Jeremy Reed, Günter Kunert

De Engelse dichter en schrijver Jeremy Reed werd geboren op 6 maart 1951 op Jersey. Zie ook alle tags voor Jeremy Reed op dit blog.

 

Book Catalogue

Rain, and the sound’s like reading Baudelaire
on empty Sundays. No. 260.
‘Shakespeare, William. The Sonnets. CUP
(1966), rept. 1981. Wrps, 274pp.
Derek Jarman’s heavily annotated working copy…’
Tea and orange polenta cake
punctuating domestic agendas:
my neighbour sits watching Godard
in a white studio, gentian T-shirt,
her face a pink carnation with red lips.
I watch her like a movie, push her hair
to platinum sculptures, then pour it back.
‘Used in preparation for “The Angelic Conversation”
(1985), his film based on Shakespeare’s sonnets.
In this preliminary selection…’
Rain nurtures my potted fritillaries,
revives memories of clueless Sundays
in Amsterdam’s American Hotel
spent reading Baudelaire to reprised rain;
me shaking from withdrawal. The harbour in the sky.
‘The filmmaker’s made annotations in two different
colour inks alongside sonnets on 22 pages,
varying from a simple asterisk
to suggestions…’
I play the Coil soundtrack,
and watch the rain pull out. My snake-headed
fritillaries have purple python skin:
my neighbour’s doing costume changes for the mirror.
A diluted orange sun
fires up my decision to buy the book,
signed ‘for Coil, Derek Jarman
Phoenix House, December 1981.’

 

WENLOCK ARMS

A summer there in sticky warehouse heat,
our fuzzy light-polluted sweat-drenched thrust
to monetize a dead friend’s books
boxed into dusty architectural blocks,
dealers categorising firsts and states
Red Snapper partners itchy for hot cash
both of us maintaining dandified looks
in repurposed high-end Shoreditch,
its rogue outtake the Wenlock Arms
looking like a Krays’ gang operation,
peeling green walls, purple frontage —
I’d knock at 10am for Aaron’s flaky need
to stabilize, a drinks top-up
kicking the pineal with a sugared boot.
12 handpumps, a stripped-down defiant room
yeasty with real ale, I stepped into
a throwback parallel space-time
scrutinized for my beret and paste rings
crowding in starburst clusters at the bar —
an edgy glitter, a moody lagoon.
She never spoke, just handed me the glass.
Two months, two hours a day deconstructing
solid book tons as physicals, we sold
into profit — I kept a CA shelf
of Robert Duncan, orange sunshine
stored in the pages, had a last drink there
like flipping back to 1958.

Got all my times wrong, bussed back into town.
Knowing I’d be too early, or too late.

 

Jeremy Reed (Jersey, 6 maart 1951)

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Kunert werd geboren op 6 maart 1929 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Günter Kunert op dit blog.

 

Google Earth

Overweldigend groen omringt mij:
Bescherming tegen het boze oog
van de Erinyen. Hier vind mij
geen van hen. Op een smal bankje
liggend belichaam ik
het onopvallende deel
van de tuin. Boven mij
fijn geweven wolken, veel blauw,
daarin cirkelt een havik
en een satelliet.
Die stuurt me een foto,
een rechthoekige afbeelding
van mijn residu te midden van
uitgestrekte gebieden. Klein. Maat vingernagel.
Zodat ik ook verder
onherkenbaar blijf.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Günter Kunert (6 maart 1929 – 21 september 2019)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e maart ook mijn blog van 6 maart 2022 en ook mijn blog van 6 maart 2020 en ook mijn blog van 6 maart 2019 en ook mijn blog van 6 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Koos van Zomeren, Pier Paolo Pasolini

De Nederlandse schrijver, columnist en dichter Koos van Zomeren werd geboren in Velp op 5 maart 1946. Zie ook alle tags voor Koos van Zomeren op dit blog.

Uit: Alptraum

“Hexensee
Van Grosse Scheidegg, 1961 m, liepen we naar een plek die op de kaart ‘Wart’ wordt genoemd, 2706 m. Veel sneeuw. Bij vlagen ingesloten door wolken. Een passerende steenarend werd uitgefloten door alpen-marmotten. We wilden langs de meertjes, die daar doorgaans bevroren tegen een noordwand liggen. Meteen bij Wart al maakte de mist het lastig het pad te vinden. Later zeiden we: toen hadden we moeten omkeren. Nu we zo duidelijk overleefd hebben, zijn we geneigd deze conclusie te matigen. We leren van onze fouten, maar liever niet te veel. We bereikten de Hexensee, aten brood, dronken water en zeiden: moet je horen hoe stil het hier is. Sneeuw bedekte de markeringen langs de route, mist verborg alle andere aanknopingspunten. Hier en daar suggereerden sneeuw en mist samen een zodanige leegte, dat je geen stap meer zou durven doen. Na verloop van tijd doemde aan onze linkerhand een wand op die er niet hoorde. We begonnen af te dalen over een paadje dat mogelijk een mensenpaadje was. Opeens keken we, halve engelen, vanuit onze wolk neer op de aarde: een paradijselijk groen veldje in een web van aan alle kanten neersuizend smeltwater. Er mankeerde aan dit veldje maar één ding: je moest je ongeveer een halve kilometer laten vallen om er te komen. Dit is het niet,' zei Daan.Nee,’ zei ik, ‘dit is het niet.’
Oude ambachten
Kil en roerloos, raadselachtig was de wereld. We klommen terug en verdwenen in de mist, waar we werden opgewacht door een vaag omlijnd dier, welbeschouwd een gems, een mannetje. Hij stond dwars op onze richting, maar had zijn kop al naar ons toegedraaid en keek. Het algemene beeld van gemzen berust op foto’s, films en boeken en bestaat hoofdzakelijk uit doodsverachting; dieren die zich in onmogelijk terrein van alles kunnen veroorloven omdat ze niet weten wat vallen
is.
Wat in werkelijkheid bij deze dieren frappeert is hun allesoverheersende bedachtzaamheid. Wat ze doen, doen ze weloverwogen. In hun motoriek ligt een altijd elegante aandacht voor houvast besloten. Zelfs in hun sprongen zit een moment van traagheid: eerst de gedachte, dan de beweging. Gemzen beoefenen het leven in de bergen als een ambacht. Wat de timmerman wist van hout, de smid van ijzer, dat weten gemzen van bergen.
Ze weten precies wat vallen is, daarom vallen ze niet. Ze hebben respect voor de dood, althans respect voor zichzelf. We werden rustig door die ene gems bekeken en hé, dacht hij, jullie had ik niet verwacht vandaag. Hij deed een stap en nog een stap en weg.”

