Ik zit voor het raam en zie hoe de tuin niet is veranderd voor haar ben ik niet weggeweest
de tuin kijkt mij recht in mijn gezicht het is vreemd te bedenken dat zij mij niet kent, zich mij niet herinnert
na al die tijd dat ik hier niet was ik de tuin was vergeten, zij voor mij niet bestond, is zij nog helemaal als toen
hoezeer ik ook van haar houd, voor mij is zij niet gebleven, niet omdat ze op mij wachtte is zij er, zij is er zoals ook ik er is
Vertrek van dochters
Ze moesten inderdaad gaan, ik had het gezien aan hun gezichten die langzaam veranderden van die van kinderen in die van vrienden, van die van vroeger in die van nu.
En gevoeld en geroken als ze me kusten, een huid en een haar die niet meer voor mij waren bedoeld, niet zoals vroeger, toen we de tijd nog hadden.
Er was in ons huis een wereld van verlangen, geluk, pijn en verdriet gegroeid, in hun kamers waarin ze verzamelden wat ze mee zouden nemen, hun herinneringen.
Nu ze weg zijn kijk ik uit hun ramen en zie precies dat zelfde uitzicht, precies die zelfde wereld van twintig jaar her, toen ik hier kwam wonen.
De stem van een cello
Waaraan het geluid van een cello doet denken
de cellist Widlund vertelde me dat er in dit instrument iets huist – een stem een al heel oude stem waarnaar je zoekt als je speelt en die je herkent als je haar vindt
misschien is het dat waarom ik moet denken aan de oudste geluiden die ik ken, zoals neuriën, zingen, kreunen, huilen
en ook aan de kleuren van een woud in de herfst alsof je het heimwee hoort van de cello naar zijn plek van herkomst
Rutger Kopland (4 augustus 1934 – 11 juli 2012) Portret door Paul van Geert, 2003
De krokodillenfirewall tegen inbrekers en verpletter de vleermuis op de geloofsrasp. Geloof! Offer
varkens, priesters, als men niet aan sciencefiction hecht, die het niet kan houden, nooit wilde houden; slechts evident functioneren. (net als voor mij)
In het skelet steekt nog zoveel kracht.
De telemetrie van een paddenbek is een kussen op de stoel
van de reis in spooktreinen. Tussen remedie en epidemie
spiritistische links gespannen in een delirium. Voodoo-
vereiste: schedels, staarten van dieren, huiden, falli, skelet en geloof.
Verkoopstands: zoals chatvensters worden schedels behandeld, verwisseld en begrijnsd. Bijna zoals zombies geloven ze dat in de dood een goed leven steekt.
Vertaald door Frans Roumen
Martin Piekar (Bad Soden am Taunus, 5 augustus 1990)
Uit: Von Zeitlupensymphonien und Marzipantragödien
„An alle Österreicher: Kochen Sie sich aus Ihrer eigenen Globalisierung heraus Österreich ist ein außergewöhnliches Land. Hier erfand man nicht nur die Psychoanalyse, um sich vom jahrhundertelangen Walzertanzen zu erholen. Hier macht man sogar mit Schnee mehr Geld als anderswo mit Erdöl. Und niemand wird auch leugnen, dass Mozart der weltgrößte Komponist ist. Nicht einmal Amerika, wo viele nach wie vor glauben, der begabte Musiker hätte unlängst eine olympische Medaille im Riesenslalom geholt. Trotzdem hat es Österreich nicht immer leicht. Nicht genug, dass es kürzlich von einem Virus biblischen Ausmaßes getroffen wurde, nicht genug, dass es unter einer undurchsichtigen Organisation namens EU stöhnt, es wird auch noch regelmäßig von Individuen heimgesucht, die alles bloß keine österreichische Staatsbürgerschaft haben. Einst waren es türkische Machos unter ihrem Anführer Kara Mustafa. Dann folgten slawische Vierkantschlüsselakrobaten, und neuerdings sind es Flüchtlinge, die durch ihre »Andersartigkeit« die heimische Identität noch gründlicher untergraben wollen, als es das iPhone ohnehin schon tut. Wen wundert’s also, dass die Österreicher inzwischen scharenweise Seminare aufsuchen namens »Kochen Sie sich aus Ihrer eigenen Globalisierung heraus« oder langsam zu Vegetariern und Radfahrern mutieren. Spätestens da kommt die Frage auf, ob man das nicht ändern könnte, ja ob die Mitverursacher dieser unliebsamen Verwirrung den Österreichern hierbei nicht zur Hand gehen könnten. Als eines dieser zweifelhaften Individuen möchte ich dieses Kunststück versuchen. Sowohl in meinem Namen wie auch dem anderer Fremdlinge, die dazu keine Gelegenheit bekamen. Und auch wenn es wahrscheinlich nicht ganz zu schaffen ist, so wäre schon viel gewonnen, dem einen oder anderen Österreicher sein eigenes Heim wieder so schmackhaft zu machen, wie es uns, den Fremden, erscheint. Während die Skeptiker angesichts dieses mutigen Plans wahrscheinlich schon die Stirn runzeln und die Rechtsverliebten den Kopf schütteln, holt dieses Büchlein tief Atem und schreitet energisch zur Tat.”
