Saskia de Coster, Maik Lippert

De Vlaamse schrijfster Saskia de Coster werd geboren in Leuven op 29 januari 1976. Zie ook alle tags voor Saskia de Coster op dit blog.

Uit: Wat alleen wij horen

“Er zijn mensen die zeggen dat alles wat je meemaakt, je opeen of andere manier verandert Alles, van het madeliefje dat je ooit plukte in de weide van je kindertijd tot de kans die je niet greep omdat je er nog niet klaar voorwas, van die ochtend dat je alleen wakker werd tot die avond toen een vreemde hand even de jouwe raakte in een druk café. Het vormt je allemaal, menen zij, het stuurt je voortdurend bij. Er zijn mensen die beweren dat niemand echt verandert. Geen herinnering, geen ervaring, geen andere mens kan hun harde contouren aan stukken slaan. Je bent en blijft wie je bent Tot op een dag ook zij worden ingehaald door iets wat ze niet in hun dode hoek hebben zien aankomen. De mensen die blijven veranderen, de onveranderlijke mensen en alle anderen, je vindt ze overal, in elke stad. Ook hier bevolken ze de straten en gebouwen. Het New York van Europa wordt deze stad ook wel genoemd omdat ze even onvermoeibaar is, omdat hipheid en traditie elkaar hier omarmen, omdat originele denken en durvende stad haar zoveelste adem geven. Na al die eeuwen van heen en weer slingeren tussen historische grootsheid en verval op de hoge hakken van restauratiesteigers, na al die oorlogen, herstelperiodes en gloriemomenten plaatsen in duigen valt, rijst ze in andere wijken weer op, eerst als een kind dat leert lopen en vervolgens als trendsetter waar anderen achteraan hollen. In de loop van de eeuwen heeft ze enorme aantallen bewoners verwelkomd en geherbergd. Doorlopend, dag en nacht, zonder adempauze, worden er in haar ziekenhuizen, huiskamers en ook wel eens op een van haar bussen of in een overvolle supermarkt stadsbaby’s geboren. Maar net zo goed neemt de grootstad dagelijks afscheid van haar bewoners op een van haar bloemenmarkten, in haar bars, voor of achter haar historische gevels, in haar discotheken en kantoren. Ieder halfuur, om precies te zijn, komt er een nieuwe stedeling bij en trekt er eentje weg, naar de stadsrand, naar een ander land of de eeuwigheid, in een perfecte aflossing van de wacht Over de vele pogingen om het lot om te buigen, de gewoontes en de ongeschreven regels te doorbreken, het verlangen en de angst te slim af te zijn, bestaan amper cijfers. Het zijn enkel de spectaculaire overwinningen en de pijnlijke missers die het tot nieuws schoppen terwijl zo vele stadsbewoners proberen. Hun blokkentoren van pogingen staat vaak wankel of dondert omlaag. Soms geraakt er iemand hogerop, een enkele keer loopt iemand regelrecht in de armen van het geluk De grootstad, op solide Europese gewoontes gebouwd, heeft altijd de deur opengezet voor groei en vooruitgang, maar nu barst ze uit haar voegen door de toevloed aan nieuwe mensen die haar geschiedenis niet delen. Ze siddert van onzekerheid bij de gedachte aan haar toekomst, terwijl ze om zichzelf op te peppen opbonden en banners uitroept hoe Gewoon Buitengewoon ze is, een verbindende slogan bedacht door een dik betaald marketingbureau.“

 

Saskia de Coster (Leuven, 29 januari 1976)

 

De Duitse dichter en schrijver Maik Lippert werd geboren op 28 januari 1966 in Erfurt. Zie ook alle tags voor Maik Lippert op dit blog.

 

bijv. bananen

eet ik nog steeds
liefst overrijp

zoals toen
vruchtlichaam
met gebarsten schil
gestrande boten
op de bodem van de nylon tas
moeder nog steeds in het schort van de winkelmanager
versterkte kraagpunten
in de keukenhemel
de essentie
mijn ambrosius een vluchtige ester
isobutylacetaat
in elk scheikundeboek op te zoeken
en toch vergat ik en vergeet mezelf nog steeds vandaag
bij het losmaken van de schil
met elke hap tot in de kern
en ik beken
niet aan juanita te hebben gedacht
niet aan haar vader miguel
niet aan jaime julio en atahualpa

ik weet hun school
zijn gezwollen handen
en het moderne alfabet van vaste planten
en ik eet nog steeds bananen
liefst overrijp
in de keuken zit moeder
de punten aan de kraag zijn moe
wanneer je vertrekt
vergeet de bananen niet
en ik kauw gewetenloos
tussen de tanden tast de tong
tevergeefs naar het verlangen
om boete te doen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maik Lippert (Erfurt, 28 januari 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e januari ook mijn blog van 29 januari 2019 en ook mijn blog van 29 januari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

Ramsey Nasr, Maik Lippert

De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.

 

Radicaal intiem

1.
Dat was in de dagen der titanen. Men at schorseneren, kauwde sigaren.
Vermoeide dichters werden op de rug gedragen.
Daar waren nog geen voorvaderen. Het universum rook fris van de brand.
Ze banjerden rond in hun eerste lente: vlassige knevels, driedelig pak
wandelstok los in de tachtigershand.
Titanen spraken in navelen
zij kenden geen schaamte, gingen in goudmuiltjes over straat.
Rondom hen hing lichtgeknetter, voortgebracht door een apparaat
dat zij hun Gedachtenharp noemden.
Het ding was van a tot z verzonnen, maar fakkelde rustig de heuvelen af.
Bloemen smeulden onder hun stappen.
Heel de wereld lag teder en zwart.

