Guido van Heulendonk, Chinua Achebe

De Vlaamse schrijver Guido van Heulendonk (pseudoniem van Guido Beelaert) werd geboren in Eeklo op 17 november 1951. Zie ook alle tags voor Guido van Heulendonk op dit blog.

Uit: Vrienden van de poëzie (Trisha)

“Het was in die donkere dagen dat mensen elkaar gedichten begonnen te sturen. Ook hij kreeg de kettingmail binnen, op een morgen dat hij met een zeurende kies was ontwaakt en het vooruitzicht trachtte te verwerken misschien op zoek te moeten naar een tandarts, in een zieltogend land waarin niets nog functioneerde. Toen hij het gordijn wegtrok verrees zijn stad, net als de dagen ervoor, als een foto uit een brochure over stedelijke architectuur: stil, koud, kleurloos, met spaarzame silhouetten die langs de gevels slopen. Scherpe schaduwen in de ochtendzon, waarbij zich, toen hij het raam openduwde, de auditieve skyline van een verre sirene voegde. Een stad zonder winkels, cafés, musea. Een stad vol ziekenhuizen. Ook de tandartsen werkten niet meer, wist hij, op enkele noodkabinetten na, strategisch verdeeld over de natie, op geheime plekken, slechts te traceren via speciale nummers. Alleen ‘wie dringend hulp nodig had’ kon er terecht, na strenge triage, en werd dan geholpen door astronauten. Hij had de beelden gezien op tv. Zover was hij nog niet. Zijn kies zeurde alleen maar, lichtjes protesterend tegen de druk van zijn tastende tong, die hij niet kon verhinderen telkens even te checken of het al niet wat beter ging, zoals een moeder dwangmatig haar hand op het voorhoofd van een koortsig kind legt. Enkel als je radeloos grommend in je kussen beet. Enkel dan mocht je bellen.
Stelde hij zich voor. Als je razend rond de tafel beende, de zelfmoord nabij. Niet eerder, om land en maatschappij niet nodeloos te belasten. Ieder zijn steentje, zijn druppeltje zweet, dan komen we er allemaal doorheen. Zei men. Zong men, ’s avonds, op balkons en in de straat, op tien armlengtes van elkaar. We shall overcome. Op de tanden bijten. Niet evident, als je tandpijn had. Maar hij begreep het wel. Hij was absoluut aan boord, en de gezangen ontroerden hem, hoewel hij er zelf niet aan deelnam. Nooit een manifestatiemens geweest. En zingen kon hij niet. Toch: al die mensen van goede wil, al die solidariteit. Er was niets mooiers, en het hielp om elke dag in verzoening af te sluiten. 8 Zelfmoord: de gedachte bracht hem, terwijl hij behoedzaam in een beschuitje beet, zijn jongste reis naar Ierland in herinnering. Enniscorthy, County Wexford, het museum rond de opstand van 1798. Hoe de gids vertelde over gevangen rebellen die door de Britten de pitchcap kregen opgezet: een hoed gevuld met kokende teer, die zich meteen door haren en schedelhuid brandde en na stolling door de beul werd afgerukt, zodat het slachtoffer, al blind van de uitgesijpelde smurrie, ook nog eens gescalpeerd werd. Hoe sommigen na de behandeling, buiten hun zinnen van pijn, probeerden hun eigen hoofd in te slaan. Als stieren op een muur afstormden. Rule Britannia. We shall overcome. Dat soort pijn. Vroeger wikkelden mensen een touwtje rond een zere kies, knoopten het vast aan de deurklink, hieven de voet naar de deur en pats!”

 

Guido van Heulendonk (Eeklo, 17 november 1951)

 

De Nigeriaanse dichter en schrijver Chinua Achebe werd geboren op 16 november 1930 in Ogidi. Zie ook alle tags voor Chinua Achebe op dit blog.

 

Mangozaailing

Door de glazen ruit
In een modern kantoorgebouw
Zag ik, twee verdiepingen lager, op een wijd vooruitstekend
Betonnen overkapping een pas ontkiemde mangozaailing,
Paars, tweebladig, staande op de gesprongen
Zwarte dooier. Hij zwaaide helder naar zon en wind
Die zich tussen de regenbuien door, dagelijks
Op yam zaad verkwistten.
Voor hoelang?
Hoe lang het gelukkige zwaaien
Vanaf de afgrond van een door regen geteisterde sarcofaag?
Hoe lang het feest van het overgebleven meel
Op de bodem van de pot?
Misschien lag hij net als de weduwe
van oneindig geloof op de loer
voor de heilige man van het bos, met ruig haar,
met de macht tot eeuwige voleinding.
Of anders hoopte hij wel op Oude Schildpads wonderbaarlijke feestmaal
Op een steeds terugkerend stukje cocoyam,
Geplant in een grote kom groene groenten-
Op deze dag, de fabels voorbij, het geloof voorbij?
Toen zag ik hem
Bereid in moedige onpartijdigheid
Tussen de oeroude strijd van Aarde
En Hemel dapper proberen wortel te schieten
In objectiviteit, midden in de lucht, in steen.
Ik dacht dat de regen, drijvende kracht
Achter deze onderneming op een dag aan de macht zou komen
En zijn domein in een uitzinnige waterval
Op de aarde beneden zou loslaten. Maar elke regenachtige dag
Verzamelden zich kleine speelse stroompjes op de platte steen,
Dansten, gingen uiteen rond zijn voeten,
verenigden zich weer, baanden hun weg.
Hij ging van paars naar ziekelijk groen
Voordat hij stierf. Vandaag zie ik hem nog steeds-
Droog, ragdun in de zon en het stof van de droge maanden,
Monument op klein puin van hartstochtelijke moed.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Chinua Achebe (16 november 1930 – 21 maart 2013)
Hier in 2002 met Nelson Madela (rechts) bij het ontvangen van een eredoctoraat van de universiteit van Kaapstad.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e november ook mijn blog van 17 november 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Anton Koolhaas, Chinua Achebe, Yves De Bosscher

De Nederlandse schrijver Anton Koolhaas werd op 16 november 1912 in Utrecht geboren. Zie ook alle tags voor Anton Koolhaas op dit blog.