Eigenlijk was het altijd hetzelfde bos. Dezelfde plek, struiken achter de datsja, een opgedroogde sloot. Daar stond onze Wartburg: schip, UFO en tank.
Er was geen contactsleutel. Een kort stotteren, gebrom in de mondholte, dan ging het op weg, moesten de riemen worden vastgemaakt. Rijd niet zo snel, zo meteen stijg je nog op!
Het stonk naar olie, benzine en hars. Zitkussen opengescheurd, We omklemden het stuur. En de zalm in het water, de dodelijke stroomversnellingen,
de wilde beren: ook de hond moest mee, wij reden het mijnenveld in. Zet alle helmen op! Chocolade hielp tegen raketvuur.
Toen schoot de vijand onze achterkant weg. Wielen hadden we al lang niet meer, de deuren braken uit het frame. Iemand bracht
een tweede stuurwiel mee. Zo konden we ons opsplitsen, de vijand insluiten. Omsingelen tot we de nieuwe richting insloegen:
sommige vielen eruit, andere gingen te voet verder. Eigenlijk was het altijd hetzelfde bos.
“Na de noodoproep verstreken er slechts vijf minuten voor de ambulance het grasveld opdraaide in dc richting van dc chaos die op je netvlies werd gebrand. Rond het dampende gat lagen zes levenloze lichamen en een scherpe stank van verbrand vlees vermengde zich met de ozongeur die na de blikseminslagen nog steeds in de lucht hing. “Allemaal achteruitgaan!”riep een van de ambulancebroeders naar het groepje studenten dat was toegesneld uit de universiteit aan de andere kant van de weg en bij de aanblik als aan de grond genageld stond. Zijn collega trok hem aan zijn mouw. “We kunnen hier niets doen, Martin, maar kijk daar eens!” Hij wees naar een oudere man wiens knieën langzaam in het doorweekte gras wegzakten. “Waarom stonden ze zo dicht bij elkaar en waarom is de bliksem niet in de bomen ingeslagen?” jammerde de man toen ze dichterbij kwamen. Hoewel de regen met bakken uit de hemel kwam en de jas van de man als een natte doek aan hem vastplakte, sloeg hij geen acht op iets anders dan op wat er zojuist was gebeurd. Martin draaide zich om naar de universiteitsgebouwen, waar meerdere sirenes en blauwe zwaailichten aankondigden dat er verscheidene ambulances en politievoertuigen onderweg waren. “We geven hem iets kalmerends voor het nog tot een hersenbloeding komt”, zei hij tegen zijn collega. Martin knikte at kneep zijn ogen samen. Door de stortregen heen werd hij twee vrouwen gewaar die op hun hurken bij een aangroeiende waterplas aan de windsingel raten. “Kom snel!” riepen ze en Martin greep zijn tas en begon te rennen. “Volgens mij ademt ze”, steunde de ene vrouw, terwijl ze haar hand om de nek van het zevende slachtoffer hield. Afgezien van de zat zwartgeblakerde kleding van de bewusteloze vrouw leek ze niet direct zo heftig verbrand als de andere slachtoffers. “Ik denk dat ze hier door de blikseminslag naartoe is geslingerd“, zei de vrouw met trillende stem. “Kun je haar redden?““Terwijl Martin het tengere lichaam wegtrok bij de waterplas die steeds dieper werd, nam het geschreeuw achter hem toe. Nu hadden zijn toegesnelde collega’s geconstateerd dat ze niets konden uitrichten. De bliksem had alle zes motsen gedood die in de regen dicht op elkaar hadden gestaan. Martin legde de vrouw in de stabiele zijligging en voelde haar pols, die langzaam en zwak was, maar stabiel leek te zijn. Op het moment dat hij opstond en naar zijn collega’s wenkte dat ze met een brancard moesten komen sidderde haar lichaam. Een paar korte, diepe inademingen deden haar borstkas spannen en in een plotselinge beweging kwam ze omhoog op haar ellebogen en keek ze om zich heen. “Waar ben ik?” vroeg ze met rood dooraderde ogen.”
