Rouke van der Hoek, Thomas Mann, Wolf Wondratschek

De Nederlandse dichter Rouke van der Hoek werd op 12 augustus 1952 in Eindhoven geboren. Zie ook alle tags voor Rouke van der Hoek op dit blog.

 

Een goed pruimenjaar

Achter in de fruitwei de gistende geur
van duizend rottende pruimen
zonder eters.

Bordje ophangen, twee gulden per kilo.
Niemand.
Eén gulden per kilo.
Niemand.
Gratis.
Niemand.

Omdat het zo zonde is
zet je jezelf eraan
tot de stop uit de bodem springt
het schip zingt
in een poseleinen pot.

Zonde.
Rottende pruimen zijn een schande
die ze zelf niet kennen, heus

ergens op de wereld
is iets fout gegaan.

 

’s Nachts

’s Nachts varen de landstreken naar huis.
Op volle kracht, elkaar met brandend boordlicht
omzeilend. Het schuurt aan boomwortels,
boegwater klotst in vijvers.

’s Nachts wonen we in Midden-Duitsland.
Langs het raam schaduwen de hardnekkigste
creaturen van de gebroeders Grimm, zijzelf wellicht,
treurend om iets van duizend jaar geleden,

ze zijn het vergeten.

’s Nachts sluit zich om ons het bos
vol echo’s van boerenkrijgen. Kinderen
door wanhopige ouders achtergelaten
bidden om wedergeboorte uit een wolf.

Maar kijk, tussen de stammen een licht!

Dan is het tijd. Ochtend Opluchting.
Hun lot is toch niet ons lot.
Varen terug. Tongval weer vertrouwd.
Enige twijfel blijft.

 

Notitie over geluid en geluk

Buiten onze gehoorgrens is het een kakofonie.
Radiogolven, noodkreten, gemompel van bomen,
bespiegelingen uit wateraders,
interplanetaire malversaties.

We horen het niet.
Soms voelen we het.
Gevoel is de voortzetting van geluid
met stille middelen.

Voorouderlijke boeren en vissers spraken over geluk,
ontdekten zoiets als liefde.
Dachten ze.
Het waren de geluiden die ze niet hoorden.

Onweerstaanbaar komt het opzetten;
het heeft geen zin je oren dicht te doen.

 

Rouke van der Hoek (Eindhoven, 12 augustus 1952)

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

Uit: Herr und Hund

“Er steht und schaut, er lauscht auf den Tonfall meiner Stimme, durchdringt sie mit den Akzenten einer entschiedenen Billigung seiner Existenz, die ich meiner Ansprache stark aufsetze. Und plötz-lich vollführt er, den Kopf vorstoßend und die Lippen rasch öffnend und schließend, einen Schnapper hinauf gegen mein Gesicht, als wollte er mir die Nase abbeißen, eine Pantomime, die offenbar als Antwort auf mein Zureden gemeint ist und mich regelmäßig lachend zurückprallen läßt, was Bauschan auch im Voraus weiß. Es ist eine Art Luftkuß, halb Zärtlichkeit, halb Neckerei, ein Manöver, das ihm von klein auf eigentümlich war, während ich es sonst bei keinem seiner Vorgänger beobachtete. Übrigens entschuldigt er sich sogleich durch Wedeln, kurze Verbeugungen und eine verlegen-heitere Miene für die Freiheit, die er sich nahm. Und dann treten wir durch die Gartenpforte ins Freie. Rauschen wie das des Meeres umgibt uns; denn mein Haus liegt fast unmittelbar an dem schnell strömenden und über flache Terrassen schäumenden Fluß, getrennt von ihm nur durch die Pappelallee, einen eingegitterten, mit jungem Ahorn bepflanzten Grasstreifen und einen erhöhten Weg, den gewaltige Espen einsäumen, weidenartig bizarr sich gebärdende Riesen, deren weiße, samentragende Wolle zu Anfang Juni die ganze Gegend verschneit. Flußaufwärts, gegen die Stadt hin, üben Pioniere sich im Bau einer Pontonbrücke. Die Tritte ihrer schweren Stiefel auf den Brettern und Rufe der Befehlshaber schallen herüber. Aber vom jenseitigen Ufer kommen Geräusche des Gewerbefleißes, denn dort, eine Strecke flußabwärts vom Hause, ist eine Lokomotivenfabrik mit zeitgemäß erweitertem Tätigkeitsbezirk gelegen, deren hohe Hallenfenster zu jeder Nachtstunde durch das Dunkel glühen. Neue und schön lakierte Maschinen eilen dort probeweise hin und her; eine Dampfpfeife läßt zuweilen ihren heulenden Kopfton hören, dumpfes Gepolter unbestimmter Herkunft erschüttert von Zeit zu Zeit die Luft, und aus mehreren Turmschloten quillt der Rauch, den aber ein günstiger Wind hinwegtreibt, über die jenseitigen Waldungen hin, und der über-haupt nur schwer über den Fluß gelangt.

 

Het zomerhuis van Thomas Mann  in Nida (Duits: Nidden), een dorp in Litouwen, waar de familie Mann in de jaren 1930-1932 vakantie vierde. Het is nu in gebruik als cultureel centrum.

 

.So mischen sich in der vorstädtisch-halbländlichen Abgeschiedenheit dieser Gegend die Laute in sich selbst versunkener Natur mit denen menschlicher Regsamkeit, und über allem liegt die blankäugige Frische der Morgenstunde. Es mag halb acht Uhr sein im Sinne des Gesetzes, wenn ich so ausgehe, in Wirklichkeit also halb sieben. Ich gehe, die Arme auf dem Rücken, im zarten Sonnenschein die von den langen Schatten der Pappeln schraffierte Allee hinunter, ich sehe den Fluß nicht von hier, aber ich höre seinen breiten, gleichmäßigen Gang; gelinde flüstert es in den Bäumen, das durchdringende Zirpen, Flöten, Zwitschern und schluchzende Trillern der Singvögel erfüllt die Luft, unter dem feuchtblauen Himmel steuert ein Flugzeug, von Osten kommend, ein starr mechanischer Vogel, mit leise an- und abschwellendem Dröhnen, über Land und Fluß hin seine unabhängige Bahn, und Bauschan erfreut mein Auge durch schöne, gestreckte Sprünge über das niedrige Gitter des Grasstreifens zur Linken, hinüber — herüber.“

 

Thomas Mann (6 juni 1875 – 12 augustus 1955)
Thomas en Katia Mann met een andere hond – Boris – in de tuin van hun huis in Kilchberg, 1955

 

De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt. Zie ook alle tags voor Wolf Wondratscheck op dit blog.