Uit: Nieuwe maan

“Toen Enno met zijn lichtbundel zat te zwaaien, leek het wel of hij zelf een besluit moest nemen, of er nù iets opzienbarends zou gaan gebeuren, of dat het nog uitgesteld moest worden. Of het aardedonker zou blijven en hij leeg, op een vulling met volstrekte duisternis na, terug zou keren. Hij deed het licht uit en luisterde naar het zwart.
Hij zat ongemakkelijk en hij voelde het dak van de grot, of wat het uiteindelijk ook zou blijken te zijn, als een druk op zich. Ineens luisterde hij met al zijn macht – maar die was verminderend. Er was een soort geluid in het donker. Niet een incidentele tik of zoiets, of stromen of ruisen van water, of iets van een herkenbaar bewegen; maar het geluid van angst. Nog niet eens een angst die zich al uit; of een angst waar al de ritseling van vluchten in zit; of zelfs de angst die zich alleen maar verraadt door het heffen van een kop, of van mogelijk zelfs een groot aantal koppen; maar een angst van iets massaals, of van een massa afzonderlijke levens, die tot iets ontwaken, dat ze zelf nog niet kennen. Zoiets als van wezens der duisternis, die voor het eerst licht zien. Enigszins te vergelijken met vleermuizen op een heel donkere zolder, die om hun as beginnen te draaien, als er licht binnenvalt. Maar dit geluid was nog massaler dan dat van vleermuizen, ook al zijn het er duizenden en zolang ze niet expres ook nog lawaai maken. Bovendien was het beneden Enno en niet op ongeveer de hoogte van het dak, of de bovenkant van het zwart.

Je zou kunnen denken aan het langs elkaar schuiven van dekens, met doorgaans vaag gebeweeg en soms plotselinger en sneller. En met slapers er onder, die nog in een diepe oerslaap vertoefden en in het wollige donker van die slaap gehinderd werden door prikkels, waarvan ze zich de aard niet realiseerden, maar die de onzekerheid van ontwaken aankondigden.
Het was verschrikkelijk opwindend, dat geluid en hoe ondefinieerbaar het in zijn wollige zachtheid ook was, het had iets angstaanjagends.
Iemand die jacht maakt op iets, houdt zich stil om de prooi niet te laten vluchten. Maar van niets was hier zo weinig sprake als van het begrip prooi en Enno moest een schreeuw geven. Om zijn bestaan hier te bevestigen en om te weten van welke aard het geheim was, dat hij beneden zich hoorde.
Aan de terugkaatsing van zijn schreeuw was af te leiden, dat de gitzwarte ruimte achter de kam niet zo erg diep en veel smaller was dan die waarin zijn mand stond. Maar nu hij zijn toorts naar beneden richtte, tot vlak voor de voet van de rotskam, zag hij maar vaag grond en op die grond niets. Hij zette de lichtstraal daarom van gespreid op gericht, om op die manier de grond iets scherper te kunnen belichten. Maar hij zag ook nu niets speciaals. Voor zover het hem mogelijk was, tuurde hij in het licht, de wand zelf af, om te kijken of ook aan die kant donkere en lichtgrijze vlakken waren, die hem eventueel een afdaling in het donker mogelijk zouden maken. Het leek hem toe dat dit zou kunnen. Maar hij was nog niet aan dat besluit toe.”

 

Anton Koolhaas (16 november 1912 – 16 december 1992)

 

De Nigeriaanse dichter en schrijver Chinua Achebe werd geboren op 16 november 1930 in Ogidi. Zie ook alle tags voor Chinua Achebe op dit blog.

 

Biafra, 1969

De eerste keer dat Biafra
Hier was, zo wordt ons verteld, was het een mooie
Figuur massief uitgehouwen in hardhout.

Vraatzuchtige witte mieren
Zaten erop en aten
Door zijn enorme neergezette voeten heen
Tot aan het grote hart en lieten
Een gegroefde, geleegde vogelverschrikker achter.

En zonovergoten golven kwamen en sloegen waanzinnig
Over zijn hol gegeten voeten
Totdat hij met zijn gezicht naar beneden in een miljoen fragmenten neerstortte.
Hij dreef vrolijk weg
Naar koude kusten – alleen cartografen
Markeerden de kustlijn
Van die vergeten massieve standplaats.

In onze tijd kwam hij terug
Met pijn en een bijtende geur
Van poeder. En woedende slopers,
Aangemoedigd door een half millennium
Van verovering, parasiterend
Op nieuwe oliedividenden, knijpen nu

Door zijn zwarte keel
Bloed en lymfe naar beneden, naar
Zijn handen en voeten,
Opgeblazen door kwashiorkor.

Moet Afrika
Voor de derde keer komen?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Chinua Achebe (16 november 1930 – 21 maart 2013)

 

De Vlaamse schrijver, dichter en politicus Yves De Bosscher werd geboren in Kortrijk op 16 november 1970. De Bosscher bracht zijn jeugd door in Harelbeke in de wijk Overleie. Op school en tijdens zijn vrije tijd was hij geëngageerd in natuur. Als vijftienjarige werd hij het jongste lid van het groencomité in Harelbeke. Later richtte hij samen met zijn vrienden een jongeren-natuurvereniging op. Zijn belangstelling voor natuur zette hij grotendeels om in poëzie en zo startte hij eerst met een reeks vogelgedichten. Hij studeerde industriële milieuzorg in hoger onderwijs en werd in 1992 milieuambtenaar bij de stad Harelbeke. De Bosscher werd in 2010 aangesteld als rivierdichter van de Zuid-West-Vlaamse milieu- en natuurverenigingen, met zijn werk tentoongesteld tijdens de voorstelling ‘Lange Leve de Leie’ van 3 tot 30 december 2010 in de openbare bibliotheek van Harelbeke. In hetzelfde jaar publiceerde hij in Cyclus Overleie een viertal gedichten over zijn jeugdherinneringen aan zijn thuishaven. Verder schreef hij meerdere verhalen over de oorsprong van De Gavers, van laaggelegen meersen tot grote vijver, waaronder het jeugdverhaal Lolo van het Natte Weidenland en Gabbar.