 

Koos van Zomeren (Velp, 5 maart 1946)

 

De Italiaanse filmregisseur, dichter en schrijver Pier Paolo Pasolini werd geboren in Bologna op 5 maart 1922. Zie ook alle tags voor Pier Paolo Pasolini op dit blog.

 

Uit: Zeven gedichten voor Ninetto

3/
Die Freud die je graag leest maakt niet
duidelijk wat ik verlang. Jij kwam hier,
en ik herhaal – Niets bindt je aan mij.
Toch besluit je te blijven.

De man die bidt en geen schaamte voelt, die verlangt
naar zijn moeders nest voor troost, zal een vals leven leiden.
Een troosteloos leven. Je zult dit ontkennen.
Maar onthoud dat zijn huilen niet om jou is.
Het is om zijn eigen kont.
Je kwam me dingen leren die ik nog niet eerder wist
maar de engel verschijnt en je bent weer stil.
Hij is snel weg. En toch ben je onrustig.

Plezier schort mijn angst op.
Maar ik weet achteraf dat spijt onze fragiele vrede zal verbrijzelen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Pier Paolo Pasolini (5 maart 1922 – 2 november 1975)
Giovanni “Ninetto” Davoli en Pier Paolo Pasolini

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e maart ook mijn blog van 5 maart 2020 en eveneens mijn blog van 5 maart 2019 en ook mijn blog van 5 maart 2018 deel 1 en ook mijn blog van 5 maart 2017 deel 1 en ook deel 2.

Robert Kleindienst

De Oostenrijkse dichter en schrijver Robert Kleindienst werd geboren op 4 maart 1975 in Salzburg. Zie ook alle tags voor Robert Kleindienst op dit blog.

 

gegenläufige Ansichten

wieder ein Baum,
der durchs Fenster wächst
und nichts Neues.

nichts Neues mehr
als ein einziger Baum
vor dem Fenster,
dem die Zweige zu Kopf stehen
seit Jahren.

seit Jahren nichts
als ein einziges Blatt,
das es noch zu schreiben gilt
vor dem Fall

 

die Nacht bricht auf

Der andre flieht, sobald ich nach ihm fasse; Und wenn ich ruf, wird er nicht Antwort wissen; Je mehr ich such, je mehr muss ich ihn missen. (Giordano Bruno)

die Nacht bricht auf
ich bin nur ein Schwimmer
ich schwimme für dich
durch Helles
Erdachtes

liegend, dem Fährmann näher,
als du denkst,
bin ich Fleisch oder Herz

ich geh dir nicht nach
nicht länger auf Händen
kam auch der Tag
als du gingst

 

fast unverschämt

was soll man sagen
es regnet zuweilen auch nachts
durch Träume und Regen rinnt aus
der Traufe

ein Mensch taucht unter
Wasser hört man wen sagen
taucht unter und auf
nicht mehr als würde ein Stein
in der Lunge liegen wie
im Märchen
hört man wen sagen

 

ik weet wat het betekent om gelukkig te zijn

wij tweeën staan hier dus met zijn drieën en
houd onze handen steviger vast. zo veel groen als ons
de lente schenkt, verrast ons dan
toch, dat hadden we slechts in dromen
gedacht. niet in een droom echter spiegelen we
ons in de vijver, kijken eendenkuikens
na, die sporen trekken in het water.
aan de horizon glanzen bergen wit, wij
wachten nog een poosje, zwemmen
verder, richting oever

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Kleindienst (Salzburg, 4 maart 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e maart ook mijn blog van 4 maart 2019 en ook mijn blog van 4 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Abbas Khider, James Merrill, Elisabeth Borchers

De Duits-Iraakse schrijver Abbas Khider werd geboren op 3 maart 1973 in Bagdad. Zie ook alle tags voor Abbas Khider op dit blog.