 

Le sacre du printemps & Pierre Boulez

Toen stopte het met bloeden en bedaard
Steeg hij van zijn estrade, paars noch bleek.
Men kreeg applaus, een vlinderdas hing scheef:
Laatste verweer van een woedende maart.

En ik, weerlozer dan tevoren, keek
Naar ravage met blote hand gebaard,
Alsof een rood verband of oude baard
Afscheurde en zere bloempjes openstreek.

Hoe kan een man die enkel denkt in tikken
Mij doen huilen? Ik huil om een soort Zeus.
Alleen in lege zaal hoor ik nog juist,
Hoe ze de cello’s in hun dozen klikken.
Wie weet of binnen in zijn klokkenhuis
Het hart niet rustig verder gaat, maar suist.

 

Lied van de oude man

Ik vind met uitgevallen mond
Opnieuw het huilen uit. Ik zing
Zoals een long en buiten klinkt
Een vuist zich vast aan mijn accordeon.

Mijn vel is hard, Ana, vlieg op.
Een harde worst ben ik geworden,
Maar alles krijgt weer plaats en orde:
Lelijke vlinders vinden hier hun pop.

Beef, Ana, stilletjes omhoog.
Neem mee de varkens, het konijn,
Maar zeg mij of het sterren zijn
Of uitgebrande stenen. Hoe dan ook,

Die Jezus Christus, hij beloog
Ons, mooike, net als iedereen
Die jonggebleven en alleen
Heeft leren leven, zonder ruggenboog.

Zij zagen nooit je vingers ha-
ken. Altijd ‘zachtjes’, altijd weer.
Ik denk niet dat ik iemand deer,
Nu ik een oud spel openwringen ga.

 

Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

 

De Duitse dichter en schrijver Maik Lippert werd geboren op 28 januari 1966 in Erfurt. Zie ook alle tags voor Maik Lippert op dit blog.

 

oorsuizen

een klamme april lang
met otitis media
de oude in de gehoorgang
looit je trommelvliezen met aluin
je luistert naar de radio met je voorhoofd
in de schedel hannesen
verslaggevers op de blikken membranen
van telefooncellen
je zoekt de plaatsen in de schoolatlas
plaatsen met symbolen
zoals kobalt en koper
je ziet mensen
die zijn geboren met mijnwerkerslampen op hun voorhoofd
anderen met geweerlopen in hun ogen
vertelt jezelf

in koorts
worden we allemaal wakker
en wenst alle verpleegkundigen
en leraren
die voor de dichtkunst lijden
oorsuizen
stofvreters voor de eeuwigheid
deze gedichten
over zomerregen en aderklachten
zeg je
de rest is amoxicilline
3 keer per dag een hele tablet
en in mei schrijf je weer
gedichten
waterig als de aderkaarten op je benen

 

elke ochtend begroet me een lege

pilsator fles
op de rij brievenbussen

in het trappenhuis
de leeuw op het etiket
ziet er
onberispelijk krasvrij uit
liefdesboodschap
of achteloos achtergelaten statiegeld
ik kan het niet ontraadselen
moet naar de metro
naar the bone man
met wisselende namen
en als ik thuiskom
is altijd de lege
fles al weg

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maik Lippert (Erfurt, 28 januari 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e januari ook mijn blog van 28 januari 2019 en ook mijn blog van 28 januari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Paolo Cognetti, Harvey Shapiro

De Italiaanse schrijver Paolo Cognetti werd geboren in Milaan op 27 januari 1978. Zie ook alle tags voor Paolo Cognetti op dit blog.

Uit: Sofia draagt altijd zwart (Vertaald door Yond Boekeen Patty Krone)

“Op een nacht keek de verpleegster uit het raam van de af­deling en zag zijn bestelbus voor het ziekenhuis staan. De koplampen knipperden drie keer, doofden en gingen daar­ na weer aan toen zij zwaaide. Ze vroeg haar collega of ze haar even wilde aflossen en liep de trap af naar de dienst­ingang, en daar, in de herfstregen, draaide hij zijn raampje open en zei dat hij een aantal beslissingen had genomen.
De verpleegster keek hem onderzoekend aan, niet zeker of ze hem moest geloven. Ze checkte of niemand hen zag en ging de man voor naar een lege kamer op de eerste verdie­ping, waar ze ongestoord konden praten.
De snor van de man rook niet alleen naar sigaretten, zo­ als gebruikelijk, maar ook naar wijn. Eenmaal in de kamer omhelsde hij haar en manoeuvreerde haar in de richting van het bed, maar de manier waarop stond haar niet aan en dus duwde ze hem van zich af. Hij reageerde beledigd, opende het raam, stak een sigaret op en keek naar buiten.
Na een tijdje zei hij: ‘Als het nog even zo doorregent, krij­gen we nog vinnen, net als de vissen.’
‘Nou?’ zei de verpleegster, ‘ga je me nog vertellen wat je komt doen?’
De man antwoordde niet meteen, keek naar de regen en nam nog een paar trekjes. Daarna zei hij dat hij die nacht niet naar huis ging. Hij was met slaande ruzie vertrokken en had naar zijn vrouw geschreeuwd dat ze hem maar moest vergeten. Hij vertelde niet dat hij daarna naar het café was gegaan, maar dat was wel duidelijk. Het was kwart voor twee. Hij haalde een hand door zijn natte haar en de verpleegster stelde zich voor dat hij met andere mannen aan de bar had staan drinken, over vrouwen had gepraat, met de serveerster had geflirt, en dat hij daarom zo laat was. Hij zei: ‘Als jij me ook al niet wilt, slaap ik wel in de bestelbus, mij maakt het niets uit.’ Toen hij haar nogmaals probeerde te omhelzen liet ze hem begaan, sloot haar ogen en dwong zichzelf niet aan zijn opeenstapeling van smoe­zen en leugens te denken.
Later die nacht werd ze opgepiept voor een spoedbe­valling. Een jonge vrouw van tweeëntwintig, in de zeven­ de maand. Ze baarde een minuscuul, blauwzuchtig meisje, plus een flinke hoeveelheid bloed. De verloskundige gaf het een paar tikjes tegen de billen om het te laten huilen en ademen, maar het meisje ademde noch huilde en moest gereanimeerd worden. De arts had het idee dat er iets niet klopte aan die premature bevalling: uiteindelijk bleek dat de moeder zonder het tegen iemand te zeggen maag­ zweermedicijnen had geslikt die verboden waren tijdens de zwangerschap, maar nu was ze te zeer van slag om tekst en uitleg te geven.”