 

Anemone aeternam

Een sluitend vast tapijt
van witte anemonen
smoort wat late stuipen winter

In ranke stille stammen
borrelt levensstroom uit ondergrond,
nog geruisloos is de lente

Op het ruisen van de voorjaarswind
drijft het lonken en verlangen, sluipt
in warm bloed dat aan het paren slaat

strooit de zon gedempt licht in sporen
waarlangs de zomer al haar intree doet
en dra de regen spoelt in stromen

Straks zijn knoppen vol, tot barsten al bereid
komen koperwieken aangevlogen
in hun zog brengen ze herfst

Waarna alweer de sneeuw valt
die sluit als vast tapijt rond bomen
waaronder anemoon noch hyacint

op een dag
geen lente meer zal komen

 

Papaver

Ik had je lief,
ik had je liever,
dat staat nu toch zo goed als vast,
dan jij mij

Toen je mij die klaproos gaf,
frêle blaadjes rond het naaktste hart
en ik vreesde voor het breken
sloten lippen zich voor eeuwig
rond de letters van je naam.

Nooit nog had ik iemand liever
dat staat nu toch zo goed als vast,

gezegd waar het op stond.

 

Yves De Bosscher (Kortrijk, 16 november 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e november ook mijn blog van 16 november 2018 en eveneens mijn blog van 16 november 2014 deel 2.

Clemens J. Setz, Ted Berrigan

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Clemens J. Setz werd geboren op 15 november 1982 in Graz. Zie ook alle tags voor Clemens J. Setz op dit blog.

Uit: Monde vor der Landung

„Wer in Worms lebt, lebt auf dem Planeten Erde. Dieser befindet sich mitten im All und kreist dort, wie jedes Kind lernt, als riesige Kugel um eine noch größere Kugel aus Feuer. Im Jahr 1920 allerdings lebte unter den rund fünfzigtausend Wormser Bürgersleuten ein Mann, auf den nicht einmal das
zutraf. Er wohnte zwar ebenfalls, wie sie alle, in Worms, aber darüber hinaus nicht auf, sondern in einer riesigen Erdkugel, und das bei vollem Bewusstsein und ohne Protest.
Dabei bewegte er sich nicht etwa spiegelbildlich unter- irdisch zu seinen Mitgeschöpfen dahin, nein, er existierte in direkter Nachbarschaft zu ihnen, verdingte und ernährte sich neben ihnen, kam ihnen sogar täglich in Kleidung und Hut auf der Straße entgegen. Ihn umgab dabei ein riesenhaftes und geschlossenes Erdenrund: der Hohlglobus. Wo andere Himmel und Sterne sahen, da sah er nur bläuliches Füllgas und bestenfalls apfelgroße Leuchtkörperchen; wo viele die nächste Galaxie vermuteten, da wusste er Australien. Mit Geschichten über Nord- oder Südpolexpeditionen konnte man ihn zur Raserei bringen. Dieser Mann war der ehemalige königlich preußische Fliegerleutnant Peter Bender, Weltkriegsverwundeter und Träger des Eisernen Kreuzes, von Beruf Schriftsteller.
Schon während seiner ersten Aufklärungsflüge über den fleckigen Sumpfgebieten an der Weichsel war ihm die optische Täuschung aufgefallen: die K r ü m m u n g d e r E r d e.
So nannten sie das. Und sie sah, das musste man zugeben, vollkommen überzeugend aus. Wie aus dem Lehrbuch. Eine schöne, weite Wölbung, die da unter ihm schwebte. Dass Stahl unter den richtigen Bedingungen so leicht werden konnte, dass er zu fliegen begann, war an sich schon recht bedenklich. In solchen Momenten war es ihm auch möglich, zu begreifen, warum die Menschen ängstlich oder wehmütig wurden, wenn sie im Traum von ihrer Heimat weggepflückt oder fortgeweht wurden.
Ihm selbst war das als Kind einige Male passiert. Die Träume, wenn es denn welche waren, ähnelten einander immer ein wenig, die Stimmung war die gleiche und auch die Farben – alles sah bemüht und künstlich aus, wie auf handkolorierten Fotografien. Farbe, wo gar keine sein sollte.
Seltsam runde und unscharfe Ecken und Kanten. An manchen Stellen flimmerte die Farbe auch, wie die Ränder einer Öllache. Alle Menschen waren spärlich bekleidet und ihre Konturen unklar. Manche trugen ein grauweißes Funkgerätrauschen anstelle ihres Gesichts. Und er selbst bewegte sich wie in Siebenmeilensprüngen durch diese erstarrte Welt.
Dann kam jedes Mal der Augenblick im Traum, wo er aus irgendeinem Grund in den Himmel blickte.“

 

Clemens J. Setz (Graz, 15 november 1982)

 

De Amerikaanse dichter Ted Berrigan werd geboren op 15 november 1934 in Providence, Rhode Island. Zie ook alle tags voor Ted Berrigan op dit blog.

 

Een bepaalde inslag van zonlicht

In Afrika is de wijn goedkoop, en dat is
ook op Sint Marcusplein zo, onder een witte maan.
Ik ga er morgen heen, met een donkere bulk hoodie op
tegen wat er naar mij wordt geslingerd met mijn geen hoed
wat het weer is: het lange mooie meisje in de jurk met print
onder de bontkraag van haar stoffen jas zal staan
bij het draadhek waar de wilde bloemen niet te hoog worden
haar ogen zullen diepbruin zijn en haar haar, gestijld Amerika 1941 ,
zal dat ook zijn; Maar
tegen die tijd zal ik verbouwereerd zijn
Maar nu ben ik dat niet en kan ik me ook witte wolken voorstellen
onmogelijk hoog in de blauwe lucht boven een diepbedroefde kleine jongen
omdat hij gekleed is in een zwarte broek, zwarte jas, wit overhemd,
buster-brown kraag, vloeiende zwarte vlinderdas
haar hand licht rustend op zijn schouder, terwijl vervaagd zonlicht valt
op de foto, moeder en zoon, 33 en 7, eerste communiedag, 1941–
Ik ga vanavond wat drinken met een van mijn demonen
ze staan droog in de lentesneeuw van Colorado 1980.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ted Berrigan (15 november 1934 – 4 juli 1983)

 

Voor nog meer schrijvers van de 15e november zie ook mijn blog van 15 november 2018 en eveneens mijn blog van 15 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Olga Grjasnowa, Tom Hofland, Norbert Krapf

De Duitse schrijfster Olga Grjasnowa werd geboren op 14 november 1984 in Baku  Azerbeidzjan. Zie ook alle tags voor Olga Grjasnowa op dit blog.