 

Gedicht

Van het een of de ander
maak een mens.
Maar daarover geen woord.
Geen woord over het verleden,
waarmee ook de dag van gisteren bedoeld is..
Knik nog een tijdje naar hem
bij gewoontes waar je last van hebt.
Hij zal ze opgeven. Daarover,
zie je, lacht hij nu al.
Voor de eerste keer in zijn leven
zal hij iets verzinnen dat hij
jou laat zien. Geef hem de tijd, om nog een keer
het leven in te lopen.
Bespaar hem alle leugens van de liefde.
Complimenten, alsjeblieft, zijn nutteloos.
Ook de kogel die het hart raakt
zoekt warmte.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Wolf Wondratschek (Rudolstadt, 14 augustus 1943

 

Zie voor de schrijvers van de 12e augustus ook mijn blog van 12 augustus 2019 en ook mijn blog van 12 augustus 2018 en mijn blog van 12 augustus 2015 en mijn blog van 12 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Hittegolf 2, (David van Reybrouck), Wolf Wondratschek, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

Zindering door Peter Smit, 2002

 

HITTEGOLF 2

1.
ben je bereid te bloeden
met je huid van berkenhout
en je wervels aan de muur?

kan je nog splijten
tot houtskool en nacht
nu haar bed als een netel
een lucifer wacht?

hoe je stapels laat staan
en pakhuizen ontziet
hoe je met één veeg niet
het nachtkastje wreekt

wij verstaan dit niet
windstil is de zomer
en slapeloos het gloren
was de winter dan een ander gewas?

een hotelkamer
een plein vol plassen
spijt, even
onmisbaar als het ontbijt

 

David van Reybrouck (Brugge, 11 september 1971)
Brugge in de zomer

 

De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt. Zie ook alle tags voor Wolf Wondratscheck op dit blog.

 

Zo waarlijk helpe mij God almachtig

Toen ik verliefd op je werd,
wist mijn lichaam eerder dan ik,
wat was er aan de hand en begon te schreeuwen,
iets in de richting van de buik,
wat onmiddellijk doorwerkte in mijn benen,
want ze waren onbruikbaar toen ik opstond
en me excuseerde. Op dat soort nieuwigheden
was ik niet voorbereid (en ik haatte romans,
waarin dit aan de orde van de dag was).
Mijn lichaam echter was alles om het even.
Het schreeuwde niet meer, maar zijn gefluister,
dat toen begon, was nog luider.
Ik sloot mijn ogen.
Mijn hoofd was een racebaan van vele gedachten
die allemaal de weg naar huis waren vergeten en nu
het toilet niet wilden verlaten.
Ik had er moeite mee om weer tegenover je te gaan zitten.
We hebben gepraat, geloof ik, waarbij mij opviel
dat je veel liever met mijn neus sprak,
met mijn vingers, mijn schouders.
Natuurlijk ging je er terecht van uit
dat die je beter begrijpen dan ik.
Ook mijn buik bemoeide zich er weer mee,
grenzeloos enthousiast over jou.
Toen, ik was niet in staat, het te verhinderen
stak je een sigaret aan op mijn huid.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Wolf Wondratschek (Rudolstadt, 14 augustus 1943

 

Zie voor nog meer schrijvers ook mijn blog van 11 augustus 2021 en ook mijn blog van 11 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 11 augustus 2016 en ook mijn blog van 11 augustus 2011 deel 2.

Kees van Kooten, Mark Doty

De Nederlandse schrijver en cabaretier Kees van Kooten werd geboren op 10 augustus 1941 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Kees van Kooten op dit blog.

Uit: De tachtigjarige vrede

“Om nog eens precies van haar te horen hoe de dag eruitzag waarop ik werd geboren, ging ik drieënveertig jaar later vanuit Amsterdam op weg naar mijn moeder in Den Haag. Halverwege onze woningen stop ik om te tanken. Het is een self-servicestation en wanneer ik, mijn pompnummer hardop onthoudend, naar binnen loop om af te rekenen, krijg ik een gratis drinkglas. Als ik hier de volgende keer weer kom, belooft de beheerder, ontvang ik een bon van maar liefst twintig punten en zodra ik zestig punten bij elkaar heb getankt, mag ik deze verzilveren voor nég een gratis drinkglas! Mijn glas heeft een whiskymaatje, maar veel te veel dikke ribbels. Bovendien zijn er sierlijk bedoelde belletjes in meegeblazen. Ik leg het op de passagiersstoel naast me, waar het, wanneer ik rem, rechtop tracht te gaan zitten. Omdat ik nogal laat ben, koop ik, tegen mijn gewoonte, geen bloemen voor mijn moeder meer. Wel vraag ik of zij soms een mooi whiskyglas kan gebruiken. Ach jongen nou toch: zegt zij; 'dat had je nou niet moeten doen!'Ik heb het niet gekocht hoor: stel ik haar gerust, ‘dit was een toegiftartikel van de benzinemaatschappij: `Helemaal voor niks?’ waagt zij verbaasd; ‘hoe is het mogelijk! Maar dan hou je het toch zeker lekker zelf? Ik barst van de glazen en jullie breken er met zijn viertjes in een maand meer dan ik in een heel jaar. Maar dat ze dat zomaar weggeven, voor niks! De mensen hebben gewoon geen idee meer van wat echte armoede is. Ik bedoel zoals in de oorlog, dat er gewoon helemaal niks niemendal was! Als je toch ziet hoe leuk je tegenwoordig je baby kunt aankleden en dat ik jouw eerste broekje heb moeten maken van dat groene fluwelen gordijn uit het halletje, weet je nog wel? Wil je koffie?’
‘Graag;, zeg ik handenwrijvend. ‘Want daar wilde ik het even over hebben. Ik moet weten wat dat voor een dag was, toen ik werd geboren. Voor een verhaaltje: ‘Nou het begon dus eigenlijk al op zaterdag de negende, herinnert mijn moeder zich; ‘en het was prachtig weer, en dan lag je vader altijd op het dak.’ Zij zegt dit niet spottend of verwijtend maar eerder vertederd. Toen ik voor het eerst over deze onachtzaamheid van mijn vader hoorde, nam ik mij voor dat ik, mocht dit ooit zover komen, Barbara geen seconde in de steek zou laten tijdens haar barensnood. Als het zo uitkomt, mag zij dan ook graag vertellen hoe ik, gedurende haar bevallen van onze zoon Kasper, op de rand van het bed trillend in de weer was met een nat washandje waarmee ik om de anderhalve minuut haar voorhoofd depte. (Dat had hij onthouden want dat hadden ze mij verteld op zwangerschapsgymnastiek; dat de echtgenoot zich nuttig kon maken door tijdens de persweeën af en toe een nat washandje op je voorhoofd te leggen. Nou, en dat had hij onthouden hoor! Ik werd er knettergek van! Was zo’n wee net aan het opkomen, kwam hij weer met zijn kletsnatte washandje!’)”

