Geert van Istendael, Ada Limón

De Vlaamse schrijver, dichter en essayist Geert van Istendael werd geboren in Ukkel op 29 maart 1947. Zie ook alle tags voor Geert van Istendael op dit blog.

 

Het groene paard. Het draaft de vlakte over

Het groene paard. Het draaft de vlakte over.
Daar staat zij, waaiend aan de horizon.
En in de kamer week ze terug. Je hand
werd weggeduwd. Nee, nee. En toch. De branden

in haar ogen. Ver loopt het paard, een stip.
In modder komt het teruggestampt. Je ploetert.
Bij de gordijnen, zij. Begerig kleine
pasjes achteruit. Je moest verdwijnen.

In jou. In mij? Het paard dat bij haar steigert,
groen als nieuw gras. Zij, wit als wolken. Ik.

Een klap. Een ruk opzij. Een val. Ze lacht.
Dat had je niet gedacht. Draaf niet zo door.

Kom hier. Loop heen. Ik en het paard en zij.
De wolken in haar haren als ik rij.

 

Per ipsam et cum ipsa et in ipsa

Je geeft je over aan het stoten
van je achterlijf. Ik ben
je instrument, je overdosis.
Hardvochtig offer je jezelf,

je duikt glimlachend naar de bodem
van je genieting, raakt ontredderd
van vlezigheid, kijkt bijna vroom.
Je laat je niet tot inkeer brengen.

Het is door haar, met haar, in haar
dat dit aan mij gebeurt. Ik waak.
Genot bonkt op haar schedewand,
nooit breekt het uit haar vel. Een man,
een vrouw, nooit één. Ze schokt nog na
als ik haar wilde haren aai.

 

De blijdschap zit gevangen in de oogbol

De blijdschap zit gevangen in de oogbol,
je droefheid reikt tot net achter het hoornvlies.
Je ziet alleen het regenboogvlies,
daarachter is de oogkas overvol.

Zenuwimpulsen flitsen door elkaar
in het glasachtig lichaam. Niets verraadt
wat achter de pupil schuilt, liefde of haat,
en wat je waarneemt is niet altijd waar.

Haar ogen staan zo innig. Oh, je ziet
haar liefde. Zij weet dat je dat verwacht,
wie weet welk overspel je tegenlacht.
Denk niet. Bekijk haar irissen. Geniet.

 


Geert van Istendael (Ukkel, 29 maart 1947)

 

De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.

 

FORSYTHIA

Rond de blokhut in Snug Hollow aan de McSwain Branch Creek, net lente, zijn alle dieren in de weer, en mijn geliefde en ik liggen in bed in een gedempte stilte. We praten erover dat we overal waar we heengaan zoveel mensen bij ons dragen, dat zelfs eenvoudig leven, deze onverdiende momenten, een eerbetoon zijn aan de doden. Allebei verwachten we een uil te horen als het donker dieper wordt. De hele middag lang, vanaf de veranda, hadden we zitten kijken hoe een roodflanktowie verwoed haar nest bouwde in de ongetemde forsythia waarvan het geel uitliep in de horizon. Ik vertelde hem hoe ik de naam forsythia onthield, dat toen mijn stiefmoeder Cynthia stervende was, die laatste week, ze volkomen helder, maar raadselachtig zei: Meer geel. En ik dacht, ja, meer geel en knikte omdat ik het met haar eens was. Natuurlijk, meer geel. En daarom zeg ik nu in mijn hoofd, als ik die gele kluwen zie: Voor Cynthia, voor Cynthia, forsythia, forsythia, meer geel. Het is nacht nu. En de uil komt uiteindelijk niet, alleen meer van de nacht en wat zich in de nacht herhaalt.

 

Vertaald door Jeske van der Velden

 


Ada Limón (Sonoma, 28 maart 1976)

 

Zie voor de schrijvers van de 29e maart ook mijn blog van 20 maart 2023 en ook mijn blog van 29 maart 2020 en eveneens mijn blog van 29 maart 2019 en ook mijn blog van 29 maart 2015 deel 2.

 

Joost de Vries, Ada Limón

De Nederlandse schrijver Joost de Vries werd geboren op 28 maart 1983 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Joost de Vries op dit blog.