Als uit graniet de kunstenaar een kikvors, roos of vleugel maakt, komt uit de harde steen zowaar iets zachts tevoorschijn, teer en naakt. In dit geval nam hij zijn hart, dat als een steen werd mettertijd, en beitelde met pijn en smart in jarenlange eenzaamheid. Werd het een vleugel of een roos, een kikker op een lelieblad … ? een meisjeshoofd kwam na een poos uit wat hij onder handen had: met heel veel haren, naar het scheen, de ogen waren half dicht, zo keek zij slaperig langs je heen naar een denkbeeldig vergezicht. Het mooie kind vond ons te min, zij overdacht met trotse lach: zij was een bloem, in zekere zin, en bracht haar schoonheid aan de dag. Gelijk een boom die nimmer weent, maar schittert in een bliksemflits, waar al het andere versteent, zag zij zichzelf en anders niets. Zo werd het stenen hart een hoofd dat men vereert, beweent of … breekt. Medusa had hij zich beloofd, maar liever nog een slang gekweekt.
“The traveller’s happiness came from Latvia. Who knows what kind of mood it was in when it came or who sent it on its way, but in any case, it came with a big southern wind. Together with late summer clouds it sailed over large forests and felled areas, over rivers and villages like a sparkling wind or vaporized water – without a sound, color, or scent – carrying further and further towards Estonia. Over Ruhja and Ungurini, over Lilli and Karksi, until the squall blew him into the mouth of a man in the middle of Halliste as he was yawning in his own yard. Happiness slid down his windpipe, straight to the exhausted stomach from various food and drinks, mixing there with glands and acids, carrying long exhausted rivers of nerves to the brain and the soul, received an imagine and thought for itself, eyes and hearing, finally understood that his name is now Aap Anderson and thought while rejoicing: „Yes, yes, I am a 50 year-old man already, I have worked hard all my life and I have 3 healthy and strong children, 4 bank accounts, 2 houses, a wife whom I don’t love, though who loves me more than that, and also a lover in Haapsalu who keeps my soul young. I couldn’t want anything more from life!” And the traveller’s happiness went into the room and made a fire in the fireplace, stuffed his pipe full of tobacco and poured himself 50 grams. Yes, it’s good to be alive! Having drank his cognac and lit his pipe, happiness now remembered his former youth and first love, that beautiful and poor girl, whom he had left in the name of a better life, years of endless hard work on different farms, beautiful moments spent with friends fishing and in the mountains and now all this brought wistful tears to his eyes. „Yes, yes, I have lived a difficult but interesting life,” he thought. „I have worked and seen poverty, amassed wealth, gained respect and despite an ulcer and kidney stones I am doing better and better.” But then happiness became bored for some reason in this totally exhausted and wheezy body and left through the pipe smoke and breath from Aap Anderson, flying from the house through an open window and with a southern wind further towards Viljandi. It was carried over yellow cornfields, green fir groves and low alder trees as scentless and colorless plankton, as a subtle flicker until one insect-catching swallow accidently bit it and swallowed it. The traveller’s happiness now became a swallow and glided up and down hunting insects, with lightening-quick dashes forwards and backwards, feeling enjoyment from the warm light around him and the sweet meat of the flies, though the bird cast him out of his backside at Mustla and happiness rained down straight as bird shit into the eye of a man laying down in the grass. He jumped up frightened, rubbed his eyes and thus pressed happiness ever deeper into his skull, intestines and nerves, until happiness finally fused with the man and understood that his name is now Venjamin the metal worker, that he is missing his left hand and his liver is worn out through drinking, though life is still beautiful and worth all that mi¬sery. Happiness looked for a time more together with Venjamin between the nomadic clouds and swallows among of them, drank half a bottle of vodka lounging on the grass next to him, then, while smiling, tore a strap from his belt and went into the room whistling to beat his wife.”
Diep de struiken. De lieve God ziet alles. Lieve God? Wie gelooft er nog in zei ze terwijl we neerhurkten en ik met een onderzoeksstokje, ow, doet dat pijn? haar van binnen raakte. Een teer ingelijst, lusjesachtig rood. Het diepste mysterie in de wereldgeschiedenis. Zelfs het stokje rook ernaar. En aangrenzend begon een haan te kraaien, totdat hij het hoogste kraaipunt bereikte en onze lichtgroene bladerenholte in het sijpelende licht bevroor tot zwaar goud, maar boven ons, als keek God toch toe, doemde een schaduw op: “Hou op, mijn moeder.” En met gebogen knieën, naar voren stappend, naar voren leunend, de struik opzij houdend, keek zij ons daarbinnen met een serieuze bril aan: Wat doen jullie toch daar beneden in de struiken – Kom eruit, viezerikken! – Oh, we slopen langs haar heen alsof we elkaar nooit hadden ontmoet: laat je hier nooit meer zien! Een uitgestrekte arm die me voor altijd uit het paradijs van het bekijken verdreef.
