Marjolijn van Heemstra, Willem Elsschot, Almudena Grandes, Peter Carey, Robert Browning

 

Dolce far niente

 

 
Slaaploze nacht door Nikolaj Romadin, z.j.

 

Slaapdagboek

Slaapadvies 1 tot en met 5:
Verwijder wekkers.
Maak de avond rond en elke handeling een bocht op weg naar slaap.
Creëer gewoontes, simpel als een glas water.
Draag een pyjama om het lijf te overtuigen van de nacht.
Denk als je wakker ligt niet: ik lig wakker. Denk: ik lig en dat is het begin van slapen.

Maar dit begin ligt gekanteld, vier poten en de blik omhoog, als een schaap niet in staat zichzelf te draaien. De nacht heeft in- en uitgeademd, op de wekker die ik wegdeed hebben de wijzers zestiggraden afgelegd, gradaties donker trokken door de kamer tot nu, de meest doorlaatbare, nautische schemer: al urenlang verandert alles, maar niet dit begin — of hoe moet ik het noemen? Een zeef tussen binnen en buiten. Het wiegen van een tak in en uit de schaduw. Dit schommelend in tweeën liggen: half verdwenen, half aanwezig.

Slaapadvies 6: De pijnappelklier, de pit in de hersens die donker meet en doet versuffen kan gebaat zijn met een dosis extra melatonine.

In afwachting van de werking google ik de klier, de pit. De zetel van de ziel, schrijft Descartes, ter grootte van een erwt. Een kogelrond vissenoog dat open en glazig mijn brein verkent; schaamte, klein conflict, wie te bellen, wat te zeggen, wat recht moet, ongedaan gemaakt, het overzichtelijk leed dat leven heet en zich ’s nachts tot rozenkrans rijgt. Het oog schiet erlangs, kraal voor kraal, razendsnel, een waanzinnige erwt, een neurotische non in gebed. Als dit een zetel is, dan een wankele, mijn ziel tot wandelen gedoemd.

Slaapadvies 7: Een bed is groter dan een bed. Het is het hele huis dat je toedekt, inclusief zijn mensen. Ken het ritme van wie naast je ligt.

Maar ik vind geen ritme of het moet het ritme zijn van een ruïne, een langzaam overwoekerd worden. Van zijn lichaam losgeknoopt ligt wie naast mij ligt geduldig te vergaan tot open plek. Wie weet waar hij nu wakker is, met wie zijn geest versmelt. In zijn adem hoor ik geroezemoes van nachtelijk bezoek terwijl ik gesloten op de veren lig.

Slaapadvies 8 tot en met 31:
Vermijd licht. Verduister. Oefen.
Eet bananen. Eet geen fruit.
Zoek het licht op. Drink warme melk.
Kies een houding waarin slaap je overvalt.
Sta op. Val af. Open ramen.
Trek sokken aan. Sokken uit. Vermijd melk. Adem. Handen naast je.
Pieker niet. Lees. Wandel. Lig stil.
Praat. Tel. Vergeet.
Onthaal de slaap.

Achter me een trage voetstap, een paard, in het laatste donker opgedoemd, dat mij volgt, het hoofd een zware engel in mijn nek. Ik verberg me in de manen, val uit mijn wervels, gered. Ik aai, klop, juich maar vergeet het paard te voeren, het loopt doodkalm van mij weg.

Slaapadvies 32:
Becijfer, om grip te krijgen, je slaap van een tot tien.
De laatste tram.
Een dronken galm.
De hese stem van het meisje bij de buren op tv.
Negen, acht.
Het rolluik van de avondwinkel. Zeven.
Laag voor laag afgepeld. Zes, vijf vier, tot dit bangste dier

 

 
Marjolijn van Heemstra (Amsterdam, 10 februari 1981)
Amsterdam bij nacht

 

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Villa des Roses

‘Pension de famille de premier ord re’ was wel een beetje overdreven. Wat het ‘confort moderne’ betreft, dat bestond voornamelijk hierin, dat men dadelijk een huissleutel kreeg en dus ook bij nacht vrij gaan en komen kon zonder iemand te moeten opbellen. Elektrische verlichting en een badgelegenheid daarentegen, hield men er niet op na. Werd er al eens naar gevraagd door een nieuweling die zich na een week of zo onrein begon te gevoelen, of door een die er alles van weten wilde voor hij begon, dan maakte madame Brulot hem duidelijk dat zij van beide nieuwigheden afgezien had wegens het daaraan verbonden gevaar. Het afbranden van de Bazar de la Charité, waarbij een paar honderd mensen het leven verloren, was volgens madame Brulot veroorzaakt door kortsluiting in de elektrische geleiding, en schuin over de Villa was er eens een deurwaarder van nog geen veertig jaar in zijn bad gestikt, zonder dat de buren ook maar één kreet vernomen hadden. Door `déjeuners et diners au cachet’ werd bedoeld dat men ook ’s middags of ’s avonds kon komen eten zonder dat men in de Villa zijn intrek behoefde te nemen, waardoor het aantal monden nogal afwisselde. Het ‘English spoken’ dagtekende uit een tijd toen er onder de kostgangers der Villa een heer was, die in Londen had gewoond en daarom opsneed met zijn Engels. Nog steeds kende madame Brulot een woord of vijf zoals yes, no, money, room en dinner. Laat ons Caesar geven wat hem toekomt. Het dient ter ere van madame Brulot gezegd dat het eten, een paar artikelen van ondergeschikt belang en dan die eieren terzijde gelaten. heus zo slecht niet was. De grondstoffen kocht zij in eigen persoon en het toebereiden ervan werd overgelaten aan de zorgen van een keukenmeid. bijgestaan door een kamermeisje, dat gewoonlijk ook net iets van koken afwist. De spijzen. althans die welke genuttigd werden op de twee grote gemeenschappelijke maaltijden. welke respectievelijk ’s middags om twaalf en ’s avoinds om zeven uur aanvingen, waren voor alle kostgangers dezelfde. Maar toch werden zeer uiteenlopende prijzen betaald. Hierop hadden verscheidene factoren een meer of minder overwegende invloed, en wel in de eerste plaats de grootte, ligging en meubilering der kamer welke men betrok, de hoeveelheid voedsel welke men gebruikte, de financiele reputatie van het land waar men vandaan kwam (Amerikanen bijvoorbeeld betaalden in de regel meer dan Polen of Armeniers) eindelijk de gezondheid en de ouderdom der kostgangers in verband met de meer of mindere last door ieder van hen veroorzaakt. Men werd dan ook nooit anders dan op proef aangenomen, hetzij voor een week, hetzij voor een maand, al naar gelang van de indruk die men hij het eerste onderhoud op madame Brulot maakte, waarbij ook rekening gehouden werd met het gewicht en de kubiekinhoud van het meegebrachte reisgoed. Dit laatste was echter hij de beoordeling gaandeweg minder overwegend geworden, sedert madame Brulot allertreurigste ondervindingen opgedaan had met een paar reusachtige koffers. Madame Brulot beoordeelde haar nieuwelingen nog dikwijls zeer verkeerd, al had zij tijd genoeg gehad om zich in de loop der jaren te volmaken in een studie, welke toch rechtstreeks tot haar vak behoorde. Zo kon zij zich niet geheel losmaken an het vooroordeel, dat dikke mensen altijd veel en magere gewoonlijk weinig spijs en drank gebruiken, zonder te bedenken dat zwaarlijvigen dikwijls matigheid moeten betrachten, terwijl magere kerels vaak met een lintworm rondlopen, wat natuurlijk een ramp is voor een kosthuis.”

 


Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960)
Cover DVD

 

De Spaanse schrijfster Almudena Grandes Hernández werd geboren op 7 mei 1960 in Madrid. Zie ook alle tags voor Almudena Grandes op dit blog.