Uit: Hogere machten

“Lang geleden. Het eerste decennium van de vorige eeuw. James Willem Welmoed gaat aan wal in Engeland, vijfenhalfjaar oud en als de dood dat zijn moeders hand hem ontglipt. Vervolgens van Dover naar Londen Victorie. Daar overstappen. De drukste plek waar hij ooit is geweest, krantenjongens zetten hun schelste stem op om boven het lawaai van de treinen uit te komen. De lucht is droog en dik. Ze lopen langs mensen die bloemenkransen bij een muur leggen. Uit de muur komt het bovenlichaam van een man met een snor. Een beetje, denkt hij, alsof de man vastzit en probeert te ontsnappen uit het steen.1841-1904, staat er onder het beeld. Wanneer ze uiteindelijk in een boemeltreintje zitten, vraagt hij wie de stenen man was. Dat is Henry Menen Stanley, zegt zijn moeder. Hij is een paar jaar terug gestorven -Wie was hij dan? – Laten we zoggen dat Stanley Afrika heeft ontdekt, zegt ze. Met een lachje: Zonder hem hadden we er nooit van gehoord. Hij begrijpt dat ze grapt, want de andere mensen in de coupé grinniken. Een paar uur later stappen ze uit, hij heeft geen idee waar. Het huis van zijn grootouders staat in een vallei – overal schapen en paarden in groene velden. Zijn oma is al (zijn moeder spreekt het woord uit alsof het heilig is) o v e r l e d e n. Het idee is dat ze een paar maanden voor zijn stervende grootvader gaan zorgen; uiteindelijk blijven ze anderhalf jaar. Het huis is vierkant en groot, binnen zijn de kamers donker en leeg. Er lopen brede kieren tussen de vloerplanken, een raam is dichtgetimmerd, gewassen kleren lijken nooit helemaal te drogen. Zijn oom en tante wonen er ook, met hun kinderen. Op de Noordzee heeft zijn moeder tegen hem gezegd dat ze voortaan uitsluitend Engels tegen hem zal spreken, want zo leert hij de taal het snelst-maar alleen wanneer zij spreekt verstaat hij de taal. Wanneer zijn familie praat ziet hij de monden bewegen, maar hij kan niets met de klanken die ze produceren. Hij begrijpt zijn eigen onbegrip niet, het frustreert hem, maakt zijn wereld klein. Die eerste maanden bevindt hij zich nooit in een andere kamer dan zijn moeder. Hij slaapt bij haar in bed. Hij is haar huisdier, dribbelt achter haar aan. De keren dat ze zich in de velden tussen de paarden begeeft, blijft hij van een afstand kijken, verliest haar nooit uit het zicht. Als ze de stallen in gaat -forbidden voor kinderen – blijft hij net zo lang bij de deur wachten tot ze weer naar buiten komt. De vallei is groen en nat. De seizoenen komen in vol ornaat.”

 


Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983

 

De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.

 

BERGINGSWERK

Op de top van Mount Pisgah, op de westelijke
helling van de Mayacamas, staat een madrona
half verteerd door branden, half in leven
dankzij de voortplantingsdrang van de natuur. Aan een kant
is ze zwarte as en aan haar wortel gaapt iets wat
lijkt op een door de vlammen uitgehold gat.
Aan de andere kant rijzen zilvergroene loten
met brede bladeren op naar het winterlicht
en is haar bast een kruising tussen een bruin
paard en een vos, rood en fluweelachtig
zoals de dierennek waar ze op lijkt. Nu ik lang
naar de boom sta te staren, moet ik denken aan
het rechtvaardige gevoel dat ik had voor het brandschatten
van de tijd. Ik mis wie ik was. Ik mis wie we allemaal waren,
voor wat we nu zijn: half in leven onder de lichtende hemel,
voor de andere helft al dood. Ik leg mijn hand tegen de nog gave
bast die koel is en onbezoedeld, en omdat ik geen sorry
kan zeggen tegen de boom, zeg ik tegen mezelf: het spijt me.
Het spijt me dat ik zo roekeloos met je leven ben omgegaan.

 

Vertaald door Jeske van der Velden

 


Ada Limón (Sonoma, 28 maart 1976)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e maart ook mijn blog van 28 maart 2020 en eveneens mijn blog van 28 maart 2019 en ook mijn blog van 28 maart 2017 en ook mijn blog van 28 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Els Beerten, Golo Mann, Alfred de Vigny

De Vlaamse schrijfster Els Beerten werd geboren in Hasselt op 27 maart 1959.  Zie ook alle tags voor Els Beerten op dit blog.

Uit: Allemaal willen we de hemel

“Onze Jef is dood
Jeanne lacht met mij als ik over de hemel begin. ‘Remi’, zegt ze dan, ‘de hemel zit in de kop van de mensen, meer is het niet.’ Ik geloof dat nog altijd niet. Dat de hemel alleen maar in de kop van de mensen zit. Onze Jef komt er al zeker in. Onze Jef is altijd al een held geweest, en nu hij dood is, nog meer. De paters vooraan in de kerk zeggen het, de mensen prevelen het, de poort van de hemel zal wijd open staan voor hem. ‘Bidden wij voor de zielenrust van eerwaarde pater Claessen, en bidden wij tevens voor deze zwaarbeproefde mensen. Dat God hun leed draaglijk moge maken’ Dat zijn wij. De zwaarbeproefde mensen. Wij buigen onze hoofden, wij bidden alle gebeden mee, onze Jef is dood en hij gaar naar de hemel. Hij is niet doodgegaan aan een ziekte. Onze Jef was van ijzer, en hij was zeker honderd jaar geworden als hij niet in Congo tegen een boom was gereden. Op een boogscheut van zijn missiepost nog wel, op weg naar school. Want onze Jef was niet alleen pater, hij was ook nog onderwijzer, en met hart en ziel, schijnt het, want niks was hem te veel voor zijn mensen. En die dag gebeurt het hij knalt met zijn jeep tegen een boom, de boom knakt in twee, valt op Jef en Jef is dood. Een mens is iets raars. Eerst overleeft hij de oorlog in België, dan de oorlog in Congo, om ten slotte heel onnozel tegen een boom te verongelukken. Twee paters van zijn orde zijn het ons Renée komen vertellen. Eerst dat hij dood was, toen dat hij al begraven was, en vervolgens dat ze in zijn geboortedorp een herdenkingsmis voor hem wilden houden. Renée zei dat het goed was, daarna heeft ze mij opgebeld. Met onze kinderen op de achterbank zijn Jeanne en ik diezelfde dag nog vertrokken. We hebben aan één stuk gereden tot we voor de deur van Renée stonden. Renée heeft me lang vastgepakt. ‘We zijn hem kwijt,’ zei ze, ‘we zijn hem voorgoed kwijt, Remi.’
We hadden hem al jaren niet meer gezien. Hij kwam nooit met verlof uit Congo, hij was ginder veel te graag. En of we dat konden begrijpen, schreef hij. We schreven terug dat we dat begrepen. Onze Jef was een rare. Ik heb lang gewenst dat ik nog een andere broer had. Maar ik had er maar een, en dat was Jef. Misschien zijn helden altijd raar. Ik weet wel waarom hij naar Congo vertrok. Het proces van Ward had hem ziek gemaakt. Niemand had gedacht dat het zo zou aflopen. Toen Jef na het proces thuiskwam, heeft hij eerst drie dagen op zijn bed gelegen zonder een woord te zeggen. Hij wilde niks eten, wilde niks drinken, hij lag daar maar. Mijn vader was in alle staten.”

