konijnenkopjes had verbrijzeld
met dezelfde spade waarmee je moeder werd getemd.

We eten kalfskarbonade in het dorpje waar jij je onschuld verloor
twee keer onder en ontelbare keren op een ongedoopte bakkersdochter
ze rook nooit naar versgebakken brood
maar altijd naar bleekwater en naar oudere jongens.

We rijden terug naar de stad waar we voorwaardelijke geliefden zijn
in de auto word ik ziek
de teleurstellende karbonade spat op de voorruit
waar het de vorm aanneemt van een zieltogend kalf.

 

Bijten in het Frans

Ik was eens op taalkamp
Ik hoorde het werkwoord bijten in het Frans
En ik dacht dat het sterven betekende
Ik mocht mijn hand in de muil van een kalf steken
En ik voorvoelde dat seks minder intiem zou zijn; minder gezellig ook.

Ik werd verliefd op iemand van hetzelfde geslacht
Ze mocht vroeger naar huis omdat haar vader een poolreiziger was
Een kortharige monitrice zei: ‘Tu as une voix forte!’
Ze haatte mij, het was een klein beetje wederzijds
Elke dag dacht ik aan de kerk van mijn geboortedorp.

Ik werd betrapt toen ik shampoo trachtte te stelen
Van het minst blozende en meest blonde kamplid
Ik kreeg een postkaart van mijn moeder
Het was een paardenrace van Degas
Ze schreef: ‘Parijs is mooi. Wilfried heeft een Afrikaans masker voor mij gekocht.’

Ik was eens op taalkamp
Ik leerde dat bijten en sterven niet dezelfde woorden waren
Na de verijdelde shampoodiefstal werd ik geminacht
Elke ochtend sprak ik met God
Ik vond hem even getalenteerd als Degas, en mooier nog dan paardenbenen.

Zo prettig was het taalkamp niet
Het kalf en de postkaart waren de hoogtepunten
Terug thuis mocht ik mijn mening geven over het Afrikaanse masker; ik had er geen.

 

 
Delphine Lecompte (Gent, 22 januari 1978)

Lees verder “Delphine Lecompte, Wilhelm Genazino, Rainer Stolz, Ingrid Puganigg, Krzysztof Kamil Baczyński, Rainer Brambach, Lord Byron, August Strindberg, Gotthold Ephraim Lessing”

Am dritten Sonntage nach Heilige Drei Könige (Annette von Droste-Hülshoff)

 


Christus geneest een melaatse door Jean-Marie Melchior Doze, 1864

 

Am dritten Sonntage nach Heilige Drei Könige
Ev.: Vom Aussätzigen und Hauptmann.

»Geh hin und dir gescheh’ wie du geglaubt!«
Ja, wer da glaubt, dem wird sein Heil geschehen;
Was aber ihm, dem in verborgnen Wehen
Das Leben hat sein Heiliges geraubt?

Herr, sprich ein Wort, so wird dein Knecht gesund!
Herr, sprich das Wort, ich kann ja nichts als wollen;
Die Liebe kann das Herz dir freudig zollen,
Der Glaube wird ja nur als Gnade kund!

Wie kömmt es, da ich dich am Abend rief,
Da ich am Morgen ausging dich zu finden,
Daß du in Lauheit und des Zweifels Sünden
Mich sinken ließest, tiefer stets und rief.

Ist nicht mein Ruf in meiner höchsten Not
Zu dir empor geschollen aus der Tiefe?
Und war es nicht, als ob ich Felsen riefe,
Indes mein Auge stets von Tränen rot?

Verzeih, o Herr, was die Bedrängnis spricht,
Ich habe dich doch oft und süß empfunden,
Ich war ja eins mit dir zu ganzen Stunden,
Und in der Not gedacht’ ich dessen nicht!

Und ist mir nun, als sei ich ganz allein
Von deinem weiten Gnadenmahl verloren,
Der ausgesperrte Bettler vor den Toren:
O Gott! die Schuld ist doch gewißlich mein!

Fühlt’ ich in Demut, wie ich nimmer wert,
Daß ich dein Wort in meinem Geist empfangen,
Daß meine Seufzer an dein Ohr gelangen,
Daß meine Seele dich erkennt und ehrt?