“Dash-8 300. De hemel weet dat ik in allerlei vliegtuigen gevlogen heb, maar een Dash was er nooit bij. Het is een kleine, compacte machine maar hij lijkt groter omdat er weinig passagiers zijn. De plaats naast mij is leeg. Er is kennelijk niet veel belangstelling om van Friedrichshafen naar Berlijn Tempelhof te vliegen. Als een klein, verdwaald groepje zijn we van het minimale hoofdgebouw naar het vliegtuigje gelopen, dat mag hier nog. Nu wachten we. De zon schijnt, er is nogal wat wind. De piloot zit al voorin, hij draait aan het een en ander, ik hoor de copiloot praten met de verkeerstoren. Iedereen die vaak vliegt kent die lege ogenblikken. De motoren zijn nog niet gestart. Sommige mensen lezen al, anderen kijken naar buiten, maar daar is niet veel te zien. Ik heb het blad van de kleine vliegtuigmaatschappij tevoorschijn gehaald maar heb nog geen zin om echt te lezen. De gebruikelijke propaganda voor de eigen maatschappij, daarna wat gegevens over de weinige plaatsen die ze aandoen, Bern, Wenen, Zürich, en dan wat gekochte artikelen, iets over Australië en de aboriginals, rotstekeningen, beschilderde stukken boombast in vrolijke kleuren, alles wat de laatste tijd nogal in de mode is. Dan nog een stuk over Sáo Paulo, een horizon vol wolkenkrabbers, paleizen van rijke mensen en natuurlijk de eeuwige o zo pittoreske achterbuurten, slums, favelas, hoe noem je die dingen. Daken van golfijzer, wrakke houten constructies, mensen die eruitzien of ze het leuk vinden om daar te wonen. Allemaal al gezien, ik moet er niet te lang naar kijken of ik krijg het gevoel dat ik honderd jaar oud ben. Misschien ben ik ook wel honderd jaar oud, je hoeft alleen maar je werkelijke jaren met een geheime formule te vermenigvuldigen, een tovergetal waarin alle reizen van je leven en het onbetamelijke déjà vu dat daarbij hoort verwerkt zijn, en je bent er al. Doorgaans heb ik niet veel last van dergelijke gedachten, al was het maar omdat ik ze een beetje minderwaardig vind, maar gisterenavond in Lindau waren het drie Obstler te veel, en op mijn leeftijd wreekt zich dat. De stewardess kijkt door het deurtje naar buiten, zo te zien moet er nog iemand komen, en nu ze binnenkomt is die iemand een vrouw, zo een van wie je hoopt dat ze naast je komt zitten. Zo oud ben ik dus kennelijk ook weer niet. Naast me gaat niet door, ze heeft een plaats aan het raam, een rij voor me, links van het gangpad. Eigenlijk beter dan naast me, want nu kan ik haar goed bekijken. Ze heeft lange benen in een broek van kakikleurige stof, een mannelijk attribuut dat haar vrouwelijker maakt. Sterke grote handen, waarmee ze nu een boek uitpakt uit karmozijnkleurig pakpapier dat zorgvuldig met cellotape is dichtgeplakt. Daar hebben die grote handen geen geduld voor, als de tape niet meteen meegeeft wordt het pakje opengescheurd. Ik ben een voyeur. Een van de grootste genoegens van het reizen is om onbekenden gade te slaan die niet weten dat je naar ze kijkt. Ze slaat het boek zo snel open dat ik de titel niet kan zien. Ik wil altijd weten wat mensen lezen, maar meestal zijn mensen vrouwen, want mannen lezen niet meer. En vrouwen, heb ik geleerd, of dat nu in de trein, op een bank in een park of op een strand is, houden hun boeken vaak zo dat je de titel niet kunt lezen. Let er maar eens op. En zelfs al brand ik van nieuwsgierigheid, ik durf het bijna nooit te vragen.”