Uit: De vijand van mijn vader (Vertaald door Mia Buursma)

“Dat was waar, maar ook niet waar. Ze was geboren aan zee, in een buurtschapje van vissers, zo dicht bij Almería dat het haast een buitenwijk van de stad leek. Daar was het nooit koud. Dat wist ik omdat haar jongste zus begin maart was getrouwd en ons had uitgenodigd voor de trouwerij. Aanvankelijk had het bericht weinig indruk op mij gemaakt, want we hadden wel vaker dergelijke uitnodigingen gekregen en daar was nooit iets mee gebeurd, maar die keer was anders dan anders. Ten eerste omdat mijn moeder had besloten ernaartoe te gaan, om weer terug te gaan naar haar dorp waar ze meer dan tien jaar niet was geweest. En ook omdat ze had besloten ons mee te nemen. In 1947 was die reis een enorme gebeurtenis voor elke familie in de Sierra Sur.
‘En waarom gaat papa niet mee?’ durfde ik te vragen toen we al in de streekbus zaten die ons van Fuensanta naar Martos zou brengen, terwijl ik door het raampje naar hem keek en zag hoe hij ons op de stoep stond uit te zwaaien.
‘Daarom niet.’
‘Maar waarom niet?’
‘Omdat hij niet kan.’
‘Moet hij werken?’
‘Ja, natuurlijk.’
Die ochtend was mijn dorp ontwaakt onder een dun laagje sneeuw. In Martos was de sneeuw niet blijven liggen, maar het was er wel heel koud. Dat weet ik nog, omdat de bus ons met ruim twintig minuten vertraging afzette bij het station en we naar de trein moesten rennen, maar ondanks het geren, het gezweet en het gedoe met de koffers met de cadeaus voor de bruid en haar familie kregen we het maar niet warm.
Moeder dreef ons voort als een stel schapen, terwijl ze met een getypt vel papier in haar hand door de gangpaden liep, op zoek naar de twee leden van de Guardia Civil die meereisden in de trein. Ik zat voor het eerst zonder mijn vader in een trein, en hoewel ik probeerde net te doen of alles heel gewoon was omdat ik, doordat hij niet meeging, de enige man van de familie was, was ik voor alles bang. Als hij erbij was, was het anders. Als hij vooropging in zijn uniform, met zijn driekante steek en zijn dienstwapen, gingen de reizigers voor ons opzij, en in plaats van ons naar onze kaartjes te vragen, haastten de conducteurs zich om zo nodig iemand op te laten staan zodat we allemaal bij elkaar konden zitten, maar deze keer ging mijn vader niet mee, en ik vertrouwde niet helemaal op de twee getypte vellen papier die hij ons in een envelop had meegegeven toen hij bij het portier van de streekbus afscheid van ons nam.”

 


Almudena Grandes (Madrid, 7 mei 1960 )

 

De Australische schrijver Peter Carey werd geboren op 7 mei 1943 in Bacchus Marsh (Victoria). Zie ook alle tags voor Peter Carey dit blog.

Uit: Amnesia

“It was a spring evening in Washington DC; a chilly autumn morning in Melbourne; it was exactly 22:00 Greenwich Mean Time when a worm entered the computerised control systems of countless Australian prisons and released the locks in many other places of incarceration, some of which the hacker could not have known existed. Because Australian prison security was, in the year 2010, mostly designed and sold by American corporations the worm immediately infected 117 US federal correctional facil­ities, 1700 prisons, and over 3000 county jails. Wherever it went, it travelled underground, in darkness, like a bushfire burning in the roots of trees. Reaching its destinations it announced itself: THE CORPORATION IS UNDER OUR CONTROL. THE ANGEL DECLARES YOU FREE.
This message and others more elaborate were read, in English, by warders in Texas, contractors in Afghanistan, Kurdistan, in immigrant detention camps in Australia, in Woomera, black sites in the Kimberley, secret centres of rendition at the American “signals facility” near Alice Springs. Sometimes prisoners escaped. Some­times they were shot and killed. Bewildered Afghans and Filipinos, an Indonesian teenager wounded by gunfire, a British Muslim dying of dehydration, all these previously unknown individuals were seen on public television, wandering on outback roads.
The security monitors in Sydney’s Villawood facility read: THE ANGEL OF THE LORD BY NIGHT OPENED THE PRISON DOORS, AND BROUGHT THEM FORTH. My former colleagues asked, what does this language tell us about the perpetrator?
I didn’t give a toss. I was grateful for a story big enough to push me off the front pages where I had already suffered PANTS ON FIRE. I was spending my days in the Supreme Court of New South Wales paying Nigel Willis QC $500 an hour so I could be sued for defamation. Nigel’s “billable hours” continued to accrue well past the stage when it became clear that he was a fuckwit and I didn’t have a chance in hell, but cheer up mate: he was betting 3:2 on a successful appeal. That my barrister also owned a racehorse was not the point.”

 

Peter Carey (Bacchus Marsh, 7 mei 1943)

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Browning werd geboren op 7 mei 1812 in Londen. Zie ook alle tags voor Robert Browning op dit blog.

 

Childe Roland To The Dark Tower Came

VIII
So, quiet as despair, I turn’d from him,
That hateful cripple, out of his highway
Into the path the pointed. All the day
Had been a dreary one at best, and dim
Was settling to its close, yet shot one grim
Red leer to see the plain catch its estray.

IX
For mark! no sooner was I fairly found
Pledged to the plain, after a pace or two,
Than, pausing to throw backward a last view
O’er the safe road, ’t was gone; gray plain all round:
Nothing but plain to the horizon’s bound.
I might go on; nought else remain’d to do.

X
So, on I went. I think I never saw
Such starv’d ignoble nature; nothing throve:
For flowers—as well expect a cedar grove!
But cockle, spurge, according to their law
Might propagate their kind, with none to awe,
You ’d think; a burr had been a treasure trove.

XI
No! penury, inertness and grimace,
In the strange sort, were the land’s portion. “See
Or shut your eyes,” said Nature peevishly,
“It nothing skills: I cannot help my case:
’T is the Last Judgment’s fire must cure this place,
Calcine its clods and set my prisoners free.”

 

 
Robert Browning (7 mei 1812 – 12 december 1889)
Portret door Pen Browning, 1882

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e mei ook mijn blog van 7 mei 2018 en ook mijn blog van 7 mei 2017 deel 2.

Libris Literatuur Prijs 2019 voor Rob van Essen

Libris Literatuur Prijs 2019 voor Rob van Essen

 De Nederlandse schrijver Rob van Essen heeft de Libris Literatuur Prijs 2019 gewonnen. Dat werd gisteravond bekendgemaakt in Nieuwsuur, traditioneel vanuit het Amstel Hotel in Amsterdam. Van Essen won met zijn autobiografische roman “De goede zoon”. Rob van Essen werd op 25 juni 1963 geboren in Amstelveen. Zie ook alle tags voor Rob van Essen op dit blog.

Uit: De goede zoon

“Ik had vandaag ruzie bij de kassa van de Albert Heijn in de Rijnstraat. Bijna ruzie, niet eens echt. De vrouw achter mij zette haar boodschappen al op de band toen ik nog bezig was mijn boodschappen op de band te zetten, ik kan daar slecht tegen, iemand maakt inbreuk op jouw ruimte, op ruimte die in ieder geval op dat moment van jou is en ik weet ook wel dat je zo geen roman moet beginnen, ik ben godverdomme geen columnist, maar witheet kan ik van zoiets worden, iemand negeert je bestaan en alleen al daarom zou je haar ter plekke dood moeten maken en tegelijkertijd was er niets aan de hand omdat de vrouw zag hoeveel boodschappen ik nog op de band moest zetten en genoeg ruimte overliet. Geen enkel probleem dus, je zou zelfs kunnen zeggen dat we gestroomlijnd bezig waren met z’n tweeën, alsof we afgesproken hadden het afrekenen zo snel en soepel mogelijk te laten verlopen, maar dan nog, je zou haar op z’n minst een harde duw moeten geven, of met een breed gebaar al haar boodschappen van de band vegen, ik zag haar pot jam al uiteenspatten op de tegels, je zou haar op z’n minst moeten kunnen aanspreken op haar gedrag maar ook dat kan niet omdat ik weet dat ik dan niet uit m’n woorden ga komen en ik kan wel thuis van tevoren dingen op schrift gaan stellen die je bij dit soort gelegenheden de ander moet toevoegen maar ook dan zou ik niet weten waar ik de superieure vanzelfsprekendheid vandaan moest halen om zo’n tekst met overtuiging te kunnen uitspreken, ik ben niet iemand voor dat soort teksten, ik ben niet iemand voor dit soort situaties, ik ben te aardig, te meegaand, ik zeg toch: ik had bijna ruzie, en in plaats van dat ik daar wat aan doe heb ik die slappe meegaandheid van me alleen maar versterkt met dat boeddhisme en die meditatiecursussen. Wat hebben al die pogingen om mezelf redelijkheid en compassie bij te brengen nu eigenlijk opgeleverd? Er heeft zich de afgelopen jaren in mij een kleine halfbakken boeddhist genesteld, een kleine kale boeddhist in een oranje pij, ik heb hem vetgemest met meditatiecursussen en boeken en boekjes en als dank doet hij me de onthechte glimlach voor waarmee ik situaties als die bij de kassa zou moeten begroeten, laat het voorbijgaan, het is woede, niet jouw woede, het is ergernis, niet jouw ergernis, je veroorzaakt je eigen lijden door gehechtheid aan je stemming. Ik zou de glimlach van zijn gezicht moeten slaan, het liefst zou ik mijn vingers links en rechts om de randen van mijn ribbenkast haken, de boel uit elkaar trekken en mijn handen naar binnen steken om die kleine kale innerlijke boeddhist eigenhandig te wurgen, om zijn keel zo strak te omklemmen dat zijn hoofdje opzwelt en zijn oogbollen als kleine knikkers naar buiten schieten om stuk te spatten tegen de muur.
En daarna alles en iedereen doodschieten, te beginnen in de Albert Heijn. Dat zal natuurlijk niet gaan, zoveel munitie heb ik niet, ik heb niet eens een wapen. Ik ben ongewapend. Drie woorden die je de kou om het hart doen slaan. Ik loop al zestig jaar ongewapend op deze planeet rond. Vreedzame jaren grotendeels, ik geef het toe, maar opeens komt het me absurd voor, alsof ik zestig jaar naakt heb rondgelopen en iedereen heb uitgenodigd om zijn gang met mij te gaan. Niet langer!”