Uit: Ohrfeige

„Stumm und starr vor Angst hockt sie in ihrem Drehstuhl, als hätte die Ohrfeige sie betäubt.
»Sie ruhig sind und bleiben still!«
Ich greife nach dem Packband in meiner Jackentasche, fessle ihre Hände an die Armlehnen und die Fußgelenke an die Stuhlbeine. Mit mehreren Streifen klebe ich ihren rot geschminkten Mund zu.
»Nix ich will hören!«
So langsam beginne ich, mich zu entspannen. Ich setze mich ihr gegenüber auf den Besucherstuhl, nehme mir ein Blatt Papier von ihrem Schreibtisch, mische etwas Hasch in meinen Tabak und drehe mir eine Zigarette. Ich zünde sie an und atme tief ein. Ganz genüsslich.
Das Papier schmeckt verbrannt und im ersten Moment will ich würgen, aber ich zwinge mich dazu, diese besondere Zigarette zu genießen. Ich ziehe daran, als wolle ich sie aussaugen, inhaliere den Rauch bis tief in meine Lungen und freue mich über den leicht brennenden Schmerz in meiner Brust. Ich fühle mich so lebendig wie schon lange nicht mehr.
Ich stehe auf, beuge mich zu ihr, gehe ganz dicht an sie heran und puste ihr den Rauch mehrmals mitten ins Gesicht. Da ihr Mund zugeklebt ist, muss sie den Qualm durch die Nase einatmen. Sie versucht den Kopf wegzudrehen und muss so sehr röcheln, dass sich das Klebeband auf und ab wölbt. In einer Behörde zu kiffen, das fühlt sich irrsinnig gut an.
»Frau Schulz, wir reden zusammen. Ich wollte immer, und Sie haben keine Zeit oder Wille für mich, wenn ich vor Ihrem Zimmer warten. Jetzt endlich ist so weit! Ob Sie wollen oder nicht, wir reden. Aber Deutsch ist schwer für mich und will ich viele Sachen erzählen. Ich muss Arabisch mit Ihnen reden, so ich kann frei reden. Leider!«
Ich will mich nicht länger durch die deutsche Sprache quälen, durch diesen Dschungel aus Fällen und Artikeln, die man sich nie merken kann. Es ist natürlich Quatsch, jetzt mit ihr Arabisch zu sprechen, aber was soll’s. Auch wenn Arabisch ihre Muttersprache wäre, würde sie mich nicht verstehen. Sie stammt aus einer ganz anderen Welt als ich. Ein Erdling spricht gerade mit einem Marsianer.
Oder umgekehrt.
Das hier ist für mich eher wie die christliche Beichte, die ich mir einmal habe erklären lassen. Dabei sitzt man auch auf einem Stuhl in einem viel zu kleinen Raum. Auf jeden Fall kann ich mir jetzt meine Sorgen von der Seele reden.
Also, meine erste Frage: Wie lautet Ihr Vorname?“

 

Abbas Khider (Bagdad, 3 maart 1973)

 

De Amerikaanse dichter James Merrill werd geboren op 3 maart 1926 in New York. Zie ook alle tags voor James Merrill op dit blog.

 

THE GREENHOUSE

So many girls vague in the yielding orchard,
None at my pausing but had seemed therefore
To grow a little, to have put forth a tentative
Frond, touch my arm and, as we went,
Trailingly inquire, but smilingly, of the greenhouse —
One had heard so much, was it never to be seen?
So that it would always have appeared possible
To be distinguished under glass
Down femed-faint-steaming alleys of lady-slipper,
Camellia, browning at the finger-tip,
Yet always to find oneself, with a trace of humor,
In perhaps the least impressive room.
It was hotter here than elsewhere, being shadowed
Only by bare panes overhead,
And here the seedlings had been set to breeding
Their small green tedium of need:
Each plant alike, each plaintively devouring
One form, meek sprout atremble in the glare
Of the ideal condition. So many women
Oval under overburdened limbs,
And such vague wants, each witlessly becoming
Desire, individual blossom
Inhaled but to enhance the fiercer fading
Of as yet nobody’s beauty—
Tell me (I said ) Among these thousands which you are!
And I will lead you backwards where the wrench
Of rifling fingers snaps the branch,
And all loves less than the proud love fastened on
Suffer themselves to be rotted clean out of conscience
By human neglect, by the naked sun,
So none shall tempt, when she is gone.

 

POEM IN SPRING

Being born of earth, we’ve come to sit
On fecund ground and fondle it —
A filial diversion this.
Then brother-sisterly we kiss

Who cannot tell one branch for buds
Nor see, for trees, the April woods
Cloudy with green nor, amorous,
Think autumn looks askance at us.

 

ITALIAN LESSON

It will not do Luigi
You in this fireless room
Tirelessly expounding
The sense of so much sound

As if to speak were rathcr
Those promenades in Rome
Where each cool eye plays moth
To flames largely its own

Than the resounding Latin
Catacomb or labyrinth
Corinthian overgrown
With French sphinx or the heated tones

Of all these quenched at nightfall
Yet sparkling on a lip
At whose mute call I turn
To certain other lessons hard to learn.