 


Els Beerten (Hasselt, 27 maart 1959)

 

De Duitse schrijver en historicus Golo Mann werd geboren in München op 27 maart 1909. Zie ook alle tags voor Golo Mann op dit blog.

Uit: Wallenstein

„Der richtige Name ist Waldstein oder ursprünglich Waldnstein. Da für die tschechische Zunge die Anhäufung von Konsonanten am Anfang eines Wortes leicht, in der Mitte aber schwer ist, so sprachen sie ihn Walstein aus. Die Deutschen fügten einen Konsonanten mehr oder auch eine Silbe hinzu, Wallstein, Wallenstein, Wahlenstein, je nach Belieben, in einer Zeit, in der man es mit den Buchstaben so genau nicht nahm. Albrecht selber schrieb Waldstein, bis er sich in eine Sphäre erhob, in der man mit dem Vornamen oder mit Initialen zeichnet.
Daß aber ein slawisches Geschlecht einen deutschen Namen hatte, erklärt sich ohne Mühe. Die Herren nannten oft sich nach Burgen, die ihnen deutsche Baumeister gebaut und denen deutsche Baumeister den Namen gegeben hatten: Sternberg, Rosenberg, Michelsberg, Wartenberg, Löwenberg, Rotstein und andere mehr und so auch Waldstein. Als das geschah, im 13. Jahrhundert, fiel es niemandem ein, einen Verrat an der Nation darin zu sehen.
Die Ruinen der Burg Waldstein findet man unweit von Turnau. Sie hieß nach den drei durch Brücken verbundenen Steinen oder Felsen, auf denen sie errichtet war; den Wald um sie herum gaben Birken, Kiefern und Buchen. Der sie sich bauen ließ, hieß Zdenek; einen anderen Namen hatte er nicht, bis er sich nach seiner neuen Festung von Waldstein nannte oder so genannt wurde. Der Bau steinerner Burgen empfahl sich damals, denn der Greuel der Mongoleneinfälle, welche die schicksalsverwandten Länder Schlesien und Mähren verwüstet hatten, konnten sich die Lebenden noch erinnern; auch waren die Herrscher wieder einmal schwach und die Gesetze kein Schutz.
Der Mann, der nur Zdenek hieß, stammte aus einer weitverzweigten, alten, reichen und mächtigen Familie, die ihrerseits keinen Namen hatte; im 19. Jahrhundert nannten Geschichtsforscher sie die Markwartinger, weil ihr im 12. Jahrhundert bezeugter Gründer ein Ritter Markwart war. Die böhmischen Herren scheuten also auch deutsche Vornamen nicht, ein Sohn dieses Markwart hieß Hermann; aber die slawischen Namen, wie Benesch, Hawel, Zawisch, Zdenko, Jaroslaw sind unter den Markwartingern häufiger.“

 


Golo Mann (27 maart 1909 – 7 april 1994)

 

De Franse dichter en schrijver Alfred de Vigny werd geboren op 27 maart 1797 te Loches (departement Indre-et-Loire). Zie ook alle tags voor Alfred de Vigny op dit blog.