Mein Herr, gedenke meiner Sünden nicht,
Wie oft hab’ ich auf selbstgewähltem Pfade
Geschrien im Dunkel, Gott, um deine Gnade,
Wie um ein Recht, und wie um eine Pflicht!

O hätt’ ich ihre Gaben nicht versäumt!
Hätt’ ich sie nicht zertreten, und verachtet!
Ich stände nicht so grauenvoll umnachtet,
Daß das entflohne Licht mir wie geträumt!

Wie oft ist nicht, noch eh die Tat geschah,
Die als Gedanke lüstern mich umflogen,
In milder Warnung still vorbeigezogen
Dein Name mir, dein Bild auf Golgatha!

Und wenn ich nun mich frevelnd abgewandt,
Die Sünde die ich klar erkannt begangen,
Wie hast du dann in reuigem Verlangen
Nicht oft in meiner Seele nachgebrannt!

Ach, viel und schwere Sünden übt’ ich schon,
Noch mehr der Fehle, klein in ihren Namen,
Doch groß in der Verderbnis tiefstem Samen,
Taub für des jammernden Gewissens Ton.

Nun ist mir endlich alles Licht dahin!
Und öfters deine Stimme ganz verschollen,
Doch wirf mich, o du siehst ich kann noch wollen,
Nicht zu den Toten weil ich lebend bin!

Mein Jesu, sieh, ich bin zu Tode wund,
Und kann in der Zerrüttung nicht gesunden,
Mein Jesu, denk an deine bittern Wunden,
Und sprich ein Wort, so wird dein Knecht gesund!

 

 
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)
De kapel van Burg Hülshoff, de geboorteplaats van Annette von Droste-Hülshoff

 

Zie voor de schrijvers van de 21e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Louis Menand, Ludwig Thoma, Ludwig Jacobowski, Kristín Marja Baldursdóttir, Egon Friedell, Joseph Méry, Roderich Benedix

De Amerikaanse schrijver en letterkundige Louis Menand werd geboren op 21 januari 1952 in Syracuse, New York. Zie ook alle tags voor Louis Menand op dit blog.

Uit: What It Is Like to Like. Art and taste in the age of the Internet

“The subject of Tom Vanderbilt’s “You May Also Like” (Knopf) is taste, the term he uses for whatever it is that guides our preference for chocolate over vanilla, taupe over beige, “The Bourne Supremacy ” over “The Bourne Ultimatum,” and Artur Schnabel and Joseph Szigeti’s recording of Beethoven’s tenth violin sonata over Vladimir Ashkenazy and Itzhak Perlman’s rendering of the same work. Vanderbilt’s widely admired previous book, “Traffic,” examined a dangerous and complex activity that people pay about as much attention to while they’re doing it as they do to washing the dishes: driving a car. Making sense of driving was tough. Not nearly as tough, however, as taste.
Vanderbilt’s premise is: “We are strangers to our tastes.” He doesn’t mean that we don’t really like what we say we like. He means that we don’t know why. Our intuition that tastes are intuitive, that they are just “our tastes,” and spring from our own personal genome, has been disproved repeatedly by psychologists and market researchers. But where tastes do come from is extremely difficult to pin down. Taste is not congenital: we don’t inherit it. And it’s not consistent. We come to like things we thought we hated (or actually did hate), and we are very poor predictors of what we are likely to like in the future.
We have trouble articulating the reasons that we prefer the Schnabel to the Ashkenazy, or decide on the locally foraged fresh spring porcini mushrooms with roasted Sebastopol peaches, almonds, and crispy tempura—no, wait!, I’ll have the gâteau of Hudson Valley Moulard duck foie gras with roasted Chioggia beets, Brooks cherries, and Sicilian pistachios served with toasted brioche (thirty-dollar supplement). Just don’t ask me why.
Maybe “toasted” trumped “foraged.” Likes and dislikes can be triggered by random associations and can form in a split second. We make choices before we’ve had time to weigh the options. Vanderbilt tells us that the median amount of time spent looking at a work of art at the Met is seventeen seconds. Shopping for clothes, we say, “Oh, I love that!” before we have the first coherent idea about what it is that makes us love it.”