 

 
Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963)

Toon Tellegen, Willem Kloos, Hélène Gelèns

 

Dolce far niente

 


Schlafender Mann door Adolph Menzel, 1855

 

Slaap

Er is slaap in overvloed,
tot in de benauwdste ogenblikken toe,
maar niet genoeg voor iedereen

een enkeling blijft wakker,
ziet de hemel rood worden,
elke ochtend opnieuw

hij wacht tot er honger komt
en er komt honger, dor en stoffig
en van heel ver weg,
maar niet genoeg voor iedereen

hij is de eerste nu,
hij begint haastig te lijden,
grijpt zijn pen en beschrijft zijn honger met genadeloze
onbeholpenheid

de zon komt op
en tussen potvissen roggebrood hemelsblauw
slapen de laatsten,
spreken hun laatste dromen aan.

 


Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)
De Zusterhof in Brielle

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook alle tags voor Willem Kloos op dit blog.

 

Ga niet voorbij, maar blijf bij mij

Ga niet voorbij, maar blijf bij mij, en voel,
Wat Ik voel in het diepst van dit mijn wezen
Dat niets dan Gij mij nog iets liefs kan wezen
En alles òm u – zonder u – zoo koel,

Zo leeg, zo vreemd dat ik mij-zelf niet voel,
Wen ver van u – en ‘k wens om weg te wezen,
Weg van mij-zelf, in ’t land des doods, doods vrezen
Vergetend om de vrees voor ’t donker koel

En doods gewoel des levens, dat in kringen
Rond-draait geduriglijk, en Ik draai mee,
Ach, ik, een klein arm ding in duizend dingen,
Met u geslingerd in één-zelfde dringen,
Wijl onze klare stemmen kalm als twee
Koralen uit het duister hoog-op zingen.

 

Geglimlach

De mensen doen, maar weten niet waaróm
Zij doen, en zitte’ in hun eentjes te wegen,
Hoe zij het meeste van het leven kregen,
’t Leven dat langs hen gaat en ziet niet om, —

Hopen en haken of er niet wat kom,
Voelen hun hartjes van blijdschap bewegen,
Stil in hun lekkere bedjes gelegen.. .
Maar áls ’t wat geeft, dan houden zij zich dom:

Dan kijken ze uit een paar onschuldige oogjes,
Willen niet, maar willen wel, en zijn bleutjes…
’t Leven zegt: „zo! ..” en neemt het weer weerom.

0, geef elkaar zo even maar wat droogjes
Oogjes en schuintjes en vriendlijke peutjes,
0, mensjes lief, wat zijn wij allen dom!

 

Mijn stemming is als van een stilstaand water

Mijn stemming is als van een stilstaand water
Vlak uitgemeten in een wijde kom.
Wat anders daalde en rees in luid geklater,
Is thans als een mooi avondweder stom.

O, ik gevoel zo innig, dat ik kom
Door droef geschrei en helderblij geschater
Op tot mijns levens hoogtepunt en ‘k som
Mijn smart van altijd op, mijn heil van later.

Ik ben een mens, die veel heeft liefgehad,
Die veel bemind was en die altijd wist,
Dat minnen zalig maakt en liefde deugd is.

Maar nu ik sta op ’t kruispunt van mijn pad,
Weet ik zo klaar, dat ‘k zeer mij heb vergist
En dat der Muze wil mijn eenge vreugd is.

 

 
Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938)
Portret door Willem Witsen, 1893

 

De Nederlandse dichteres Hélène Gelèns werd geboren in Bergschenhoek op 6 mei 1967. Zie ook alle tags voor Hélène Gelèns op dit blog.

 

Mij nieuw

eind juli. in de boemel terug van de prinsentuin
naar amsterdam almaar dichter de mist almaar kouder

mijn mannen de deur uit en nieuwe laat ik aangeroerd staan
kans na kans voorbij zonder spijt maar nu trekt de kou bij mij in

de ik die ik ben denkt de ik die ik was ver van zich af
zonder spijt maar nu ik zo traag reis mis ik het minzieke

dan lees ik bij dichter W geen hoop geen zin geen bedvriendin
hoe weet ik niet maar zijn veertig en geen bed werkt over wrikt
mij open: de mist is maar mist de kou staat weer buiten
de helende kracht van poëzie? dit is mij nieuw

zomer en mannen laat ik staan – geen moed geen moed
en ook al geen moed – het voelt goed voor vandaag
maar veel langer? ach veertig ik weet hoe dat gaat
morgen of volgende maand vonk! ik weer

 

Halt

I
halt houden? hoe vaak al niet?
gister nog letterlijk halt: teruggepiept
naar een grutto op een niet brommen bord
vandaag nog in kwart tempo: geslingerfietst
door de tunnel die tinkelt reutelt plonkt
zo vaak halt! op een rechte weg naar huis een zijweg inslaan
want daar heuvelt het kronkelt het zindert het zomers
de dag beginnen met vrijen blijven vrijen eindeloos
vrijen terwijl je weet je moet weg aan het werk iemand wacht
zo vaak al
je legt je adem in wat zwiepzwaait wat vonkt wat klinkt
er is altijd een plek voor je hand om te rusten
maar je steigert als iemand klaagt
houd nou toch eindelijk eens halt

 

 
Hélène Gelèns (Bergschenhoek, 6 mei 1967)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e mei ook mijn blog van 6 mei 2018 deel 3 en eveneens deel 4.

Als je niet oplet (Remco Campert)

 

Bij 5 mei

 

 
Het Bevrijdingsmonument Irene in Den Haag

 

Als je niet oplet

Deze muziek mag je niet spelen
dat boek zou ik maar niet lezen
die foto zou ik maar verscheuren

met hem kun je beter niet gezien worden
daar krijg je misschien last mee
ik zou mijn mond maar houden

wat je straks alleen nog mag
is in een donker hol verborgen

verlangen naar het licht van de vrijheid

die je verspeeld hebt
omdat je even de andere kant uitkeek
toen je buren werden weggehaald

 

 
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Roni Margulies, Miklós Radnóti, Petra Else Jekel, Morton Rhue, Christopher Morley, George Albert Aurier, Henryk Sienkiewicz, Richard Watson Dixon, Catullus

De Turkse schrijver, dichter, vertaler en journalist Roni Margulies werd geboren op 5 mei 1955 in Istanbul. Zie ook alle tags voor Roni Margulies op dit blog.

 

Begane Grond

Our lift talks to me, as I go up
or down, in a gentle, protective tone.
“We are here,” she says “you may go”.
She tells me the floor we have reached,
always lets me know where I am.

But whenever I descend to go out
into these streets I do not belong to,
“Begane grond” she intones, in a voice
which sounds to me slightly concerned,
“Here,” I think she says, “here’s the world,

open the door, go. And do not fret,
everyone here is as foreign as you are.
No one belongs. Not anywhere.”

 

Vertaald door Roni Margulies

 

Wear And Tear

I had a blue pullover,
a cross between turquoise and sky blue.
It was my favourite, the one I wore most often.
We went through a lot together, it and I,
its colour let friends recognise me from afar.

It was a gift from Elsa;
time took its toll on it.

It thinned at the elbows, the cuffs became slack,
it sagged, wouldn’t fit me properly,
holes could no longer be darned.
Finally, together with other old clothes,
my mother sent it off to a home for the elderly.

It was on a day
years after I had last seen Elsa.

Now, I suppose, there’s an old man
wandering the streets of Istanbul,
walking into shops, gazing at the sea,
on his aged frame a blue pullover:
proof Elsa once loved me.

 

Vertaald door Savkar Altinel

 

 
Roni Margulies (Istanbul, 5 mei 1955)

 

De Hongaarse dichter en schrijver Miklós Radnóti werd geboren op 5 mei 1909 in Boedapest. Zie ook alle tags voor Miklós Radnóti op dit blog.