 

James Merrill (3 maart 1926 – 6 februari 1995) 

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

September

Er komt een tijd
dan heeft de zon
al het werk gedaan
De appels zijn rood
De peren zijn geel
en de marktvrouwen roepen
pruimen mooie pruimen
Er komt een tijd
dan wordt de zon moe
en steeds kleiner
Zo klein als een sinaasappel

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e maart ook mijn blog van 3 maart 2020 en ook mijn blog van 3 maart 2019 en ook mijn blog van 3 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Godfried Bomans, Michael Salinger

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit: 25.000 Boeken. Enige richtlijnen voor de liefhebber

“Mijnheer!
Uw onbescheiden vraag of ik een eigen boekerij bezit, kan ik tot mijn genoegen bevestigend beantwoorden. Ik heb zo vreselijk veel boeken en woon daarbij in zo’n verschrikkelijk klein huisje, dat het vandaag of morgen nog eens uit elkaar zal barsten. Een man van de verzekering, die onlangs vruchteloze pogingen deed mij tegen inbraak te verzekeren, schatte het aantal boeken, dat bij mij gestolen kan worden op ruim 25.000. Hij heeft mij toen niet verzekerd, inziende dat dit voor elke inbreker onbegonnen werk moet zijn.
Een klein gedeelte hiervan staat op planken tegen de wanden, van de vloer tot aan het plafond. Ook op de badkamer en zelfs op de W.C. is dit het geval. Vanzelfsprekend bevinden zich daar de minder belangrijke werken, zoals mijn eigen boeken, of die banden, die tegen schadelijke atmospherische invloeden bestand zijn. De rest staat eenvoudig op de grond.
Het is opmerkelijk, hoeveel bergruimte een vloer biedt. Ten eerste zijn daar de beduidende oppervlakten onder de bedden, die in de meeste huisgezinnen niet efficiënt besteed worden, doch bij enig nadenken een uitnemende gelegenheid bieden om die werken, die men toch nooit van plan is te lezen, afdoende aan het oog te onttrekken. Ik zal geen namen noemen. Het is de bedoeling van dit stukje niet, om iemand te kwetsen. Maar hoor nu verder.
Hebt U er wel eens over nagedacht, hoeveel onnodige vloerruimte een kamer eigenlijk wel bevat? Neem bijvoorbeeld Uw studeervertrek. Als men daar pas huist, meent men waarlijk het gehele oppervlak nodig te hebben om zich daar behaaglijk te gevoelen. Van die kinderachtige opvatting geneest men spoedig. Ras ziet men in, dat slechts de lijn benut wordt, die door de twee punten: Uw bureau-stoel en de deur, bepaald is. Welnu, maak daar een gangetje en vul de rest met boeken. Doe ook zo met de overige kamers. Handel insgelijks met de zolder, de kelder en de gangen. Spoedig zult gij bemerken, dat ge niet alleen al Uw boeken kunt bergen, maar dat Uw bewegingen door het huis ook uiterst sober worden en zich tot strikt noodzakelijke bepalen.

Het kan niet uitblijven of onder Uw huisgenoten zullen er zijn, die zich tegen deze opvatting gaan verzetten. Ga niet op hun onnozele bezwaren in. Stel hen eenvoudig voor de vraag: waar wilt ge er dan mee heen? Wacht niet op het antwoord, maar keer U om en laat hen met dit probleem alleen, oog in oog. Dit is geheel voldoende. Van tijd tot tijd echter zal de tegenstand vastere vormen aannemen. Ge zult aan het ontbijt woorden horen als: orde in de rotzooi, het mes er in, en dergelijke. Er zal zelfs een werkster komen. Er zullen twee werksters komen. Verontrust U niet. Dit alles gaat voorbij. Laat hen een week lang worstelen met Uw 25.000 boeken. Er komt een ogenblik, dat zij dit opgeven. De dag breekt aan, dat zij ineen zijgen. Ge hoeft daarbij niets te doen. Uw boeken worstelen voor U.”

 

Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)

 

De Amerikaanse dichter en performer Michael Salinger werd geboren op 2 maart 1962 in Cleveland, Ohio. Zie ook alle tags voor Michael Salinger op dit blog.

 

Vespula vulgaris (gewone wesp)

De jongen schonk geen speciale aandacht aan
de perenboom waar hij zich achter verstopte
uitgestrekte takken
gedraaid boven zijn hoofd
of het legioen van
geel-gejaste wespen
zoemend in dronken cirkels
rond gevallen
fermenterend zomerfruit
die bruin werden op de grond
hij nam ook niet de moeite om na te denken over
de ruwe reptielenschors die onder
plukjes gras gleed en wortel-
zenuwrank werd die de aarde vastgreep
als houten bliksemflitsen
bevroren in de tijd
het feit dat hij
de kin van zijn vader had, de humor van zijn grootvader
de amandelogen van zijn moeder,
het Zwitserse zakmes van zijn broer,
illegaal in zijn zak,
en de familiehouding,
schouders afgezakt als onder een last,
was nooit in hem opgekomen
de jongen merkte de stofwolk niet op
van achter auto vandaan geschopt
op weg naar de horizon
de bestuurster in gele zomerjurk
vastbesloten om te ontsnappen
en deze keer nooit meer terug te komen
of het fluitje van de loopjongen
opgeschrikt door het passeren van de auto
een volle maan
gesneden uit doorschijnend weefsel
nog steeds zichtbaar aan de hemel overdag
verdween evenzeer ongezien
de flits van gladde gebruinde huid
van zwartharig
buurmeisje
dat naakt zwom
was het hele universum geworden

voor hem

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Salinger (Cleveland, 2 maart 1962)

 

Zie voor de schrijvers van de 2e maart ook mijn blog van 2 maart 2020 en ook mijn blog van 2 maart 2019 en ook mijn blog van 2 maart 2018 en ook mijn blog van 2 maart 2014 deel 2.

