Gerrit Komrij, Milton Acorn

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus, polemist en toneelschrijver Gerrit Komrij werd geboren op 30 maart 1944 in Winterswijk. Zie ook alle tags voor Gerrit Komrij op dit blog.

 

Willem Kloos

Er zijn in Oostenrijk veel hoge bergen.
Hoe in de nacht de leidingen verzuilen.
De reuzen willen ruilen met de dwergen.
Kijk, Kloos zit op een bloem te huilen.

Maar jij huilt met één opgetrokken been
Ook wel op zachte, maar zo vreemde wijze:
Je staat als zuil om hek van zuilen heen,
Enklave. Vrouwen dalen, mannen rijzen.

Waarom de tranen juist in kalme tijden?
Talloze klieren werken op de fallus,
En als je neuken wil, dan moet je lijden.
Je weet niet of met Kloos dat het geval is.

 

Du musst verstehn

Als kind vond je een puntenslijper ’t fijnst.
Ze waren ingebouwd onder in een poesje
Of zo. Dat vond je niet zo gauw.
Er zat een inktlap aan. Die moest je

Helpen als je vlekken had gemaakt.
Van kindsbeen af heb je ’n beeld behouden,
Dat, toen je eens verloren was geraakt
In een wild bos, een vrouw, wat ouder,

(Het kon een heks zijn) zo een van binnen
Ingebouwde slijper aan je gaf.
En zei: Van nu af aan zijn we vriendinnen.
En zei: Het zijn de dingen van je graf.

 

Slakkenhuis

De melkkruk werd op een zekere dag zo groot
Dat wij er gemakkelijk van konden eten,
Met z’n twaalven; maar, aan de andere kant, de goot
Steen verschrompelde tot een eierpan. Weten

Mocht het de hemel wat ik daar nou mee moest doen.
(Vaak is het zo droevig in een mensenleven.)
Ik stond mij ook juist af te vragen, waar de schoen
Dan knelde, toen op de koop toe hele scheve

Verzakkingen en zo knaagden onder de, ja,
Waaronder? Daarna opstulpingen en deuken,
Toen kleurverschietingen, en dat gedonderjaag.
Zeg maar jaja, vriend, daar gaat je mooie keuken.

 

Gerrit Komrij (30 maart 1944 – 5 juli 2012)

 

De Canadese dichter Milton James Rhode Acorn werd geboren op 30 maart 1923 in Charlottetown, Prince Edward Island. Zie ook alle tags voor Milton Acorn op dit blog.

 

Wetende dat ik in een donkere tijd leef

Wetende dat ik in een donkere tijd leef vóór de geschiedenis,
kijk ik naar mijn portemonnee en
wordt minder getroffen door vuurgevechten in de lanen
dan door de nieuwslezer met zijn vuile roze schrale gezicht
die een sjofele dichter terugroept voor zijn wisselgeld.

De kraaien pesten de knipperende, zon-domme uil;
wolven eten eerst het achterste van een verlamd kalf,
houden hun vlees levend en vers … dit
zijn tekenen van een vooruitziende blik, een begin van verstand:
maar Jezus die doornen draagt en met een zonnesteek
die zijn leven en dood in woorden beitelt
om de roedes te breken en de bijlen van Rome bot te maken:
dit en soortgelijke dingen volgden.

Wetende dat ik in deze aangekondigde regenboog
leef als een trapezeartiest met hoofdpijn,
mijn gedichten zijn geen aspirines … ze laten
bleke bajonetten zien van gras die dunnetjes op duinen wuiven
de lamme en zijn lyrische geheimen;
mijn vriend Al, vakbondsbouwvakker en cynicus,
die aarzelt om zijn eigen fijngevoelige gedichten te geloven
uit vrees in iets beters te geloven dan zichzelf:
en de geschiedenis, die nog moet beginnen,
zal dit overtreffen, dit verheerlijken
zoals een gedicht zijn dichter uitwist en herschrijft.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Milton Acorn (30 maart 1923 – 20 augustus 1986)
Portret door Kent B. Johnson, 2018

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30 maart ook mijn blog van 30 maart 2020 en eveneens mijn blog van 30 maart 2019 en ook mijn blog van 30 maart 2018 en mijn blog van 30 maart 2017 en eveneens mijn blog van 30 maart 2014 deel 2 en ook deel 3.

Geert van Istendael, R. S. Thomas

De Vlaamse schrijver, dichter en essayist Geert van Istendael werd geboren in Ukkel op 29 maart 1947. Zie ook alle tags voor Geert van Istendael op dit blog.

 

Zevenmaal James Ensor

‘…Ostende, fée souveraine…’

De stad had zoute benen, zoete armen.
Toen kwam de vorst met wondere geschenken:
een stad die openkrulde als een blad,
een koningin, een zilveren oord, Oostende.

Al bouwend sloopt de stad zichzelf. Erbarmen.
Het jonge masker kan niet eens meer denken:
ooit was dit mooi. Een schilder huilde, vrat
zich op. Na hem komt, lomp en plat, ellende.

 

‘…Un piètre amoureux…’

Zij zei: hij was een armetierig minnaar.

Hij zegt: zij lokt en doodt. Zij heet Sirene.
Hij vreest haar huwbaarheid. Toch waakt hij jaren
bij haar. Nooit kruipt de waakhond op de meesteres.