Uit: Der Russe ist einer, der Birken liebt

„Die Lage war ernst, denn nun musste auch mein Koffer durchsucht werden. Das übernahmen zwei junge Soldaten, die beide nicht älter als zwanzig sein konnten. Sie trugen durchsichtige Plastikhandschuhe und machten Scherze, um die Situation aufzulockern. Das Mädchen durchwühlte meine Sachen und versuchte respektvoll, nicht genau hinzuschauen, weshalb sie vom glatzköpfigen Soldaten immer wieder harsch angefahren wurde. Er stand breitbeinig daneben, schaute genau auf den Inhalt des Koffers und gab Anweisungen. Jedes Kleidungsstück, jeder Schal, jede Unterhose wurden auseinandergefaltet, sämtliche Dosen auf- geschraubt, selbst meine elektrische Zahnbürste wurde auf Sprengstoff getestet. Dass ich kaum Kleidung, dafür viele Wörterbücher dabeihatte, weckte Misstrauen.
Während dieser Untersuchung fand die Befragung statt. Wen kennen Sie in Israel? Bei wem werden Sie wohnen? Für wen werden Sie arbeiten? Worin besteht Ihre Aufgabe? Der Soldat sah mir in die Augen. Weshalb ich nach Israel gekommen bin und weshalb ich nicht schon früher gekommen bin und weshalb nicht für immer. Die Soldatin durchsuchte mit ihren langen rot lackierten Nägeln meine
Arabisch-Wörterbücher, auch ihr Ton wurde zunehmend aggressiv. Weshalb ich in arabische Länder gereist bin und was ich über den Nahostkonflikt wisse.
»Sprechen Sie Arabisch?«
»Ja.«
»Weshalb?«
»Ich habe es studiert.«
»Sprechen Sie Hebräisch?«
»Nein.«
»Haben Sie einen Freund?«
»Ja. Nein. Ich meine nein.«
»Ist er Araber, Ägypter oder Palästinenser?«
»Nein.«
»Was denn dann?«
»Tot. «
Sie schauten einander irritiert an.
»Wann ist er verstorben?«, fragte die junge Frau schüchtern.
»Vor kurzem.«
»Das tut mir leid«, sagte die Soldatin und zeigte ein kleines Lächeln.
»Woran ist er gestorben?«, fragte der Soldat.
»An einer Lungenembolie.«
»War er Araber, Ägypter oder Palästinenser?«
Als ich noch überlegte, ob mir diese Frage eben tatsächlich gestellt wurde, hörten wir die Durchsage: »Do not be alarmed by gunshots because the Israeli security needs to blow up suspicious passanger luggage.«
Mehrere Schüsse folgten. Das Walkie-Talkie des Glatzkopfs klingelte, er sprach schnell und aufgeregt hinein. Die Soldaten schlossen meinen Koffer. Sie entschuldigten sich für die Untersuchung, sagten, sie sei wegen der Sicherheitssituation nötig gewesen, und wünschten mir viel Vergnügen
im Heiligen Land.“

 

Olga Grjasnowa (Baku, 14 november 1984)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en programmamaker Tom Hofland werd geboren in Apeldoorn op 14 november 1990. Zie ook alle tags voor Tom Hofland op dit blog.

Uit: Een stroopgraf voor de bij

“Ik verwachtte dat het bed te Hein zou zijn, maar ik kon mijn benen strekken zonder de randen te raken. Naast mijn hoofd jungledieren; lome giraffen, afwachtende tijgers. Bij mijn voeteneinde glansde het plastic van het radiowekkertje. De globe, mijn nachtlampje, stond in de hoek en scheen zijn vaaloranje licht over de enkele meubels. Stickers van Power Rangers op mijn bed. Ik pulkte aan de randen; tevergeefs. Ook hier leek de lijmlaag twintig jaar de tijd te hebben gehad om zich te kunnen hechten. Hoe merkwaardig: ik had ze geen foto’s aangeleverd of schetsen gemaakt. Ze moesten het met een mondelinge beschrijving doen, en blijkbaar hadden ze daar ook genoeg aan. Alles was zoals het was. Deze kamer had nooit prettig gevoeld. Hij was klein met schuine, benauwende wanden die constant op je hoofd dreigden te zakken. Er zaten altijd spinnen en soms liep er een valse kat binnen die me wilde krabben als ik hem aaide. Mijn kamerdeur stond ’s nachts open, en wanneer ik naar de donkere overloop keek wist ik zeker dat vreemde ogen me bespiedden, wachtend tot ik sliep, om dan over de drempel te komen om iets met me te doen. Toch sloot ik de deur niet. Opgesloten zitten in deze kamer leek me nog enger dan dat wat me op de gang stond te beloeren.
Ik sloot mijn ogen en deed mijn best aan rustgevende dingen te denken. Er kwam een beeld naar boven van mijn vader op de overloop, met een kromme rug achter de computerkast gedoken. Door het tikken van het toetsenbord ontspanden mijn krampachtige oogleden. In de zomer was het beter: dan lag ik voor het donker was in bed en viel ik zonder vrees in slaap. Geen spook dat zich in het zonlicht durfde te tonen of zich alvast op mijn drempel nestelde voor de nacht. In de zomer was ik veilig. Dan hoorde ik de stemmen van mijn ouders in de tuin.”

 

Tom Hofland (Apeldoorn, 14 november 1990)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Norbert Krapf werd geboren op 14 november 1943 in Jasper, Indiana. Zie ook alle tags voor Norbert Krapf op dit blog.

 

Sancho Panza’s bonen

Geen Palmzondag Koning,
volg ik op mijn ezel
waarheen de meester ook gaat.
Mijn zadeltassen zijn vol
bonen, knoflook en ui
die ik op het vuur kook
’s nachts om zijn hersenschim te voeden.
Ik geef hem ’s nachts bonen en hij
maakt overdag gedichten.
Hem dien ik, en zijn gedicht
dat lijkt op een lans die hij
in een windmolen kan steken.
Zijn gedicht is zijn redding
en het is aan mij die aan te reiken.
We hebben allemaal onze expressiemiddelen.
Ik rijd hoog op mijn ezel met mijn tassen
vol bonen en zeg tegen mezelf:
“Mijn koninkrijk voor een boon of een gedicht.”

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Norbert Krapf (Jasper, 14 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e november ook mijn blog van 14 november 2020  deel 1 en ook deel 2 en ook  mijn blog van 14 november 2018 en eveneens mijn blog van 14 november 2015 deel 2.