 

Letter To My Wife

Beneath, the nether worlds, deep, still, and mute.
Silence howls in my ears, and I cry out.
No answer could come back, it is so far
From that sad Serbia swooned into war.
And you’re so distant. But my heart redeems
Your voice all day, entangled in my dreams.
So I am still, while close about me sough
The great cold ferns, that slowly stir and bow.

When I’ll see you, I don’t know. You whose calm
Is as the weight and sureness of a psalm,
Whose beauty’s like the shadow and the light,
Whom I could find if I were blind and mute,
Hide in the landscape now, and from within
Leap to my eye, as if cast by my brain.
You were real once; now you have fallen in
To that deep well of teenage dreams again.
Jealous interrogations: tell me; speak.
Do you still love me? Will you on that peak
Of my past youth become my future wife?
– but now I fall awake to real life
And know that’s what you are: wife, friend of years
– just far away. Beyond three wild frontiers.
And Fall comes. Will it also leave with me?
Kisses are sharper in the memory.

Daylight and miracles seemed different things.
Above, the echelons of bombers’ wings:
Skies once amazing blue with your eyes’ glow
Are darkened now. Tight with desire to blow,
The bombs must fall. I live in spite of these,
A prisoner. All of my fantasies
I measure out. And I will find you still;
For you I’ve walked the full length of the soul,

The highways of countries! – on coals of fire,
If needs must, in the falling of the pyre,
If all I have is magic, I’ll come back;
I’ll stick as fast as bark upon an oak!
And now that calm, whose habit is a power
And weapon to the savage, in the hour
Of fate and danger, falls as cool and true
As does a wave: the sober two times two.

 

Vertaald door Zsuzsanna Ozsvath en Frederick Turner

 


Miklós Radnóti (5 mei 1909 – 9 november 1944)
Miklós Radnóti met zijn geliefde vrouw Fanni Gyarmati voor WO II

 

De Nederlandse dichteres Petra Else Jekel werd in Arnhem geboren op 5 mei 1980. Zie ook alle tags voor Petra Else Jekel op dit blog.

 

uren zat ik naast je op een treinbank, ik had

2

uren zat ik naast je op een treinbank, ik had
het mes in de mond: herkende je me niet?
het buikmeisje dat je brieven schrijft en jij

pijl in de hand, ik moet je ophalen denk ik
maar ik weet nooit waar, in amsterdam
zag je de gifmenger en je zei het tegen mij

drie woorden heb ik: kling en punt en vuur
we zeggen niets, we zitten, je haar heb je
kort afgesneden van verdriet, in berlijn

ben je content nu heb ik je zien dansen
zeg je, ik alle passen heb ik zelf bedacht
bedronken, arm in arm, de laatste nacht

 


Petra Else Jekel (Arnhem, 5 mei 1980)

 

De Amerikaanse schrijver Morton Rhue (pseudoniem van Todd Strasser) werd geboren op 5 mei 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Morton Rhue op dit blog.

Uit: Give a Boy a Gun

“About Gary
Mrs. Searle and Gary moved into the house next to ours the day before second grade began. So the first time I actually saw him was at the bus stop. He was kind of quiet, but friendly enough. Some of the kids at the bus stop would play soccer in the street in the morning. I was glad when Gary came along, because I wasn’t into that, and with Gary there it gave me something to do. We’d most-ly talk about stuff like Magic cards and video games and what we saw on TV. If you want to know the truth, I think Mrs. Searle was a little overprotective. I guess because she was the only parent. She always wanted to know where Gary was going, and would he be warm enough, and junk like that. Gary would just roll his eyes. Until Brendan came along, I think I was pretty much Gary’s best friend. The thing about Gary was that mysterious part of him that you never knew. It was like something he kept hidden and private. I can’t explain it, but I could feel it when I was with him. He’d just get quiet and you knew he was a dillion miles away. I always thought maybe it was some-thing about his parents getting divorced. — Ryan Clancy, a friend of both Gary’s and Brendan’s
Gary Searle was a very sweet little boy with slightly reddish brown hair and big, round eyes. He was polite and quiet and always did what he was told. I do recall that some of the children teased him about his weight. But you know how kids are at that age. — Ruth Hollington, Gary’s fourth-grade teacher at Middletown Elementary School
I didn’t move to Middletown until fifth grade, so I didn’t know Gary before that.
After we started hanging out, he’d sometimes talk about what it was like when he was younger. About the divorce and how com-pletely nasty it was, and how after it was over, his dad just left and never paid child support or called or anything. That was a huge thorn in Gary’s side. He just couldn’t get over that. —Allison Findley, Gary’s on-and-off girl-friend at Middletown High School
It was an ugly divorce. All that yelling and fighting. Arguing over money. Gary was caught in the middle, and sometimes I guess I used him to get what I thought I needed. What we both needed. It’s a terrible thing to put a child through, but I didn’t know what else to do. —Cynthia Searle, Gary’s mother
“As parents, teachers, and other adults look for ways to reach out to young people, some see a common thread in the disappointments and isolation students experience when they lose a sense of place, lose a parental figure, or lose a girlfriend.”

 

 
Morton Rhue / Todd Strasser (New York, 5 mei 1950)
Cover

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en journalist Christopher Morley werd geboren op 5 mei1890 in Haverford, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Christopher Morley op dit blog.

 

When I A Householder Became

Early in the morning, when the dawn is on the roofs,
You hear his wheels come rolling, you hear his horses hoofs;
You hear the bottles clinking, and then he drives away:
You yawn in bed, turn over, and begin another day!

The old-time dairy maids are dear to every poet’s heart-
I’d rather be the dairy man and drive a little cart,
And bustle round the village in the early morning blue,
And hang my reigns upon a hook, as I’ve seen Casey do.

 

Washing The Dishes

WHEN we on simple rations sup
How easy is the washing up!
But heavy feeding complicates
The task by soiling many plates.

And though I grant that I have prayed
That we might find a serving-maid,
I’d scullion all my days I think,
To see Her smile across the sink!

I wash, she wipes. In water hot
I souse each pan and dish and pot;
While taffy mutters, purrs, and begs,
And rubs himself against my legs.

The man who never in his life
Has washed the dishes with his wife
Or polished up the silver plate-
He still is largely celibate.

One warning: there is certain ware
That must be handled with all care:
The Lord Himself will give you up
If you should drop a willow cup!

 

 
Christopher Morley (5 mei 1890 – 28 maart 1957)

 

De Franse dichter, schilder en criticus George Albert Aurier werd geboren op 5 mei 1865 in Châteauroux. Zie ook alle tags voor George Albert Aurier op dit blog.

Uit: Les Isolés, Vincent van Gogh 

« Au reste ; ce respect et cet amour de la réalité des choses ne suffisent point, seuls, à expliquer et à caractériser l’art profond, complexe, très-à-part, de Vincent Van Gogh. Sans doute, comme tous les peintres de sa race, il est très conscient de la matière, de son importance et de sa beauté, mais aussi, le plus souvent, cette enchanteresse matière, il ne la considère que comme une sorte de merveilleux langage destiné à traduire l’Idée. C’est, presque toujours, un symboliste. Non point, je le sais, un symboliste à la manière des primitifs italiens, ces mystiques qui éprouvaient à peine le besoin de désimmatérialiser leurs rêves, mais un symboliste sentant la continuelle nécessité de revêtir ses idées de formes précises, pondérables, tangibles, d’enveloppes intensément charnelles et matérielles. Dans presque toutes ses toiles, sous cette enveloppe morphique, sous cette chair très chair, sous cette matière très matière, gît, pour l’esprit qui sait l’y voir, une pensée, une Idée, et cette Idée, essentiel substratum de l’œuvre, en est, en même temps, la cause efficiente et finale. Quant aux brillantes et éclatantes symphonies de couleurs et de lignes, quelle que soit leur importance pour le peintre, elles ne sont dans son travail que de simples moyens expressifs, que de simples procédés de symbolisation. Si l’on refusait, en effet, d’admettre sous cet art naturaliste l’existence de ces tendances idéalistes, une grande part de l’œuvre que nous étudions demeurerait fort incompréhensible. Comment expliquerait-on, par exemple, le Semeur, cet auguste et troublant semeur, ce rustre au front brutement génial, ressemblant parfois et lointainement à l’artiste lui-même, dont la silhouette, le geste et le travail ont toujours obsédé Vincent Van Gogh, et qu’il peignit et repeignit si souvent, tantôt sons des ciels rubescents, de couchant, tantôt dans la poudre d’or des midis embrasés, si l’on ne veut songer à cette idée fixe qui hante sa cervelle de l’actuelle nécessité de la venue d’un homme, d’un messie, semeur de vérité, qui régénèrerait la décrépitude de notre art et peut-être de notre imbécile et industrialiste société ? Et aussi cette obsédante passion pour le disque solaire, qu’il aime à faire rutiler dans l’embrasement de ses ciels et, en même temps, pour cet autre soleil, pour cet astre végétal, le somptueux tournesol, qu’il répète, sans se lasser, en monomane, comment l’expliquer si l’on refuse d’admettre sa persistante préoccupation de quelque vague et glorieuse allégorie héliomythique ? »

 


George Albert Aurier (5 mei 1865 – 5 oktober 1892)
Op de drempel van de eeuwigheid door Vincent van Gogh, 1890

 

De Poolse schrijver en journalist Henryk Sienkiewicz werd geboren in Wola Okrzejska op 5 mei 1846. Zie ook alle tags voor Henryk Sienkiewicz op dit blog.

