wieder ein Baum, der durchs Fenster wächst und nichts Neues.
nichts Neues mehr als ein einziger Baum vor dem Fenster, dem die Zweige zu Kopf stehen seit Jahren.
seit Jahren nichts als ein einziges Blatt, das es noch zu schreiben gilt vor dem Fall
die Nacht bricht auf
Der andre flieht, sobald ich nach ihm fasse; Und wenn ich ruf, wird er nicht Antwort wissen; Je mehr ich such, je mehr muss ich ihn missen. (Giordano Bruno)
die Nacht bricht auf ich bin nur ein Schwimmer ich schwimme für dich durch Helles Erdachtes
liegend, dem Fährmann näher, als du denkst, bin ich Fleisch oder Herz
ich geh dir nicht nach nicht länger auf Händen kam auch der Tag als du gingst
fast unverschämt
was soll man sagen es regnet zuweilen auch nachts durch Träume und Regen rinnt aus der Traufe
ein Mensch taucht unter Wasser hört man wen sagen taucht unter und auf nicht mehr als würde ein Stein in der Lunge liegen wie im Märchen hört man wen sagen
ik weet wat het betekent om gelukkig te zijn
wij tweeën staan hier dus met zijn drieën en houd onze handen steviger vast. zo veel groen als ons de lente schenkt, verrast ons dan toch, dat hadden we slechts in dromen gedacht. niet in een droom echter spiegelen we ons in de vijver, kijken eendenkuikens na, die sporen trekken in het water. aan de horizon glanzen bergen wit, wij wachten nog een poosje, zwemmen verder, richting oever
„Stumm und starr vor Angst hockt sie in ihrem Drehstuhl, als hätte die Ohrfeige sie betäubt. »Sie ruhig sind und bleiben still!« Ich greife nach dem Packband in meiner Jackentasche, fessle ihre Hände an die Armlehnen und die Fußgelenke an die Stuhlbeine. Mit mehreren Streifen klebe ich ihren rot geschminkten Mund zu. »Nix ich will hören!« So langsam beginne ich, mich zu entspannen. Ich setze mich ihr gegenüber auf den Besucherstuhl, nehme mir ein Blatt Papier von ihrem Schreibtisch, mische etwas Hasch in meinen Tabak und drehe mir eine Zigarette. Ich zünde sie an und atme tief ein. Ganz genüsslich. Das Papier schmeckt verbrannt und im ersten Moment will ich würgen, aber ich zwinge mich dazu, diese besondere Zigarette zu genießen. Ich ziehe daran, als wolle ich sie aussaugen, inhaliere den Rauch bis tief in meine Lungen und freue mich über den leicht brennenden Schmerz in meiner Brust. Ich fühle mich so lebendig wie schon lange nicht mehr. Ich stehe auf, beuge mich zu ihr, gehe ganz dicht an sie heran und puste ihr den Rauch mehrmals mitten ins Gesicht. Da ihr Mund zugeklebt ist, muss sie den Qualm durch die Nase einatmen. Sie versucht den Kopf wegzudrehen und muss so sehr röcheln, dass sich das Klebeband auf und ab wölbt. In einer Behörde zu kiffen, das fühlt sich irrsinnig gut an. »Frau Schulz, wir reden zusammen. Ich wollte immer, und Sie haben keine Zeit oder Wille für mich, wenn ich vor Ihrem Zimmer warten. Jetzt endlich ist so weit! Ob Sie wollen oder nicht, wir reden. Aber Deutsch ist schwer für mich und will ich viele Sachen erzählen. Ich muss Arabisch mit Ihnen reden, so ich kann frei reden. Leider!« Ich will mich nicht länger durch die deutsche Sprache quälen, durch diesen Dschungel aus Fällen und Artikeln, die man sich nie merken kann. Es ist natürlich Quatsch, jetzt mit ihr Arabisch zu sprechen, aber was soll’s. Auch wenn Arabisch ihre Muttersprache wäre, würde sie mich nicht verstehen. Sie stammt aus einer ganz anderen Welt als ich. Ein Erdling spricht gerade mit einem Marsianer. Oder umgekehrt. Das hier ist für mich eher wie die christliche Beichte, die ich mir einmal habe erklären lassen. Dabei sitzt man auch auf einem Stuhl in einem viel zu kleinen Raum. Auf jeden Fall kann ich mir jetzt meine Sorgen von der Seele reden. Also, meine erste Frage: Wie lautet Ihr Vorname?“