Hij draagt de bloemen van de overwinnaar
als hij de kleur bevrucht. Hij is verdwenen
in verf. Die neemt hij, heftig, lang. Zo paren
de kuise schilder en de minnares.

 

…On le surnommait Pietje de Dood…

Het geraamte draagt een pak. Het schildert. Dat
kan zelfs niet op een schilderij. Want ogen
heeft een doodshoofd nooit. Met lege kassen
weet je van licht en schaduw niets. Je bent een dode.

Hij heeft zijn ogen in naakt been gevat,
verwijdert uit pupillen mededogen,
behoudt de koude aandacht. Hem verrassen
kan nooit. Dit ziende doodshoofd breekt een oude code.

 

Geert van Istendael (Ukkel, 29 maart 1947)

 

De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas werd geboren op 29 maart 1913 in Cardiff. Zie ook alle tags voor R. S. Thomas op dit blog.

 

De dood van een dichter

Op zijn zachte bed gelegd nu,
Voor de laatste keer, met een doffe blik
Door zware oogleden op de kleur van de dag,
Weduwe de lucht, wat kan hij zeggen
Dat waard is te vermelden, de boeken zijn allemaal geopend,
Pennen klaar, de gezichten, droevig,
Somber wachtend tot de vermoeide lippen
Een keer bewegen – wat kan hij zeggen?

Zijn tong worstelt om één woord te forceren
Voorbij het dikke slijm; geen toespraak, geen woorden
Voor het nieuws van de dag, alleen dat ene woord ‘sorry’;
Sorry voor de leugens, voor de lange mislukking
In de oorlog van de dichter; dat hij de voorkeur gaf aan
De gemakkelijkere ritmes van het hart
Boven het scanderen van de geest; dat hij nu sterft
Zonder testament, met niets achter te laten
Dan een paar liedjes, koud als stenen
In de dunne handen die om brood vroegen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

R. S. Thomas (29 maart 1913 – 25 september 2000)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e maart ook mijn blog van 29 maart 2020 en eveneens mijn blog van 29 maart 2019 en ook mijn blog van 29 maart 2015 deel 2.

Joost de Vries, Ada Limón

De Nederlandse schrijver Joost de Vries werd geboren op 28 maart 1983 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Joost de Vries op dit blog.

Uit: Rustig aan, tijger

“Wat wil je dat ik zeg? Vrije wil bestaat niet. Neurologen verklaren het leven en programmeurs bootsen onze hersenen zo na dat we ze niet meer hoeven te gebruiken. Het geluid van mijn laptop klinkt als iets wat opstijgt naar de hemel. God is een algoritme, ik heb er niets over te zeggen, ik log in en er wordt me van alles in de schoot geworpen. Nu dus jou. Sylvia. Hé, hallo. Ik kan niet aan jou denken zonder aan de rest te denken, en of de rest aan ons terugdenkt weet ik niet. Vast, soms. Om het zeker te weten kan ik dan maar beter zelf aan jou en mij denken.
John en Olivia hebben nog grootaandelen, ik nog een paar. Appeltje voor de dorst. Elias heeft zich laten uitkopen, zit in Cork – hij was vanbinnen altijd al een Ier, woont aan de kust, er zat eindeloos veel in hem wat moest uitwaaien. John woont nog steeds in Den Haag, hij nachttreint ondertussen al dertig jaar. De directeur in Brussel inmiddels, een grote meneer. De Muis kreeg een knobbeltje in haar borst. Ik zei ooit tegen haar: ‘We moeten het nog zo lang met elkaar uithouden, nog decennia, en dit wereldje is zo klein.’ We stonden bij de brug, na het zoveelste avondje in Het Brood. Ik bedoelde het claustrofobisch. Dat leven als een koket studentenhuis waar we elkaar steeds maar op de overloop tegenkwamen. Ze schokschouderde, ingesleten frons achter haar grote lesbische bril. ‘Laten we het hopen,’ zei ze.
Een zachte wijsheid. Later kwamen we daarop terug en vonden we het op jou slaan. Toen zij ziek werd durfde ik er niet over te beginnen. Je zou trots op haar zijn geweest, onze lieve Muis, een kleine stoïcijn, hard als vuursteen.
En ik zit dus hier. Ik kan de Middellandse Zee horen, maar net niet zien. De nieuwe buren hebben aan de voet van hun terrein een rij bomen gekapt, Russen, betaalden de groenboete lachend. Voor mij hoeft dat niet. Ik ken de zee onderhand, weet hoe het water verkleurt met de seizoenen. Vandaag blijf ik binnen, op de 7G, ‘Ik trek het hele internet leeg’ – bedacht jij die slogan nu of Elias? Zuckerbergs algoritme biedt me een herinnering aan. Ik ken die foto te goed. Zelfs als ik hem niet deel met mijn volgers is het te laat, zelfs als ik hem wegklik zit hij in mijn hoofd. Het orakel van Delphi vertelde je nooit wat je lotsbestemming was, maar wat je moest horen om die lotsbestemming te bereiken. Jij was niet mijn lotsbestemming. Weet ik wel. Klinkt ook pompeus. Maar toch zit ik hier naar je te kijken. Heb ik nooit echt genoeg van gekregen.”

 

Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983)

 

De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.