 

De dood van den wolf (Fragment)

I
Zo zag hun dans, zo zag hun dartelheid er uit.
Maar de zoons van de wolf stoeiden zonder geluid,
wel wetend dat vlakbij, nooit dan ten halve slapend,
de mens, hun vijand, woont, meedogenloos bewapend.
De vader stond rechtop; wat verder, bij een eik,
lag zijn wolvin, aan haar beeld van ruig brons gelijk
dat men te Rome aanbad, sinds zij aan de halfgoden
Remus en Romulus haar warm zog had geboden.
De wolf nadert; hij zet zich, poten uitgestrekt,
waarbij hij diep door ’t zand zijn kromme nagels trekt.
Hij weet verrast te zijn, weet zich daarmee verloren
en de aftochtswegen afgesloten van tevoren.
Maar reeds, met rode muil, heeft hij de felste uit ’t rot
der honden beetgepakt bij de hijgende strot,
en heeft zijn ijzerharde kaken niet ontsloten,
ofschoon wij schot na schot hem dwars door ’t lijf heen schoten
en onze scherpe messen, borend van weerskant,
kriskras, als foltertuig, kliefden zijn ingewand,
dan op het allerlaatst, als de geworgde hond
lang dood voor hem, onder zijn poot ligt op de grond.
Dan laat de wolf hem los, en dan ziet hij ons aan.
De messen zijn tot ’t heft in zijn flank blijven staan,
nagelend hem aan ’t gras, met bloed bevlekt rondom;
wij, met geweren, staan als een vuurpeloton.
Ons steeds nog aanziend, heeft hij zich weer uitgestrekt,
likt naar het bloed dat hem geheel de muil bedekt,
en, onverschillig wordend hoe wij hem afmaken,
zijn groot oog sluitend, sterft hij zonder kreet te slaken.

 

Vertaald door Martinus Nijhoff

 


Alfred de Vigny (27 maart 1797 – 17 september 1863)
Portret door Simon Nicolas Mansion, 1825

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e maart ook mijn blog van 27 maart 2020 en eveneens mijn blog van 27 maart 2019 en ook mijn blog van 27 maart 2017 en ook mijn blog van 27 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Erica Jong, Gregory Corso

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Erica Jong werd geboren in New York op 26 maart 1942. Zie ook alle tags voor Erica Jong op dit blog.

 

Wrinkles

For Naomi Lazard

Sometimes I can’t wait until I look like Nadezhda Mandelstam.
— Naomi Lazard

My friends are tired.
The ones who are married are tired
of being married.
The ones who are single are tired
of being single.

They look at their wrinkles.
The ones who are single attribute their wrinkles
to being single.
The ones who are married attribute their wrinkles
to being married.

They have very few wrinkles.
Even taken together,
they have very few wrinkles.
But I cannot persuade them
to look at their wrinkles
collectively.
& I cannot persuade them that being married
or being single
has nothing to do with wrinkles.

Each one sees a deep & bitter groove,
a San Andreas fault across her forehead.
“It is only a matter of time
before the earthquake.”
They trade the names of plastic surgeons
like recipes.

My friends are tired.
The ones who have children are tired
of having children.
The ones who are childless are tired
of being childless.

They love their wrinkles.
If only their were deeper
they could hide.

Sometimes I think
(but do not dare to tell them)
that when the face is left alone to dig its grave,
the soul is grateful
& rolls in.

 

Sunday Afternoons

I sit at home
at my desk alone
as I used to do
on many sunday afternoons
when you came back to me,
your arms ached for me,
and your arms would close me in
though they smelled of other women.

I think of you
on Sunday afternoons.

Your sweet head would bow,
like a child somehow,
down to me –
and your hair and your eyes were wild.

We would embrace on the floor-
You see my back´s still sore.
You knew how easily I bruised,
It´s a soreness I would never lose.

I think of you
on Sunday afternoons.

 


Erica Jong (New York, 26 maart 1942)

 

De Amerikaanse dichter Gregory Corso werd geboren in New York op 26 maart 1930. Zie ook alle tags voor Gregory Corso op dit blog.

 

2 Vreemde Gebeurtenissen in Haarlem

1.

Vier Windmolens, kennissen,
werden op een ochtend betrapt
terwijl ze tulpen aten.
Middag
En de hele stad draait door,
schreeuwt: Apocalyps! Apocalyps!

2.

O mensen! mijn mensen!
iets vreemds architectonisch
als een luidruchtige kannibaal
kwam gisteravond naar Haarlem
en at een gracht op!

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Gregory Corso (26 maart 1930 – 17 januari 2001)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e maart ook mijn blog 26 maart 2022 en ook mijn blog van 26 maart 2021 en ook mijn blog van 26 maart 2020 en eveneens mijn blog van 26 maart 2019 en ook mijn blog van 26 maart 2017 deel 2.

Paul Meeuws, Joy Ladin

De Nederlandse dichter en schrijver Paul Meeuws werd geboren op 25 maart 1947 in Roermond. Zie ook alle tags voor Paul Meeuws op dit blog.