 

Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Doty werd geboren op 10 augustus 1953 in Maryville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Mark Doty op dit blog.

 

Long Point licht

Long Pont is als een verschijning
deze warme lentemorgen,
het strand een waas van zanderig licht,

en het vierkante wit
van de vuurtoren – gescheiden van ons
door het ultramarijn van de baai

alsof het nergens is
waar we ooit konden komen – glimt
als een torengeest, wazig

in het gewassen blauw van maart,
onze laatste buitenpost in de enorme
onbepaaldheid van de zee.

Hij lijkt vrolijk genoeg,
in het versterkende zonlicht,
vast punt bij onze wandeling

langs de kust. Soms denk ik
het is het waar-we-zullen zijn,
alleen nu nog niet, zoals een zichtbare ontsluiting

van het hiernamaals. In het donker
duiken zijn diepere uitnodigingen op:
groene getuige aan het einde van de nacht,

flikkerende rand van de horizon,
markering van veiligheid en eindpunt.
maar grenzeloos, zoals hij ons roept,

en waarheen hij wil
dat wij komen, en dus nodig ik hem uit
in het gedicht, om te spreken,

en de vuurtoren zegt:
Hier is de wereld waar je om vroeg,
prachtig en doelmatig,

hier is het negen uur, haven-breed,
en een glinsterende code: belofte en waarschuwing.
De ochtend is zo groot als de hemel.

Wat ga je ermee doen?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mark Doty (Maryville, 10 augustus 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e augustus ook mijn blog van 10 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 10 augustus 2017 en ook mijn blog van 10 augustus 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

Martin Piekar, Gunter Haug

De Duits-Poolse dichter Martin Piekar werd geboren op 5 augustus 1990 in Bad Soden am Taunus. Zie ook alle tags voor Martin Piekar op dit blog.

 

Bastaard I

– bij: Swans reflecting Elephants, Salvador Dali, olieverf op doek, 1937

Ik voel me een bastaard tussen woestijn
en oase. Dus half om half,
dus geen van beide;
maar toch geen wisselkind.
Als ik op het schilderij zou staan, zou ik
een zwart shirt
dragen
in plaats van het witte, maar ik
zou net zo kijken als
Edward James:
het schilderij uit.
Ik zou de roeiboot niet zien,
vastgelopen in de woestijn.
Ik zou
de fractale maan niet zien,
die alleen maar aan de hemel vastgepind lijkt.
Ik zou de irritatie niet zien
die ontspringt aan de rivier van dromen.
Ik zou de kastelen
van mensen niet zien.
Ik zou
de wolken, de zielen, de dood
achter me niet zien. Ik zou niet zien dat een olifant
ook een zwaan kan zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Martin Piekar (Bad Soden am Taunus, 5 augustus 1990)

 

De Duitse schrijver Gunter Haug werd geboren op 5 augustus 1955 in Stuttgart. Zie ook alle tags voor Gunter Hauch op dit blog.

Uit:  Die Töchter des Herrn Wiederkehr

„Ein ärmliches Bauernhaus in Treschklingen bei Rappenau im nördlichen Teil des Großherzogtums Baden am Morgen des 3. November 1844