 

Gras maaien

De man aan de overkant maait 40 hectare op een kleine grasmaaier.
Die is zo klein, het moet hem dagen kosten, dus ik stel me voor dat hij het leuk vindt. Dat

moet wel. Hij gaat zorgvuldig om elke boom heen. Hij heeft 10.000 bomen; het is
een boomkwekerij, dus er zijn zo veel bomen. Een cirkel hier. één cirkel
daar. Mijn hond en ik hebben gekeken. Het licht ontsnapt aan de hemel,
en er is deze plek waar ik graag sta, het is voor zonsopkomst, dus ik ben on-
zichtbaar. Ik sta daar, en ik heb de hond, en de man is aan het maai-
en in zijn cirkels. Zoveel cirkels. Er zijn geen vogels of zo, of
geen die ik kan zien. Ik stel me voor hoe het moet zijn om verborgen te blijven,
te verdwijnen in het schemerige niets en stil te blijven in de nacht. Het is geen
verdriet, al klinkt het misschien zo. Ik denk aan mensen
en bomen en hoe ik zou wensen dat ik stiller kon zijn, meer boom kon zijn dan
iets anders minder onhandig en luid, minder kraai, meer koele witte den,
en hoe moeilijk het is om niet altijd iets anders te willen, niet slechts
het woeste gras te laten groeien.

 

Vertaald door Frans Romen

 

Ada Limón (Sonoma, 28 maart 1976)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e maart ook mijn blog van 28 maart 2020 en eveneens mijn blog van 28 maart 2019 en ook mijn blog van 28 maart 2017 en ook mijn blog van 28 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Heinrich Mann, Erica Jong

De Duitse schrijver Heinrich Mann werd geboren op 27 maart 1871 in Lübeck. Zie ook alle tags voor Heinrich Mann op dit blog.

Uit: Die Vollendung des Königs Henri Quatre

„Was sollen wir aber tun? Ein Geflüster unter Vertrauten, ein heimliches Gebet zu Gott, und nach dem unverhofften Sieg des Königs bei Arques schwillt für kurze Zeit unsere Hoffnung an, daß der Tag kommt! Höchst merkwürdig, die Weitentfernten machen sich von den Ereignissen meistens einen größeren Begriff als die nahe Wohnenden. Der Sieg des Königs geschah an der Küste der Nordsee: im Umfang von zwei oder drei Tagereisen hätte man staunen sollen. Besonders in Paris hätten sie sich prüfen und ihre hartnäckigen Irrtümer endlich berichtigen müssen. Durchaus nicht. Dort im Norden sahen wohl viele mit Augen, wie das geschlagene Riesenheer der Liga durch zersprengte Banden das Land unsicher machte — was ihnen aber nicht in den Kopf ging. Die Liga blieb für sie unbesiegt; der König hatte vermöge des dichten Nebels, den das Meer verbreitete, und dank anderen Umständen des Kriegsglücks ein unbedeutendes Stück Landes behauptet, das war alles. Für den innersten Teil des Königreiches hatten dagegen die erhofften Entscheidungen sich wirklich angekündigt. Am Flusse La Loire und in der Stadt Tours glaubten sie nach alten Er-fahrungen, daß zuletzt doch immer der König in Person bei ihnen einkehrte. Manchmal als armen Flüchtling, aber endlich als den Herrn, so hatten sie ihn seit Jahrhunderten empfan-gen. Wie nun erst die entlegenen Provinzen des Westens und des Südens! Dort sahen sie diese Schlacht bei Arques, als ob sie vor ihren Blicken nochmals geschlagen würde und wäre ein Machtwort des Himmels selbst. Die stürmischen Protestanten der Festung La Rochelle am Ozean sangen: »0 Gott, so zeige Dich doch nur« — denselben Psalm, mit dem ihr König gesiegt hatte. Von Bordeaux schräg abwärts, der ganze Süden nahm aus ungemessener Be-geisterung vieles als geschehen vorweg, was in weitem Felde stand, die Unterwerfung der Hauptstadt, die Bestrafung mächtiger Verräter und ruhmvolle Einigung des Königreiches durch ihren Henri, geboren bei ihnen, ausgezogen von hier, und jetzt so groß! Gingen seine Landsleute wirklich weiter als alle anderen? Groß — nennt man am leichtes-ten den Mann, den man nicht einmal von Angesicht kennt. Seine Landsleute im Süden wissen aus eigenen Begegnungen, daß er nur gerade mittleren Wuchses ist, den Filzhut zum abge-wetzten Wams trägt und niemals Geld hat. Sie erinnern sich seiner sanften Augen: sprechen diese eigentlich vom heiteren Gemüt oder von manch erlebter Trauer? Jedenfalls ist er schlag-fertig und versteht sich auf den Ton des gemeinen Mannes — versteht sich noch besser auf die Art der Frauen. Von ihnen könnten viele, niemand ermißt die Zahl, seine Geheimnisse verra-ten. Aber sonst so plauderhaft, auf einmal schweigen sie. Genug, hier kennt man ihn von An-gesicht und war nur nicht bei seiner vorigen Arbeit mit, dort oben, wo Nebel lag, wo die Un-seren den Psalm sangen, als sie angriffen und das gewaltige Heer schlugen.“

 

Heinrich Mann (27 maart 1871 – 12 maart 1950)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Erica Jong werd geboren in New York op 26 maart 1942. Zie ook alle tags voor Erica Jong op dit blog.