So many girls vague in the yielding orchard, None at my pausing but had seemed therefore To grow a little, to have put forth a tentative Frond, touch my arm and, as we went, Trailingly inquire, but smilingly, of the greenhouse — One had heard so much, was it never to be seen? So that it would always have appeared possible To be distinguished under glass Down femed-faint-steaming alleys of lady-slipper, Camellia, browning at the finger-tip, Yet always to find oneself, with a trace of humor, In perhaps the least impressive room. It was hotter here than elsewhere, being shadowed Only by bare panes overhead, And here the seedlings had been set to breeding Their small green tedium of need: Each plant alike, each plaintively devouring One form, meek sprout atremble in the glare Of the ideal condition. So many women Oval under overburdened limbs, And such vague wants, each witlessly becoming Desire, individual blossom Inhaled but to enhance the fiercer fading Of as yet nobody’s beauty— Tell me (I said ) Among these thousands which you are! And I will lead you backwards where the wrench Of rifling fingers snaps the branch, And all loves less than the proud love fastened on Suffer themselves to be rotted clean out of conscience By human neglect, by the naked sun, So none shall tempt, when she is gone.
POEM IN SPRING
Being born of earth, we’ve come to sit On fecund ground and fondle it — A filial diversion this. Then brother-sisterly we kiss
Who cannot tell one branch for buds Nor see, for trees, the April woods Cloudy with green nor, amorous, Think autumn looks askance at us.
ITALIAN LESSON
It will not do Luigi You in this fireless room Tirelessly expounding The sense of so much sound
As if to speak were rathcr Those promenades in Rome Where each cool eye plays moth To flames largely its own
Than the resounding Latin Catacomb or labyrinth Corinthian overgrown With French sphinx or the heated tones
Of all these quenched at nightfall Yet sparkling on a lip At whose mute call I turn To certain other lessons hard to learn.
Er komt een tijd dan heeft de zon al het werk gedaan De appels zijn rood De peren zijn geel en de marktvrouwen roepen pruimen mooie pruimen Er komt een tijd dan wordt de zon moe en steeds kleiner Zo klein als een sinaasappel
Vertaald door Frans Roumen
Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)
Uit: 25.000 Boeken. Enige richtlijnen voor de liefhebber
“Mijnheer! Uw onbescheiden vraag of ik een eigen boekerij bezit, kan ik tot mijn genoegen bevestigend beantwoorden. Ik heb zo vreselijk veel boeken en woon daarbij in zo’n verschrikkelijk klein huisje, dat het vandaag of morgen nog eens uit elkaar zal barsten. Een man van de verzekering, die onlangs vruchteloze pogingen deed mij tegen inbraak te verzekeren, schatte het aantal boeken, dat bij mij gestolen kan worden op ruim 25.000. Hij heeft mij toen niet verzekerd, inziende dat dit voor elke inbreker onbegonnen werk moet zijn. Een klein gedeelte hiervan staat op planken tegen de wanden, van de vloer tot aan het plafond. Ook op de badkamer en zelfs op de W.C. is dit het geval. Vanzelfsprekend bevinden zich daar de minder belangrijke werken, zoals mijn eigen boeken, of die banden, die tegen schadelijke atmospherische invloeden bestand zijn. De rest staat eenvoudig op de grond. Het is opmerkelijk, hoeveel bergruimte een vloer biedt. Ten eerste zijn daar de beduidende oppervlakten onder de bedden, die in de meeste huisgezinnen niet efficiënt besteed worden, doch bij enig nadenken een uitnemende gelegenheid bieden om die werken, die men toch nooit van plan is te lezen, afdoende aan het oog te onttrekken. Ik zal geen namen noemen. Het is de bedoeling van dit stukje