»Schon wieder ein Mädchen!« murmelte Christoph Schober bitter, als ihm Barbara Stunz, die Nachbarin, endlich das Ergebnis des stundenlangen, qualvollen Ringens seiner Ehefrau präsentierte. Anstelle einer Hebamme hatte die Stunzin der Gebärenden schon seit dem frühen gestrigen Abend aufopferungsvoll beigestanden. Doch die messerscharfen Wehen, die ihr Stück tu Stück den ganzen Unterleib zu zerschneiden schienen, hatten Christina Schober an den Rand des Zusammenbruchs gebracht. So schlimm war noch keine andere Geburt bei ihr verlaufen. Kurz vor Tagesanbruch, als das Kind endgültig hoffnungslos im Geburtskanal festzustecken schien, war die Nachbarin in ihrer verzweifelten Hilflosigkeit deshalb schon drauf und dran gewesen, den Vater so rasch wie möglich nach dem Pfarrer zu schicken. Nur ein neuerlicher Schmerzensschrei hatte sie davon abgehalten und ihre ganze Konzentration tu die Leidende eingefordert, deren Körper sich auf der mit Stroh gepolsterten Bettstatt qualvoll krümmte. Nach diesen dramatischen Minuten, in denen sich die Mutter und das ungeborene Kind auf der Schwelle zwischen Leben und Tod befunden hatten, war es wie durch ein Wunder plötzlich doch weiter gegangen. Eine neuerliche heftige Wehe, so brutal sie als peinigende Sturzwelle auch den Körper der Frau durchflutete, hatte doch für die entscheidende Bewegung des Kindesleibs gesorgt. Der Kopf des Säuglings war jetzt erstmals zu erkennen. Es ging voran! In winzig kleinen Schritten zwar nur und in Anbetracht der vielen Stunden, die diese Pein bereits währte, natürlich viel zu langsam, aber immerhin: die Geburt konnte womöglich doch noch zu einem guten Ende kommen. Hoffentlich war die Schoberin unter den fürchterlichen Schmerzattacken nicht verrückt geworden! Das war nicht ganz ausgeschlossen, so panisch, wie sie drein schaute: die eigentlich blauen Augen blutunterlaufen und weit aufgerissen, dazu ihr schweißüberströmter Kopf, den sie in kurzen Intervallen immerzu ruckartig hin- und herwarf, die fest zusammen gepressten, aufgebissenen Lippen, die kaum noch menschlich zu nennenden Laute, die aus der Tiefe ihrer Kehle durch den geschlossenen Mund nach draußen drangen. Es wäre nicht die erste im Dorf, deren Seele den höllischen Qualen einer viel zu lange dauernden Niederkunft zum Opfer gefallen wäre! Am Ende freilich war alles gut ausgegangen. »Mutter und Kind wohlauf«. Wohlauf! Wie man das halt immer so einfach daher sagte. Die Mutter zwar auf den Tod erschöpft, aber am Leben und allem Anschein nach im Kopf auch klar geblieben. Das Kleine wirkte genauso müde und schwach, schien aber ebenfalls lebensfähig. Eine Tochter. Karins Erinnerungen an die Großmutter Sie war immer nur meine Großmutter. Nicht die Oma oder gar »die Schleyers Marie«, wie sie im Dorf genannt wurde. Alle in der Familie nannten sie immer nur die Großmutter. Sicher auch, weil sie alt war, solange ich denken konnte. Uralt. Gesicht, Arme und Hände braungebrannt, in Jahrzehnten Arbeit auf dem Feld von der Sonne gegerbt.“

 

Gunter Haug (Stuttgart, 5 augustus 1955)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e augustus ook mijn blog van 5 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 5 augustus 2019 en ook mijn blog van 5 augustus 2016 deel 1 en ook deel 2.

Rutger Kopland, Martin Piekar

De Nederlandse dichter en schrijver Rutger Kopland (eig. Rutger Hendrik van den Hoofdakker) werd geboren in Goor op 4 augustus 1934. Zie ook mijn blog van 4 augustus 2010 en ook alle tags voor Rutger Kopland op dit blog.

 

Wandeling

Onze gesprekken werden langzaam
onze vragen beantwoordden we met kijken
naar de langzame wereld om ons heen

de dorpen en landerijen in de diepte
de vogels bijna verdwijnend in de hemel

we gingen zitten kijken naar deze prachtige
onverschilligheid van de wereld
naar de overbodigheid van onze vragen

 

Paarden ver weg

Paarden ver weg, met dit vergezicht
heb ik et moeten doen. Ik heb niet geweten
dat ik onder hen graasde en was.

Nu ik weer paard ben, af en toe, zoals nu,
is mijn lijf zwaar en gelukkig geworden van al
dat gras. Het is vreemd om te zijn wie je bent,
een paard ver weg in de wei.

Zij heeft me gevraagd hoe het onder de mensen
was. Geen mens had mij dat ooit gevraagd. Dank
je, heb ik gezegd. Dat was niet haar bedoeling.

Als het mist, zie ik haar kop boven de mist,
als het regent, glimt ze alsof haar hele
lichaam huilt, als de zon schijnt,
schommelt ze met haar kont. Allemaal
voor mij, dat zie ik wel.

 

De Dokter

De dokter keek op mij neer
ik zag zijn gezicht boven het mijne

ik zag wat hij dacht
dat ik dood kon gaan – zo keek hij
terwijl hij luisterde aan mijn borst

hij keek mij aan met een blik
– hoe kan ik dat zeggen – een blik
voorbij mijn gezicht, een blik naar iets
achter mij naar iets verwegs
alsof hij iets in de toekomst
probeerde te zien

hij keek mij aan en hij zei
hier mag u niet blijven
ze komen u halen

 

Rutger Kopland (4 augustus 1934 – 11 juli 2012)

 

De Duits-Poolse dichter Martin Piekar werd geboren op 5 augustus 1990 in Bad Soden am Taunus. Zie ook alle tags voor Martin Piekar op dit blog.

 

Ik ben geen elitepartner

Ik ben geen elitepartner, wist je
Dat mieren microgolfstraling zien
En overleven. Als ik jou zou
Verbrokkelen en in de magnetron doen
Zou je dat niet misbruiken
Om mij lastig te vallen? ik ben
Zo pretentieus anti-elitair dat ik graag
Drink en vrienden vertel hoeveel
ik van ze hou Ik maak graag ruzie, ook nuchter.
Ik wil, achtergelaten op Valentijnsdag,
Dit gedicht schrijven en mij
onbemind voelen. Ik bouw namelijk niet
Op de toekomst. Ik draag zwart en alleen.
Ik draag het esthetisch en alleen. Liefst
Draag jij het ook en alleen omdat je het leuk vindt.
Je hoeft mij geen plezier te doen.
Als je een man verkracht, dan
Expliciet en lang, hij zou een
Mogelijke verkrachter kunnen zijn. Beter is het
Wanneer we hobby’s ruilen, heb je
Liefst er een voor mij verzwegen, hou het
Voor je. Relatiestatus zou je niet moeten
Delen, daar moet je aan lijden. Lijd er met mij
Aan. Koppelen is slechts het excuus
Wanneer je niet van elkaar los kunt komen.
Aan wrokneuken wil ik geen tijd verdoen.
Wie wil er nou padden likken in plaats van
Zijn partner. En in de horoscoop vind ik slechts
Meer redenen tegen online daten.
Als ik mijn angsten deel, wil ik
Dat jij samen met mij bang bent.
Autofobie: de angst om alleen
Op jezelf te zijn. Liefde is er één.
De waarheid is altijd een andere.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Martin Piekar (Bad Soden am Taunus, 5 augustus 1990)

 

Zie voor de schrijvers van de 4e augustus ook mijn blog van 4 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 4 augustus 2019 en ook mijn blog van 4 augustus 2017 en ook mijn blog van 4 augustus 2013 en mijn blog van 4 augustus 2011 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3 en mijn blog over Robert Beck.