 

Boeken
“Het universum (dat anderen de bibliotheek noemen).” JORGE LUIS BORGES

Boeken die in het midden zijn dichtgenaaid met grof wit garen
Boeken op het strand met door een zonnebril gekleurde pagina’s
Boeken over eten met foto’s van treurende grapefruits
Boeken over brood bakken met gebruinde hoeken
Boeken over langharige Fransen met niet opengesneden pagina’s
Boeken met erotische gravures met pagina’s die plakken
Boeken over herbergen waarvan de sterren zijn uitgesputterd
Boeken van illuminaties omgeven door duisternis
Boeken met blanco pagina’s en opgedrukte marges
Boeken met fanatieke voetnoten in puntloos zetsel
Boeken met boekenluizen
Boeken met rijstpapier stijfsel
Boeken met boekenzwam die boven hun pagina’s bloeit
Boeken met pagina’s van huid met vleeskleurige banden
Boeken van mannen die verliefd zijn op de letter 0
Boeken die naar aarde ruiken waarvan de pagina’s omslaan

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Erica Jong (New York, 26 maart 1942)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e maart ook mijn blog van 27 maart 2020 en eveneens mijn blog van 27 maart 2019 en ook mijn blog van 27 maart 2017 en ook mijn blog van 27 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Martin McDonagh, Erica Jong

De Engels-Ierse schrijver en regisseur Martin McDonagh werd geboren op 26 maart 1970 in Camberwell, Londen. Zie ook alle tags voor Martin McDonagh op dit blog.

Uit: A Skull in Connemara

A knock at the front door, which pushes open immediately. Mairtin enters in a Man. Utd away shirt with ‘Keane’ on the back, blowing bubbles now and then.
Mairtin How is all?
Mary How are you, Mairtin?

Mick How are you, Mairtin? And close the door.
Mairtin I’ll close the door (Does so.) or was it a barn with a wide open door you were born in, me mam says. She says, was it a barn with a wide open door you were born in, Mary beag, and I say ‘You’re the get would know, Mam.’
Mary tuts.

Mairtin No, I say, you’re the woman would know, Mam. I do. That’s what I say, like. Because if anybody was to know where I was born, wouldn’t it be her? (Pause.) The Regional Hospital I was born. In Galway.
Mick We know where the Regional Hospital is.
Mairtin Aye. (To Mary.) Wasn’t it you was in there with your hip?
Mary No.

Mairtin It must’ve been somebody else so. Aye. Who was it? Somebody who fell down and was fat.
Mick What is it you’ve come over about, Mairtin?
Mairtin Father Welsh or Walsh sent me over. It was choir and I was disruptive. Is that poteen, Mick? You wouldn’t spare a drop?
Mick No I wouldn’t.
Mairtin Ah g’wan
Mary Why was you being disruptive in choir, Mairtin? You used to be a good little singer, God bless you.
Mairtin Ah, a pack of oul shite they sing now.
Mary tuts at his language.
Mairtin A pack of not very good songs they sing now, I mean. All wailing, and about fishes, and bears.
Mick About fishes and bears, is it?
Mairtin It is. That’s what I said, like. They said no, the youngsters like these ones. What’s the song they had us singing tonight? Something about if I was a bear I’d be happy enough, but I’m even more glad I’m human. Ah, a pile of oul wank it is. It’s only really the Christmas carols I do like.
Mick And in September you don’t get too much call for them.

Mairtin Is right, you don’t. But I think they should have them all year, instead of the skitter they do, because they do make you very Christmassy, like.”

 

Martin McDonagh (Camberwell, 26 maart 1970) 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Erica Jong werd geboren in New York op 26 maart 1942. Zie ook alle tags voor Erica Jong op dit blog.

 

Het gedicht kat

Soms wil het gedicht
niet komen;
het verbergt zich voor de dichter
als een speelse kat
die onder het huis
is gekropen
& schuilt tussen slakken,
wortels, spinnenogen,
een richel zo lang uit de zon
dat hij vochtig is
van de adem van de Trollenkoning.

Soms schiet het gedicht
er vandoor
als een terughoudende minnaar
die bang is om bezeten te worden,
om te veel te voelen,
om zijn essentiële eenzaamheid
te verliezen- die hij vrijheid
noemt.

Soms kan het gedicht
de passie van de dichter.
niet belonen.

Het gedicht is een dans
tussen dichter en gedicht,

maar soms wil het gedicht
gewoon niet dansen
en loert het aan de zijlijn
tikkend met zijn voeten –
jamben, trocheeën-
uit de pas met de muziek
van je mariachiband.

Als het gedicht niet komt,
zeg ik: besluip het.
Doe alsof het je niets kan schelen.
Ga in je stoel zitten
lees Shakespeare, Neruda,
de onsterfelijke Emily
en laat je drijven
op hun muziek.

Ga naar de keuken
en begin uien te pellen
voor zelfgemaakte sugo.

Voor je het weet,
zal het gedicht roepen
terwijl je rijpe tomaten
weg bubbelen
met inspiratie.

Als het hele huis vol is
met het zachte tomatenaroma,
begin je met het kneden van de pasta.