Uit: Biologie

“Het is een wonder dat deze erg lange jongen nog nergens geknakt is. Kennelijk is hij niet ‘uit zijn krachten gegroeid’, zoals men wel zegt, maar verzamelt hij stuwenderwijs, als een waterstraal die omhoogschiet, maar met het tempo van bloemstelen, alle kracht die nodig is om zijn bekroning te kunnen dragen: de lang verbeide spreekbeurt over de ui.
De klas gaat er eens lekker voor zitten. De meeste gewassen hebben ze gehad, in horten en stoten, gebroken in de knop of bij voorbaat verwelkt, maar ook dieren, zoals een roerloze ringslang (‘maar hij leeft echt’), een met stomheid geslagen sprekende kraai en een spitsmuis onder een bewegend bergje houtsnippers.
De ui is de geringste uit de rij, de bunzing onder de gewassen, als voedsel, hoe klein ook versnipperd, een opdringerig ingrediënt dat de meeste kinderen naar de rand van hun bord schuiven.
Met lege handen, de ui liet hij thuis, is het moeilijk om overeind te blijven voor de klas. Zijn handen fladderen naar houvast, zijn hoofd tolt van de vijandige kennis. Propvol spreekbeurt zit het, in slapeloze uren ontkiemd maar telkens weer anders geënt, op zijn zolderkamertje als gedurfde loot aan een poëtische stam, aan de keukentafel onder de betraande ogen van moeder en zoon nadat bolvlies, bolrokken, okselknoppen en bolschijf aanschouwelijk zijn gemaakt, en in zijn vaders studeerkamer, waar het tere ovarium dreigde te worden verpletterd onder een drukkende stilte en het gewicht van de bruinlederen Winkler Prins.
De ui heeft dit gezin geteisterd. De ouders zijn elkaar de slaperige, ongenaakbare domheid van hun enige zoon gaan verwijten, hun gebrek aan meegaandheid ofjuist een harde hand. Ruim vijftien jaar na dato blijkt het moment van zijn verwekking van een onvergeeflijke achteloosheid.
Hun zoon heeft de willoze opstandigheid van een plant. Zijn machteloze lengte is de vader een doorn in het oog, leidend tot niets dan een eigenzinnige flos haar op de overigens kaalgeschoren schedel. Wat gaat er in hem om, vraagt de moeder zich wanhopig af, nu zijn donzige wangen onbereikbaar voor haar zijn geworden en haar handen terugschrikken van de magere borst die ze vlak voor haar ogen ziet oprijzen, knokig als een tenen mand. O duw mij niet weg, zou ze hem willen toeroepen, ik wil zo graag met je mee.
‘De ui,’ zegt de jongen, ‘is een lelieachtige”.

 


Paul Meeuws (Roermond, 25 maart 1947)
Portret door Peter Thijs, 2024

 

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.

 

Psalmen

II

Je laat me schrikken zoals het konijntje in mijn blik
van mij schrikt. Ik sta verstijfd,
bruin oog op jouw naderende silhouet gericht.

Soms scheur je me aan snippers,
soms knijp
je tot krakens toe mijn ribben, altijd

kijk je hoe ik bloed en bloesem,
nieuwsgierig, van een afstand,
als was ik een pluizig plukje schrik

verstijfd tussen submissie
en de drang om weg te schieten
in de ondergroei

van immer. Jij gaat me
een of andere dood doen schrikken
als je nadert.

En je nadert.
Je geur zit in mijn kleren, mijn boeken,
het speelgoed van mijn kinderen,

mijn twee of drie schaamdelen
gewijd alleen
aan pijn uitstralen, mijn organen

van behoeftigheid en schik. Waarom toch uit zijn
op dit huiveren
in iets kleins en onbeduidends

dat vraagt om niets
dan te mogen worden uitgewist?
Waarom bemoei je je met ons

als je bestaan gebonden is
aan geen bepaling
behalve absolute vrijheid

en absolute afstand
tot de bot- en waarheidsplinters,
die altijd meer tot stilstand neigen

hoe dichter iemand
bij je is?

 

Vertaald door Joost Baars

 


Joy Ladin (Rochester, 24 maart 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e maart ook mijn blog van 25 maart 2021 en ook mijn blog van 25 maart 2020 en eveneens mijn blog van 25 maart 2019 en ook mijn blog van 25 maart 2018 deel 2.

Joy Ladin

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.

 

A Story of Windows

Once there were windows in search of a house.
The windows slid silently
through the air at noon
like a tribe of unreturned stares.

There was a building whose windows were broken,
whose front door flapped
like a jaw on broken hinges:
Over here. Over here.

The windows couldn’t hear.
They were more like eyes than ears,
grains of sand
fused and clarified by furnace-blasts.

Still, they settled into frames
that weren’t made for them.
Hid behind shades. Specked and cracked. Longed
to forget what they were made to be

and slice the air again.

 

 

In This Dream, We Can See Each Other’s Dreams

In this dream, I am never tired.
We bicycle uphill for hours toward a lighthouse
that keeps sliding backward, trying not to fall into the sea.

In this dream, your childhood
is there in your cupboard,
right behind the spices.

In this dream, we stroll arm in arm
through museums of beautifully terrifying things.
Shelves of books whisper as they write us.

In this dream, we have never met. We miss each other by seconds
in subways and movie theaters, a ballet of miraculous, life-changing chances
we don’t realize we will never have.

In this dream, you ride a roller coaster threaded through a city.
I wait for you at the exit.
I’m the one who’s screaming.

In this dream, we stay up late watching bald men love and lie.
Our shoulders touch. Our thighs. In this dream,
potato chips aren’t fattening. That’s how we know we’re dreaming.

In this dream, we are the wine we’re drinking.
We pool in a pair of goblets, delighting in our excellent vintage,
our nose of coriander, our witty, ecstatic finish.

In this dream, trees bud as we scuff through falling leaves.
Your arm slides around my waist.
The world turns warm and green.