niet, om iemand te kwetsen. Maar hoor nu verder. Hebt U er wel eens over nagedacht, hoeveel onnodige vloerruimte een kamer eigenlijk wel bevat? Neem bijvoorbeeld Uw studeervertrek. Als men daar pas huist, meent men waarlijk het gehele oppervlak nodig te hebben om zich daar behaaglijk te gevoelen. Van die kinderachtige opvatting geneest men spoedig. Ras ziet men in, dat slechts de lijn benut wordt, die door de twee punten: Uw bureau-stoel en de deur, bepaald is. Welnu, maak daar een gangetje en vul de rest met boeken. Doe ook zo met de overige kamers. Handel insgelijks met de zolder, de kelder en de gangen. Spoedig zult gij bemerken, dat ge niet alleen al Uw boeken kunt bergen, maar dat Uw bewegingen door het huis ook uiterst sober worden en zich tot strikt noodzakelijke bepalen. Het kan niet uitblijven of onder Uw huisgenoten zullen er zijn, die zich tegen deze opvatting gaan verzetten. Ga niet op hun onnozele bezwaren in. Stel hen eenvoudig voor de vraag: waar wilt ge er dan mee heen? Wacht niet op het antwoord, maar keer U om en laat hen met dit probleem alleen, oog in oog. Dit is geheel voldoende. Van tijd tot tijd echter zal de tegenstand vastere vormen aannemen. Ge zult aan het ontbijt woorden horen als: orde in de rotzooi, het mes er in, en dergelijke. Er zal zelfs een werkster komen. Er zullen twee werksters komen. Verontrust U niet. Dit alles gaat voorbij. Laat hen een week lang worstelen met Uw 25.000 boeken. Er komt een ogenblik, dat zij dit opgeven. De dag breekt aan, dat zij ineen zijgen. Ge hoeft daarbij niets te doen. Uw boeken worstelen voor U.”
De jongen schonk geen speciale aandacht aan de perenboom waar hij zich achter verstopte uitgestrekte takken gedraaid boven zijn hoofd of het legioen van geel-gejaste wespen zoemend in dronken cirkels rond gevallen fermenterend zomerfruit die bruin werden op de grond hij nam ook niet de moeite om na te denken over de ruwe reptielenschors die onder plukjes gras gleed en wortel- zenuwrank werd die de aarde vastgreep als houten bliksemflitsen bevroren in de tijd het feit dat hij de kin van zijn vader had, de humor van zijn grootvader de amandelogen van zijn moeder, het Zwitserse zakmes van zijn broer, illegaal in zijn zak, en de familiehouding, schouders afgezakt als onder een last, was nooit in hem opgekomen de jongen merkte de stofwolk niet op van achter auto vandaan geschopt op weg naar de horizon de bestuurster in gele zomerjurk vastbesloten om te ontsnappen en deze keer nooit meer terug te komen of het fluitje van de loopjongen opgeschrikt door het passeren van de auto een volle maan gesneden uit doorschijnend weefsel nog steeds zichtbaar aan de hemel overdag verdween evenzeer ongezien de flits van gladde gebruinde huid van zwartharig buurmeisje dat naakt zwom was het hele universum geworden
Des daags scheen ’t helle licht uit ’t volop-blauw En flikkerde op het water, en de stenen Van huizen en straten waren wit beschenen En grijs bestrepeld met der takken schauw*,
En in de ganse stad waren door-énen De warmte en schaduw, ’t zonne-licht en kou, En waar de warmte lag in de luwte lauw Woei felle wind om huizen-hoeken henen.
Wit scheen de maan uit donker-blauwe nachten Over de stad, die lag met wijde grachten, Waar noorden-wind kwam over-heen geblazen,
Dat ’t zilver krinkelde over ’t water blauw Tussen de huizen-blokken in donkere schauw En witte muur met glinsterende glazen.
Hein Boeken (2 december 1861 – 19 oktober 1933) Krokussen in Het Vondelpark in Amsterdam, de geboorteplaats van Hein Boeken
Vanaf de schilferige bank staar ik in een te strakke hemel en later in de lange gang tuur ik op uitgesleten steen. Er wordt mij niets geopenbaard over ’t waarom en het waarheen.