Maart (Hein Boeken), Jan Eijkelboom, Elisabeth Borchers

 

Bij het begin van maart

 

Maart zon, Pontoise door Camille Pissarro, 1875

 

Maart

Des daags scheen ’t helle licht uit ’t volop-blauw
En flikkerde op het water, en de stenen
Van huizen en straten waren wit beschenen
En grijs bestrepeld met der takken schauw*,

En in de ganse stad waren door-énen
De warmte en schaduw, ’t zonne-licht en kou,
En waar de warmte lag in de luwte lauw
Woei felle wind om huizen-hoeken henen.

Wit scheen de maan uit donker-blauwe nachten
Over de stad, die lag met wijde grachten,
Waar noorden-wind kwam over-heen geblazen,

Dat ’t zilver krinkelde over ’t water blauw
Tussen de huizen-blokken in donkere schauw
En witte muur met glinsterende glazen.

 

Hein Boeken (2 december 1861 – 19 oktober 1933)
Krokussen in Het Vondelpark in Amsterdam, de geboorteplaats van Hein Boeken

 

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

 

Toch

Vanaf de schilferige bank
staar ik in een te strakke hemel
en later in de lange gang
tuur ik op uitgesleten steen.
Er wordt mij niets geopenbaard
over ’t waarom en het waarhe
en.

Toch lijkt dit hechte oude huis
gemaakt voor wie heel zeker weten
wat recht en slecht is en
wat men beter kan vergeten.
Wel aarzelt tussen zaal en kamer
soms een vertrek. En ook niet thuis

te brengen is het perspectief
van in elkaar geschoven eeuwen.
Toch namen wij dit graag voor lief.
Ieder voor zich stoffeerde
hier zijn hol en hield
daar hof, tot het verkeerde.

Kunstig gedraaid zijn de kolommen
van het centrale hemelbed.
Ik hoor vanaf de zolder komen
wat fluitmuziek en licht gestep:
een meisjesvoet die zoet de maat,
de vastgestelde maat blijft slaan.

Toch weet ik dat ik weg zal gaan.

 

Achteraf

1
Met moeite weet ik nog
dat ik je vreselijk kon haten
als ik je knoken hoorde kraken
op je te punctuele tocht
naar bed, en hoe ik vocht
om zelf maar niet in slaap te raken,
want wat ik van mezelf niet mocht
was alles wat jij niet kon laten:

de stipte plicht, het strikt geloof.
Hoewel ik toch mijn hoofd meeboog
voordat wij onze speklap aten,
want grieven wilde ik je niet.
Maar ik kon niet meer met je praten,
ik vreemdeling, die van je hield.

 

2
Toen werd je ziek op gruwelijke wijze.
Geliefden sprak je toe op barse toon.
Ik was degeen die je weer kalm kon krijgen.
Ik werd de vader, jij de zoon.
Nog later lag je hulpeloos te hijgen
door buizen in je strottehoofd.
Je kon me met geen woord bereiken,
al wou je wel: je mond bewoog.

Pas later durfde ik beseffen
dat je me over sterven sprak,
en of ik dat niet kon beletten.
Maar toen dan toch de dood aanbrak
was je opeens zo indrukwekkend
als een Romein, uit steen gehakt.

 

Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)
Cover biografie

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

Mei

Er komt een tijd
dan trouwen de vogels
Nachtegaal en leeuwerik
Winterkoninkje en Mus
Roodborstje en Merel
Het ene lied vliegt naar het andere
De bomen dragen wijde kleding
De wind luidt de bloemen
De bijen hebben gouden schoentjes
De kat
de grijze de zwarte de witte
zij mag het niet doen
Zij mag de bruiloft
niet verstoren

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e maart ook mijn blog van 1 maart 2021 en ook mijn blog van 1 maart 2020 en ook mijn romenu blog van 1 maart 2019  en ook mijn blog van 1 maart 2015 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Bart Koubaa, Howard Nemerov

De Vlaamse schrijver Bart Koubaa (pseudoniem van Bart van den Bossche) werd geboren op 28 februari 1968 in Eeklo. Zie ook alle tags voor Bart Koubaa op dit blog.