 

Paolo Cognetti (Milaan, 27 januari 1978)

 

De Amerikaanse dichter Harvey Shapiro werd op 27 januari 1924 in Chicago geboren in een joodse familie uit Kiev. Zie ook alle tags voor Harvey Shapiro op dit blog.

 

Stadsgedicht

1.
Kale maar numineuze bomen,
zelfs in de winter, zelfs in de stad,
die zich voeden met cement, maar
de hele last van de lucht dragen
en de ellende die uit de stenen sijpelt
en uit degenen die tussen hen ronddwalen.

2.
Van alle verschillende soorten licht
vind ik het het leukst als het donker wordt,
bijna donker, boven de rivier en in de stad,
wanneer de lichten langs de brug
als juwelen worden en voor me glanzen,
zoals ze eerder deden, toen mijn hart heel was
en ik mijn reis begon.

3.
Herinneringen, ik bezoek ze, zoals oude ruïnes.
Een leven lang verloren in de stad.
Straat donker van regen en zwarte paraplu’s.
In Brooklyn klaart de lucht op boven het water.
Wilde meeuwen drijven op de stroming, ogen klaar voor de buit.
Koorts, als de rand van een woestijn.
Om de dageraad en de brede oceaan te zien.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Harvey Shapiro (27 januari 1924 – 7 januari 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e januari ook mijn blog van 27 januari 2019 en ook mijn blog van 27 januari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Nora Gomringer, Harvey Shapiro

De Zwitsers-Duitse dichteres Nora Gomringer werd geboren op 26 januari 1980 in Neunkirchen an der Saar. Zie ook alle tags voor Nora Gomringer op dit blog.

 

Eingedenk der hl. Apollonia / Heute war ich beim zahnarzt

Und ich war sperrangelweit,
eine große Wunde mein Mund.
Zeugnis der Feste und Fülle.
Die Lider starr vom bohrenden Schmerz,
die Hände hielten sich wie Idioten, doch
ahnend, dass ihnen das Halten
gar nichts bringt.
Aus Amalgam tormte kunstfertig,
auskunftsfrei der Riese in seinem Tempel
– fast noch am Sabbat –
eine winzige Blüte und grub sie in ein Loch.
Seit wann habe ich dieses Loch, oh Herr? Was bedeutet es,
ein Loch mit sich herumzuführen? Einen Nichtort, ein Paradies
verinnerlicht. Fast wollt ich rufen: Dieses Loch, so scheint mir’s,
das bin ich. Nehmen Sie es nicht aus dieser Welt!

Da war ich längst floriert, fluoridiert,
verschlossen: ein Mädchen
vor seiner Zeit.

 

De H. Apollonia indachtug / Vandaag was ik bij de tandarts (Vertaald door Elbert Besaris)

Wagenwijd open lag ik daar,
een grote wond mijn mond.
Blijk van feest en overvloed.
Mijn oogleden stijf van borende pijn,
mijn handen knepen elkaar als gekken,
zochten houvast
tegen beter weten in.
Vaardig, zwijgzaam, maakte de reus
van amalgaam in zijn tempel
– nog net op de sabbat –
een nietige knop en begroef hem in een gat.
Sinds wanneer heb ik dit gat, o Heer? Wat betekent het
om een gat met je mee te dragen? Een nietsplaats, een paradijs
verinnerlijkt. Bijna riep ik uit: dit gat, lijkt mij,
dat ben ik. Neem het toch niet weg uit deze wereld!

Ik was allang gefloreerd, gefluorideerd,
gesloten: een meisje
voor haar tijd.