Wanneer je heen en weer deint
boven het vochtige, sensuele deeg,
het plooit naar jouw wil,
wanneer je de liefde bedrijven met dit manna
van meel en water,
zal het gedicht honger krijgen
en komen
net zoals een kat
thuiskomt
wanneer je haar het minst
verwacht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Erica Jong (New York, 26 maart 1942)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e maart ook mijn blog van 26 maart 2021 en ook mijn blog van 26 maart 2020 en eveneens mijn blog van 26 maart 2019 en ook mijn blog van 26 maart 2017 deel 2.

Paul Meeuws, Joy Ladin

De Nederlandse dichter en schrijver Paul Meeuws werd geboren op 25 maart 1947 in Roermond. Zie ook alle tags voor Paul Meeuws op dit blog.

 

U
voor mijn vader 1909-2009

U zeg je tegen meerderen en vreemden
u is de uitdrukking van afstand en vrees

maar wie u zegt vormt zijn mond tot een kus
biedt afstand een wang, vrees baardstoppels
ontwaakt in een wieg

wordt door onderstoppende handen gekneed
in een vorm volmaakt als een droom

is jaren daarna van die droom nog de mal
zoals mijn mond zich vormt om het woord u
zoals mijn oor de mal is van de naam die ik kreeg.

 

Blues

Men wandelt op een veer
in tweekwartmaat en fluit.
Er hapert meestal niets.

Een enkeling, te opgewonden, maakt
een hinkelsprong te vroeg.
Gedrang, syncopisch oponthoud
om wat, om wie?

Om wie lichtzinnig in haar enkels voelt
de hapering waar het om draait,
maar weggewimpeld met haar haar.

 

Voor strijkers

Een cycladische god bouwde de vrouw.
Niemand speelde met haar.
Alleen de wind beproefde haar schuchter
maar hield meer van riet.

Eeuwen verstreken.
De grieken floten op hun botten en vochten
tot de wereld er ongeveer uitzag als nu.

Van de cycladen weten we niets.
Onbespeelbare dames staren ons aan,
reikhalzend nog steeds naar een snaar.

 

Paul Meeuws (Roermond, 25 maart 1947)

 

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.

 

9e en 2e

Ik leef, zeg je
tegen niemand in het bijzonder.

Je bent niemand in het bijzonder.
Dat is een goede zaak. De straat is gevuld met zielen

genesteld in mooie lichamen
die niet in jouw

richting kijken. Iemand zingt,
iemand houdt de hand vast

van iemand die zich schaamt voor genegenheid,
mannen en vrouwen gemaakt van licht

drinken in het licht
gemaakt van mannen en vrouwen.

Ze leven, zeg je,
tegen niemand in het bijzonder.

Een van hen zingt, een verkoopt bloemen,
een is zo dun

dat je bijna door haar heen kunt kijken. Een kijkt
in jouw richting.

Ik leef, zeg je, een beetje beschaamd
om niemand in het bijzonder te zijn, een ziel

genesteld in een lichaam
van mannen en vrouwen.

Iemand zingt, iemand drinkt
thee die zoet en bitter is.

Het is een goede zaak, zeg je,
drinkend in het licht

van mannen en vrouwen,
mannen en vrouwen gemaakt van licht, genesteld

in zoet en bitter. Een ziel
zingt in jouw richting, zo levendig

dat je haar bijna kunt zien.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Joy Ladin (Rochester, 24 maart 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e maart ook mijn blog van 25 maart 2021 en ook mijn blog van 25 maart 2020 en eveneens mijn blog van 25 maart 2019 en ook mijn blog van 25 maart 2018 deel 2.

Joy Ladin

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.

 

EARLY MORNING FLIGHT

Half-empty plane, hot black coffee – it takes  so many people
to keep my body soaring.
I must be important, or at least not dead,

and my not being dead must matter, or it wouldn’t be so sunny,
and if it’s sunny because I’m not dead
I must be the fulcrum, the measure of existence,

the line God draws
between meaning and meaninglessness
in sand composed of outgrown shells and diatoms,

animal and vegetable
ground into mineral glitter
by the pestle of existence.

I’m not ground yet, so I must be happy,
smiling for the camera
eternity, focused on me, must be.

I must be happy, falling asleep,
sinking into the clouds below my seat, soothed by engines’
rumbling stutter, the click-click heartbeat

of eternity’s shutter.

 

SMART WAYS TO DIE

That was a short list, wasn’t it?
An old man fingers a double fugue

alone on a famous stage.
There’s no smart way to die

during a Bach partita’s
helices of being and becoming

twinning, twining and untwining
chromatic, arpeggiated longing.

No genders, no time,
no way to die, smart or otherwise,

even though we practice death’s scales
day and night,

confounding individuation with despair, avoiding recognition
that the only part of us that lives forever

is the otherness we anticipate and echo,
a fugue that began before we began

and sings without a moment’s interruption
when our seats are emptied, our despairs compressed

into obituary and epitaph, our bones broken down
into nutrients absorbed by grass

nibbled by rabbits struck by hawks
and assimilated, briefly, into their soaring organs.

The smart way to die is to recognize
the stage is bare, the piano wheeled away,

the old man probably has a tough time peeing,
lets flattery go to his head,

foolish as the rest of us
when the universe serenading itself through him

lets his fingers become fingers again,
the universe too smart to die without rising,

twinning, twining and untwining
old men, vibrating strings, creaking seats and silence.