Uit: Dansen in tijden van droogte

“Zondag 24 mei 2020. Mijn vrouw toont me een foto die in de cultuurbijlage van de krant staat afgedrukt. ‘Dit is iets voor jou,’ zegt ze en vertelt me wat ik zie: een levende vogelverschrikker midden in een rijstveld ergens in Afrika. Het beeld intrigeert me, en ik zie niet wat er is afgebeeld — een man die vogels verjaagt — maar de hoofdpersoon van de roman die ik aan het afwerken ben: een regendanser. Ik ben volledig in de ban van Kaminski, een man met de gave de regen op te roepen door op een houten deur te tapdansen. Hij trekt van dorp naar dorp om er op te treden en de droogte te verdrijven. Ik ben bij het laatste hoofdstuk — getiteld ‘Kan ik iets voor je doen?’ — als ik de foto zie. Wanneer ik een week later op een broeierige pinksterzondag mijn voltooide roman opsla en afsluit, daalt de levende vogelverschrikker van de foto als een Afrikaanse geest op mijn schrijftafel neer. ‘Kan ik iets voor je doen?’ vraag ik.
‘Jazeker,’ zegt hij, ‘je kunt de fictie schrappen’, en hij stijgt weer op en verlaat wervelend mijn schrijfkamer door de hor in het rechterraam. Ik volg hem over het park en de oranje en zwarte zadeldaken tot hij iets voorbij het klokkentorentje van de kerk van het Klein Begijnhof uit het zicht verdwijnt. Als ik dan puur uit gewoonte een nieuw document open en achteloos de titel van mijn roman Dansen in tijden van droogte typ, snap ik wat de levende vogelverschrikker me wilde zeggen: ik moet geen geest najagen en geen romanpersonage op de wereld loslaten, ik moet op zoek naar een man van vlees en bloed die hoogstwaarschijnlijk in een rijstveld vogels zit te verjagen. En dat ga ik doen.

Ik hang de foto met onderschrift in mijn schrijfkamer op. Het onderschrift luidt ‘Kabonyo, Kenia. Voor een maandloon van zo’n 7o euro speelt Juma Collins (18) de hele dag voor vogelverschrikker in deze rijstvelden. Door de rijstteelt filtert het moerasgebied minder schoon water weg naar het meer dan vroeger.’ Dat meer is het Victoriameer, waar fotograaf Prédéric Noy vorig jaar vele maanden heeft doorgebracht en er begeesterde en poëtische beelden heeft gemaakt van de overlevingsstrijd van het meer en de mensen die eromheen wonen. ‘De mensen hebben het lastig, het meer heeft het lastig. Maar her en der flonkert de hoop,’ aldus de inleiding van het korte artikel bij de tien afgedrukte foto’s, die zo ook – terecht of ten onrechte – een kritische, maar hoopvolle boodschap brengen. Mijn doel houdt zich dus op in Kenia, in de buurt van het Victoriameer, dat, als ik de krant mag geloven, ruim twee keer zo groot is als België. Ik ben mijn vingers, die op het punt staan `Victoriameer’ in de zoekmachine in te tikken, te snel af. Ik wil me voor dit project beperken tot het hoogstnodige: het artikel en mijn kennis, mijn onwetendheid in feite. ‘Misschien kan hij alleen geluiden maken om de vogels weg te jagen,’ werpt mijn vrouw in het midden als ik haar over mijn onderzoek vertel.”

 

Bart Koubaa (Eeklo, 28 februari 1968)

 

De Amerikaanse dichter en literatuurdocent Howard Nemerov werd geboren op 29 februari 1920 in New York. Zie ook alle tags voor Howard Nemerov op dit blog.

 

Een inleiding in de dagelijkse ronde

A schilt een appel, terwijl B voor God knielt.
C telefoneert naar D, die een hand heeft
Op de knie van E, F hoest, G gooit de aarde omhoog
Voor het graf van H ik begrijp het niet
Maar J haalt een kleiduif naar beneden
Terwijl K een knuppel op L’s hoofd laat landen
En M neemt mosterd, N rijdt de stad in,
O gaat naar bed met P, en Q valt dood neer,
R liegt tegen S, maar wordt toevallig gehoord
Door T, die U vertelt V niet te ontslaan
Omdat hij W moest toevertrouwen
Dat X Y en Z bedriegt,
Die zich zojuist toevallig herinnert dat A
Ergens ver weg een appel schilt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Howard Nemerov (29 februari 1920 – 5 juli 1991)

 

Zie voor meer schrijvers van de 28e en de 29e februari ook mijn blog van 28 februari 2021 en ook mijn blog van 28 februari 2020 en ook mijn blog van 28 februari 2019 en eveneens mijn blog van 28 februari 2018 deel 2.

Cynan Jones, Elisabeth Borchers

De Welshe schrijver Cynan Jones werd geboren op 27 februari 1975 in Aberystwyth, Wales. Zie ook alle tags voor Cynan Jones op dit blog.

Uit: Stillicide

“The dream is like a dry mouth.
The hiss in his earpiece brought Branner round, and he saw the red dot flash on the grid scanner in his hand. He was sheltered from the rain partially, pushed in against the willow at the fifty-metre line. The rain came down heavily. Subdued the dawn light.
The distraction was a relief. When he’d heard the doctor’s words, they seemed spoken through water. Had grown every moment since in volume and solidity. Seemed now to knock against the shell of the dream he’s had for weeks. A recurrence he braces for in sleep. The dream now like a premonition.
‘I’ve seen it,’ Branner said into his mic.
He watched the red dot shift across the scanner, hesitate, then apparently settle. A slight condensation come to the edges of the screen.
There was no way of knowing what the red dot was, but it was in the sector and big enough to trigger the sensors.
Deer. Dog. Man. If it was still alive and present when the water load passed, the defence guns of the train would fire automatically.
They weren’t taking any chances now. Attacks on the line had increased.
Branner had the choice to stay out of the way or neutralise the risk himself. He could take the shot, or, if he could identify it as nothing threatening, call it in to the tower and they could stand the train guns down.
‘Can you get there?’ The sergeant’s voice came through the earpiece, through the snap of rain on Branner’s hood.
‘I can get there,’ Branner replied. It was relatively close. The opposite side of the track.
‘Let the train guns take it,’ said the sergeant.
Branner felt the old scar on his jaw catch slightly against the nap inside his hood.
‘No. I’ll go.’
It will be an animal, Branner thought. There’s no need for it to pointlessly die.”