 

 
Louis Menand (Syracuse, 21 januari 1952)
Bij de uitreiking van de National Humanities Medal door president Obama in 2015

Lees verder “Louis Menand, Ludwig Thoma, Ludwig Jacobowski, Kristín Marja Baldursdóttir, Egon Friedell, Joseph Méry, Roderich Benedix”

Anna Basener

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijfster Anna Basener werd in 1983 in Essen geboren. Basener studeerde cultuurwetenschappen en esthetiek aan de Universiteit van Hildesheim. Het collegegeld verdiende zij met het schrijven van stuiverromans voor de Bastei Verlag. In 2010 verscheen met haar “Heftromane schreiben und veröffentlichen” het eerste boek over het schrijven van stuiverromans. Zij publiceerde zelf onder verschillende pseudoniemen, maar vooral omdat Catharina Chrysander verschillende stuiverromans in het genre adel en “Heimat”, en romantasy en sexwesterns. Tegenwoordig schrijft ze erotische e-books, thrillers en historische romans onder pseudoniem en in toenemende mate publiceert zij onder haar eigen naam. Haar e-book “Fürstenschund” bereikte plaats 1 op de Kindle bestseller lijst. Naast essays voor vice.de en het tijdschrift Business Punk schrijft ze ook een column over de zoektocht naar de perfecte werkplek. Haar korte verhaal “Herz aus Milch” was een van de beste van de MDR literatuur wedstrijd in 2015 en is verschenen in de bloemlezing “Schnee im August. In 2017 verscheen haar debuutroman “Als die Omma den Huren noch Taubensuppe kochte“, waarvan al voor verschijnen de filmrechten verkocht waren.

Uit: Als die Omma den Huren noch Taubensuppe kochte

“Putzen. Nicht gerade Ommas Berufung. Nur weil sie gut darin ist, heißt das nicht, dass jedes feuchte Durchwischen von Herzen kommt. Sie will es halt sauber haben, hat ei-nen gewissen Anspruch und eine unerschöpfliche Menge an Reinigungsbenzin. »So ein Hotel muss schließlich was hermachen«, hat die Omma oft gesagt, den Staubwedel untern Arm geklemmt und noch einen Samtkragen gekippt. So war das an Karneval. Und an Ostern. Und selbstverständlich am Ersten Mai, und das ging dann immer so weiter durch das ganze Jahr, das kann man sich ja vorstellen. Genau genommen war das damals natürlich gar kein Hotel, sondern ein Puff. Aber das machte die Arbeit nur anspruchsvoller. »Eine einzige Komplexät mit die Damen und die Her-ren und das Geld.« Die Omma hatte so manche Weisheit parat. Sie war stolz auf dreckfreie Flächen und hatte für jeden Kleckser ein bis drei Lösungen. Aber ihr ging es immer um mehr, aufs Putzen ließ sich die Omma nie reduzieren. Immerhin war sie ja vor allem Wirtschafterin – und zwar eine flotte. Sie hatte zum Beispiel recht schnell ne Dauerwelle, noch vor den Damen im d’Amour. Natürlich war sie auch eine der Letzten, die noch Dauerwelle hatte, als die Welle längst vorüber war, aber so ist das mit der Omma nun mal. Bei der Arbeit gab’s den Kittel über ihre Versandhaus-Shirts und die langen Ladyzigaretten im Mundwinkel. Sie raucht Eve, damals wie heute. Die haben so eine Blumen-borte am Ende des Filters, und die Plastikfingernägel von der Omma sind selbstverständlich immer in einer der vier Farben lackiert, die in der Blumenborte vorkommen. Rauchen kann tödlich sein – und wenn schon. Das Leben kann tödlich sein, und davon kann die Omma aber mal ein Liedchen singen. Sie hat eine tiefe Stimme, und wenn sie besoffen ist, dann stiert sie mit Schlafzimmerblick auf die Tischplatte, stemmt ihren Ellbogen auf und singt Dolly-Parton-Songs, während Eve in ihren Fingern zu Asche wird. Aber zurück zum Hotel, zurück zum Anfang. Die Omina war natürlich ein heißer junger Feger mit bunten Plastiknägeln, und sie hatte die Damen im Griff. Schon vor 1960, als alles anfing, hatte die alles im Griff. Wenn der Herbert nicht weiterwusste, dann hat er die Omma gefragt. Gut, er hat sie angebrüllt, und sie hat ihn ignoriert, aber das hat am Ende meistens geholfen. Wenn die Damen nicht weiterwussten, haben sie die Omma gefragt. Denn dem Herbert ist manchmal die Hand ausgerutscht, und da brauchte es einfach jemanden, der zurückschlägt. Da flogen dann die Ohrfeigen hin und her, dank der Omma war das keine Einbahnstraße. Wenn sie selbst nicht weiter-wusste, dann … Nein, eigentlich wusste sie immer weiter.“