 

Ben vergeten

Ben vergeten
Te benoemen hoe de straten
De dingen waar de kopjes
Op de plank daarachter op de oprit
Sta ik naakt
Mijn haar los draag ik jouw ring
Komt een man elke dag
Als een hoe heten die
Wil mij kindje wiegen
Streelt mijn wang denk ik
Moordenaar jij hé dief laat dat
Ga nou door voortdurend
Ruik ik naar arnica oude vrouw
Roepen ze me toe ik vraag hun
wie bedoel je dan
Sta ik naakt op de oprit
Ben vergeten

 

Vertaald door Elbert Besaris

 

Nora Gomringer (Neunkirchen an der Saar, 26 januari 1980)

 

De Amerikaanse dichter Harvey Shapiro werd op 27 januari 1924 in Chicago geboren in een joodse familie uit Kiev. Zie ook alle tags voor Harvey Shapiro op dit blog.

 

Wat rein is

Wat ceremonieel onrein was, wist hij,
Was zijn leven. De wetten werden niet gevolgd.
De god werd niet geëerd.
Angst zat op elke weg.
Om zijn leven te veranderen, bedacht hij
Een baan die regelmaat en orde beloofde.
Hij vond liefde uit die vreugde beloofde.
In de zomer zat hij tussen groene bomen.
De familie lachte in het water.
Laat de ceremonie nu beginnen, zei hij,
In het hartje van de zomer,
In het pure groen
En het pure blauw.
Laat de god zijn berg bewandelen.
Hij kan naar beneden komen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Harvey Shapiro (27 januari 1924 – 7 januari 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e januari ook mijn blog van 26 januari 2019 en ook mijn blog van 26 jauari 2016 en mijn blog van 26 januari 2014 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

Lisa Weeda, Derek Walcott

De Nederlandse schrijfster Lisa Weeda werd geboren in Dordrecht op 25 januari 1989. Zie ook alle tags voor Lisa Weeda op dit blog.

Uit: Aleksandra

“Zelfs als ik Aleksandra’s naam, haar vadersnaam Nikolajevna en haar achternaam Temnikova noem, mag ik niet langs het checkpoint. Ik neem mijn paspoort terug aan en wijs naar de brug richting Loegansk.
‘Toen ze werd weggehaald heette deze stad nog Vorosjy-lovhrad,’ zeg ik.
De Oekraïense soldaat, die iedereen voor mij heeft doorgelaten, schuift zijn geweer van zijn buik naar zijn rug en slaat zijn armen over elkaar. De brug hangt als een in tweeën gespleten boom in de rivier, die de gesepareerde republiek scheidt van de Oekraïense grond waar ik op sta. De houten constructie, die al bijna vier jaar door moet gaan voor opgang naar het ingestorte wegdek, ziet
er zelfs vanaf hier krakkemikkig uit.
‘Overal liggen mijnen, er wordt om de haverklap ge- schoten, ’s nachts zijn er bombardementen,’ bromt de soldaat.
‘Dat zeiden ze al.’
‘Wie, ze?’

‘Mijn oma. Haar zus Nina die hier woont, ken je haar?
Mijn oudtante en haar zoon in Odessa. Ze zeiden: je bent gek.’
De soldaat schudt nog eens zijn hoofd.
‘Dus je omaatje, die jou hopelijk liefheeft, stuurt je naar een oorlogsgebied. Is ze mesjogge?’
‘Het moet,’ zeg ik, ‘ze heeft het me gevraagd.’
‘Er moet wel meer nu. Je kunt wel papieren hebben, maar je bent alleen. Regel een fixer, iemand die met je meegaat.’
‘Mijn achternichten wonen in Loegansk,’ ga ik door, ‘hier, hun telefoonnummers.’
Ik duw mijn telefoon onder zijn neus en scrol tot de namen Ira en Joelja voorbijkomen. Hij drukt zijn over elkaar geslagen armen nog strakker tegen zijn borst, waardoor het blauw-gele embleem op zijn mouw een beetje kreukelt.
‘Meisje, het spijt me.’
Met een zo ernstig mogelijk gezicht trek ik een langwerpige linnen doek uit mijn tas. Ik laat hem aan de soldaat zien.
‘Deze doek is bijna een eeuw oud. Hij heeft duizenden kilometers afgelegd. Je mag dit ding geen laatste reis naar huis ontzeggen.’
Op de witte doek zijn zwarte en rode lijnen geborduurd. De randen zijn versierd met bloemenpatronen in de kleuren blauw, rood en zwart. Ik prik mijn wijsvinger erin. ‘Zie je deze lijn, die waar de naam Kolja boven staat, de lijn die stopt in 2015?”

 

Lisa Weeda (Dordrecht, 25 januari 1989)

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

In de Village

II
Iedereen in New York speelt in een sitcom.
Ik zit in een Latijns-Amerikaanse roman, een
waarin een viejo met zilverreigerhaar trilt van wat
onzichtbaar verdriet, een of andere obscene kwelling,
en het stiekem boekstaaft, totdat het op zijn gezicht te zien is,
en de rimpels tussen haakjes zijn verdichtsel
tot zijn diepe gêne, bevestigen. Kijk het is
gewoon het oude verhaal van een hart dat niet wil stoppen
wat de kansen ook zijn, donquichotachtig. Het is er gewoon een dat
niemands hart zal breken, zelfs als de grijze kolonel
van zijn ros vliegt in een cavalerie-aanval, in een gevecht
dat van hem geen standbeeld maakt. Het is de hel
van gewone, onbeantwoorde liefde. Let op deze zilverreigers,
sjokkend over het gazon in een slordige troep, die vergeefs
witte vlaggen volgt; zij zijn de verbleekte spijt
van een oude mans memoires, gedrukte stanza’s,
die hun scharnierende vleugels tonen als wijd open geheimen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e januari ook mijn blog van 25 januari 2021 en ook mijn blog van 25 januari 2019 en ook mijn blog van 25 januari 2017 en ook mijn blog van 25 januari 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

John Donne, Derek Walcott

De Engelse dichter John Donne werd ergens tussen 24 januari en 19 juni 1572 geboren in Londen. Zie ook alle tags voor John Donne op dit blog.