Uit: Quo vadis? (Vertaald door Jeremiah Curtin)

“Of course they do. Thou wilt not pass any basilica, bath, library, or book-shop without seeing a poet gesticulating like a monkey. Agrippa, on coming here from the East, mistook them for madmen. And it is just such a time now. Cxsar writes verses; hence all follow in his steps. Only it is not permitted to write better verses than Cxsar, and for that reason I fear a little for Lucan. But I write prose, with which, however, I do not honor myself or others. What the lector has to read are codicilli of that poor Fabricius Veiento.” “Why ‘poor’?” “Because it has been communicated to him that he must dwell in Odyssa and not return to his domestic hearth till he receives a new command. That Odyssey will be easier for him than for Ulysses, since his wife is no Penelope. I need not tell thee, for that matter, that he acted stupidly. But here no one takes things otherwise than superficially. His is rather a wretched and dull little book, which people have begun to read passionately only when the author is banished. Now one hears on every side, `Scandala! scandala!’ and it may be that Veiento invented some things; but I, who know the city, know our patres and our women, assure thee that it is all paler than reality. Meanwhile every man is searching in the book,—for himself with alarm, for his acquaintances with delight. At the book-shop of Avirnus a hundred copyists are writing at dictation, and its success is assured.” “Are not thy affairs in it?” “They are; but the author is mistaken, for I am at once worse and less flat than he represents me. Seest thou we have lost long since the feeling of what is worthy or unworthy,—and to me even it seems that in real truth there is no difference between them, though Seneca, Musonius, and Trasca pretend that they see it. To me it is all one!”

 


Henryk Sienkiewicz (5 mei 1846 – 15 november 1916)
Cover audioboek

 

De Engelse dichter Richard Watson Dixon werd geboren in Islington op 5 mei 1833. Zie ook alle tags voor Richard Watson Dixon op dit blog.

 

Too Much Friendship. The Story Of Septimius And Alcander (Fragment)

Alas, as soon as ever Septimius set eyes on the lady
Hypatia — or rather she set eyes on him — he knew
that he was madly in love with her ! At this point
the srave Alcander becomes inhuman in the correct-
ness of his attitude. That magnanimity should
forbid anger, may be right, though we should have
chosen a warmer word — his ‘large firm eyes filled
with concern and pity,’ are well enough — but the
philosophic turn of mind which makes him instantly
recall every work that he had ever read on Friend-
ship, the arithmetical nicety with which he balances
his emotional account without a thought of the lady,
is altogether too Gibbonian. He does not even
‘sigh as a lover’ Avhile he ‘obeys’ as a friend. This
is not ‘Too Much Friendship,’ it is ‘Too Much
Philosophy.’ No doubt the problem, for any one
Avho cares about friendship, is harder than it looks
at first sight. Shakespeare himself came to grief
over it in The Two Gentlemeii of Verona ; but
Valentine’s impetuous offer of Sylvia to Proteus,
though loyalty cries out against it, rings true beside
this calculated and selfish self-denial. Hypatia, very
naturally, seems to have been glad of the exchange ;
but Hypatia’s kinsmen took a different view, and
they made the life of Alcander a burden to him.
‘The words the words pursued.’
His own words were not of the least avail, and at
last he was sold for a slave; but still Apollo went
smiling on, and Alcander communed with books and
wrote on frizzled skins and kept himself alive with Hope.
‘ Hope who still drops her anchor in life’s sand,
And to firm hold the atoms loose would band,
That life’s tossed ship outride the tempest’s rage ;
Hope, that to ease turns pain, to youth turns age :
Hope, that in mortal nature so is fixed,
That no damned wretch in misery’s mortar mixed,
No sodden villain brought to extreme shame.
Would change to other, and not be the same :
Albeit both high and low would willingly
Add to themselves another’s share of good,
Desiring this man’s fame, and that man’s Avealth,
Yonder man’s beauty, and that other’s health;
So they these goods upon their own might pile.
But never cease to be themselves the while :
Hope bade him live.’

 

 
Richard Watson Dixon (5 mei 1833 – 23 januari 1900)
Cover

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Romeinse dichter Gaius Valerius Catullus werd geboren in 87 v. Chr, in Sirmione bij Verona Zie ook alle tags voor Catullus op dit blog.

 

Carmina

III

Rouwt Lieflijkheden, rouwt Begeerlijkheden,
rouwt menschen van beschaving en gevoel!
Het sijsje van mijn meisje is gestorven,
het sijsje waar mijn meisje meer van hield,
meer zelfs misschien dan van haar eigen oogen.
Zoo snoezig was het, en het kende haar,
de vrouw, zoo goed als ieder kind zijn moeder.
Het was niet weg te lokken van haar schoot;
daar hippelde het aldoor heen en weer
en tjilpte maar om haar, zijn lieve vrouw.
Nu gaat het zieltje langs de duistre baan,
vanwaar men zegt dat geen terugkeer is.
Vervloekt, gij duisternissen van de hel,
die alles opslokt wat bekoorlijk is!
Zoo’n aardig sijsje hebt gij mij ontrukt.
O wandaad! O arm sijsje! ’t Is om jou,
dat nu de oogjes van mijn zoetelief
rood en gezwollen van de traantjes zijn.

IV

O wandelaars, het jacht dat gij hier voor u ziet,
beweert het allersnelste schip geweest te zijn
en mededinging van geen enkel drijvend hout
gevreesd te hebben, ’t zij door riemen voortgestuwd,
of met de bolle zeilen vliegend voor den wind.
Dat zal, zoo zegt het, noch de kust der Adria,
noch der Cycladen archipel ontkennen, noch
’t roemruchtig Rhodos, ’t onherbergzaam Thracisch oord
der Dardanellen of het Zwartezeegebied,
waar dat wat nu een jacht is, een bosschage was.
Want op den kam van den Cytorus placht zijn kruin,
zijn bladerdos, te ruischen in den avondwind.
Amastris en Cytorus aan de Zwarte Zee,
gij, zegt het jacht, dat dit heel goed geweten hebt
en nog wel weet; dat sedert menschenheugenis
het op uw top gestaan heeft en uw watervlak
heeft op doen spatten door der riemen plassend spel
en toen vandaar door al dat bruisend zeegeweld
zijn baas gevoerd heeft, ’t zij de wind van bakboord blies,
het zij van stuurboord, dan wel zonder onderscheid
van achteren de beide schooten strak deed staan,
en nooit een schietgebedje noodig heeft gehad,
ook op zijn laatste reis niet, toen het van de zee
zijn weg vond naar de oevers van dit blanke meer.
Dat was weleer. Maar nu is het gepensioneerd
en wijdt den kalmen levensavond die nog rest,
aan broeder Castor en aan Castors tweelingbroer.

 

Vertaald door A. Rutgers van der Loeff

 

 
Catullus (87 v. Chr – 54 v. Chr.)
Catullus at Lesbia’s door Sir Lawrence Alma-Tadema

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e mei ook mijn blog van 5 mei 2018 deel 2.

Der Messias (Friedrich Klopstock)

Bij de derde zondag van Pasen

 

 
Jezus bij het meer van Tiberias door Antonio Muñoz Degrain, 1909

 

Uit: Der Messias (Neunzehnter Gesang)

Aber der Fremdling redet mit ihnen: »Habet Ihr Speise,
Meine Kinder?« Sie hatten die Nacht vergebens gefischet,
Hatten der Speise nicht. Da sagte der Unbekannte:
»Werfet das Netz zu der Rechte des Schiffs, so werdet Ihr finden.«
Und sie warfen es aus und konnten’s nicht ziehn vor der Fische
Menge. Mit mehr Erwartungen richtete jetzo Lebbäus,
Richtete Thomas den forschenden Blick auf den Unbekannten.
Aber der Zug, so das Netz da, wo der Fremdling es sagte,
Und so schnell belastete, zeigt Johannes den Mittler.
Freudig ruft’ er: »Es ist der Herr!« Da Kephas vernommen,
Daß es der Herr sei, eilet’ er, gürtete sich mit dem Hemde,
Warf sich ins Meer, schwamm schnell heran zum Gestade, voll Unruh,
Christus näher zu sehn. Er sah ihn, erkannt’ ihn. Die Andern
Eilten im Nachen, zogen das Netz mit den Fischen herüber,
Traten ans Land und erkannten, vor Wonne verstummt, den Versöhner.
Brod und Kohlen und Fisch’ auf den Kohlen lagen vor ihnen
An dem Ufer. Der Göttliche sprach: »Bringt auch von den Fischen,
Die Ihr finget!« Und schnell sprang Kephas wieder ins Wasser,
Zog das schwere Netz voll großer Fische, das dennoch
Nicht zerriß, auf das Land, und Leben wimmelt’ im Netze.
J. »Kommt und haltet das Mahl!« Sie hielten’s. Vertraulich, mit Liebe
Saß er am Ufer unter den Wonnevollen und reichte
Ihnen Speise. Jetzt war das zweite der frohen Mahle,
Nach dem traurigen Mahl vor seinem Tode, geendet.