Ik word wakker met kiespijn, denk dat ik moet schrijven over kiespijn, maakt het op de een of andere manier de moeite waard. Het heeft alles: intimiteit, verval, hoe het lichaam bezig is, dag en nacht, je lastig valt. Een van de honderden van de lijken van springers, die uit de baai werden gehaald, had een briefje in zijn zak waarop stond Geen enkele reden behalve ik heb kiespijn. Josey’s grootvader schoot zichzelf neer nadat zijn vijfde sinusoperatie was mislukt. Josey zegt Lege Neus Syndroom en ik raak in de war… hoe kunnen holtes worden uitgehold? Maar dan ga ik naar legeneussyndroom.org, pak vol afschuw mijn arme neus beet, dankbaar voor alles wat ik als vanzelfsprekend beschouw, niet kan zien.
Golden Gate Hank haat zijn bijnaam. Als je Serenity Hank wilde heten, Zegt Ken tegen hem had je niet van die verdomde brug moeten springen. Degenen die leven zeggen allemaal dat ze in vier seconden van gedachten zijn veranderd voordat ze neerkwamen, probeerden met de voeten eerst te landen en erin slaagden. Ken zegt: vertel het niet aan mensen, ik denk elke dag hoe ik geen zelfmoord zou plegen, dan krijgen ze het verkeerde idee. Ik denk elke dag aan hoe ik mezelf zou redden, Josey redden: de slechterik neersteken, met de voeten vooruit vallen, de Grote Witte op zijn oogbol slaan, voor dood spelen in het door kogels geteisterde massagraf.
Vanaf de achterbank van de Suburban, hoorde ik mijn moeder tegen mijn vader zeggen Rijden over een hoge brug maakt altijd dat ik wil springen. Je zou kunnen leven: Een zeventienjarige jongen landde op zijn voeten en zwom naar de kust en ging hulp halen, zei dat hij verging van de rugpijn. Een andere man besefte dat hij leefde en onder water was, voelde iets zijn gebroken benen borstelen. Geweldig, nu word ik opgegeten door een haai dacht hij. Het gebeurt. Maar dit was een zeehond, die rondom zwom, blijkbaar het enige dat me in leven hield, en je kunt me niet vertellen dat dat God niet was, want dat is wel wat ik geloof, en dat is wat ik zal geloven tot de dag dat ik sterf.
De Noorse schrijfster en scenariste Maja Lunde werd geboren in Oslo op 30 juli 1975. Zie ook alle tags voor Maja Lunde op dit blog. Zie ook alle tags voor Maja Lunde op dit blog.
Uit: De geschiedenis van bijen (Vertaald door Lammie Post-Oostenbrink)
“District 242, Shirong, Sichuan, 2098 Als misvormde vogels balanceerden we ieder op een tak, met een plastic emmertje in de ene hand en een verenborstel in de andere. Ik was naar boven geklommen, langzaam, zo voorzichtig mo- gelijk. Ik was niet geschikt voor dit werk, was niet zoals veel andere vrouwen in de werkploeg, ik maakte vaak onhandige bewegingen, had niet de fijne motoriek en de nauwkeurigheid die het werk vereiste. Ik was hier niet voor gemaakt, maar toch moest ik hier zijn, elke dag, twaalf uur achter elkaar. De bomen waren stokoud, een mensenleven oud. De takken breekbaar als glas, ze braken onder ons gewicht makkelijk af. Ik bewoog me behoedzaam voort, mocht de boom niet beschadigen. Plaatste mijn rechterbeen op een tak een stukje hoger, zette voorzichtig mijn linkerbeen ernaast. Eindelijk had ik een betere houding gevonden, oncomfortabel, maar stevig. Vanaf hier kon ik bij de bovenste bloemen komen. De kleine emmer zat vol met het vederlichte goud, nauwkeurig afgewogen en uitgedeeld aan het begin van de werkdag, precies evenveel voor iedereen. Zo voorzichtig mogelijk probeerde ik onzichtbare hoeveelheden uit het emmertje mee de bomen in te nemen. Elke bloem moest apart bestoven worden met een klein borsteltje van kippenveren, afkomstig van kippen die speciaal voor dat doeleinde gefokt werden. Er was geen enkele soort kunstmatige fiberveer die zo effectief was. De ene test na de andere was uitgevoerd, want we hadden tijd genoeg, in mijn district werden de planten al meer dan honderd jaar met de hand bestoven. De bijen waren hier al in de jaren tachtig van de twintigste eeuw verdwenen, lang voor de Verdwijnziekte de kop opstak; pesticiden kostten hun het leven. Een paar jaar later, toen pesticiden niet langer mochten worden gebruikt, keerden de bijen terug, maar toen was men al van start gegaan met het handmatig bestuiven. De resultaten werden beter, al waren er voor het werk ongelooflijk veel mensen nodig, vele handen. Daardoor had het district waar ik woonde een voorsprong op de concurrentie toen de Verdwijnziekte toesloeg. Het feit dat dit het meest verontreinigde gebied was, had in ons voordeel gewerkt. We waren koploper op het gebied van verontreiniging en werden daardoor koploper op het gebied van bestuiving. Een paradox had ons gered. Ik strekte me zo ver mogelijk uit, maar toch kon ik niet bij de bovenste bloemen komen. Ik wilde het het liefst opgeven, maar ik wist dat ik gestraft kon worden, dus probeerde ik het nog een keer. Ons loon werd namelijk ingehouden als we het stuifmeel te snel hadden opgemaakt. Ons loon werd ook ingehouden als we te veel stuifmeel overhielden. Ons werk was onzichtbaar. Als we aan het einde van de dag uit de bomen klommen, was het enige bewijs van het werk dat we die dag hadden gedaan het kruis van rood krijt op de boomstam.”