 

How Much

I could talk about being sick, but I always talk about being sick,
because I’m always sick, but today I’m sick
and happy, stuffed with fried artichoke, reggiano, gnocchi, and the glow
of knowing my name will be forgotten
when those who knew me are gone,
though of course I’ll be remembered by God,
but will God remember the fennel salad and fried rice balls,
the candle on the table reflected in the wine
and the little flame when our fingers brush,
and how much I love the woman who loves me,
how much I love,
how much?

 

De luipaard

Je brengt verslag uit over het luipaard. Je bent pas zeven
en je weet al dat de luipaard
zowel in grijs voorkomt

als in geel. Gooit prooi
over takken. De jongen van de luipaard
tuimelen in de schaduw van een rots.
Gazellen vluchten in de verte. Het verslag over de luipaard
verandert leven en dood
in eenvoudige declaratieve zinnen.
De gazelle negeert het luipaard
totdat de luipaard zijn nek breekt.
In jouw keuken schaduwen

liefde en haat elkaar
zoals jij wordt geschaduwd
door de verjaardag die op zijn tenen dichterbij komt.
Je bent pas zeven en je weet al
dat jij de prooi bent
van de liefde waaraan je niet kunt ontsnappen. Liefde
gooit haar prooi over takken
in de jungle die je keuken is.
Je bent pas zeven en je weet al:
haar vlekken maken het lastig de liefde te zien
totdat zij je nek breekt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Joy Ladin (Rochester, 24 maart 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e maart ook mijn blog van 24 maart 2021 en ook mijn blog van 24 maart 2020 en eveneens mijn blog van 24 maart 2019 en ook mijn blog van 24 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Gary Whitehead

De Amerikaanse dichter Gary Joseph Whitehead werd geboren op 23 maart 1965 in Pawtucket, Rhode Island. Zie alle tags voor Gary Whitehead op dit blog.

 

Parting Ways

All at once you’re out of love again,
and it’s like the earth has jerked on its axis,

and the screen door slaps shut behind you,
and you cross a meadow and enter

the woods, one branch swinging like the door
to a saloon, and soon you’re in a clearing

where a hunter crouches over a body
you smelled long before you got there.

A suicide, he says, and there’s a note.
The skin yellow, preserved by some concoction—

antifreeze and orange juice—so the buzzards
and bears, the foxes and coyotes and coons

would eschew it. The bottle still in his hand.
The eyes like those tiny, translucent onions

you find at the bottom of a jar of pickles.
But what sickens the most is a week later

the hunter’s dating the dead guy’s ex,
and you clink bottles at the bar when he tells of it.

 

The Experiment

Late in the day, wayafter the last bell’s rung
and the choir has tired of its well-learned songs,

and all the teachers have gone home but him,
he sometimes wanders into the science wing

and dreams the dream of an old concoction:
two parts love to one part tirne, the reaction,

hot as a Bunsen burner, that would connect
a positively charged pair. So sweet and tragic

how their eyes first met through a test-tube’s glass,
how they’d observed all those strange changes.

If only he could teach that in English Lit,
make all of them understand they’re good at it.

 

One-Legged Pigeon

In a flock on Market,
just below Union Square,
the last to land
and standing a little canted,
it teetered—I want to say now
though it’s hardly true—
like Ahab toward the starboard
and regarded me
with blood-red eyes.
We all lose something,
though that day
I hadn’t lost a thing.
I saw in that imperfect bird
no antipathy, no envy, no vengeance.
It needed no pity,
but just a crumb,
something to hop toward.

 

Muis in huis

Ik word nu al twee nachten uit mijn dromen gewekt
door een geluid als papier dat wordt gescheurd, riemen

papier, een krabben dat uren aanhoudt.
Blind in het donker, denk ik aan mijn vaders

brieven, de brieven die zijn opgesteld maar nooit zijn verzonden.
Ze waren gericht aan zijn zus, mijn tante,

een vrouw die ik nooit heb ontmoet, maar waarvan de stem,
papperig en bellend vanuit een lawaaierige plek,

zich op oudejaarsavond voorstelde, laat,
voordat mijn moeder kwam en haar met een klik

tot zwijgen bracht. Ze was een van de vele zaken
waar we nooit over spraken. Maar als de telefoon ging

op vreemde uren vroeg ik me altijd af of zij het was.
Die stem had de foto weer tot leven gewekt

in de zilveren lijst, de trouwdag van mijn ouders:
op de kerktrappen gooit de vrouw,

blond en mooi, rijst, zonder een
greintje kwaad in haar jeugdige gezicht.

Nu doet dat vreselijke geluid, dat me weer wakker maakt
als een geheim, denken aan het gif

dat ik heb uitgestrooid, en aan mijn moeder op hun bed
die een doos met brieven aan flarden scheurt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Gary Whitehead (Pawtucket, 23 maart 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e maart ook mijn blog van 23 maart 2020 en eveneens mijn blog van 23 maart 2019 en ook mijn blog van 23 maart 2015 deel 1 en eveneens mijn blog van 23 maart 2014 deel 1 en ook deel 2.