 

 
 (2 juli 1723 — 14 maart 1803)
St. Nikolai Kirche in Quedlinburg, de geboorteplaats van Friedrich Klopstock

 

Zie voor de schrijvers van de 5e mei ook mijn volgende blog van vandaag.

Inktvlekken (Rogi Wieg)

 

Bij 4 mei

 

 
Oorlogsmonument in Swalmen, Limburg

 

Inktvlekken

Dagboeken zijn als leven, data, dag in dag
uit. Blauwe, strakke hemels, regen. Als het aan mij lag
zou ik zeggen: laat men de dagboeken voltooien,
handschriften, thema’s doen er niet toe. Gooien

we de mens voor leegoogige, gladgeschoren leeuwen
die om het bestaan van een dagboek slechts geeuwen,
dan zijn we niet die betere verre vriend of goede buur,
al kleden we ons naar de tijd en betalen we zuivere huur.

Er zijn slechte buren geweest. Het theeservies
van de mens wiens dagboek als een raam
werd dichtgeklapt – glasgerinkel, inktvlekken staat vies
op andermans aanrecht. Maak het nu beter, was het af en breng het terug.

Maar alleen de doden mogen vergeven en zij kunnen niet spreken.
Hun buren zijn andere doden, eindelijk veilig, zij hebben geen mond
of een kaarsrechte rug.

 


Rogi Wieg (21 augustus 1962 – 15 juli 2015)

 

Zie voor de schrijvers van de 4e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Letzter Wille (Paul Heyse), Christiaan Weijts, Amos Oz, J.W.F. Werumeus Buning, Cola Debrot

 

Dolce far niente

 

 
Het testament door Nikolai Petrovich Bogdanov-Belsky, voor 1941

 

Letzter Wille

Der Tag an dem das Leben gehen wird
und ich nicht mehr aufwachen kann,
in welchem Ort oder welcher Stadt ist mir unwichtig,
das Bett werden sie mir machen wollen.
Eine ruhige Grube würde ich hier mögen,
unter diesen Zypressen,
wo ich mit meinen süßen Träumen rastete
und wohin ich meine Schritte richtete.

Am Ufer meines Sees, auf dessen Seiten
der Frieden die Flügel schlägt,
würde ich mir mit dem Murmeln der Wellen
ein Zikadengezirpe anhören,
würde ich vom hohen Monte Baldo grüßen,
dem eingeschlafenen Gipfel,
schwärzlich auf dem See,
und stolz und unabänderlich, von Sternen gekrönt.

 

 
Paul Heyse (15 maart 1830 – 2 april 1914)
Het Treptower Park in Berlijn, de geboortestad van Paul Heyse

 

De Nederlandse schrijver Christiaan Weijts werd geboren in Leiden op 4 mei 1976. Zie ook alle tags voor Christiaan Weijts op dit blog.

Uit: De polyfonie van het innerlijk (Bij Pessoa’s gedichten)

“In hetzelfde stuk staat een passage die voor mij de veelheid van stemmen en het spel met heteroniemen in een verhelderend licht plaatste. Over moraal en esthetiek stelt Pessoa (inderdaad Pessoa ‘zelf ’, want hij schrijft dit onder zijn eigen naam): ‘Wat de opvattingen van een mens als staatsburger ook zijn, hij mag er niet één hebben als kunstenaar. Op politiek vlak is het immoreel onpartijdig te zijn; op esthetisch vlak is het immoreel partijdig te zijn.’
Voor Pessoa is de kunstenaar principieel onpartijdig, iemand zonder ‘opvattingen’ zelfs. Dit ideaal spiegelt zich rimpelloos in Pessoa’s praktijk. Hij verkondigt niet, hij onderzoekt. Om de vereiste onbevangenheid daarvoor te waarborgen mogen morele, politieke of zelfs esthetische ideeën geen stoorzenders zijn. Hij mag ‘niet één’ opvatting hebben, en geven zijn gedichten wel blijk van zo’n opvatting, wat onvermijdelijk is, dan is dat noodzakelijkerwijs een voorlopige, relatieve opvatting.
Dat is ook hoe het met romanpersonages gaat. Die krijgen eveneens met opvattingen en eigenschappen toebedeeld die, vanzelfsprekend, niet die van de schrijver zijn en die, even vanzelfsprekend, met elkaar in strijd kunnen zijn, omdat ze de wereld of de menselijke natuur elk vanuit een ander gezichtspunt onderzoeken en articuleren.
Het is zoals heteroniem Ricardo Reis dicht:

Ik heb meer dan één ziel
Meer ikken dan ikzelf.
En niettemin besta ik,
Voor allen onverschillig.
Ik maak hen stil: ik spreek.’

(Uit Oden)

De onpartijdigheid heet hier ‘onverschillig’ en de dichter werpt zich als willoos medium op voor de verschillende stemmen die pas zwijgen zodra hij spreekt.”

 

 
Christiaan Weijts (Leiden, 4 mei 1976)

 

De Israëlische schrijver Amos Oz, (eig. Amos Klausner) werd geboren in Jeruzalem op 4 mei 1939. Zie ook alle tags voor Amos Oz op dit blog.

Uit: A Tale of Love and Darkness

“Some of them were Tolstoyans who might have stepped straight out of the pages of a novel by Dostoevsky: tormented, talkative, suppressing their desires, consumed by ideas. But all of them, Tolstoyans and Dostoevskians alike, in our neighborhood of Kerem Avraham, worked for Chekhov.
The rest of the world was generally known as “the worldatlarge,” but it had other epithets too: enlightened, outside, free, hypocritical. I knew it almost exclusively from my stamp collection: Danzig, Bohemia, and Moravia, Bosnia and Herzegovina, Ubangi-Shari, Trinidad and Tobago, Kenya, Uganda, and Tanganyika. That worldatlarge was far away, attractive, marvelous, but to us it was dangerous and threatening. It didn’t like the Jews because they were clever, quick-witted, successful, but also because they were noisy and pushy. It didn’t like what we were doing here in the Land of Israel either, because it begrudged us even this meager strip of marshland, boulders, and desert. Out there, in the world, all the walls were covered with graffiti: “Yids, go back to Palestine,” so we came back to Palestine, and now the worldatlarge shouts at us: “Yids, get out of Palestine.”
It was not only the worldatlarge that was a long way away: even the Land of Israel was pretty far off. Somewhere, over the hills and far away, a new breed of heroic Jews was springing up, a tanned, tough, silent, practical breed of men, totally unlike the Jews of the Diaspora, totally unlike the residents of Kerem Avraham. Courageous, rugged pioneers, who had succeeded in making friends with the darkness of night, and had overstepped every limit, too, as regards relations between a boy and a girl and vice versa. They were not ashamed of anything. Grandpa Alexander once said: “They think in the future it’s going to be so simple, a boy will be able to go up to a girl and just ask for it, or maybe the girls won’t even wait to be approached, but will go and ask the boys for it, like asking for a glass of water.” Shortsighted Uncle Betsalel said with polite anger: “Isn’t this sheer Bolshevism, to trample on every secret, every mystery?! To abolish all emotions?! To turn our whole life into a glass of lukewarm water?!” Uncle Nehemia, from his corner, let fly a couple of lines of a song that sounded to me like the growling of a cornered beast: “Oh, long is the journey and winding the road, I travel o’er mountain and plain, Oh Mamma, I seek you through heat and through snow, I miss you but you’re far away!…” Then Aunt Zippora said, in Russian: “That’ll do, now. Have you all gone out of your minds? The boy can hear you!” And so they all changed to Russian.”

 


Amos Oz (Jeruzalem, 4 mei 1939)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Johan Willem Frederik Werumeus Buning werd geboren in Velp op 4 mei 1891. Zie ook alle tags voor J. W. F. Werumeus Buning op dit blog.