Uit: Der Fall Alice im Wunderland (Vertaald door Angelica Ammar)
„Ein paar Jahre vor der Jahrtausendwende bin ich kurz nach meinem Universitätsabschluss mit einem Stipendium nach England gereist, um in Oxford Logik zu studieren. In meinem ersten Jahr dort hatte ich das Glück, den großen Arthur Seldom kennenzulernen, Autor der Ästhetik des Denkens und der philosophischen Fortführung des Gödel‘schen Unvollständigkeitssatzes. Ziemlich unverhofft, war es nun Zufall oder Schicksal, wurde ich an seiner Seite unmittelbarer Zeuge einer seltsamen Reihe von Todesfällen, alle so unauffällig und leise, fast schon abstrakt, dass die Zeitungen sie »unsichtbare Verbrechen« nannten. Vielleicht werde ich eines Tages in der Lage sein, den verborgenen Schlüssel zu enthüllen, den ich über diese Vorfalle in Erfahrung brachte; einstweilen soll ein Satz genügen, den ich Seldom einmal sagen hörte: »Ein Ver-brechen ist nicht perfekt, wenn es ungelöst bleibt, sondern wenn ein falscher Täter gefasst wird.« Als ich im Juni 1994 mein zweites Jahr in Oxford begann, wurde kaum noch über die Ereignisse gesprochen, alles war zur Normalität zurückgekehrt, und so hoffte ich, in den vor mir liegenden langen Sommertagen die verlorene Zeit nachzuholen, um die gefährlich näher Kickende Frist für meinen Stipendiumsbericht einzuhalten. Die Betreuerin meiner Doktorarbeit, Emily Bronson, die meine mangelnde Produktivität während der letzten Monate gnädig übergangen hatte, in denen sie mich allzu oft in Tenniskleidung und in Begleitung einer hübschen Rothaarigen gesehen hatte, brachte mich auf sehr britische Weise ebenso diskret wie bestimmt dazu, michfür eines der verschiedenen Themen zu entscheiden, die sie mir am Ende des Semesters vorgeschlagen hatte. Ich wählte das einzige aus, das irgendwie mit meiner heimlichen Liebe zur Literatur vereinbar war. Dabei ging es um die Entwicklung eines Programms, das es ermöglichen würde, anhand eines Manuskriptfragments die Linienführung der Schrift nachzuvollziehen, das heißt die Bewegung von Hand und Stift im Moment des Schreibens. Es handelte sich um die noch hypothetische Anwendung eines Satzes zur topologischen Dualität, über den sie gearbeitet hatte — eine Herausforderung, die mir ausreichend originell und komplex erschien, dass ich meiner Betreuerin eine gemeinsame Veröffentlichung vorschlagen konnte, sollte mein Vorhaben von Erfolg gekrönt sein. Schneller als gedacht war ich ausreichend vorangekommen, um Seldom in seinem Büro aufzusuchen. Wir hatten uns angefreundet, seit wir an der Aufklärung jener Reihe von Morden beteiligt gewesen waren, und auch wenn Emily Bronson meine offizielle Betreuerin war, testete ich meine Ideen lieber bei ihm aus. Sein geduldiger, immer leicht amüsierter Blick gab mir eine größere Freiheit, Hypothesen zu wagen, die Tafel vollzukritzeln und mich — meistens — zu irren. Wir hatten lange über Bertrand Russells implizite Kritik an Wittgenstein in seinem Prolog zum Tractatus geredet, über das versteckte mathematische Element im zentralen Unvollständigkeitsphänomen, über Borges’ Pierre Menard und die Unmöglichkeit, aus der Syntax auf den Sinn zu schließen, die Suche nach einer perfekten künstlichen Sprache, die Versuch; den Zufall in einer mathematischen Formel einzufangen…“
ik had je bloemen willen zenden een soort bloemen dat je zou doen begrijpen hoe ik wandel onder welke luchten ik wandel over welke bodem ik wandel
ik had je bloemen willen zenden een soort van winterbloemen met de bruine kleuren van de laatste roos en de geur van nachten lopen in gevaarlijk terrein door verwaarloosde heggen omgrensd waarachter men narcissen kon vermoeden van de maanden die achter ons liggen narcissen van een geur die ik waarschijnlijk te liefelijk schat