 
Anna Basener (Essen, 1983)

Rudy Dek

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijver, journalist en taaltrainer Rudy Dek werd geboren in Rotterdam in 1956. Zijn eerste roman “Het duizendste front” verscheen in 1993. Hoofdthema’s van het boek zijn collaboratie en verzet tijdens WO II. De in Veenendaal woonachtige Dek werd vooral bekend vanwege zijn thrillers die zich in Nijmegen afspelen tijdens de jaarlijkse Vierdaagse. De eerste hiervan, getiteld “De dood of de gladiolen”, verscheen in 2008. In 2009 verscheen een tweede zogenaamde 4-daagse thriller, getiteld “Vrijdagmoorden”. In dit boek worden zakkenrollers, een verdwenen G4S- geldtransport, moorden op mensen uit de Quote 500 en de mishandeling van een buschauffeur behandeld tegen de achtergrond van de Nijmeegse Vierdaagse. De derde 4-daagse thriller, “Het verdriet van de Vierdaagse” geheten, verscheen in 2010 en de vierde “Dood van een marsleider in 2011. In 2012 volgde “De goudenkruisdragers”. In 2016 zijn er twee boeken verschenen. “Oorlogspad” is het nieuwste en het 9e deel uit de serie 4-daagse thrillers. Ter gelegenheid van de 100e Nijmeegse Vierdaagse werd het eerste exemplaar uitgereikt aan marsleider Johan Willemstein.

Uit: De Goudenkruisdragers

“Vlak bij de grens met Duitsland, een stukje buiten Millingen, daar waar de lucht, het water en de grond nog een geheel vormen, had professor Bernard Werner drie jaar geleden op een solitaire wandeling een verlaten molen aangetroffen. Het bouwwerk rees uit boven zijn omgeving, wat Werner deed denken aan zichzelf. Maar ook de machinerie, dat eeuwenoude karakter, dat ben ik. Er was wel wat werk aan de molen, vertelde de eigenaar, een man die sinds de dood van zijn vrouw niet langer eenzaam wilde wonen en daarom voor een rijtjeshuis in het dorp had gekozen. Al dat werk stond de koop niet in de weg. Dat kon Werner zelf wel oplossen. Nou ja zelf, sinds de overdracht deden vrienden en kennissen het werk, waarbij Werner uit de losse pols wat aanwijzingen gaf en ervoor zorgde dat er in een manshoge koelkast voldoende eten en drinken klaarstond. Maar goed, los van nog een aantal ongemakken was de molen sinds een maand of twee min of meer bewoonbaar en daarom, toen Werners boek gereed was, wist hij dat daar de presentatie ervan zou plaatsvinden.
Hij nodigde niet alleen zijn vrienden en kennissen uit, niet alleen de jongens die zo hard hadden gezaagd en getimmerd. En ook niet alleen zijn goede vrienden van de Vierdaagse. De voorname collega’s van de universiteit, de leden van de raad van bestuur, de nieuwe Nijmeegse burgemeester en zijn wethouders, die moesten om hem heen staan. Met hen zou hij doen alsof ze elkaar dagelijks zagen. Voor het volume was nog een aantal studenten gevraagd. En tot slot, niet te vergeten,
moest er pers zijn. Volop pers. De tv, de radio, de krant, allemaal mochten ze komen, want deze Bernard Werner, deze wetenschapper pur sang, deze arme man, had een verhaal te vertellen.
Vorig jaar was hij het slachtoffer geweest van een vreselijke ontvoering. Zestien nachten was hij door een onbekende in een koude, donkere kelder vastgehouden en pas weer vrijgelaten nadat een pak losgeld was betaald. Een dader was nooit gevonden, zelfs de kelder bleek onvindbaar, wat de mensen deed zeggen dat de ontvoering door professionals moest zijn uitgevoerd. Die zouden nooit voor de rechter komen. In het interview met de Gelderlander had Werner het woord professional overgenomen en vertaald in beroepsontvoerder. Uit het interview, waarin hij ter wille van het boek niet op alles kon ingaan, kwam evenwel naar voren dat hij dankzij zo’n beroepsontvoerder door een hel was gegaan. Een hel. Hij gebruikte het woord graag.”