 

Cynan Jones (Aberystwyth, 27 februari 1975)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

Januari

Er komt een tijd
dan worden de koningen onrustig
en ze vragen aan hun dienaren
Waar zullen we naar toe gaan

De bedienden kijken elkaar aan
en vragen
Waarheen

Dan staan de koningen op
en gaan

Er komt een tijd
dan worden de sterren onrustig
en vragen
Wie is de mooiste onder ons

En de sterren kijken elkaar aan
en vragen
Wie zou het zijn
Maar de koningen zeggen
Ik heet Balthasar
Ik heet Melchior
Ik heet Caspar

En Caspar roept
Daar vliegt een ster
met lang goudkleurig haar

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

Zie voor de schrijvers van de 27e februari ook mijn blog van 27 februari 2021 en ook mijn blog van 27 februari 2019 en eveneens mijn blog van 27 februari 2016 deel 2.

George Barker

De Engelse dichter George Granville Barker werd geboren op 26 februari 1913 in Loughton, Essex. Zie ook alle tags voor George Barker op dit blog.

 

Morning In Norfolk

As it has for so long
come wind and all weather
the house glimmers among
the mists of a little
river that splinters, it
seems, a landscape of
winter dreams. In the far
fields stand a few
bare trees decorating
those mists like the fanned
patterns of Georgian
skylights. The home land
of any heart persists
there, suffused with
memories and mists not
quite concealing the
identities and lost
lives of those loved once
but loved most. They haunt it
still. To the watermeadows
that lie by the heart they
return as do flocks of swallows
to the fields they have known
and flickered and flown so
often and so unforgettably over.
What fish
play in the bright wishing
wells of your painted
stretches, O secret
untainted little Bure,
I could easily tell,
for would they not be
those flashing dashers
the sometimes glittering
presentiments, images
and idealizations
of what had to be?
The dawn has brightened the
shallows and shadows and
the Bure sidles and idles
through weed isles and fallen
willows, and under
Itteringham Mill, and
there is a kind of rain-
drenched flittering in the
air, the night swan still
sleeps in her wings and over it all
the dawn heaps up the hanging
fire of the day.
Fowell’s tractor blusters
out of its shed and drags
a day’s work, like a piled sled
behind it. The crimson
December morning brims over
Norfolk, turning
to burning Turner
this aqueous water colour
idyll that earlier gleamed
so green that it seemed
drowned. What further
sanction, what blessing
can the man of heart intercede for
than the supreme remission
of dawn? For then the mind
looking backward upon its
too sullied yesterday,
the rotting stack of
resolution and refuse,
reads in the rainbowed sky
a greater covenant,
the tremendous pronouncement:
the day forgives.

Holy the heart in
its proper occupation
praising and appraising this
godsend, the dawn.
Will you lift up your eyes
my blind spirit and see
such evidence of
forgiveness in the heavens
morning after golden
morning than even
the blind can see?

 

Aan elk van mijn generatiegenoten

Wat was het waar je aan denkt – de zomermorgens
Langs de rivier bij Richmond met een vrouw;
En als je onhandig, in je badpak, kuste,
Grimaste tussen rozen de historie. Welk een teken –
Had je het maar herkend, had je het maar herkend!
En als je in spiegels keek was dan dit teken
Even klaar als de pijn in een parelhart?
Een vreeslijk morgen, met Teutoons gebaren
Het niet te loochnen gisteren zinloos hetend?

Wij spanden de haan der toekomst als wij kusten
En uit ons roekloos woord, als drakenzaad,
Rijst nu de dood op: toen wij vrolijk waren,
Dansend tesaam in wat wij leven dachten,
Sloten onze armen zich niet om de deernen des doods,
Die ons vandaag, vandaag in onze bedden wachten?

 

Vertaald door Bert Voeten

 

George Barker (26 februari 1913 – 27 oktober 1991)
Gefotografeerd door John Deakin, ca. 1952

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e februari ook  mijn blog van 26 februari 2022 en ook mijn blog van 26 februari 2019 en eveneens mijn blog van 26 februari 2017 deel 2.

Amin Maalouf, Stephen Spender

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit:  Schipbreuk der beschavingen (Vertaald door Hans E. Van Riemsdijk)