Frank Westerman, Timo Berger

De Nederlandse schrijver en journalist Frank Martin Westerman werd geboren in Emmen op 13 november 1964. Zie ook alle tags voor Frank Westerman op dit blog.

Uit: Te waar om mooi te zijn

“Toen mijn dochter elf was reisden we samen met de nachttrein naar Perpignan. ’s Ochtends hadden we de Thalys naar Parijs genomen. Tussen Gare du Nord en Gare d’Austerlitz gaapten vier mix Wat te doen in die overstaptijd? De Seine! Een stukje Jardin des Plantes. Bij de ingang van de dierentuin stonden metershoge kisten voor het transport van giraffen. We liepen eraan voorbij — op naar de Notre Dame. Nog drie uur. Niet te ver afdwalen nu, geen Eiffeltoren, geen Louvre, geen Galeries Lafayette. We klommen omhoog, het Quartier Latin in, en toen wist ik het. Ik zou mijn dochter een verbluffend instrument laten zien — eentje dat je blik op de werkelijkheid voorgoed doet kantelen. Een halfuur later stonden we nietig tussen de zuilen van het Panthéon. Ooit een godshuis, nu een tempel voor de rede. In het middenschip, rakelings boven de mozaïekvloer, wiegt jaar in jaar uit een goudkoperen kogel. Geïnstalleerd door Léon Foucault in 1851 om de ‘ongelovigen te demonstreren dat de aarde om haar as draait. De slinger van Foucault gaat zijn eigen gang, traag schommelend, hypnotiserend. Wie een uur later nog eens komt kijken, ontdekt dat het vlak waarin de slinger beweegt enkele graden is gedraaid. Daarnet nog zwierde de kogel exact van die ene zuil naar de recht tegenover liggende, nu komt hij naast die zuil uit. Als je je ogen niet gelooft, hoefje alleen maar in het verlengde van de slinger te gaan staan en dan net zo lang te wachten tot je niet meer in het verlengde staat. De slinger van Foucault lacht je uit: ‘Sta niet zo te staren. Ik ben niet gedraaid jullie draaien om mij heen, samen met het Panthéon en die hele planeet van jullie: Weer buiten op het plein bewonderden we het silhouet van de Eiffeltoren bij zonsondergang, als op een ansichtkaart. Tien uur later, staande voor een opengeklapt raampje in het gangpad van onze ritmisch schokkende trein, zagen we de zon oprijzen uit de Middellandse Zee.
Terwijl wij sliepen was de wereld doorgegaan met wentelen, dat was het duizelingwekkende.
Toen ik zelf elf was wilde ik landmeter worden. Ik voelde me aangetrokken tot de landmeters bij ons in de straat — mannen in oranje hesjes met reflecterende strepen. Turend door hun kijkers liepen ze alle dingen in de omgeving na; gewoon voor de zekerheid, of alles inderdaad zo was als het leek. Van dit nalopen van de werkelijkheid heb ik mijn beroep gemaakt. Wat is Wahrheit, wat is Dichtung? Ik laat me niet graag bedonderen, maar wel betoveren — met als gevolg dat ik al mijn leven lang achter feiten aanhol. Die feiten spreken nooit voor zich. Al rooster je ze boven een vuurtje, ze houden hun mond. Jij bent het die de feiten een stem geeft, leven inblaast. We zijn feitenfluisteraars die de dingen woorden en betekenissen toedichten. Heel poëtisch.”

 

Frank Westerman (Emmen, 13 november 1964)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Timo Berger werd geboren op 13 november 1974 in Stuttgart. Zie ook alle tags voor Timo Berger op dit blog.

 

Botanische tuin

Geen papegaaienspot, geen naakte
wilde, de eerste foto’s van de stad
aan de Januaririvier duiken met licht
rode tint op: Giselle en haar auto

liefde: een zandkleurige kever draagt
de
Nouvelle Vague schor spinnend
door de bochten:
in dit voertuig
gaat me geen taxi-boy vlekken maken

Tegen de achteruitkijkspiegel zwiept Elvis
The King, uit hard rubber, een seks
belofte, terwijl achter ons
een wit geschilderde slagboom daalt

De eerste veiligheidsring, wij leven
zegt Giselle,
aan de pluskant
van de stad, waar beneden in de dalen
elke nacht de nacht binnenvalt

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Timo Berger (Stuttgart, 13 november 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e november ook mijn blog van 13 november 2018 en ook mijn blog van 13 november 2017 en eveneens mijn blog van 13 november 2016 deel 2.

Daniël Dee, Hans Magnus Enzensberger

De Nederlandse dichter Daniël Dee werd geboren op 12 november 1975 in Empangeni, Zuid-Afrika. Zie ook alle tags voor Daniël Dee op dit blog.

 

Die dag in de zomer…

Die dag in de zomer vertelde een vriend dat hij zich door een
vriendin had laten omhullen om zich lid te maken van een
dating-site. Het was zo’n dag dat het bijna te veel was om je
schoenen aan te trekken. Ik trok ze dan ook zeer traag aan.

Ik was de avond daarvoor met kleren aan in slaap gevallen.
Later in de kroeg zeiden al mijn mannelijke vrienden min of
meer hetzelfde als ze hoorden dat het uit was: ‘Wat een hoer.’
Er was ook een meisje in de kroeg die tegen iedereen die het
wilde horen en iedereen die het niet wilde horen zei dat ze een
vrouw met een relatie was. Ik sloeg geen enkel hoofd op de bar,
maar wel vele biertjes achterover. Mijn handen en voeten
voelden permanent koud aan. Kortom: enerverend avondje waar
helaas geen foto’s van genomen zijn.

Hoewel ik in mijn dagboek normaalgesproken alleen opschreef
met wie ik in bed belandde, met daarachter tussenhaakjes de
kwalificaties goed, matig of slecht, en slechts een enkele maal
mijn verbazing over bepaalde acrobatiek, schreef ik ditmaals iets
diepzinnigs. Herinnering is een moeras dat je dieper en dieper
zuigt. Herinnering is een ziekbed waar je niet meer uit opstaat.
Begeerte is de tegenstelling van haat; haat en verlangen zijn
evengoed nauw verwant. De weersomstandigheden vermeldde ik
er niet bij.