 

Holy Sonnet VII

At the round earth’s imagin’d corners, blow
Your trumpets, angels, and arise, arise
From death, you numberless infinities
Of souls, and to your scatter’d bodies go;
All whom the flood did, and fire shall o’erthrow,
All whom war, dearth, age, agues, tyrannies,
Despair, law, chance hath slain, and you whose eyes
Shall behold God and never taste death’s woe.
But let them sleep, Lord, and me mourn a space,
For if above all these my sins abound,
‘Tis late to ask abundance of thy grace
When we are there; here on this lowly ground
Teach me how to repent; for that’s as good
As if thou’hadst seal’d my pardon with thy blood.

 

Holy Sonnet VIII

If faithful souls be alike glorified
As angels, then my father’s soul doth see,
And adds this even to full felicity,
That valiantly I hell’s wide mouth o’erstride.
But if our minds to these souls be descried
By circumstances, and by signs that be
Apparent in us not immediately,
How shall my mind’s white truth by them be tried?
They see idolatrous lovers weep and mourn,
And vile blasphemous conjurers to call
On Jesus’ name, and pharisaical
Dissemblers feign devotion. Then turn,
O pensive soul, to God, for He knows best
Thy grief, for He put it into my breast.

 

The Good-Morrow

I wonder, by my troth, what thou and I
Did, till we loved? Were we not weaned till then?
But sucked on country pleasures, childishly?
Or snorted we in the Seven Sleepers’ den?
’Twas so; but this, all pleasures fancies be.
If ever any beauty I did see,
Which I desired, and got, ’twas but a dream of thee.

And now good-morrow to our waking souls,
Which watch not one another out of fear;
For love, all love of other sights controls,
And makes one little room an everywhere.
Let sea-discoverers to new worlds have gone,
Let maps to other, worlds on worlds have shown,
Let us possess one world, each hath one, and is one.

My face in thine eye, thine in mine appears,
And true plain hearts do in the faces rest;
Where can we find two better hemispheres,
Without sharp north, without declining west?
Whatever dies, was not mixed equally;
If our two loves be one, or, thou and I
Love so alike, that none do slacken, none can die.

 

John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631)
Anoniem portret in de National Portrait Gallery, London

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

In de Village

I
Ik kwam uit de metro en daar stonden

mensen op de trap alsof ze iets wisten
dat ik niet wist. Dit was in de Koude Oorlog,
en nucleaire fall-out. Ik keek en de hele avenue
was leeg, ik bedoel volkomen leeg, en ik dacht,
De vogels hebben onze steden verlaten en de plaag
van stilte vermenigvuldigt zich via hun slagaders, ze voerden
oorlog en ze verloren en er is niets subtiels of vaags
aan dit gruwelijke vacuüm dat New York is. ik ving
het geschal van een luidspreker op die herhaaldelijk
de laatste paar mensen waarschuwde, misschien een verliefd stel op hun wandeling,
dat de wereld op het punt stond te vergaan die ochtend
op Site of Seventh Avenue zonder mensen die naar hun werk gingen
in dat ontegensprekelijke, gruwelijke perspectief.
Het was geen manier om te sterven, maar ook geen om te leven.
Goed, als we zouden verbranden, was het tenminste New York.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e januari ook mijn blog van 24 januari 2021 en ook mijn blog van 24 januari 2019 en ook mijn blog van 24 januari 2017 en ook mijn blog van 24 januari 2016 deel 2.

Delphine Lecompte, Rainer Stolz

De Vlaamse dichteres en schrijfster Delphine Lecompte werd geboren op 22 januari 1978 in Gent. Zie ook alle tags voor Delphine Lecompte op dit blog.

 

Abracadabra in zijn slaap

Een man verleidt mij met een woordspeling
Hij is een pas ontslagen kraanmachinist
We nemen de bus naar de badstad waar ik leerde vechten
Vechten, tellen, stelen, lezen, schrijven, goochelen, turnen
De andere buspassagiers zijn jong en keurig.

Ik haat keurigheid in jonge mensen
Ik haat keurigheid in oude mensen
Ik haat keurigheid
Mijn vader is keurig
Ik haat mijn vader niet, hij staat op het punt om maagkanker te krijgen.

De pas ontslagen kraanmachinist zegt: ‘Ik draag mijn moeder op handen.
Toen ze zeven was heeft ze een duiker gered.’
‘Gered waarvan?’ Vraag ik oprecht nieuwsgierig
‘Van zichzelf natuurlijk!’
We stappen uit de bus, de zee oogt oud en wellustig.

Ik hou van wellust in oude mensen
Ik hou van wellust in jonge mensen
Ik hou van wellust
Mijn moeder is wellustig
Vroeger dacht ik dat ik mijn moeder niet graag zag, nu weet ik dat ik haar aanbid.

We delen een wafel, we strelen een opblaasboot
De boot is lek, de wafel is teleurstellend
In een bunker bedrijven we de liefde
De pas ontslagen kraanmachinist klinkt als een gewonde reiger
Wanneer hij klaarkomt, het is een afknapper.