dat soort bloemen had ik je willen zenden niet per post en onverpakt neen ze zouden je worden gebracht door een zwarte jongen met een Grieks profiel die Duits studeert aan de universiteit die zichzelf een choreografie heeft geschreven op muziek van Mozart
dat soort bloemen door zo’n soort jongen
maar ik vernam dat je op reis bent en wel niet meer terug zult keren
Elke dag nog Remco Campert aan Cees Nooteboom
Elke dag nog praat ze met zijn grafsteen op het kleine kerkhof aan de overkant uitzicht over het dal met het dunne riviertje glinsterend als een spinnedraad in het Noord-Franse licht
sinds hij dood is doet ze minder aan de tuin eens haar trots
kreeg er nog een prijs voor de sénateur kwam er nog voor over uit het verre Parijs waar hij een appartement had en een vriendin het was vlak voor de verkiezingen die hij won
de koeien zijn verkocht de tractor staat te roesten in het hoge gras het erf is netjes aan kant en er is nog hout voor één winter
Licht
We wilden licht meer licht we kapten de boom die in zijn eigen reiken ons verlangen in de weg stond de boom kreunde kermde kraakte zijn laatste vezel scheurde en met een razend suizen van zijn blaadjes sleurde hij zijn leven neer de wind die hem bespeelde week geschrokken uit
eindelijk hadden we licht in de kamer in dat licht keken we elkaar aan en zagen klaar ons onherstelbare gezicht
Het was het typische open-your-mouth-a-little-bit-ding (alleen niet te ver, je weet wel). Als mensen lachen, als ze zich identificeren. Dus als ze zich infecteren. Met het verlangen om weer eens als aap de weg op te gaan. De voeten een keer naar buiten te draaien, zoals het comfortabel was. Dus het plaatje hoe je een keer door de eindeloze velden van het leven zou moeten slenteren, een kleine krater op de grond die men met een slim sprongetje achter zich liet (easy access!).
Met een teint die nooit in rood overging. Die de huid strakker maakte als ademloze folies aan het been. En hoe elegant ze hun tenen optilden bij de volgende stap. Hoe elegant ze de gel in hun haar smeerden, dat zich pluizig over geselecteerde delen van hun lichaam had gelegd.
(Eigenlijk wilde ik de aandacht vestigen op een vleesschandaal, maar ik kleedde me daarbij per ongeluk uit. Zeker, echt bont was taboe, maar we hadden niets tegen het draaien van de heup.)
De Amerikaanse schrijver en journalist Joseph Mitchell werd geboren op 27 juli 1908 in Fairmont, North Carolina, op de boerderij van zijn grootouders van moederskant als zoon van Averette Nance en Elisabeth A. Parker Mitchell. Het familiebedrijf, dat actief was in de katoen- en tabakshandel, stelde de familie in staat Mitchell zijn hele leven te onderhouden. Mitchells eerste werk, “Joe Gould’s Secret” (1964), profeteerde ook de laatste decennia van zijn eigen leven. Van 1964 tot aan zijn dood in 1996 ging Mitchell elke dag naar zijn kantoor, maar publiceerde nooit meer iets dat zo succesvol was. Mitchell werd bekend door zijn zorgvuldig geschreven portretten van iedereen, van excentriekelingen tot mensen aan de rand van de samenleving, vooral in en rond New York City. In 1970 werd hij verkozen tot lid van de American Academy of Arts and Letters. Hij stierf op 87-jarige leeftijd aan kanker in het Columbia Presbyterian Medical Center in Manhattan. In 2008 selecteerde de Library of America zijn verhaal “Execution” voor opname in haar twee eeuwen durende retrospectief van de Amerikaanse ware misdaad.