Radek Knapp, Mirko Wenig

De Pools-Oostenrijkse schrijver Radek Knapp werd geboren op 3 augustus 1964 in Warschau. Zie ook alle tags voor Radek Knapp op dit blog.

Uit:  Reise nach Kalino

„Julius Werkazy erhält einen Anruf und sorgt sich um seine Araukarie
Seit Julius Werkazy zurückdenken konnte, teilte er Probleme in zwei Kategorien ein: in solche, denen er ausweichen konnte, wie unbezahlte Rechnungen, und in solche, die er wohl nie loswerden würde, wie seinen eigenen Namen. Jedes Mal, wenn er ihn auf der Tür seines Büros sah, glaubte er, eine bösartige Macht hätte ihn mit einem zweifelhaften Pseudonym bedacht, das er nicht nur auf der Tür, sondern eines Tages auch auf seinem Grabstein würde ertragen müssen.
Um dem zu entgehen, goss er sich, nachdem er ins Büro gekommen war, ein paar Tropfen seines kostbaren Otards in den Tee und betrachtete ausgiebig das Gemälde über seinem Schreibtisch. Es zeigte einen wohlhabenden Mann, der eine gelbe Katze im Arm hielt. Und obwohl die Katze ziemlich schwer aussah, schwebte der Mann einige Zentimeter über der Erde und strahlte eine Ruhe aus, die Werkazy nicht einmal überkam, wenn er nachts todmüde ins Bett fiel. So stellte er sich nicht nur einen perfekten Detektiv vor, sondern auch einen Mann mit einem Namen, der sich nicht wie ein Pseudonym anhörte.
An jenem Morgen, als er gerade dazu übergehen wollte, alle Punkte auf dem Fell der Katze zu zählen, läutete ganz unerwartet das Telefon. Werkazy stellte vorsichtig den Tee ab und betrachtete misstrauisch den läutenden Apparat. Wenn eine Agentur so wenig abwarf wie die seine, wurde das Abheben des Hörers zu einer Kunst. Es wäre nicht klug, sich gleich auf den Apparat zu stürzen und einem Klienten zu verraten, wie es in Wirklichkeit um die “Agentur Werkazy” stand, andererseits durfte man nicht zu lange warten, damit der Anrufer nicht wieder auflegte. Werkazy beherrschte diese Kunst, und so buchstabierte er das Wort “Araukarie” rückwärts. Das dauerte knapp zehn Sekunden, seiner Erfahrung nach die ideale Wartezeit. Diesmal aber kam es ihm vor, als sei der Anrufer übermäßig hartnäckig, deshalb legte er noch zwei Sekunden drauf. Dann erst nahm er den Hörer ab und meldete sich wie immer, indem er den Namen seiner Agentur nannte.
“Spreche ich mit dem Chef der Agentur Werkazy oder einem der Mitarbeiter?”, fragte eine kräftige Männerstimme am anderen Ende der Leitung.
“Sie sprechen mit dem Inhaber persönlich”, bestätigte Werkazy und vermied es dabei, noch einmal seinen Namen zu nennen.
Die Stimme des Mannes klang nicht wie der übliche Anrufer. Er klang wie jemand, der nicht selber anruft, sondern das seiner Sekretärin oder einem Mitarbeiter überlässt. Aber offenbar war etwas passiert, das den Mann zwang, persönlich zum Hörer zu greifen. “Erlauben Sie, dass ich mich vorstelle”, sagte er. “Mein Name ist Osmos, und ich rufe aus einem Ort an, den man als Kalino kennt.”

 

Radek Knapp (Warschau, 3 augustus 1964)

 

De Duitse dichter Mirko Wenig werd geboren op 3 augustus 1977 in Gera. Zie ook alle tags voor Mirko Wenig op dit blog.

 

Biologische landbouw in Oost-Thüringen

maar ik heb een vermoeden:

de lucht draagt
een dirndl
& het veld is
overspoeld door regen.

jij: gehurkt onder de verlegen zon
krom zittend op een plastic krukje
wachtend op het volgende grote
evenement (revolutie,
stortbui, lunchpauze):

begrijp je de syntaxis van planten?
Wat kan het weer eraan doen.

& als de hand
door het gras glijdt
een steek & een schreeuw: aha,
hier weet men zichzelf te verdedigen.

Met doornen aan de stengel
& honden voor het huis,
met prikkeldraadomheining
tegen appelklauwkinderen

& met regionale radiofrequenties
tegen subsidievermindering,
tegen hoge prijzen &
Poolse gastarbeiders & in het algemeen
tegen de loop van de wereld:

hier heeft men zelfs weet van het weer.

Maar daar, je vriend, het klavertje vier:
dat weet van niets
kruipt over de grond
is voedselgewas en voer voor de dieren
is groot gemest en opgekweekt
& zelfs resistent tegen ongedierte,
is volkomen modern.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mirko Wenig (Gera, 3 augustus 1977)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e augustus ook mijn blog van 3 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 3 augustus 2016 en mijn blog van 3 augustus 2015 en eveneens van 3 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Gerrit Krol, Thomas Rosenlöcher

De Nederlandse dichter en schrijver Gerrit Krol werd geboren op 1 augustus 1943 in Groningen. Zie ook alle tags voor Gerrit Krol op dit blog.