David Malouf, Roman Libbertz, Friedrich Hölderlin

De Australische dichter en schrijver David Malouf werd geboren op 20 maart 1934 in Brisbane. Zie alle tags voor David Malouf op dit blog.

 

In the Beginning

The table’s there in the kitchen, where I kneel
on a high chair, tongue at air, trawling a slate
with pot-hooks; on the track of words; on the track of this word,
table. Is there instant, wobbly wooden,
four-square in it solid self, and does not need
my presence to underwrite its own or scrawl,
thick tongue, thick hand, a puddle slate and knock it
up out of blue nowhere. Where are they, table,
slate, slate-pencil, kitchen, and that solid
intent child on one knee reaching for sawn
planks back there? Breathless today, or almost,
I wrestle uphill to where, in a forest gap
of table size, it stands, four legged, dumb,
still waiting. An unbreathed word among the chirrup
and chafe, it taps a foreleg. Table, I mutter.
With tool-marks fresh as tongue-licks, already criss-crossed
with scars I feel my own where hard use makes them,
it moves as that child’s hand moves about muddy water.

 

Typewriter Music

Hinged grasshopper legs kick
back. So
quick off the mark, so
spritely. They set
the mood, the mode, the call
to light-fingered highjinks.

A meadow dance
on the keyboard,
in breathless, out-of-bounds
take-offs into
flight and giddy joyflight without
stint. The fingerpads

have it. Brailling through
études of alphabets, their chirp and clatter
grass-choppers
the morning to soundbites,
each rifleshot hammerstroke another notch
in the silence.

 

Bicycle
~for Derrick Peat
 
Since Thursday last the bare living-room
of my flat’s been occupied
by a stranger from the streets, a light-limbed traveller.
 
Pine-needle spokes, bright rims, the savage
downward curve like polished horns
of its handlebars denote
 
Some forest deity, or deity of highway
and sky has incognito set up residence, the godhead
invoked in a machine.
 
To the other inmates of the room, a bookcase,
two chairs, its horizontals speak
of distance, travelling light. Only the mirror
 
remains unruffled, holding
its storm of light unbroken, calmly accepting
all traffic through its gaze. Appease! Appease! Even
 
Its tall metallic insect
its angel of four geometries
and speed. So much for mirrors. As for myself
 
I rarely dare look in. What should I offer
a bicycle? Absurd
to lay before its savage iridescence –
 
grease-drops’ miraculous resin,
the misty Pleiades –
my saucer of sweat.
 
Now time yawns and its messengers appear
Like huge stick-insects, wingless, spotted with stars,
they wheel through the dusk towards us,
 
the shock-wave of collision still lifting
the locks, who bear our future
sealed at these lips like urgent telegrams.

 

David Malouf (Brisbane, 20 maart 1934)

 

De Duitse dichter, schrijver en schilder Roman Libbertz werd geboren op 20 maart 1977 in München. Zie ook alle tags voor Roman Libbertz op dit blog.

 

Het elixer

Grijze wereld, niet griezelig,
zweet in de handen,
synapsschotten versplinteren,
en het verwaarloosde hart ontspant.
Zuurstof, geen zuur,
eindelijk ademen,
Ogen zijn niet bang voor het licht
en elke tweede seconde embryonaal.
Samenkomen, niet tegen,
een kus stopt de aarde.
Zielen dansen,
en gedachten verliezen alle kracht.
Het innerlijk, niet in zichzelf gekeerd,
in hemelhoge sferen,
langs roltrappen van gevoel omhoog,
en dicht bij God,
wij, de geliefden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Roman Libbertz (München, 20 maart 1977)

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Christian Friedrich Hölderlin werd geboren op 20 maart 1770 in Lauffen am Neckar in het Hertogdom Württemberg. Zie ook alle tags voor Friedrich Hölderlin

 

Aandenken

De noordooster waait,
Van de winden mij
De dierbaarste, omdat hij vurige geest

En behouden vaart belooft de schippers.
Maar ga nu en groet
De schone Garonne,
En de tuinen van Bordeaux
Daar, waar langs scherpe oever
Verder gaat het pad en diep in de rivier
Neerstort de beek, daarboven echter
Kijkt uit een edel paar
Eiken en zilverpopulieren;

Nog vaak denk ik eraan en hoe
Brede kronen buigt,
Over de molen, het iepenbos,
Maar op de binnenplaats groeit een vijgenboom.
Op feestdagen gaan
De bruine vrouwen aldaar
Over zijden grond,
In de tijd van maart
Wanneer gelijk zijn nacht en dag,
En over langzame paden,
Zwaar van gouden dromen,
Wiegende luchten trekken.

Laat echter,
Vol van donker licht,
Iemand mij de geurende beker reiken,
Opdat ik rusten kan; want zoet
Zou zijn onder schaduw de slaap.
Niet goed is het,
Zielloos door sterfelijke
Gedachten te zijn. Maar goed
Is een gesprek en te zeggen
De overtuiging van het hart, veel te horen
Over dagen der liefde,
En daden welke geschied zijn.

Waar echter zijn mijn vrienden? Bellarmin
En zijn metgezellen? Velen
Zijn bevreesd tot de bron te gaan;
De rijkdom namelijk begint
Op zee. Zij,
Zoals schilders, verzamelen
De pracht van de aarde en versmaden
De gevleugelde strijd niet, en
Eenzaam te leven, jarenlang, onder
De ontbladerde mast, waar niet de nacht doorgloeien
De feestdagen van de stad,
En snarenspel en aangeboren dans niet.