Na de seks valt hij in slaap
Hij zegt verscheidene keren ‘abracadabra’ in zijn slaap
Dat vind ik grappig.

 

Zo word je een kind

Zo word je een kind dat graag wordt gezien:
Hol naar het dichtstbijzijnde bos
En laat je adopteren door wolven
Ook al kun je ‘INSECT’ al spellen, en op de valreep ‘NEILPAARD’
Het is beter laat dan nooit, en je bent nog maar zeven.

Wolven zijn altijd happig om kinderen aan te nemen
Zolang de kinderen niet te veel noten op hun zang hebben
En bereid zijn de waarschuwingsfabels van hun ouders achter te laten
En hun twistzieke zussen, en hun aanstellerige namen, en hun brevetten
En de domme dashond, en de pedofiele tuinman, en het vlindernet, en de waterput.

Nu ben je een kind geworden dat een wolvenfamilie kan verzinnen
Het hoeft niet te stoppen in het bos, je moet je niet beperken tot wolven
Je kunt ook naar de zee en onder de hoede van de onstuimige Neptunus
Slierten kweken, zeepaardjes berijden en baarzen belazeren
Of naar de steppe om je te laten koesteren door korzelige kamelen.

Zo word je een kind dat graag wordt gezien:
Ga naar het hoenderhok, strooi granen in het rond
En laat de zorgeloze kippen je toekomst voorspellen
Ze komen uit hun hok en ze zijn gulzig
Dat kan maar 1 ding betekenen: het wordt een verrukkelijk leven!

 

Delphine Lecompte (Gent, 22 januari 1978)

 

De Duitse dichter en schrijver Rainer Stolz werd geboren in Hamburg op 22 januari 1966. Hij woont nu in Berlijn. Zie ook alle tags voor Rainer Stolz op dit blog.

 

Geluksmederij

We heffen het glas op het idee
van activiteit de draai
die ons deuren geven heffen

het glas op de radio
de bilaterale en de sneeuw
die nog op de wereld valt
de wijn die nog ademt
heffen we het glas op de koe
die de moed heeft om melk te geven heffen
we er een op de vaatwassers
een op de parkeerplaatsengelen
nog een op de hartweken
in de meest plastische van alle afdelingen chirurgie

heft het glas op de kunst
en haar fouten op de kiezers
op de multiplexbioscoop
op personeelskortingen en prikborden
die er zo uit zien als vervulling
en op de blues waar we nu
ook nog mee opgescheept zitten heffen
we nu het glas en de benen
en de flessen met kleingeld
dat er groot in wordt als een plan
dat we echter niet hebben
heffen we het glas op het principe
van vallen en opstaan
dus laten we de hamer heffen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Rainer Stolz (Hamburg, 22 januari 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e januari ook mijn blog van 22 januari 2021 en ook mijn blog van 22 januari 2019 en ook mijn blog van 22 januari 2017 deel 1, deel 2 en deel 3.

Kristín Marja Baldursdóttir, Edward Hirsch

De IJslandse schrijfster Kristín Marja Baldursdóttir werd geboren op 21 januari 1949 in Hafnarfjörður. Zie ook alle tags voor Kristín Marja Baldursdóttir op dit blog.

Uit: Das Echo dieser Tage (Vertaald door Tina Flecken)

„Eine Frau mit einem Koffer, eingesunken im Schnee.
Das Dorf war weiß, der Schnee blauschwarz im dämmrigen Winterlicht, die Häuser auf der Landzunge verteilt, die sich bis hinunter zum Meer und den Hang hinauf erstreckte, wo ich in einer Schneewehe feststeckte und mich fragte, ob jemand meine Ankunft beobachtet hatte. Die Landbevölkerung war neugierig, hatte ich gehört, doch ich sah niemanden zu dem Haus hinaufschauen, das ich in den kommenden Monaten streichen sollte.
Mit einem kräftigen Ruck befreite ich mich, nahm die Haustür ins Visier und watete entschlossen durch den Schnee, nur wenige mühsame Schritte, bis ich den Eingang erreichte. Die Tür war vom Schnee zugeweht, und ich musste ihn mit der Hand wegwischen, damit er nicht ins Haus fiel, wenn ich sie öffnete.
Anstelle des angenehmen Geruchs, der mich beim Betreten meiner eigenen Wohnung empfing, hing ein Mief in der Luft, wie ihn alte Möbel verströmen, die einsam vor sich hin ächzen, doch nachdem ich das Licht eingeschaltet und mich umgeschaut hatte, war ich positiv überrascht. Die Möbel waren verschlissen und abgenutzt, passten jedoch gut in diese Umgebung, ein altes isländisches Holzhaus. Die Wände waren grün, blaugrün bei näherer Betrachtung, und ich musste an die Farbeimer im Kofferraum denken.
Ich zog die Vorhänge auf, die so alt waren, dass sie Gefahr liefen, zu zerreißen, wenn man zu stark an ihnen zerrte. Das Haus war kalt, man hatte mir gesagt, ich solle das Wasser andrehen und die Elektroheizung einschalten, sobald ich ankäme. Nachdem das erledigt war, ließ ich Wasser in einen Kessel laufen, denn ein guter, starker Kaffee war unerlässlich, bevor ich mich einrichtete. Dann hielt ich inne und lauschte, als wollte ich kontrollieren, ob mich jemand beobachtet hatte; die Stille im Haus war beunruhigend.
Ich ging wieder hinaus, spähte in alle Richtungen, nahm die alten Häuser am Hang unter mir in Augenschein, doch nichts regte sich, draußen war es genauso still wie drinnen. Ein Schauder durchfuhr mich, als ich mir vorstellte, dass alle das Dorf verlassen hätten oder tot wären, dass ich ganz alleine wäre. Alleine in den Westfjorden.
Erst später, nachdem ich aus dem Wagen alles ins Haus getragen hatte und nach Atem rang, sah ich Lebenszeichen im Dorf. Es war schon halbdunkel, die Straßenlaternen waren angegangen und beschienen Menschen, die vermutlich von der Arbeit kamen. Vor dem großen Gebäude unten auf der Landzunge herrschte reger Verkehr – ich war mir ziemlich sicher, dass es sich um die Fischfabrik handelte – , und von einem anderen Gebäude, anscheinend der Schule, kamen Kinder gelaufen.“