 

Survivalgids

Hoe oud je ook bent,
het helpt om jong te zijn
wanneer je tot leven komt,

om onaf te zijn, een mysterieuze verklaring,
een reis van ster naar ster.

Dus pak een doos krijtjes

en teken je familie
die ongemakkelijk wegkijkt
van de jij die je hebt ingeruild

voor de mannequin
die zij een naam hebben gegeven. Je zou
moeten helpen opruimen, maar je bent zo druk met bang zijn

om lief te hebben of niet
dat je het plezier mist om jezelf te kleden
in de schaamte van het leven.

Bedek je oogleden met middernacht;
bedek je hart met vorst;
wrijf over alles heen, de hormonen die

de productie van liefde
regelen
uit karmische vuilnisbelten.
Verander jezelf in

de echte jij
die je alleen kunt ontdekken
door anders te zijn.

Voila! Je bent vrij.
Leer van de pijnlijke stilte te houden
die je zult zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Joy Ladin (Rochester, 24 maart 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e maart ook mijn blog van 24 maart 2021 en ook mijn blog van 24 maart 2020 en eveneens mijn blog van 24 maart 2019 en ook mijn blog van 24 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Gary Whitehead

De Amerikaanse dichter Gary Joseph Whitehead werd geboren op 23 maart 1965 in Pawtucket, Rhode Island. Zie alle tags voor Gary Whitehead op dit blog.

 

Making Love in the Kitchen

We do it with knives in hand,
blue tongues licking the bottoms of pots,
steam fogging the windows from hearts
of artichokes being strained.

Hearts are made to be carved
out, cooked soft, slathered with butter,
fork-stabbed and lifted to another’s
open mouth. We say we are starved,

as though we were doing this alone,
lonely as an onion in its skin,
say we are starving when what we mean
is that we want to postpone

the inevitable, which is inedible,
however we dice
it, and so we make—as it consumes us—
this love we call a meal.

 

Lot’s Wife

Sometime soon after the embers cooled,
after dust clouds settled, after the last strings
of smoke, hoisted by desert breezes, cleared the air,

they must have come, people of those three cities
remaining, to pick among the charred bones,
the rubble of what was once temple and house,

stable and brothel; to kick at stones; to tug
at handles of buckets, blades of shovels and spades.
Later, raising ash plumes in the scorched plain,

cloths at their mouths and noses, eyes burning,
neither fearful nor repentant but full of wonder,
full of the scavenger’s overabundant hope,

they would have found her—even as now
some men encounter the woman of their dreams
(beauty of the movie screen, princess they capture

with a camera’s flash, girl whose finger brushes theirs
when she takes their card at the market register)—
found her, that is, not as the person she was

but as whom they needed her to be, and, man or woman,
each of them would have wanted a piece of her.
Standing in that wasted landscape,

she must have seemed a statue erected there
as a tribute to human frailty, white, crystallized,
her head turned back as if in longing to be the girl

she had been in the city she had known.
And they must have stood there, as we do,
a bit awestruck, taking her in for a time,

and then, with chisel and knife, spike and buckle,
chipped at her violently and stuffed their leathern
pouches full of her common salt, salt with which

to season for a while their meat, their daily bread.

 

Vol bloed en irrelevant

Als het geheugen vingers had, zou het
elke vergeetbare dag die we deelden uit me wringen.

De double date-rit naar Plum Island
in de stromende regen, ramen beslagen

als doucheglas. Ik zou nu naar elke
lach van je luisteren. Die zondagochtend,

maart, een mislukte kruiswoordpuzzel herstellend
terwijl onze kleren rolden in het mechanische liedje

van de wasserette. Welk shirt
droeg je? Hoe lang was je haar toen?

Een jaar in retrospectief is een afgevinkte lijst
geschreven in verdwijnende inkt en vastgeklemd

in een strakke vuist. Shampoo opruimen. Vuilnis
buiten zetten. Sluitring in gootsteen vervangen.

Hoeveel uur hebben we samen doorgebracht?
Als we de kans kregen om het opnieuw te doen, zouden we

het dan op dezelfde manier doen? En als het geheugen
vingers had en die vingers een

vuist vormden, zouden onze tijden dan schitteren,
rood als robijnen, vol bloed en irrelevant?

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Gary Whitehead (Pawtucket, 23 maart 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e maart ook mijn blog van 23 maart 2020 en eveneens mijn blog van 23 maart 2019 en ook mijn blog van 23 maart 2015 deel 1 en eveneens mijn blog van 23 maart 2014 deel 1 en ook deel 2.

Billy Collins

De Amerikaanse dichter en schrijver Billy Collins werd geboren in New York op 22 maart 1941. Zie ook alle tags voor Billy Collins op dit blog.

 

Canada

I am writing this on a strip of white birch bark
that I cut from a tree with a penknife.
There is no other way to express adequately
the immensity of the clouds that are passing over the farms
and wooded lakes of Ontario and the endless visibility
that hands you the horizon on a platter.

I am also writing this in a wooden canoe,
a point of balance in the middle of Lake Couchiching,
resting the birch bark against my knees.
I can feel the sun’s hands on my bare back,
but I am thinking of winter,
snow piled up in all the provinces
and the solemnity of the long grain-ships
that pass the cold months moored at Owen Sound.