 

Ballade van de dingen die niet overgaan

De geur van diepe bossen na den regen,
De geur van water en van roestbruin hout,
De geur van ’t paard dat men het liefst mag rijden,
En van het donker haar waarvan men houdt,
Duister en licht in ’t witte bed gelegen,
En, wat het beste is in dit bestaan,
Te slapen met de liefste aan zijn zijde
En dat dit zo zal zijn in alle tijden,
Dit zijn de dingen die niet overgaan.

De kracht van stieren in de voorjaarsweide,
De glans van tranen en van witte zijde
En parelen om een slanke hals gedaan,
De macht van armen om een hals geslagen,
De nacht van zoete antwoorden en vragen,
De pijn der vrouwen die in ’t kraambed gaan,
De pijn die men van zijn vriendin moet lijden
En dat dit zo zal zijn in alle tijden,
Dit zijn de dingen die niet overgaan.

Geluid van water dat van rotsen stort
En van een kerk waarin gezongen wordt,
En van zwaar weer, dat niet wil overgaan,
Van slagregens in slapeloze nacht
Dat men verlaten ligt en niet meer wacht,
Het leeg wit bed, beschenen door de maan,
De liefde die verkeert in ’t lange lijden,
En dat dit zo zal zijn in alle tijden,
Dit zijn de dingen die niet overgaan.

Valsheden, van zijn vrienden ondergaan,
Haat, afgunst, nijd, bedrog en eigenwaan,
Spijt en berouw, en dat men ’t meest moet lijden
Om wat men door de liefde heeft misdaan,
En dat dit alles niet was te vermijden
Maar eeuwig zo zal zijn en voort zal gaan,
En wolken die stil drijven langs de maan
Terwijl men ligt en denkt aan beter tijden,
Dit zijn de dingen die niet overgaan.

De stank van drek, rot vlees en rottend graan,
’t Gezicht der liefste die is uit haar lijden,
De aasvlieg die daarop te gast wil gaan,
De huichelaars die uw geluk benijden,
De straf, dat men gestraft wordt door zijn vrienden,
Terwijl ’s lands vijanden slechts straf verdienden,
Het onrecht, in den naam van recht gedaan,
En dat dit zo zal zijn in alle tijden,
Dit zijn de dingen die niet overgaan.

 

 
J.W.F. Werumeus Buning (4 mei 1891 – 16 november 1958)

 

De Antilliaanse schrijver, dichter, arts, diplomaat, jurist, minister, filosoof en balletcriticus Cola Debrot werd geboren te Kralendijk (Bonaire) op 4 mei 1902. Zie ook alle tags voor Cola Debrot op dit blog.

 

Vijf sonnetten uit Hades

III
Dochterke lief, het is thans uitgekomen
zoals je vader te vertellen placht
de keren, dat hij in een duistere nacht
zijn kindeke in zijn armen heeft genomen.

Het dodenrijk heeft veel weg van de dromen
waarin men wild om gekke dingen lacht
ofwel een traan pinkt om iets teers of zachts
of rose bloemen plukt aan blauwe stromen.

Al heb ‘k mijzelf vaak om iets liefs bedrogen,
al ligt het wonder buiten mijn vermogen,
ik weet thans dat het wél gebeuren zal.

Ik sta weer, tot het uiterste bewogen,
over een kind in rieten wieg gebogen,
terwijl de aard voortwentelt door ’t heelal.

IV
Geen mens sterft vooraleer hij is genegen
te worden opgenomen in het schuim
van grauwe wolken en het blauwe ruim
dat om ons land zich uitbreidt allerwegen.

De vogels hebben onze vrêe doorsneden,
zwarte of rode pijlen door het ruim
van helderblauw en grauw aanzwellend schuim,
maar ook de waan hoort ras tot het verleden.

Zij zaten samen op de groene vlakte,
mijn vrouw en kind, dat speelde met een bloem,
een ding van niks, dat aan zijn stengel knakte.

Terwijl ik toezag, hoorde ik gezoem
van stilte en geluk, waarnaar ik snakte,
hoewel ‘k mijzelf terecht een dode noem.

V
Gruwzaam zijn zij die het geluk weerstreven.
Schenk toch je dochter aan de goede bastaard.
Hij weze al geen stamvee of geen raspaard,
waarom zij vraagt zal hij haar ruimschoots geven.

Zo jij je in de koloniale pas schaart,
zal zij haar vurige verlangens reven
en voortaan in de zore weemoed leven
van wie verwezen in ’t champagneglas staart.

Drie bleekgezichten gaf zij reeds de bons.
Kijk niet te streng, vooral niet met een frons.
Wees flink en hecht niet aan de oude zeden.

Het leven is niet wat het vroeger scheen.
Vergeef mij als ik zeg wat ik thans meen.
Ik kus je diep, al ben ik overleden.

 

 
Cola Debrot (4 mei 1902 – 3 december 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e mei ook mijn blogs van 4 mei 2018 en ook mijn blogs van 4 mei 2017 en ook mijn blog van 4 mei 2014 deel 2.

Éric Vuillard

De Franse schrijver en regisseur Éric Vuillard werd geboren op 4 mei 1968 in Lyon. Het eerste boek van Eric Vuillard, “Le chasseur” (De jager) verscheen in 1999. Vervolgens publiceerde hij de poëziebundel “Bois vert” en de korte roman “Tohu”. In 2010 verscheen zijn roman “Conquistadors”, over de verovering van Peru door Pizarro en de val van het Inca-rijk. Vervolgens verschenen vrijwel tegelijkertijd “La Bataille de l’Occident” (De Slag om het Westen), over de militaire strategie tijdens de Eerste Wereldoorlog en de verschrikkelijke gevolgen daarvan op het slagveld en “Congo”, een documentaire roman over de verdeling van Afrika en de creatie van Kongo-Vrijstaat in 1884. In “Tristesse de la terre” schreef Vuillard over de oprichting en de shows van het circus van Buffalo Bill. In 2016 publiceerde hij “14 juillet” (14 juli) over de bestorming van de Bastille aan het begin van de Franse revolutie. In 2017 ontving Éric Vuillard de Prix Goncourt voor zijn boek “L’ordre du jour” (De orde van de dag). Net als in zijn eerdere documentaire romans gebruikt hij historische documenten om opnieuw het verhaal te vertellen over de Duitse annexatie van Oostenrijk in 1938 en de machinaties die hieraan voorafgingen. De boeken van Éric Vuillard zijn vertaald in het Engels, Duits en Spaans en Nederlands vertaald. Éric Vuillard regisseerde de speelfilm “Mateo Falcone”, een bewerking van een kort verhaal van Prosper Mérimée. De film werd gepresenteerd op het Internationaal filmfestival van Turijn, (Italië) en op het filmfestival Premiers Plans in Angers (Frankrijk). Ook was hij de scenarioschrijver van de film “La vie nouvelle”.

Uit L’Ordre du jour

“À cet instant, peut-être, Hitler sourit. Lorsque les gangsters ou les fous furieux sourient, il est difficile de leur résister ; on veut en finir au plus vite avec la source de ses malheurs, on veut la paix. Et puis, entre deux épisodes de torture morale, un sourire possède sans doute un charme particulier, comme une éclaircie.
(…)

« Ils écoutèrent. Le fond du propos se résumait à ceci : il fallait en finir avec un régime faible, éloigner la menace communiste, supprimer les syndicats et permettre à chaque patron d’être un Führer dans son entreprise. Le discours dura une demi-heure. Lorsqu’Hitler eut terminé, Gustav se leva, fit un pas en avant et, au nom de tous les invités présents, il le remercia d’avoir enfin clarifié la situation politique. Le chancelier fit un rapide tour de piste avant de repartir. On le congratula, on se montra courtois. Les vieux industriels paraissaient soulagés. Une fois qu’il se fut retiré, Goering prit la parole, reformulant énergiquement quelques idées, puis il évoqua de nouveau les élections du 5 mars. C’était là une occasion unique de sortir de l’impasse où l’on se trouvait. Mais pour faire campagne, il fallait de l’argent ; or, le parti nazi n’avait plus un sou vaillant et la campagne électorale approchait. À cet instant, Hjalmar Schacht se leva, sourit à l’assemblée, et lança : « Et maintenant, messieurs, à la caisse ! »
Cette invite, certes un peu cavalière, n’avait rien de bien nouveau pour ces hommes ; ils étaient coutumiers des pots-de-vin et des dessous-de-table. La corruption est un poste incompressible du budget des grandes entreprises, cela porte plusieurs noms, lobbying, étrennes, financement des partis. La majorité des invités versa donc aussitôt quelques centaines de milliers de marks, Gustav Krupp fit don d’un million, Georg von Schnitzler de quatre cent mille, et l’on récolta ainsi une somme rondelette. Cette réunion du 20 février 1933, dans laquelle on pourrait voir un moment unique de l’histoire patronale, une compromission inouïe avec les nazis, n’est rien d’autre pour les Krupp, les Opel, les Siemens, qu’un épisode assez ordinaire de la vie des affaires, une banale levée de fonds. Tous survivront au régime et financeront à l’avenir bien des partis à proportion de leur performance.”