Uit: De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels

“Natuurlijk, wie een boek schrijft is een ijdeltuit en wie een literair werk publiceert, een boek dat over hemzelf gaat, is een ijdeltuit in het kwadraat. De spiegeling van een spiegeling – aldus, in het kort, geformuleerd en bewezen hoe het komt dat onze ijdele schrijver, voor het voetlicht getreden, in het openbaar dus, als het een goede schrijver is, zich schaamt.
Als je wilt weten hoe je er van opzij uitziet, kun je de spiegels van een toilettafel gebruiken. Het resultaat valt doorgaans niet mee, maar zonder die spiegels zie je helemaal niets. Zo ook de schrijver, hij zet beide spiegels zoals ze staan moeten en hij gaat voort met de taak die hij zich gesteld heeft: een beschrijving te geven van zichzelf (spiegel no. 1, die het verhaal geeft in de eerste persoon), een verslag van wat hij, neergedaald in de catacomben van zijn ziel, ontdekt en ziet, plus de verplichting ervoor te zorgen dat de ander het net zo ziet (spiegel no. 2, die het verhaal geeft in de derde persoon).

Zo komt de schrijver met een boek voor de dag dat bedoeld is om gelezen te worden, en dat men een ‘goed boek’ noemt, of een ‘slecht boek’, of iets daar tussen in. Een schrijver met een sterk schaamtegevoel zorgt ervoor dat het boek dat hij aflevert, een goed boek genoemd wordt zodat de schaamte voor zijn-gevoelens-op-papier plaats maakt voor een soort blijdschap omdat hij met zijn boek blijkbaar ook de gevoelens van een ander beschreven heeft. Er is sprake van herkenning en vertrouwen. Met het goede boek is de schaamte overwonnen, door een doelmatig gebruik van beide spiegels, te weten a) de subjectieve spiegel en b) de objectieve spiegel en c) door de kwaliteit van de spiegels zelf.
Elke schrijver heeft zijn eigen, persoonlijke spiegels, van eigen fabrikaat. Met deze spiegels is hij in staat de spiegelingen een bepaalde vorm te geven: origineel en afbeelding zullen door deze spiegelingen een beetje van vorm verschillen, dat is wat hij wil en wat hem lukt. Met twee spiegelingen lukt ’t hem nog beter: dat wat in zijn hoofd speelt als beeld, of idee, een vorm te geven die bepaald wordt door de vorm die hij aan zijn spiegels gegeven heeft.
Het is duidelijk waaruit de spiegels bestaan: niet uit glas, of zilver, maar uit woorden, en de vorm ervan, de afwijking die hij aan diverse betekenissen gegeven heeft, dat is zijn stijl. Een schrijver A heeft een bepaalde stijl als je aan elke bladzijde van die schrijver kunt zien: die is van A”.

 

Gerrit Krol (1 augustus 1934 – 24 november 2013)

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.

 

Hersengefonkel

De populieren toen ik klein was, klein, nu groot.
Een bos van kale, onbeweeglijk in de vorst
tegen elkaar aan krakende stokken.
In de weerspiegeling van de zelfs in de slaap nog rood
afscheidende stad, haar takkenwerkrukjes:
Elkaar kruisende, één systeem
verder, van twijgen als betraliede
coördinaten. – Linksboven een ster,
tjilpend pulserend. Weet de naam niet.
Heb op school nooit opgelet.
Een tweede, derde. Twee en een half miljoen.
Melkwegspeeksel niet eens meegerekend.
Mijn arme hoofd Laat begin ik met leren.
Het doel van leren, meneer de leraar? Hersengefonkel.
De dood het werk moeilijk maken
die ster voor ster de sterren uit moet wissen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e augustus ook mijn blog van 1 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 1 augustus 2019 en ook mijn blog van 1 augustus 2017 en ook mijn blog van 1 augustus 2011 deel 3.

Cees Nooteboom, Jill McDonough

De Nederlandse dichter en schrijver Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook alle tags voor Cees Nooteboom op dit blog.

Uit: Japan

“De volgende ochtend verdwaal ik toch nog drie keer op het station van Osaka. Er gaan allerlei treinen naar Kyoto, maar ik heb niet begrepen welke soort trein ik moet hebben. Angstig `Kyoto’ roepend word ik in een golf een kogeltrein binnengezogen. Uit de luidsprekers spreken kalmerende stemmen die mij juist opwinden omdat ik ze niet kan verstaan, terwijl er beneden nog borden naar Kyoto stonden kan ik hier op het perron plotseling niets meer lezen, maar de trein is al weg, sardine tussen de sardines word ik met driehonderd (zeggen ze) kilometer per uur het landschap in geworpen — ik had me deze pelgrimage heel anders voorgesteld. En het laatste wat ik wil gebeurt: twee puisterige achttienjarige Amerikaanse Jehova’s getuigen troosten me en zeggen dat alles went, en dat ik écht de goeie trein heb en dat als je er een paar maanden bent alles vanzelf gaat, maar ik heb geen paar maanden, ik ben een Zweed en voor het eerst in Athene, ik wil daar schoorvoetend, in een reverente stemming aankomen, de halve wereld ben ik overgevlogen voor dit moment, bedeesd als een noviet wil ik aarzelend, schoorvoetend, het echte Japan (Nippon, zei Couperus nog) binnentreden, en bitter herinner ik me het prachtige begin van Kawabata’s roman Beauty and Sadness waarin de hoofdpersoon, Oki Toshio, helemaal alleen op de laatste dag van het jaar naar Kyoto reist: ‘nog een lange tijd stroomden de laatste kille stralen door een boogvormige opening in de zwarte wolken voor ze verdwenen…’ maar ik zie geen landschap en geen wolken, ik voel alleen maar snelheid en de druk van menselijke zielen op de mijne, dein mee in de zachte protestloze massa, sluit mijn poriën, mijn ogen, mijn oren af en jaag in de afgegrendelde terreinen van mijn hersens op visioenen van de tempelstad die ik zo dadelijk zal betreden, maar ook dat is niet waar, want dezelfde menigte die me nu omringt blijft bij me en om me, stroomt met mij uit op het grote stationsplein en gaat over in andere, daar al golvende menigtes tussen bussen, taxi’s, trams, over de tempelloze trottoirs langs de warenhuizen zonder verleden, de souvenirs zonder ziel en de ansichtkaarten die het zicht beloven dat ik niet zie.
De reisgids zegt het zelf nog een keer onverbiddelijk: ‘Kyoto kann man genau so wenig in ein paar Tagen “kennenlernen” wie Rom oder Florenz’ — maar met mijn hoofd zo leeg als een botaniseertrommel begin ik simpelweg bij de tempel die het dichtst bij het station ligt, de Higashi-Hoganji-tempel. Ik drentel over het wijde tempelterrein, onderga mijn eigen verdwerging tussen de hoge houten vormen, mijn eigen vreemdelingschap tussen de eerbiedige anderen, lees de geschiedenis van de tempel die ik later weer zal vergeten, luister naar het zachte sloffen van kousenvoeten over de gelige rieten matten, zie de oude bouwzeilen van vrouwenhaar, zie het houtsnijwerk in het plafond, de hoge, gepolijste zuilen uit één stuk, de kleuren rood, goud en zwart, ruik de geur van wierook, kijk naar de knielzittende mensen voor een priester met fladderende mouwen, ik onderga de wijding van de van de wereld afgezonderde, niet met wereld gevulde ruimte en blijf tegelijkertijd buiten en binnen.”