Uit: Up in the Old Hotel
“MCSORLEY’S OCCUPIES the ground floor of a red-brick tenement at 1s Seventh Street, just off Cooper Square, where the Bowery ends. It was opened in 1854 and is the oldest saloon in New York City. In eighty-eight years it has had four owners—an Irish immigrant, his son, a retired policeman, and his daughter—and all of them have been opposed to change. It is equipped with electricity, but the bar is stubbornly illuminated with a pair of gas lamps, which flicker fitfully and throw shadows on the low, cobwebby ceiling each time someone opens the street door. There is no cash register. Coins are dropped in soup bowls—one for nickels, one for dimes, one for quarters, and one for halves—and bills are kept in a rose-wood cashbox. It is a drowsy place; the bartenders never make a needless move, the customers nurse their mugs of ale, and the three clocks on the walls have not been in agreement for many years. The clientele is motley. It includes mechanics from the many garages in the neighborhood, salesmen from the restaurant-supply houses on Cooper Square, truck-drivers from Wanamaker’s, internes from Bellevue, students from Cooper Union, and clerks from the row of second-hand bookshops just north of Astor Place. The backbone of the clientele, however, is a rapidly thinning group of crusty old men, predominantly Irish, who have been drinking there since they were youths and now have a proprietary feeling about the place. Some of them have tiny pensions, and are alone in the world; they sleep in Bowery hotels and spend practically all their waking hours in McSorley’s. A few of these veterans clearly remember John McSorley, the founder, who died in 1910 at the age of eighty-seven. They refer to him as Old John, and they like to sit in rickety armchairs around the big belly stove which heats the place, gnaw on the stems of their pipes, and talk about him. Old John was quirky. He was normally affable but was subject to spells of unaccountable surliness during which he would refuse to answer when spoken to. He went bald in early manhood and began wearing scraggly, patriarchal sideburns before he was forty. Many photographs of him are in existence, and it is obvious that he had a lot of unassumed dignity. He patterned his saloon after a public house he had known in his hometown in Ireland—Omagh, in County Tyrone—and originally called it the Old House at Home; around 1908 the signboard blew down, and when he ordered a new one he changed the name to McSorley’s Old Ale House. That is still the official name; customers never have called it anything but McSorley’s. Old John believed it impossible for men to drink with tranquillity in the presence of women; there is a fine back room in the saloon, but for many years a sign was nailed on the street door, saying, “NOTICE. NO BACK ROOM IN HERE FOR LADIES.” In McSorley’s entire history, in fact, the only woman customer ever willingly admitted was an addled old peddler called Mother Fresh-Roasted, who claimed her husband died from the bite of a lizard in Cuba during the Spanish-American War and who went from saloon to saloon on the lower East Side for a couple of generations hawking peanuts, which she carried in her apron. On warm days, Old John would sell her an ale, and her esteem for him was such that she embroidered him a little American flag and gave it to him one Fourth of July; he had it framed and placed it on the wall above his brass-bound ale pump, and it is still there.”
Dear old brother-in-law, I’ve flown home Across the Atlantic. I’m far away, but you Forget. So, yes, I’ve just gone shopping. I’ll reappear soon at the French window.
Bog cotton
Let me make room for bog cotton, a desert flower – Keith Douglas, I nearly repeat what you were saying When you apostrophised the poppies of Flanders And the death of poetry there: that was in Egypt Among the sandy soldiers of another war.
(It hangs on by a thread, denser than thistledown, Reluctant to fly, a weather vane that traces The flow of cloud shadow over monotonous bog – And useless too, though it might well bring to mind The plumpness of pillows, the staunching of wounds,
Rags torn from a petticoat and soaked in water And tied to the bushes around some holy well As though to make a hospital of the landscape – Cures and medicines as far as the horizon Which nobody harvests except with the eye.)
You saw that beyond the thirstier desert flowers There fell hundreds of thousands of poppy petals Magnified to blood stains by the middle distance Or through the still unfocused sights of a rifle — And Isaac Rosenberg wore one behind his ear.
Gorse Fires
Cattle out of their byres are dungy still, lambs Have stepped from last year as from an enclosure. Five or six men stand gazing at a rusty tractor Before carrying implements to separate fields.
I am travelling from one April to another. It is the same train between the same embankments. Gorse fires are smoking, but primroses burn And celandines and white may and gorse flowers.
PIPISTRELLUS
In warm water hielden ze hem jaren in leven, de soldaat die zijn huid had verloren. ’s Nachts werd hij bezocht door de gewonde vleermuis die hij na Passchendaele had ontdooid,
de hielen onder zijn wijsvinger gehaakt en fluisterend in de muizenvacht.
Voordat hij de dwergvleermuis fladderen liet boven zijn zomerse zwembad en een slokje liet nemen,
spreidde hij de vleugelhand, elleboog tot duim. Het vlies voelde aan als een klaprozenblaadje.