 

Kristín Marja Baldursdóttir (Hafnarfjörður, 21 januari 1949)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Ik ga leven als een mysticus

Vandaag trek ik een groene wollen trui aan
en ga door het park wandelen in een schemerige sneeuwval.

De bomen staan als zevenentwintig profeten in een veld,
elk een halte op een pelgrimstocht – stil, nadenkend.

Blauwe vlokken van licht die over hun bast vallen
zijn het cijferschrift van een geheim, een occultatie.

Ik zal hun bladeren onderzoeken als pagina’s in een tekst
en de belezen duiven beschouwen, studenten van de winter.

Ik zal knielen op het spoor van een verslagen eekhoorn
en in een lege vijver turen naar de figuur van Sophia.

Ik zal beginnen de lucht af te speuren naar tekenen,
als was mijn hele toekomst erin samengeclusterd.

Ik zal alleen naar huis lopen met de diepte alleen,
een discipel van schaduwen, vol lof voor de mysteries.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e januari ook mijn blog van 21 januari 2021 en ook mijn blog van 21 januari 2019 en ook mijn blog van 21 januari 2018.

Stefan Popa, Edward Hirsch

De Nederlandse schrijver en journalist Stefan Popa werd op 20 januari 1989 geboren in Vleuten. Zie ook alle tags voor Stefan Popa op dit blog.

Uit: Of de oleander de winter overleeft

`Dit is een Adidasbal,’ zei de jongen. Hij legde hem in zijn nek. ‘En niet een uit Turkije.’ ‘Dan zal het wel aan mij liggen.’ Pitu aaide de jongen over zijn hoofd. Het haar bleef in een onverwoestbaar model omhoogsteken. De zijkanten waren weggeschoren, zoals bij de voetballers op tv. Mama Iliç wist wat ze deed. Ze knipte half het dorp. De andere helft knipte zichzelf. Pitu herinnerde zich de woorden van zijn overleden echtgenote: om haren te knippen heb je geen diploma nodig, maar een schaar. `Ik ben echt goed!’ riep het kind nog. Hij wreef over zijn bovenarm, waar hij met blauwe ballpoint zelf tatoeages op had getekend. Het leek op een vlammenzee met daar middenin een wolvenkop. “Je bent de beste,” beaamde Pitu. Met recht een Iliç dacht hij. De jongen schoot de bal meters de lucht in en legde hem vervolgens stil onder zijn tenen. Na Messi misschien,’ zei hij, de bescheidenheid bijna teruggevonden. Daarna danste hij weer over het plein. De bal aan zijn voet draaide zo snel dat deze oranje werd. Pitu bewoog zich in tegengestelde richting, weg van het plein, weg van de jeugd die hij definitief was ontgroeid. Met zijn zakdoek depte hij zijn voorhoofd. Hij kon de hitte zelfs ruiken. Zijn vrouw Melina had de zakdoeken altijd gestreken, zelf had hij dat onzin gevonden. ‘Mijn burgemeester moet onkreukbaar zijn,’ zei ze dan. Ze vouwde een doek in vijven en drukte deze in zijn borstzak, waarna ze de boel nog namodelleerde. Inmiddels snoot hij alweer tien jaar zijn neus in de kreukels. Hij propte de zakdoek in zijn binnenzak en aanschouwde zijn dorp, zijn Crushuva. De huizen waren licht, het merendeel wit, de rest beige of geel, en allemaal telden ze rode dakpannen. Althans, bijna allemaal. Het huis direct voor Pitu droeg nauwelijks meer een dak. Houten steunbalken onthulden de manier waarop de huizen al generaties lang werden gebouwd: steen voor steen. Door een bres onder de schoorsteen ontsnapten twee kitten, een gestreepte en een gevlekte. Een moeder, zo zwart als de dood, sprong hen achterna. Ze pakte de gestreepte bij zijn nekvel en tilde hem terug naar binnen. De gevlekte bleef diezelfde behandeling voor door de twee zo snel als hij kon te volgen. Pitu nam zich voor om de volgende keer een plak worst mee te brengen. Hij haalde de pijp uit zijn borstzak en probeerde er de smaak van tabak uit te lurken. Het smaakte naar niets, hoogstens naar gedroogd speeksel. Toen zijn dochter zeven was, had ze hem gevraagd te stoppen. Grote ogen, hoog stemmetje. Hoe had hij daarna ooit nog zijn pijp kunnen opsteken? Vlak voor de kruidenierszaak zei hij mama We – wat een toeval! -goedemorgen in het Macedonisch – ‘dobro utro!’ – en Maria, die zoals elke dag achter de kassa stond, in het Aroemeens –“buna dzuá!” Hij vroeg aan de caissière hoe het met haar ging, en met de kinderen, en zij vertelde dat ze opnieuw een baby verwachtten, waarop Pitu zijn droge lippen op haar handrug drukte. Hij kocht een fles rode wijn uit Povardarië en een baksteen aan halva. `Iets te vieren?’ vroeg Maria.”