O Canada, as the anthem goes,
scene of my boyhood summers,
you are the pack of Sweet Caporals on the table,
you are the dove-soft train whistle in the night,
you are the empty chair at the end of an empty dock.
You are the shelves of books in a lakeside cottage:
Gift from the Sea by Anne Morrow Lindbergh,
A Child’s Garden of Verses by Robert Louis Stevenson,
Anne of Avonlea by L. M. Montgomery,
So You’re Going to Paris! by Clara E. Laughlin,
and Peril Over the Airport, one
of the Vicky Barr Flight Stewardess series
by Helen Wills whom some will remember
as the author of the Cherry Ames Nurse stories.
What has become of the languorous girls
who would pass the long limp summer evenings reading
Cherry Ames, Student Nurse, Cherry Ames, Senior Nurse,
Cherry Ames, Chief Nurse, and Cherry Ames, Flight Nurse?
Where are they now, the ones who shared her adventures
as a veterans’ nurse, private duty nurse, visiting nurse,
cruise nurse, night supervisor, mountaineer nurse,
dude ranch nurse (there is little she has not done),
rest home nurse, department store nurse,
boarding school nurse, and country doctor’s nurse?

O Canada, I have not forgotten you,
and as I kneel in my canoe, beholding this vision
of a bookcase, I pray that I remain in your vast,
polar, North American memory.
You are the paddle, the snowshoe, the cabin in the pines.
You are Jean de Brébeuf with his martyr’s necklace of hatchet heads.
You are the moose in the clearing and the moosehead on the wall.
You are the rapids, the propeller, the kerosene lamp.
You are the dust that coats the roadside berries.
But not only that.
You are the two boys with pails walking along that road,
and one of them, the taller one minus the straw hat, is me.

 

BOOKS

From the heart of this dark, evacuated campus
I can hear the library humming in the night,
an immense choir of authors muttering inside their books
along the unlit, alphabetical shelves,
Giovanni Pontano next to Pope, Dumas next to his son,
each one stitched into his own private coat,
together forming a low, gigantic chord of language.

I picture a figure in the act of reading,
shoes on a desk, head tilted into the wind of a book,
a man in two worlds, holding the rope of his tie
as the suicide of lovers saturates a page.
or lighting a cigarette in the middle of a theorem.
He moves from paragraph to paragraph
as if touring a house of endless, panelled rooms.

I hear the voice of my mother reading to me
from a chair facing the bed, books about horses and dogs,
and inside her voice lie other distant sounds,
the horrors of a stable ablaze in the night,
a bark that is moving toward the brink of speech.

I watch myself building bookshelves in college,
walls within walls, as rain soaks New England,
or standing in a bookstore in a trench coat.

I see all of us reading ourselves away from ourselves,
straining in circles of light to find more light
until the line of words becomes a trail of crumbs
that we follow across a page of fresh snow;

when evening is shadowing the forest,
small brown birds flutter down to consume them
and we have to listen hard to hear the voices
of the boy and his sister receding into the perilous woods.

 

Introductie tot poëzie

Ik vraag ze een gedicht te nemen
en tegen het licht te houden
als een kleurendia

of een oor te drukken tegen zijn omhulsel.

Ik zeg laat een muis vallen in een gedicht
en kijk hoe hij tracht zijn weg naar buiten te vinden,

of loop de kamer van het gedicht binnen
en tast de wanden af naar een lichtknopje.

Ik wil dat ze waterskiën
over het oppervlak van het gedicht
wuivend naar de naam van de schrijver aan de wal.

Maar alles wat zij willen
is het gedicht met touw aan een stoel vastbinden
om er een bekentenis uit te martelen.

Zij slaan het met een tuinslang
om te weten te komen wat het bedoelt.

 

Vertaald door Ron Rijghard

 


Billy Collins (New York, 22 maart 1941)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e maart ook mijn blog van 22 maart 2020 en eveneens mijn blog van 22 maart 2019 en ook mijn blog van 22 maart 2016 en mijn blog van 22 maart 2014 deel 1 en eveneens deel 2.

Willem de Mérode, Pim te Bokkel, Hermann Lenz

Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies negentien jaar. Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit blog, ook nu weer een gedicht van hem. Zie ook alle tags voor Willem de Mérode op dit blog en Romenu’s eerste lustrumpagina.

 

Wachtende

Nog dezen avond zult gij tot mij komen.
Tusschen ons beiden is een ijle sfeer
Van liefde, vreezen, en vertwijfelingen,
En het zal zijn als immer, en niets meer.
Ik mag uw handen nemen, en mijn oogen
Zullen verwaasd en brandend naar u zien.
En als ik van uw frisschen jongen mond,
Die even open is, het beven zie,
Hef ik mijn handen om uw blonde hoofd
Te neigen zacht naar mij … lief en beslist
Blijft gij mij weigeren wat ik begeer …
Uw oogen zullen in mijn oogen zijn,
En onze handen gloeien in elkaêr.
Misschien zal ik uw haren mogen streelen,
Misschien mag ik uw zacht gezicht beroeren,
Doch niet zal ik uw oogen mogen kussen,
Niet kussen uwen schoon ontbloeiden mond…
Nog dezen avond zult gij tot mij komen,
Maar het zal zijn als immer, en niets meer.