 
Rudy Dek (Rotterdam, 1956)

Katharine Tynan

De Ierse dichteres en schrijfster Katharine Tynan Hinkson werd geboren op 21 januari 1861 in Clondalkin, County Dublin. Katharine Tynan, een van de twaalf kinderen van een melkveehouder, bezocht tussen 1869 en 1875 het Dominicaanse klooster van St. Catharina van Siena in Drogheda en beoogde vervolgens aan het noviciaat te beginnen. Na een oogkwaal in haar jeugd leed ze aan bijziendheid. Haar eerste gedicht werd gepubliceerd in 1878 in de krant The Graphic en publiceerde daarna regelmatig gedichten in kranten als Irish Monthly en de Dublin University Review. Daarnaast werkte ze ook als journaliste voor literaire tijdschriften. In juni 1885 ontmoette zij William Butler Yeats. Deze ontmoeting werd gevolgd door een levenslange correspondentie met Yeats, die haar beschreef als “zeer eenvoudig”. In de vroege correspondentie adviseerde Yeats haar om iets bijzonders te maken van haar Ierse katholicisme. Haar eerste bundel, “Louise de la Valliere and Other Poems” (1885), werd sterk beïnvloed door de Britse dichteres Christina Rossetti, en was volgens Yeats “too full of English influence to be quite Irish”. Naast Yeats en Christina Rossetti was Tynan ook bevriend met Charles Stewart Parnell, Alice en Wilfrid Meynell en en Christina Rossetti’s broers, Dante Gabriel Rossetti en William Michael Rossetti. Haar tweede bundel “Shamrock’s” (1887), bevatte uitsluitend Ierse thema’s. Tynan woonde tot haar huwelijk met Henry Albert Hinkson in 1893in Ierland. Hinkson was advocaat en auteur van romans. Na de bruiloft verhuisde het echtpaar naar Ealing en Notting Hill voordat beiden in 1914 terugkeerden naar Ierland, waar Henry Albert Hinkson rechter werd in County Mayo en in 1919 stierf. Katherine Tynan, die door John Butler Yeats in 1887 werd geportretteerd, schreef naast dichtbundels 100 romans, twaalf verhalenbundels, drie toneelstukken en talrijke artikelen over sociale kwesties zoals kinderarmoede en werkomstandigheden van vrouwen. Ze kreeg brede publiciteit met “The Wind, Shakes the Barley”, een bekende song met een tekst van haar. Haar eerste grote romans omvatten “Oh! What a Plague is Love” (1896) en “She Walks in Beauty” (1899). In 1913 verscheen haar autobiografische literaire retrospectief, “Twenty-Five Years”, met enkele tientallen vroege brieven van Yeats, herdrukt zonder zijn toestemming. In 1924 werd “Memories” gepubliceerd. In 1930 verschenen haar verzamelde lyrische werken onder de titel “Collected Poems”.

 

Quiet Eyes

The boys come home, come home from war,
With quiet eyes for quiet things —
A child, a lamb, a flower, a star,
A bird that softly sings.

Young faces war-worn and deep-lined,
The satin smoothness past recall;
Yet out of sight is out of mind
For the worst wrong of all.

As nightmare dreams that pass with sleep,
The horror and grief intolerable.
The unremembering young eyes keep
Their innocence. All is well!