 

Wat ik mijn verloofde nog moet zeggen voor de apocalyps

Witlof is niet sexy, heeft geen selling head.
Hij zal met je vrijen als een strijkplank in je bed.

Witlof is de saaiste groente aller groentes. Dat beseft hij zelf ook
terdege, daarom is hij zo verbitterd.

Witlof zal nooit zelfstandig zijn natuurlijke vijanden, zoals
de chalara elegans of de wollige slawortelluis, ondermijnen
of zelfs maar het hoofd bieden.

Witlof brengt geen serenade onder je balkon om je uit je bed
te schudden. Laat de bloempotten dus gerust op hun plaats.

Witlof neemt je niet mee op vakantie naar een Bounty-eiland voor
een cocktail onder een parasol.

Witlof zal nooit een pretpark bouwen, zoals zijn kwekers wel doen
op hun braakliggende land.

Na de zoveelste oorlog was het land leeg, dus haar boeren
bouwden een pretpark met een pythonachtbaan.
Zij nodigden iedereen uit, zonder entree te heffen.

Na verloop van tijd begonnen de bezoekers baldadig
vernielingen aan te richten en de python kreeg een eigen
holderdebolder willetje. Er vielen doden. Er vielen nog meer
doden en er werden schouders opgehaald.

Witlof weet niet hoe te beklijven en witlof weet niet hoe een hart
te veroveren. Het interesseert hem geen biet.

Om verdere brokken te voorkomen prefereer ik derhalve bloemkool.

 

Daniël Dee (Empangeni, 12 november 1975)

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook alle tags voor Hans Magnus Enzensberger op dit blog.

 

Een observatie bij het stuivertje-wisselen aan de top

Dit schrapende geluid,
een schuren, dag en nacht,
van tenen, vingers, klauwen –
komt van het krassen,
het klimmen, het krabbelen van
wie daar met ingehouden adem
omhoog willen, omhoog

almaar omhoog, vol angst,
angst dat de losse bergwand
meegeeft onder hun nagels,
zodat ze naar beneden, waar
ze begonnen zijn, vallen,
en wel, hoe meer ze, in paniek,
nog eer ’t verweerd gesteente

brokkelt, breekt, op alles
wat ze onder zich vermoeden
om zich heen gaan trappen,
des te dieper, niet te stuiten

bergafwaarts

 

Vertaald door Paul van den Hout

 

Hans Magnus Enzensberger (11 november 1929 – 24 november 2022

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e november ook mijn blog van 12 november 2018 en ook mijn blog van 12 november 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

Jan van Nijlen, Hans Magnus Enzensberger

De Vlaamse dichter en schrijver Jan van Nijlen werd geboren op 10 november 1884 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jan van Nijlen op dit blog.

 

November

Ik denk aan dezen die geboren werden
in de eenzame uren van dees langen dag,
ik denk aan liefden die verloren werden
en die geen enkle klacht herinn’ren mag.

En ’t lijkt mij of degeen die ’t leven kregen
vandaag, de arme doolaards zullen zijn
die moeten gaan met in hun hart: de pijn,
en in hun ziel: het droef geruisch van regen.

Kom, sluit het venster, liefste, en laat de vlagen
novemberklagend ruischen in den wind!
Uw handen zijn zoo vroom als van een kind;

‘Kom, leg ze op ’t voorhoofd van den moeden man
die aan die hand een weinig vreugd komt vragen
en hoopt nog op ’t geluk dat komen kan…

 

De dubbelganger

’t Is Jan van Nijlen niet
Die zijn gedichten schreef,
Ik ben de dichter
Van de verzen die hij schreef.
Ik was het die,
Terwijl van Nijlen sliep,
Bij lente- en zomertijd
Door bos en weide liep.
Die kruiden zocht en bloemen
En praatte met de dieren,
En die, terwijl hij op een droog kantoor
Zijn ziel en zaligheid verloor,
In zijn plaats naar de wolken keek.
Hij las de boeken die ik kocht,
Ik was de analfabeet, hij de geleerde.
Ik had het druk, hij liet zich rustig leven,
Hij kreeg het geld en werd gedecoreerd.
O muthos deloi! ja,
De fabel leert
Dat hij die het verdient
Nooit wordt geëerd.
’t Is nogal vreemd:
Van Nijlen had geen wroeging
En vond het heel normaal
Dat het zo toeging.

 

Sonnet

Mijn leven is een lange ontgoocheling;
en alles wat ik droomde in mijn gedachten,
en alles wat ik dacht in droomen-nachten,
en al wat ‘k vroeg en al wat ik ontving,

leeft niet langer in mijn herinnering
dan gloed van oogen die maar even lachtten
en dan zich sloten, wijl ik lang bleef wachten
of niet dat oog nog éénmaal openging.

En wijl ‘k niet weet of dat het leven is,
dat droomen-sterven en dat droomen-groeien
zonder te weten wat vergeven is,

ga ik naar ’t land waar blij de jonge lent’
heur lachende’ oogen opent, want daar bloeien
droomen van blijheid die geen ander kent…

 

Jan van Nijlen (10 november 1884 – 14 augustus 1965)

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook alle tags voor Hans Magnus Enzensberger op dit blog.

 

Het verhaal van de wolken

Ter bestrijding van stress, kommer, jaloezie en depressie
verdient het aanbeveling naar de wolken te kijken.
Met hun roodgouden avondranden
overtreffen ze Patinir en Tiepolo.
De vluchtigste aller meesterwerken,
moeilijker te tellen dan een rendierkudde,
belanden in geen museum.
Wolkenarcheologie – een wetenschap
voor de engelen. Ja, zonder de wolken
zou alles wat leeft, sterven. Uitvinders zijn het:
zonder hen geen vuur, geen elektrisch licht.
Ja, het verdient aanbeveling om bij vermoeidheid,
woede en vertwijfeling de ogen
ten hemel te wenden.

 

Vertaald door René Smeets

 

Hans Magnus Enzensberger (11 november 1929 – 24 november 2022)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e november ook mijn blog van 10 november 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Lloyd Haft, Anne Sexton

De Nederlandstalige dichter, vertaler en sinoloog Lloyd Lewis Haft werd geboren in Sheboygan, Wisconsin, op 9 november 1946. Zie ook alle tags voor Lloyd Haft op dit blog.