 

Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Jill McDonough werd geboren in Hartford, Connecticut in 1972 en groeide op in North Carolina. Zie ook alle tags voor Jill McDonough op dit blog.

 

Beste gaybashers

Die nacht dat we in elkaar werden geslagen, vertelden we Rusty hoe
ze kwamen aanrijden, QUEER schreeuwden, een hotdog gooiden, weg renden.

Rusty: Is dat nou gaybashing? Of
noemen ze jullie gewoon queer? Goed punt.

Josey had medelijden met de dwazen: wie koopt een perfect pakje worstjes
en rijdt door San Francisco om ze naar homo’s te smijten?

En wie gaat er nou snel vandoor? Mis je het hele punt, het plezier van het bashen?
Beste bashers, jullie hadden de hotdog mijn nek moeten zien raken,

de sjaal die Josey van antieke zijden kimono’s naaide: zo gay. Jullie
misten het lachen om ons, wij in de war, jullie rauwe hotdog op de grond.

Josey en Rusty en Bob maken grappen over de gaybashers, en ik
was mijn sjaal in de gootsteen. Ik gebruik Woolite. We maken ons zorgen

over verzekeringen, rentetarieven. Geen hotdogs die door F-150’s worden gegooid,
homofobe freaks. Na het bashen gebruikten we de geldautomaat

in de seksshop naast Annie’s Social Club, glimlachten naar de aardige
eigenaar, zijn stuurstangsnor. Astrud Gilberto zong tall and tan

and young and lovely, the girl from Ipanema… en de dildo’s
straalden van de muren, honderd vrolijke kleuren. In San Francisco

regent het hotdogs, jammer. Pinguïns ter grootte van een kont, pik na pik in
azuurblauw acryl, butterscotch glas, ieders huidskleur, chroom.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jill McDonough (Hartford, Connecticut, 1972)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e juli ook mijn blog van 31 juli 2018 en ook mijn blog van 31 juli 2017 en ook mijn blog van 31 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Maja Lunde, Thomas Rosenlöcher

De Noorse schrijfster en scenariste Maja Lunde werd geboren in Oslo op 30 juli 1975. Zie ook alle tags voor Maja Lunde op dit blog. Zie ook alle tags voor Maja Lunde op dit blog.

Uit: Het einde van de oceaan (Vertaald door Lammie Post-Oostenbrink)

“Ringfjorden, Sogn en Fjordane, Noorwegen, 2017
Niets hield het water tegen, je kon het vanaf de berg tot aan de fjord volgen; van de sneeuw die uit de wolken viel en zich op de top neervlijde tot de mist die boven de zee zweefde en weer in wolken veranderde.
Elke winter groeide de gletsjer, verzamelde hij sneeuw, elke winter groeide de gletsjer zoals het hoorde en elke zomer smolt hij weer, werd kleiner, stond water af, water dat in beken veranderde, het zocht zich een weg naar beneden, voortgestuwd door de zwaartekracht, de beken kwamen samen, werden watervallen, rivieren.

Er waren twee dorpen die een berg en een gletsjer deelden, we deelden de berg en de gletsjer al zolang we ons konden herinneren. De ene zijde van de berg was loodrecht, daar viel het water van Søsterfossene naar beneden, het stortte 711 meter recht omlaag, naar het Eidemeer, een diepgroen water dat de naam aan het dorp gaf, Eidesdalen, en dat de omgeving vruchtbaar maakte voor mens en dier.
Eidesdalen, het dorp van Magnus.
In Eidesdalen kon je de fjord niet zien, de zilte smaak niet op je lippen proeven, het zout werd niet door de wind meegevoerd, het bereikte het dorp nooit, ze roken de zee daarboven niet. Zo groeide hij op. Maar ze hadden water, smakeloos water, water dat alles liet groeien, en hij had de zee nooit gemist, zei hij later.

De andere kant van de berg was milder, zachter, hier verzamelde het water zich in de rivier Breio, de zalmrivier, de rivier van de Fossegrim, de rivier van de zoetwatermosselen, die zich via een breuk een weg baande door het landschap, die deze breuk ook gevormd had, met miljoenen druppels per seconde, op hellingen, in stroomversnellingen en in rustige, gladde stukken. Als de zon scheen, veranderde de rivier in een lichtgevend lint.
Breio liep helemaal tot aan Ringfjorden en daar, in het dorp op zeeniveau, kwam de rivier in contact met het zoute water. Daar werd het gletsjerwater één met de zee.
Ringfjorden, mijn dorp.
Zo werden ze verenigd, het water van de gletsjer en het water uit de zee, voor de zon de druppels weer opnam, ze de lucht in zoog als waterdamp, verder omhoog, tot de wolken waar ze zich onttrokken aan de zwaartekracht.”