Nu echter zijn naar de Indiërs
De mannen gegaan,
Daar bij de winderige spits
Bij wijnbergen, waar omlaag
De Dordogne komt,
En te zamen met de schitterende
Garonne breed als een meer
Uitstroomt de rivier. De zee echter
Neemt en geeft gedachtenis,
En ook de liefde vestigt naarstig de ogen,
Wat blijft echter, stichten de dichters.

 

Vertaald door Kester Freriks

 

Friedrich Hölderlin (20 maart 1770 – 7 juni 1843)
Hölderlin op een zilveren medaille

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e maart ook mijn blog van 20 maart 2021 en ook mijn blog van 20 maart 2020 en eveneens mijn blog van 20 maart 2019 en ook mijn blog van 20 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3 en ook deel 4.

Tonnus Oosterhoff, John Updike

De Nederlandse dichter en schrijver Tonnus Oosterhoff werd geboren in Leiden op 18 maart 1953. Zie ook alle tags voor Tonnus Oosterhoff op dit blog.

 

Als je niet buigt word je gebogen

Als je niet buigt word je gebogen,
o, wees maar niet bang, je wordt gebogen, het buigt je, het drukt je met kracht neer.

Je wordt door iedereen verlaten, ja, door jezelf.
Wees niet bang, het is snel voorbij met het gekloot.
Want gekloot is het en het wordt niet beter.

‘´t Is voorlopig nog toekomstmuziek,’ luilakt de radiopresentator, ‘vrede en broederschap.’
In huis staat een koude mist.

Ga ik in een kastje? Heb je me al in een kastje?
Geef mij je handje, kind, ik word een blinde.

Toen Jezus een kindje was had hij een tuintje waarin hij rozen kweekte. Ze waren tegen sneeuw bestand:
toen de sneeuw kwam bloeiden ze mooier.

Je kunt het beste niemand geloven, hecht geen waarde aan praatjes.

Wie heeft het meetsnoer over de aarde gelegd?
Wie heeft ware grootte ingesteld?
Die heeft alle rechte lijnen voor je gebogen.
Zodat je je, als je je tot verzet opricht, juist buigt.

 

Klemde het deurtje?

Klemde het deurtje? Een beetje.
Maar ik stiet het open en liet
– diep snoof ik de zeelucht
toen blies ik mijn hand leeg –
de dief los.

Dicht boven de golvende golven,
– natuurlijk klemde het hout,
zo lang hield het dieren
en goden gescheiden –
vloog ik mijn dief.

 

Toen zeiden ze, die hersens van mij

Toen zeiden ze, die hersens van mij:
dit ene artikel begrijpen wij niet.
Is het in een taal die wij niet kennen?
Nee, dit is niet in een taal die wij niet kennen.
Gaat het over een onderwerp waar we niets van weten?
Nee, we weten veel over het onderwerp en vinden het interessant.
Waarom is het dan of de hokken der woorden
leeg zijn?

In greppels en holen wachten de verbanden
tot het tijdschrift zich sluit. Zet ik mijn bril op,
voor de zekerheid schrikken de duiven.
Want de begrijpelijke zin verplaatst niet
maar de onbegrijpelijke zin verplaatst.


We hebben je tot de hemel gebracht, nu zoek je het zelf maar uit.

 

Tonnus Oosterhoff (Leiden, 18 maart 1953)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver John Updike werd geboren in Shillington, Pennsylvania, op 18 maart 1932. Zie ook alle tags voor John Updike op dit blog.

 

De dood van mijn hond

Ze moet ongezien zijn geraakt of geschampt door een auto.
Te jong om veel te weten, begon ze net te leren
Om de op de keukenvloer uitgespreide kranten te gebruiken
Met als beloning, na het plassen, de woorden: ‘Goede hond! Brave hond!’

We dachten dat haar stille ongemak een reactie op een prik was.
De autopsie onthulde een scheur in haar lever.
Terwijl we haar plaagden bij het spel, vulde haar huid zich met bloed
En haar hart leerde voor altijd te gaan liggen.

Maandagochtend, terwijl de kinderen luidruchtig hadden ontbeten
En naar school waren gestuurd, kroop ze onder het bed van de jongste.

We vonden haar verwrongen en slap, maar nog in leven.
In de auto naar de dierenarts, op mijn schoot, probeerde ze

Om in mijn hand te bijten en stierf. Ik streelde haar warme vacht
En mijn vrouw riep haar met een stem waarin tranen overheersten.
Hoewel omringd door liefde die haar zou hebben gesteund,
Zonk ze toch weg en ging, verstijvend, heen.

Thuis ontdekten we dat in de nacht haar geraamte,
Bezig te ontbinden, de schande had doorstaan
Van diarree en zich over de vloer gesleept had
Naar een daar achteloos achtergelaten krant. Brave hond.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

John Updike (18 maart 1932 – 27 januari 2009)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e maart ook mijn blog van 18 maart 2021 en ook mijn blog van 18 maart 2020 en eveneens mijn blog van 18 maart 2019 en ook mijn blog van 18 maart 2018 deel 2 en eveneens deel 3 en ook mijn blog van 18 maart 2017 deel 3.