 

Middagje museum

‘De zon is nog altijd niet doorgebroken’ –
bij wélke poort wacht Joachim op Anna?
Wij kijken naar bulgaarse schilderijen
terwijl het weer verslechtert inderdaad.

Engelenboodschappers had je toen,
of wat wij nachten noemen. En het blijft
de regen ver te boven gaan, zo’n wachten
dat wekt en doorverwekt, nog op de middag.

De yoghurtbar gesloten en een rookverbod
waar niemand zich aan houdt, enkele buien,
zie er maar uit te komen overdag.
Het beeld al lang gewend, zelfs de bedoeling –

maar boven het bekende blijft een horen,
dat teisteren. Het dak: ze moet van verre.

 

Moeder

Er is één uur,
één weten.
Alles in één gezien,
niet verhaald, niet vergeten

De rest was een ander –
dat waren jaren;
woorden
die woeien, niet waren.

Maar hier – het uur dat ik groet
en rakende weet,
warmt mijn hand van nabij
en van zegen,

houd ik in mijn handen,
hier bij mijn hart,
hier in mijn armen verheven.

Onder mijn stem stilte,
onder mijn hart de hemel:
geen ander weet de naam want hier,
hier zijn wij één.

 

Naar Lucas 1:26-35

Een maagd: een verwachten.
Buiten alle banden
van schande.
Alle verlangen
is buiten alle banden.
In schaduw wordt
een stem gehoord,
gevoeld: geen wet.
‘Geef, geef mij door.’ Wij geven
een gevoelen door, een horen,
een schaduw van verlangen.

 

Lloyd Haft (Sheboygan, 9 november 1946)

 

De Engelse dichteres en schrijfster Anne Sexton werd geboren op 9 november 1928 in Newton, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Anne Sexton op dit blog.

 

De sterrennacht

Dat weerhoudt me niet van een vreselijke behoefte aan – zal ik het zeggen – religie. Dan ga ik ’s nachts naar buiten om de sterren te schilderen.
Vincent van Gogh in een brief aan zijn broer.

De stad bestaat niet
behalve waar een zwartharige boom als
een verdronken vrouw de hete hemel inglipt
De stad is stil. De nacht kookt met elf sterren.
O sterrennacht, sterrennacht! Zo en niet anders

wil ik sterven.

Hij beweegt. Alles leeft.
Zelfs de maan hangt puilend in oranje beugels
om, als een god, kinderen uit zijn oog te persen.
De oude ongeziene slang slokt de sterren op.
O sterrennacht, sterrennacht! Zo en niet anders
wil ik sterven:

het razende beest van de nacht in,
opgeslorpt door die grote draak,
de pijp uitgaan zonder vlag,
zonder buik,
zonder kreet.

 

Vertaald door Anneke Brassinga

 

Anne Sexton (9 november 1928 – 4 oktober 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e november ook mijn blog van 9 november 2018 en ook mijn blog van 9 november 2014 deel 1 en eveneens deel 2.

Natalka Bilotserkivets, Anne Sexton

De Oekraïense dichteres en vertaalster Natalka Bilotserkivets werd geboren op 8 november 1954 in het dorp Kuyanivka in de buurt van Soemy. Zie ook alle tags voor Natalka Bilotserkivets op dit blog.

 

We’ll Not Die in Paris

I will die in Paris on Thursday evening.

                                        — Cesar Vallejo

You forget the lines smells colors and sounds
sight weakens       hearing fades       simple pleasures pass
you lift your face and hands toward your soul
but to high and unreachable summits it soars

what remains is only the depot       the last stop
the gray foam of goodbyes lathers and swells
already it washes over my naked palms
its awful sweet warmth seeps into my mouth
love alone remains though better off gone

in a provincial bed I cried till exhausted
through the window       a scraggly rose-colored lilac spied
the train moved on       spent lovers stared
at the dirty shelf heaving beneath your flesh
outside a depot’s spring passed       grew quiet

we’ll not die in Paris       I know now for sure
but in a sweat and tear-stained provincial bed
no one will serve us our cognac       I know
we won’t be saved by kisses
under the Pont Mirabeau murky circles won’t fade

too bitter we cried       abused nature
we loved too fiercely
                        our lovers shamed
too many poems we wrote
                        disregarding poets
they’ll not let us die in Paris
and the alluring water
                        under the Pont Mirabeau
will be encircled with barricades

 

The Letter

You go out for bread and milk in the morning.
Returning, you see the mailwoman—
she’s walking away from your house.
As usual, you imagine her two schoolchildren.
It seems you and she are the same age.

Two dozen blue mailboxes.
Yours, number 20, is at the bottom on the right.
A key on the delicate ring.
Newspapers, bills, letters.

You sit with the white envelope for an hour and a half,
studying stamps, cancellation marks.
And you can neither cut nor tear
nor dissect the letters of the return address.

Hide it deep inside your writing desk
like wilted flower petals in a volume of verse,
like a handful of ashes.

If you could take and burn this body, if you could leave
only the spirit, only the X-rays on a spinal image,
only the young vertebrae under an invisible surface,
under someone’s hands,

stroking from neck to thigh.

 

We zullen niet sterven in Parijs

Donderdagavond zal ik sterven in Parijs
— Cesar Vallejo

De lijnen luchten kleuren klanken worden uitgewist
gezicht verslapt gehoor verzwakt – gewone vreugden doven
je strekt je armen je gezicht uit naar je ziel
maar ze vliegt hoog onbereikbaar over

het enige wat rest: het station met het laatste perron
het grauwe afscheidsschuim wervelt en zwelt
nu spoelt het mijn weerloze handen al weg
dringt met zijn weezoete warmte mijn mond in
de liefde is gebleven – was ze er maar niet geweest

in een provinciebed had ik tot uitputtens gehuild
walgelijk keek de blozende vlier door het raam
de trein reed zacht en een verliefd stel keek lui toe
hoe onder jouw lichaam de vuile ligplank hijgde
de banale lente stiller en stiller op het station

we sterven niet in Parijs dat weet ik nu zeker
maar in een provinciebed nat van tranen zweet
niemand zal jou je cognac serveren ik weet
door niemand gekust worden wij niet getroost
geen kringen van donker onder Pont Mirabeau

te bitter hebben we gehuild – de natuur geschoffeerd
te hevig de liefde bedreven
– de minnaars beschaamd
te vurig geschreven – en de dichters beledigd
die ons nooit in Parijs laten sterven – rond het water
onder Pont Mirabeau hun dichte ring van bewakers.