 

Stefan Popa (Vleuten, 20 januari 1989)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Hoe de laatste avond eruit zal zien

Je zit bij een klein erkerraam
in een leeg café aan zee.
Het is avond, en de eigenaar sluit af,
hoewel je je nog steeds over de radiator buigt,
die langzaam warmte verliest.

Nu daal je af naar de kust
om het laatste blauw op de golven te zien vervagen.
Je hebt in kleine huizen, krappe ruimtes gewoond…
de muren om je heen kwamen steeds dichterbij –
maar de zee en de lucht waren ook van jou.

Er is niemand anders in de buurt om met je te drinken
uit de waterige mist, schimmige diepten.
Je bent alleen met de wervelende kosmos.
Vaarwel, lief, ver weg, op een warme plek.
De nacht is eindeloos hier, de stilte oneindig.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e januari ook mijn blog van 20 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Bert Natter, Edward Hirsch

De Nederlandse schrijver, uitgever en journalist Bert Natter werd geboren in Baarn op 19 januari 1968. Zie ook alle tags voor Bert Natter op dit blog.

Uit: Ze zullen denken dat we engelen zijn

“De laatste mooie dag van het jaar.
‘Daar moeten we van genieten.’
Ze zet haar spullen bij een tafeltje naast dat van mij. Om ruimte te maken schuif ik mijn tas een stukje opzij.
‘Jammer genoeg is hier alleen plek in de schaduw.’ Op een stoel zakkend wijst de vrouw naar een terras vol loungebanken aan de overkant van het plein. ‘Daar zitten ze lekker in de zon.’
En in het lawaai.
Ik knik vriendelijk en kijk de andere kant op, naar een ober en een serveerster die aan het klieren zijn bij een hoge kast waarin menukaarten, servetten, bestek en servies worden bewaard.
Ik wenk.
De vrouw wijst op de revers van mijn jasje en zegt: ‘Beeldig.’ Het meisje komt en gaat tussen onze tafeltjes in staan. Uit haar schort pakt ze een apparaat. Op haar borst draagt ze een button met haar naam. Ze wil weten of we bij elkaar horen.
‘Nee,’ zeg ik.
De vrouw legt haar telefoon weg en zegt: ‘We kennen elkaar net.’ Ze stelt zich voor als Prunella. Ik weet niet of ik het goed versta.
Ik neem haar hand aan. Liever houd ik mensen op afstand, minstens een armlengte.
In de verte starend vraagt het meisje waar we zin in hebben.
‘Voor mij graag een…’ Wat ze wil ontgaat mij, want terwijl het meisje zich vooroverbuigt om de vrouw beter te kunnen verstaan, verandert het kabbelende gedruis van de grote stad in een verschrikkelijk kabaal.
Een geldwagen raast over het plein, alles wat hem in de weg staat verpletterend of omverkegelend: prullenbakken, parasols, stoelen, tafels, mensen – om zich een ogenblik later met gierende banden in de gevel van het café aan de overkant te boren.
Met mijn ogen volg ik het spoor van lichamen naar de straat waar de wagen vandaan kwam, tussen de bioscoop en het stadhuis in.
De tijd wordt in fracties van seconden gemeten: een vuurbal slaat uit het café, op hetzelfde moment klinkt er een explosie, een donkere rookwolk wordt over de loungebanken geblazen, spullen worden weggeslingerd, mensen rennen door elkaar, kinderen gillen, glas versplintert, brokstukken vliegen door de lucht, papier dwarrelt omlaag en gruis daalt neer, een muur stort in, sirenes loeien, in een vleugelslag is niets meer zoals het was.” 

 

Bert Natter (Baarn, 19 januari 1968)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

In Memoriam Paul Celan

Leg deze woorden in het graf van de dode
naast de amandelen en zwarte kersen—
schedeltjes en bloeiende druppels bloed, ogen,
en Gij, o bitterheid die zijn hoofd torst.

Leg deze woorden op de oogleden van de dode
als ogentroost, als middeleeuwse trompetbloemen
die zullen bloeien, deze keer in de schaduw.
Laat de onthoofde tulpen glinsteren van de regen.

Leg deze woorden op zijn verdronken oogleden
zoals munten of sterren, troostogen.
Bedek de gezwollen lucht met zonnevlekken,
terwijl de donder de grond aanspreekt.

Syllabe na syllabe, gegrepen en bewerkt,
hebben de woorden zich verenigd in verdriet.
Het is het fantoom-uur van de klaagzang,
de leegte is aan zet, treurig en absoluut.

Leg deze woorden op de lippen van de dode
als een brandende tang, een tong van vlammen.
Een spiedende adelaar cirkelt en krijst.
Laat God tot ons bidden voor deze man.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e januari ook mijn blog van 19 januari 2019 deel 1 en ook deel 2.