Éric Vuillard (Lyon, 4 mei 1968)

 

Krankenbesuch (Karl Gerok), Erik Lindner, Jehuda Amichai, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 
In het ziekenhuis door Nikolai Petrovich Bogdanov-Belsky, ca. 1910

 

Krankenbesuch

Psalm 80, 4.
Lass leuchten dein Antlitz, so genesen wir.

Frühwinter wars, erstorben Busch und Baum,
Da pilgert‘ ich zu eines Kranken Hütte,
Fern lag sie an der Vorstadt letztem Saum,
In weißer Felder, öder Gärten Mitte.

Eng war die Pforte, niedrig das Gemach,
Gebückt nur trat ich in die düstre Kammer,
Doch wie viel Elend unter niedrem Dach,
Im engen Stüblein wie viel Not und Jammer!

Schwindsüchtig lag der Vater hingestreckt
Und hob mit Müh sein bleiches Haupt vom Lager,
Darauf, mit großem Teppich schlecht bedeckt,
Sein Leib sich krümmte, abgezehrt und mager.

Aus hohler Brust schon röchelte der Tod,
Doch hofft er noch zu leben, nicht zu sterben,
Für Weib und Kinder noch ein kärglich Brot
Mit seiner Hände Arbeit zu erwerben.

Ein holdes Knäblein schlief in seinem Arm,
Mit roten Wangen, leichtem Kinderodem,
Süßträumend mitten unter Not und Harm,
Frischblühend in der Krankenstube Brodem.

Ein ältres Mägdlein aber saß abseits,
Mit frosterstarrten Fingern mühsam strickend,
Ein kränkelnd Blümlein, frühgeknickt vom Kreuz,
Aus trüben Augen scheu und schüchtern blickend.

Wie dann die bleiche Mutter trat hervor,
Und schlicht mir ihrer Leiden Lauf erzählte,
Mit Blicken sagend, was sie vor dem Ohr
Des Kranken sorglich schonend gern verhehlte:

Die Angst um ihres Gatten nahen Tod,
Den schon der Arzt mit dürrem Wort verkündet,
Die Angst dabei um Hauszins, Holz und Brot,
Die mit der Angst der Liebe sich verbündet! –

Nicht am Altar, gedeckt mit Purpursamt,
Auf goldner Kanzel nicht, an heilger Stätte,
Ward mir so schwer, ward mir so süß mein Amt,
Wie hier an dieses Tagelöhners Bette.

Da galts, ein himmlisch Evangelium
Zu predigen den Kranken und den Armen,
Da galts, zum Herrn im obern Heiligtum
Aus tiefer Not zu schreien um Erbarmen.

Da galts, zu spenden Leibes- und Seelenkost,
Und als ich schied aus der betrübten Kammer,
Ließ ich zurück wohl einen Strahl von Trost,
Trug aber weg dafür ein Herz voll Jammer.

Doch sieh! wie grüßt ein wunderholder Glanz
Mein düstres Auge an des Hauses Schwelle:
Der Weg, der Zaun, die weite Landschaft ganz,
Sie lodert rings in rosenroter Helle!

Die Wintersonne wars im Untergehn,
Die noch die Wolken rosig überhauchte,
Die schwarze Stadt, die weißbeschneiten Höhn
In sanfte Glut, in holdes Feuer tauchte.

Das kahle Feld, die blumenleere Flur,
Der Rebenhügel frostig öde[s] Warten,
Die winterlich erstorbene Natur,
Sie blühte wie ein weiter Rosengarten.

Da hob ich zu der Sonne mein Gesicht:
„Gesegnet sei, du freundliche und milde,
Die auch den kurzen Tag verklärt in Licht
Und Rosen zaubert auf das Schneegefilde!

„Du sollst ein Bild mit jener Sonne sein,
Die sich in Christi Antlitz uns erschließet,
Und mit des Himmels goldnem Widerschein
Die dürre Scholle dieser Welt umgießet;

„Die auch den rau’sten Weg im Pilgerland
Mit der Verheißung Rosenlicht bestrahlet,
Und an des Armen kahle Stubenwand
Ein Paradies in Gold und Purpur malet;

„Die noch ein sterbend Auge, eh es brach,
Verklären kann in sel’ge Himmelswonne;
— O, einen Strahl auch unter jenes Dach
Von deinem Glanz, du ew’ge Geistersonne!“

 


Karl Gerok (30 januari 1815 – 14 januari 1890)
Vaihingen an der Enz, de geboorteplaats van Karl Gerok

 

De Nederlandse dichter Erik Lindner werd geboren op 3 mei 1968 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Erik Lindner op dit blog.

 

Vers

De hemelstaarder staat onder een boom.
Prevelend loopt de regen in zijn oog.
En alle wolken zijn van marmer.
En alle bladeren dragen een andere naam.

Steels is deze voor eeuwig te behouden
overgave, nog in staat tot verzet.
Eens de schoonheid te dicht genaderd
bloedt de inrichting van haar toilet.

Hij glijdt uit de vijver in een vlies
van klank die zijn woorden ontzet.
De takken buigen tot een melodie
de kracht verwerft die hem belet.

 

Au repos

Hier is de deur, daar is een kruk.
Het licht houdt op bij het raam.
De kleur van de vloer vloeit uit.
Het naakt lijkt iets mee te delen.
Het kan niet alleen zijn wat het is.
Er komt dadelijk een keerpunt in
de verlamming die Balthus bracht.
De lingeriereclames van de haltes
en wij op de achterbank van bus vijf,
omringd door het jodoform van Bronovo. Nu

zit ze voor lijk in een fauteuil,
gevlekt waar haar ondergoed was,
in een wit overhemd dat als een doek
om haar schouders valt – en wat haar
rechterborst kon zijn deels bedekt. Een been
raakt net de vloer, het ander ligt onder
de dij, een hand omklemt de leuning,
de ander valt eroverheen. De rug
van de fauteuil boven haar
weggedraaid gezicht.

 

De sleutel

I
De stad oogt onbewoonbaar op deze heldere dag
een jongen van nauwelijks twaalf
klimt vanaf een auto een boom in
en snijdt bebloemde takken af

de resten van het handvat
tussen het stof achter de kachel
en de fles in de greep van zijn hand
en het water dat langs de pols loopt

helder is de stad niet onbewoonbaar is de dag.

 


Erik Lindner (Den Haag, 3 mei 1968)

 

De Duits-Israëlische dichter en schrijver Jehuda Amichai werd op 3 mei 1924 geboren in Würzburg. Zie ook alle tags voor Jehuda Amichai op dit blog.

 

Dingen die kwijt zijn

Uit advertenties in de krant en van mededelingenborden
leer ik over dingen die kwijt zijn.
Zo weet ik wat de mensen hadden
en waar ze van houden.

Op een keer zakte mijn hoofd vermoeid op mijn
harige borst en daar vond ik de geur van mijn vader
terug, die jarenlang kwijt was geweest.

En mijn herinneringen zijn als iemand
die niet meer terug mag naar Tsjechoslowakije
of die bang is om weer naar Chili terug te gaan.

Soms zie ik weer
de holle witte kamer
met het telegram
op tafel.

 

Zo’n vrouw

Zo’n vrouw, mooi als een droomontwerp
van een moderne architect, en elegant als was ze uitgeknipt
uit een modeblad voor koningen.

Maar een vergetende en een verliezende vrouw!
En alle dingen die ze vergeet en verliest
zijn het handschrift van haar leven
en het rest mij dat te leren lezen:
maar als ik het eindelijk kan lezen
en opkijk,
is ze al ver weg.

 

Vertaald door Tamir Herzberg

 

Ik ben een gast in dit leven

Ik ben een gast in dit leven, maar ik zie,
mijn gastgevers worden langzaamaan
moe en ongeduldig.
Bomen beven, bergen trekken
van de ene plaats naar de andere, de hemel geeuwt.
In de nachten doen de winden
van alles onrustig bewegen: rook, mensen, lichtjes.

Ik schrijf mijn naam in Gods gastenboek:
Ik kwam, bleef hier even, het was goed,
Ik heb genoten, gezondigd, bedrogen –
Van de ontvangst in deze wereld
was ik erg onder de indruk.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 
Jehuda Amichai (3 mei 1924 – 22 september 2000)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e mei ook mijn blog van 3 mei 2018 en ook mijn blog van 3 mei 2017 en mijn blog van 3 mei 2015 deel 2 en eveneens deel 3.