 

Vertaald door Gerard Rasch

 

Natalka Bilotserkivets (Kuyanivka, 8 november 1954)

 

De Engelse dichteres en schrijfster Anne Sexton werd geboren op 9 november 1928 in Newton, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Anne Sexton op dit blog.

 

De furie van zonsondergangen

Iets
kouds hangt in de lucht,
een sfeer van ijs
en slijm.
De hele dag heb ik
mijn tijd van leven opgebouwd en nu
daalt de zon en laat
er niets van heel.
De horizon bloedt
en zuigt op zijn duim.
De kleine rode duim
gaat onder.
En ik verwonder me
over deze tijd van leven met mezelf,
deze droom die ik uitleef.
Ik kan de lucht opeten
als een appel
maar liever
vraag ik de eerste ster:
wat doe ik hier?
wat moet ik in dit huis?
wie zit erachter?
nou?

 

Vertaald door Anneke Brassinga

 

Anne Sexton (9 november 1928 – 4 oktober 1974)
Portret door John Springfield, 2017

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e november ook mijn blog van 8 november 2018 en eveneens mijn blog van 8 november 2015 deel 2.

Willy Vlautin, Alice Notley

De Amerikaanse schrijver, muzikant en songwriter Willy Vlautin werd geboren op 7 november 1967 in Reno, Nevada. Zie ook alle tags voor Willy Vlautin op dit blog.

Uit: Laat me niet vallen (Vertaald door Dirk-Jan Arensman)

“Horace Hopper deed zijn ogen open en keek op de klok: vijf uur ’s morgens. De eerste gedachte die die ochtend in hem opkwam was aan zijn moeder, die hij bijna drie jaar niet had gezien. Daarna bedacht hij dat hij over iets meer dan een week in zijn eentje in een bus naar Tucson zou zitten. Nog geen minuut wakker en nu al lag er een steen op zijn maag. Hij stond op, trok een spijkerbroek, een geruit westernoverhemd met lange mouwen en zijn laarzen aan, en probeerde zichzelf vervolgens wakker te krijgen. Hij dronk een glas water en staarde naar de foto’s van boksers die hij met plakband aan de wand van de caravan had opgehangen. De uitgeknipte foto’s kwamen uit nummers van Ring Magazine en de boksers waren Mexicaans. De grootste foto was van een partij tussen Israel Vázquez en Rafael Márquez. Hij was gemaakt in de derde ronde van hun vierde onderlinge gevecht, op het moment dat Vázquez Márquez raakte met een genadeloze linkse hoek. Rechts van die foto hing de broer van Rafael Márquez, de geweldenaar Juan Manuel Márquez, en links van hem de legendarische Julio César Chávez, met een sombrero op. Daaronder hing een foto van zijn favoriete bokser, Erik Morales. Links van Morales hing Juan Diaz en op die foto had Horace met een zwarte viltstift `De Geleerde’ geschreven. Naast de Geleerde’ hing Antonio Margarito. Een zwarte viltstift had zijn gezicht doorgekrast. ‘De Valsspeler’.
Hij griste een versleten en getafeld notitieboekje van een plank naast het bed en sloeg het open. Op de eerste bladzijde stond handgeschreven met blauwe pen ‘logboek van nachtmerries’. Hij bladerde een stuk of vijf, zes pagina’s door, tot hij was aanbeland hij ‘Achtergelaten worden in Tonopahs’. Daaronder stonden tweeëndertig streepjes. Hij voegde er eentje aan toe, waarmee het er drieëndertig waren. Vervolgens bladerde hij door naar de laatste pagina’s en onder aan een bijna volle noteerde hij de datum en schreef hij hetzelfde op dat hij de dag daarvoor en de dag daarvoor ook al had opgeschreven: ‘Ik ga iemand worden”. Hij zette een fluitketel op het propaanfornuis, maakte oploskoffie, roerei van vier eieren en nam alles moe naar buiten om in het diepe. blauw van de dageraad aan een picknicktafeltje te gaan zitten eten. De wit-met-oranje Prowler-caravan uit 1983 waarin hij woonde stond op een heuvel met uitzicht op de tachtig hectare van de Little Reese Ranch, een meter of honderd achter de hoofdgebouwen. Er stond een luifel met een tinnen dak voor de caravan, met daaronder een fiets, de picknicktafel, een barbecue en een tuinstoel. Ernaast stond een aftandse vierdeurs Saturn met een lekke band geparkeerd. Hij was na zijn eindexamen van het grote huis hierheen verhuisd, omdat meneer Reese dacht dat Horace misschien wel zijn eigen stekje wilde hebben waar hij zo laat kon opblijven als hij wilde, zijn muziek zo hard kon draaien als hij wilde en iedereen mee naartoe kon nemen die hij wilde. Een vrijgezellenhok.”

 

Willy Vlautin (Reno, 7 november 1967)

 

De Amerikaanse dichteres Alice Notley werd geboren op 8 november 1945 in Bisbee, Arizona. Zie ook alle tags voor Allice Notley op dit blog.

 

IN DE CYCLUS

In de cyclus
van schaduwen en doorgang; in de cyclus
van schaduwrijke doorgangen waarvan
de paden gevoelig zijn,
met een patroon en rationeel als
alsof ze iets wisten;

Toen haar liefde koud aanvoelde, maar
deskundig
Dat design existent bijna zonder mij,
in mijn vrije moment
Maar je zult nooit iets over haar weten;

Terwijl ik sliep
en invloed had op mijn meest obscure
lotlijnen,
vanaf het begin,
toen ik, zeg je, hem volgde;
Overstekend naar
iets onbekends
noch hij, noch jij konden het raden;
vanaf de eerste gevaren van mijn jeugd
en nog steeds niet benoemd of bewust;

Ik heb nu voor velen gesproken die
tegen mij spraken
We hebben veranderd wat we konden;
Maar als je niet weet, dat je bent voorbestemd
kun je dan weten hoe licht je bent?

Ik loop nog steeds blootvoets en mijn doden ook

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Alice Notley (Bisbee, 8 november 1945)

 

Zie voor meer schrijvers van de 7e november ook mijn blog van 7 november 2020 en eveneens mijn blog van 7 november 2018 en ook mijn blog van 7 november 2017 en ook mijn blog van 7 november 2015 deel 2.