“Ik kom nog uitgebreid terug op die gemiste afspraak, maar om mijn ideeën daarover meteen scherp te stellen wil ik daar toch al het volgende over kwijt: als de inwoners van de diverse naties en de volgelingen van de monotheïstische godsdiensten in deze contreien waren blijven samenleven en erin waren geslaagd hun perspectieven op de toekomst onderling af te stemmen, dan zou de hele mensheid hebben beschikt over een welsprekend voorbeeld van eendrachtige co-existentie en welvaart – als bron van inspiratie en als baken op haar pad. Helaas is het omgekeerde gebeurd: weerzin en afschuw hebben de overhand gekregen en juist de ónmogelijkheid om samen te leven is de regel geworden.
Het licht van de Levant is gedoofd. Vervolgens heeft de duisternis zich verbreid over de hele wereld. En vanuit mijn standpunt bezien is daarbij geen sprake van puur toeval.
Het Levantijnse ideaal zoals de mijnen dat hebben meegemaakt en zoals ik het altijd heb willen meemaken verlangt van alle mensen dat ze zich verantwoordelijk voelen voor de groepen en gemeenschappen waartoe ze behoren en óók een beetje voor die van de anderen. Zoals bij elk ideaal gaat het om een streven dat je nooit helemaal bereikt, maar dat streven is op zích al heilzaam, omdat het de te volgen weg aanduidt, de weg van de rede, de weg van de toekomst. Ik zou zelfs durven zeggen dat dat streven voor een samenleving de grensovergang van barbarij naar beschaving markeert.
In mijn kinderjaren zag ik hoe blij en trots mijn ouders waren als ze het hadden over dierbare vrienden die een ander geloof aanhingen of afkomstig waren uit een ander land. Veel meer dan een lichte stembuiging was het niet. Maar daar klonk wel een boodschap in door, een ‘handleiding’ zou ik vandaag zeggen.

In die tijd leek het me de gewoonste zaak van de wereld; ik stond er niet eens bij stil en was ervan overtuigd dat het er overal ter wereld zo aan toeging. Pas veel later ben ik gaan begrijpen hoe zeldzaam de harmonie tussen de diverse gemeenschappen in de wereld van mijn kinderjaren was. En hoe broos. Heel vroeg in mijn leven zou ik zien hoe die eendracht haar glans verloor, beschadigd raakte en vervolgens in rook opging, om slechts heimwee en schaduwen achter zich te laten.
Klopt het wel als ik zeg dat de duisternis zich heeft verbreid over de wereld toen het licht van de Levant doofde? Past het wel om over duisternis te spreken terwijl wij, mijn tijdgenoten en ik, getuige zijn van de spectaculairste technologische doorbraken aller tijden; terwijl wij vlotter dan ooit via internet toegang hebben tot alle beschikbare kennis; terwijl wij steeds langer en in veel betere gezondheid dan vroeger leven; terwijl zo veel landen van de vroegere ‘derde wereld’, om te beginnen China en India, zich energiek ontworstelen aan hun onderontwikkelde status?
Maar daar ligt precies de treurige paradox van deze eeuw: voor het eerst in de geschiedenis beschikken we over de middelen om de mensheid te bevrijden van alle plagen die haar altijd hebben bestookt om haar naar een tijdperk van vrijheid, vlekkeloze vooruitgang, wereldwijde solidariteit en gedeelde rijkdom te voeren, en toch rennen we holderdebolder in de tegenovergestelde richting.”

 

Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

 

De Engelse dichter, essayist en schrijver Stephen Spender werd geboren op 28 februari 1909 in Londen. Zie ook alle tags voor Stephen Spender op dit blog.

 

Lokaal van een lagere school in een achterbuurt

Ver ver van ruige golven deze kindergezichten.
Als onkruid zonder wortels, hun haar wild om hun bleekheid.
Het lange meisje met haar hangend hoofd. De papier-
Bleke jongen met ratteogen. De onvolgroeide, misdeelde erfgenaam
Van kromme botten, die de knoestige ziekte van een voorvader
Opleest, zijn les, van zijn bank. Achterin de schemerige klas
Eén kind onopgemerkt, lief en jong. Zijn ogen leven in een droom
Van eekhoornspel in een boomruimte, een andere dan deze.

Aan de zuremelk-wanden gekregen dingen, Shakespeares hoofd,
Wolkenloos in de ochtendschemer, beschaafde koepel boven alle steden.
Met klokken, bloemrijk, een Tirools dal. Kaart met open handen
Die de wereld beloont met zijn wereld. En toch zijn voor deze
Kinderen deze ramen, niet deze wereld, de wereld,
Waar heel hun toekomst is geschilderd met een mist,
Een nauwe straat dicht onder een loden lucht,
Ver ver van rivieren, kapen en sterren van woorden.

Shakespeare is toch zeker slecht, de kaart een verkeerd voorbeeld
Met schepen en zon en liefde die hen verleidt tot diefstal –
Voor levens die sluw ronddraaien in hun benauwde holen
Van mist tot eindeloze nacht? Op hun sintelhoop dragen
Deze kinderen vel waar botten doorsteken en stalen brillen
Met geplakt glas, als flesscherven op stenen.
Al hun ruimte en tijd is mistige achterbuurt.
Dus wis uit hun kaarten met achterbuurten groot als een vloek

Tenzij, bestuurder, meester, inspecteur, bezoeker,
Die kaart hun raam kan worden en deze ramen
Die hun bestaan afsluiten als catacomben
Breken O openbreken tot ze de stad wegbreken
En deze kinderen zicht geven op groene akkers en hun wereld
Hemelsblauw laten stromen op gouden stranden, en hun tong
Naakt boeken in laten lopen, de wit en groene bladen open
Geschiedenis aan hen wier taal de zon is.

 

Vertaald door Willem van Toorn

 

Stephen Spender (28 februari 1909 – 16 juli 1995)
Portret door Robert Buhler, 1939

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e februari ook mijn blog van 25 februari 2019 en ook mijn blog van 25 februari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.