The worldling’s eyes are dusty dim,
The eyes of sin are weary and cold,
The fighting boy brings home with him
The unsullied eyes of old.

The war has furrowed the young face.
Oh, there’s no all-heal, no wound-wort!
The soul looks from its hidden place
Unharmed, unflawed, unhurt.

 

The Wind That Shakes The Barley

There’s music in my heart all day,
I hear it late and early,
It comes from fields are far away,
The wind that shakes the barley.

Above the uplands drenched with dew
The sky hangs soft and pearly,
An emerald world is listening to
The wind that shakes the barley.

Above the bluest mountain crest
The lark is singing rarely,
It rocks the singer into rest,
The wind that shakes the barley.

Oh, still through summers and through springs
It calls me late and early.
Come home, come home, come home, it sings,
The wind that shakes the barley.

 

Mater Dei

She looked to east, she looked to west,
Her eyes, unfathomable, mild,
That saw both worlds, came home to rest,­
Home to her own sweet child.
God’s golden head was at her breast.

What need to look o’er land and sea?
What could the winged ships bring to her?
What gold or gems of price might be,
Ivory or miniver,
Since God Himself lay on her knee?

What could th’ intense blue heaven keep
To draw her eyes and thoughts so high?
All heaven was where her Boy did leap,
Where her foot quietly
Went rocking the dear God asleep.

The angel folk fared up and down
A Jacob’s Ladder hung between
Her quiet chamber and God’s Town.
She saw unawed, serene;
Since God Himself played by her gown.


Katharine Tynan (21 januari 1861 – 2 april 1931)
Portret door John Butler Yeats, 1887

Anton Ent

De Nederlandse dichter, schrijver en essayist Anton Ent (pseudoniem van Henk van der Ent) werd geboren in Rotterdam op 20 januari 1939. Ent ging na de opleiding HBS-B en de kweekschool Nederlands studeren om erachter te komen wat het geheim van poëzie is. Eerst aan de School voor Taal- en Letterkunde te Den Haag, daarna aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Al schrijvend en docerend zette hij deze zoektocht voort. In 1962 richtte hij met Jan D.’t Lam het jongerentijdschrift Travee op dat in 1963 met Ontmoeting (1946-1964) fuseerde. Anton Ent debuteerde in 1969 met de bundel “Hagel en sneeuw”. Onder zijn eigen naam publiceerde hij verhalend proza en essays. In “Het vierde land” en “De moed om niet te schuilen” legt hij uit waarom hij zich ‘agnost uit eerbied’ noemt. Anton Ent publiceerde onder meer in Maatstaf, Tirade en Liter, Zijn alter ego Marieke Jonkman daarnaast ook in De Gids, Ons erfdeel, Dietsche Warande en Belfort en Hollands Maandblad. Onder eigen naam droeg Henk van der Ent literaire beschouwingen en kritieken bij in de opiniebladen Hervormd Nederland, In de waagschaal, Roodkoper en Liter. Ent publiceerde zeventien dichtbundels, afgewisseld met proza en essayistisch werk.

 

Je rook de trage warmte teer…

Je rook de trage warmte teer en kroop
bij mij in bed. Je zweeg en keek. Je hand
raakte mijn wang, meer niet. je luisterde
aandachtig, bewoog ternauwernood, wachtte
op de morgen. We lagen daar met droge mond.
Dood was mijn moeder, was ze vermoord?
Heb ik haar laatste woorden niet gehoord?
Je bleef die nacht en bleef bij mij aan boord.

 

Ontbijt

De schoonheid van het broodmandje!
De bramenjam roept de emmer vol blauwzwarte vruchten op,
de struik met lichtvlekjes, gevuld met grijpbare schatten.

Vandaag kan het feest zijn. Het riet prijst
de schepper om het goede dat hij gemaakt heeft.
de dorens zijn vergeten, de schrammen genezen.

Eenzijdig, meerzinnig. Het denken is digitaal.
maar ik ervaar de glans van het rieten broodmandje
en proef de smaak van de zelfgemaakte bramenjam.

 


Anton Ent (Rotterdam, 20 januari 1939)