 


Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Portret door Alfred Löb, 1936

 

De Nederlandse dichter Pim te Bokkel werd geboren in Winterswijk op 21 maart 1983. Zie ook alle tags voor Pim te Bokkel op dit blog.

 

Allengs

April, april
en tergend langzaam groeit het gras.
Nog breekt de zon niet door.

Kauwtjes houden voor elkaar de wacht.
Ze diepen uit de grond
het on-ontkiemde zaaigoed op.

De was hangt aan de lijn
nog natter
na te druipen in het gras.

Het weer is een gemoedsaandoening
van je wereld.
Je wil graag dat het overgaat.

Licht breekt de zon dan door – het daagt.

Je bent er ongedurig nog,
nog hier, nog steeds.

Je ondergaat het razen van de dagen
langzaamaan.

Je wil, je wil.

April.

 

 

vos en hol

zo ligt de jager in zijn vacht:
waakzaam nog
een oor gespitst
een oog vangt op een kier een splinter licht

het is kalm in het hok
tussen veren verspreid in het stro liggen kippen

wraak is wat op jagers jaagt
het achtervolgt ze
en met trommels en lantaarns jagen honden uit de buurtschap op

uit zijn hol geblaft staart de vos in het oog van de loop

ongeloof nu of dit echt –

de jager in zijn vacht gelegd

 

vleugellam

verlaten rust het
lam
dood uit de ooi getrokken, schoongelikt nog

zo moet Icarus erbij gelegen hebben

teruggeworpen in de schoot
gebroken
maar onder oogleden onaangetast nog het idee
ondraaglijk licht te zijn

zo uitgelicht
dat mogelijk nu uit de tandeloze bek een engel stapt

met achterlating van een vacht die het magere vlees
nog omgeeft

 


Pim te Bokkel (Winterswijk, 21 maart 1983)

 

De Duitse dichter en schrijver Hermann Lenz werd op 26 februari 1913 in Stuttgart geboren. Zie ook alle tags voor Hermann Lenz op dit blog.

 

Tijdgewoel

In het gewoel van de tijd
Te voelen wat er nu is:
Het haar van een vrouw,
Een web van gevoelens.

Het zou waar kunnen zijn
Wat iemand in zijn boek schrijft
Daarom laat je het drukken
En woel je je door de tijd.

Jij zelf creëert voor jezelf.

Bij ’t ontwaken om zes uur zeven
Haast je je en schrijf en weet
Onder de douche,
Wat te beleven is:

Tederheid in de vingertoppen
En tederheid voor de woorden, de verzen,
De ritmes in het gewoel van de tijd.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Hermann Lenz (26 februari 1913 – 12 mei 1998)

 

Zie voor de schrijvers van de 21e maart ook mijn blog van 21 maart 2022 en ook mijn blog van 21 maart 2021 en ook mijn blog van 21 maart 2020 en eveneens mijn blog van 21 maart 2019 en ook mijn blog van 21 maart 2018 deel 2 en ook Romenu’s 1e lustrum pagina.

Eerste lentedag ( J. C. Bloem), Friedrich Hölderlin

 

Bij het begin van de lente

 


Lentelandschap bij Kortenhoef door Egbert Schaap, 1914

 

 

Eerste lentedag

Weer de lente. De verbijsterde oogen,
Falende in het winters bleek gezicht,
Zien de huizen en de bruggebogen
Op en neer gaan in het wankel licht.

Zien en zien niet door de duizelingen
Van de weer oneindige rivier;
Zon en water kruisen daar hun klingen
En het hart is bonzend en niet hier.

Weer een lente en de haar bitter-eigen
Zilte geur, die langs de kaden glijdt.
Is ’t het tij, dat stroomopwaarts komt stijgen —
Of de zeelucht van de eeuwigheid?

 


J. C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)
Portret door Sierk Schröder, 1953

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Christian Friedrich Hölderlin werd geboren op 20 maart 1770 in Lauffen am Neckar in het Hertogdom Württemberg. Zie ook alle tags voor Friedrich Hölderlin op dit blog.

 

De lente

De man die vaak zichzelf heeft overstelpt met vragen
spreekt van het leven dat hem eensklaps weer verheugde,
wanneer geen zorgen aan de ziel meer knagen
en hij op zijn bezit kan zien met vreugde.

Als hem in hoge lucht een woning staat te prijken,
wordt ruimer voor hem ’t veld, zijn voeten gaan kordater
het land in, vrijer kan hij rond zich kijken,
en stevig zijn de vlonders over ’t water.’

 

Vertaald door Ad den Besten

 


Friedrich Hölderlin (20 maart 1770 – 7 juni 1843)
Standbeeld in Nürtingen, waar de dichter in zijn jonge jaren lang woonde.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e maart ook mijn blog van 20 maart 2021 en ook mijn blog van 20 maart 2020 en eveneens mijn blog van 20 maart 2019 en ook mijn blog van 20 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3 en ook deel 4.