 

Maja Lunde (Oslo, 30 juli 1975)

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.

 

De Freischütz-finale

Een orgelbromtoon vermengd met lelies,
toen ze de kist de gang in duwden.

Vouwkarton op leeuwenpoten.
De ene sierstrip half afgescheurd.

Ik kon niet huilen, opa.
Je had immers willen sterven. –

Was expres voor ons huis gevallen
om niet meer weg te hoeven gaan.

Je hebt iedereen die je te pakken kreeg
en bij de knie kon grijpen,

als voormalig hoofdkassier van
de Dresden Opera de Freischütz uitgelegd.

Om je , gaandeweg zwaaiend en spugend,
»Samiel erscheine!« gipsbeen gestamp,

Hoger en hoger de – “Waar ben ik?” –
Hemel van de Freischütz-finale in te futselen.

Toen moest je terug in het bejaardenhuisbed
en wilde je de rode gort niet eten.

En soms droeg een esdoorn buiten
zijn gouden takken voorbij.

Maar als je één oog opende
Viel het andere dicht.

En kleiner en kleiner je witte gezicht.
En groter je oren.

‘Opa, ik heb wat muziek voor je meegebracht.
De Opera van Dresden, de Freischütz-finale.«

Ken ik niet,’ zei je.
En spuugde de rode gort op het bed.

En soms droeg een esdoorn buiten
zijn donkere takken voorbij

Maar als je één oog sloot
ging het andere open.

En zachter en zachter jouw: “Oh, jullie zijn het.”
En luider je rammelende adem.

Toen zetten we voor jou een kaarsje voor het raam.
Maar je riep: “Jullie willen me verbranden.”

‘Opa, wat denk je wel?
Je komt in het familiegraf.”

Ze lieten de kist zakken. ik kon niet huilen
ik kon niet huilen – opa, vergeef me.

Laat de ogen sluiten. Om voor altijd in de hemel
van de Freischütz-finale geborgen te zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e juli ook mijn blog van 30 juli 2020 en eveneens mijn blog van 30 juli 2019 en ook mijn blog van 30 juli 2017 en ook mijn blog van 30 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Harry Mulisch, Thomas Rosenlöcher

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Harry Mulisch op dit blog.

Uit: Twee vrouwen

‘Denk er om,’ zei ik, misschien tien minuten nadat ik haar had gesproken, ‘ik ben niet iemand die veel spreekt.’
‘Ik ook niet,’ zei zij.
Wat bezielde mij? Het was een soort verklaring dat iemand in de stationsrestauratie aflegt, waar hij een andere stakker ontmoet die op zijn huwelijksadvertentie heeft gereflecteerd, wanneer van meet af de opzet bestaat om bij elkaar te blijven. Ook zij voelde blijkbaar dat het geen gewone ontmoeting was – zelf had ik het al aan haar rug gezien.
Ik had brood gekocht. Het was zaterdagmiddag, een dunne februarizon scheen op de stad. Aan de overkant van de straat zag ik haar voor de etalage van een juwelier. Ik bleef staan. Ik keek naar haar rug en naar haar achterhoofd en haar kuiten, die in felrode laarzen staken, en vroeg mij tegelijk af waarom ik bleef staan en naar haar keek. Het was of alles in de straat vaag was geworden en vervormd, zoals op een bepaald soort foto’s, terwijl alleen dat meisje in het midden scherp was gebleven. Niet dat haar achterkant zo mooi was: haar haren waren mooi los opgestoken, maar haar rug was iets te lang, haar heupen te smal en haar benen niet zo recht als over het algemeen graag wordt gezien. Maar alles week af van het ideaal in een richting, die op een of andere manier precies in mij paste. Het lichaam van een mens bestaat uit mededelingen; over de ogen en de mond is iedereen het eens, en over de handen, maar ook de voeten en de nek en de kuiten spreken een taal, die niet liegen kan. Sla het hoofd en de armen er af, dan nog is het een ideale boodschap, die in Louvre thuishoort.
Ik stak over. Ik hijgde plotseling een beetje. Nooit eerder had ik zo duidelijk het gevoel, van de ene seconden op de andere, dat ik bezig was met iets dat mijn leven ging veranderen. Ik had nog nooit iets met een vrouw gehad, en op dat moment realiseerde ik mij nauwelijks, dat ik hard op weg was. Vermoedelijk dacht ik op dat moment nog, dat ik mij liet meeslepen door een of ander platonisch, kunsthistorisch gevoel, afkomstig uit de boeken.
‘Zou je die stenen ook mooi vinden als ze niet duur en zeldzaam waren?’
Ik was naast haar gaan staan. Mijn hart bonkte. Verbaasd en geschrokken keek zij mij aan, op hetzelfde moment verdwenen de vlaagjes angst en gekweldheid van haar gezicht, zodat ik kon zien hoe zij er uitzag.”

 

Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.

 

Bezoek van mijn schoonmoeder

Ik heb deze bij super-duper Hubo gekocht.
Ja, Gamma is goedkoper. Eerlijk gezegd.
Werkelijk. Maar goed. Min of meer.
Alleen geen kerels meer in huis.
Bij de Titisee. Alleen de naam al.
De hele bus lachte.
Was vroeger ook leuker bij jullie.
Is er hier geen Dol-op-Wol winkel?
Ze willen allemaal hetzelfde, die kerels.
De sokken gewassen. Dat is alles.
Hoewel. Nou ja. Dat lukt misschien nog.
Wat kijk je nou, schoonzoon?
Schrijf eens een gedicht over mij.
Nee, niet van Goethe. Iets aardigs.
Ik zou zo graag weer eens lachen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Thomas Rosenlöcher (29 juli 1947 – 13 april 2022) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e juli ook mijn blog van 29 juli 2020 en eveneens mijn blog van 29 juli 2019 en ook mijn blog van 29 juli 2017 deel 1 en ook deel 2.