Toch lijkt dit hechte oude huis gemaakt voor wie heel zeker weten wat recht en slecht is en wat men beter kan vergeten. Wel aarzelt tussen zaal en kamer soms een vertrek. En ook niet thuis
te brengen is het perspectief van in elkaar geschoven eeuwen. Toch namen wij dit graag voor lief. Ieder voor zich stoffeerde hier zijn hol en hield daar hof, tot het verkeerde.
Kunstig gedraaid zijn de kolommen van het centrale hemelbed. Ik hoor vanaf de zolder komen wat fluitmuziek en licht gestep: een meisjesvoet die zoet de maat, de vastgestelde maat blijft slaan.
Toch weet ik dat ik weg zal gaan.
Achteraf
1 Met moeite weet ik nog dat ik je vreselijk kon haten als ik je knoken hoorde kraken op je te punctuele tocht naar bed, en hoe ik vocht om zelf maar niet in slaap te raken, want wat ik van mezelf niet mocht was alles wat jij niet kon laten:
de stipte plicht, het strikt geloof. Hoewel ik toch mijn hoofd meeboog voordat wij onze speklap aten, want grieven wilde ik je niet. Maar ik kon niet meer met je praten, ik vreemdeling, die van je hield.
2 Toen werd je ziek op gruwelijke wijze. Geliefden sprak je toe op barse toon. Ik was degeen die je weer kalm kon krijgen. Ik werd de vader, jij de zoon. Nog later lag je hulpeloos te hijgen door buizen in je strottehoofd. Je kon me met geen woord bereiken, al wou je wel: je mond bewoog.
Pas later durfde ik beseffen dat je me over sterven sprak, en of ik dat niet kon beletten. Maar toen dan toch de dood aanbrak was je opeens zo indrukwekkend als een Romein, uit steen gehakt.
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008) Cover biografie
Er komt een tijd dan trouwen de vogels Nachtegaal en leeuwerik Winterkoninkje en Mus Roodborstje en Merel Het ene lied vliegt naar het andere De bomen dragen wijde kleding De wind luidt de bloemen De bijen hebben gouden schoentjes De kat de grijze de zwarte de witte zij mag het niet doen Zij mag de bruiloft niet verstoren
Vertaald door Frans Roumen
Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)
De Vlaamse schrijver Bart Koubaa (pseudoniem van Bart van den Bossche) werd geboren op 28 februari 1968 in Eeklo. Zie ook alle tags voor Bart Koubaa op dit blog.
Uit: Dansen in tijden van droogte
“Zondag 24 mei 2020. Mijn vrouw toont me een foto die in de cultuurbijlage van de krant staat afgedrukt. ‘Dit is iets voor jou,’ zegt ze en vertelt me wat ik zie: een levende vogelverschrikker midden in een rijstveld ergens in Afrika. Het beeld intrigeert me, en ik zie niet wat er is afgebeeld — een man die vogels verjaagt — maar de hoofdpersoon van de roman die ik aan het afwerken ben: een regendanser. Ik ben volledig in de ban van Kaminski, een man met de gave de regen op te roepen door op een houten deur te tapdansen. Hij trekt van dorp naar dorp om er op te treden en de droogte te verdrijven. Ik ben bij het laatste hoofdstuk — getiteld ‘Kan ik iets voor je doen?’ — als ik de foto zie. Wanneer ik een week later op een broeierige pinksterzondag mijn voltooide roman opsla en afsluit, daalt de levende vogelverschrikker van de foto als een Afrikaanse geest op mijn schrijftafel neer. ‘Kan ik iets voor je doen?’ vraag ik. ‘Jazeker,’ zegt hij, ‘je kunt de fictie schrappen’, en hij stijgt weer op en verlaat wervelend mijn schrijfkamer door de hor in het rechterraam. Ik volg hem over het park en de oranje en zwarte zadeldaken tot hij iets voorbij het klokkentorentje van de kerk van het Klein Begijnhof uit het zicht verdwijnt. Als ik dan puur uit gewoonte een nieuw document open en achteloos de titel van mijn roman Dansen in tijden van droogte typ, snap ik wat de levende vogelverschrikker me wilde zeggen: ik moet geen geest najagen en geen romanpersonage op de wereld loslaten, ik moet op zoek naar een man van vlees en bloed die hoogstwaarschijnlijk in een rijstveld vogels zit te verjagen. En dat ga ik doen. Ik hang de foto met onderschrift in mijn schrijfkamer op. Het onderschrift luidt ‘Kabonyo, Kenia. Voor een maandloon van zo’n 7o euro speelt Juma Collins (18) de hele dag voor vogelverschrikker in deze rijstvelden. Door de rijstteelt filtert het moerasgebied minder schoon water weg naar het meer dan vroeger.’ Dat meer is het Victoriameer, waar fotograaf Prédéric Noy vorig jaar vele maanden heeft doorgebracht en er begeesterde en poëtische beelden heeft gemaakt van de overlevingsstrijd van het meer en de mensen die eromheen wonen. ‘De mensen hebben het lastig, het meer heeft het lastig. Maar her en der flonkert de hoop,’ aldus de inleiding van het korte artikel bij de tien afgedrukte foto’s, die zo ook – terecht of ten onrechte – een kritische, maar hoopvolle boodschap brengen. Mijn doel houdt zich dus op in Kenia, in de buurt van het Victoriameer, dat, als ik de krant mag geloven, ruim twee keer zo groot is als België. Ik ben mijn vingers, die op het punt staan `Victoriameer’ in de zoekmachine in te tikken, te snel af. Ik wil me voor dit project beperken tot het hoogstnodige: het artikel en mijn kennis, mijn onwetendheid in feite. ‘Misschien kan hij alleen geluiden maken om de vogels weg te jagen,’ werpt mijn vrouw in het midden als ik haar over mijn onderzoek vertel.”
A schilt een appel, terwijl B voor God knielt. C telefoneert naar D, die een hand heeft Op de knie van E, F hoest, G gooit de aarde omhoog Voor het graf van H ik begrijp het niet Maar J haalt een kleiduif naar beneden Terwijl K een knuppel op L’s hoofd laat landen En M neemt mosterd, N rijdt de stad in, O gaat naar bed met P, en Q valt dood neer, R liegt tegen S, maar wordt toevallig gehoord Door T, die U vertelt V niet te ontslaan Omdat hij W moest toevertrouwen Dat X Y en Z bedriegt, Die zich zojuist toevallig herinnert dat A Ergens ver weg een appel schilt.
“The dream is like a dry mouth. The hiss in his earpiece brought Branner round, and he saw the red dot flash on the grid scanner in his hand. He was sheltered from the rain partially, pushed in against the willow at the fifty-metre line. The rain came down heavily. Subdued the dawn light. The distraction was a relief. When he’d heard the doctor’s words, they seemed spoken through water. Had grown every moment since in volume and solidity. Seemed now to knock against the shell of the dream he’s had for weeks. A recurrence he braces for in sleep. The dream now like a premonition. ‘I’ve seen it,’ Branner said into his mic. He watched the red dot shift across the scanner, hesitate, then apparently settle. A slight condensation come to the edges of the screen. There was no way of knowing what the red dot was, but it was in the sector and big enough to trigger the sensors. Deer. Dog. Man. If it was still alive and present when the water load passed, the defence guns of the train would fire automatically. They weren’t taking any chances now. Attacks on the line had increased. Branner had the choice to stay out of the way or neutralise the risk himself. He could take the shot, or, if he could identify it as nothing threatening, call it in to the tower and they could stand the train guns down. ‘Can you get there?’ The sergeant’s voice came through the earpiece, through the snap of rain on Branner’s hood. ‘I can get there,’ Branner replied. It was relatively close. The opposite side of the track. ‘Let the train guns take it,’ said the sergeant. Branner felt the old scar on his jaw catch slightly against the nap inside his hood. ‘No. I’ll go.’ It will be an animal, Branner thought. There’s no need for it to pointlessly die.”
As it has for so long come wind and all weather the house glimmers among the mists of a little river that splinters, it seems, a landscape of winter dreams. In the far fields stand a few bare trees decorating those mists like the fanned patterns of Georgian skylights. The home land of any heart persists there, suffused with memories and mists not quite concealing the identities and lost lives of those loved once but loved most. They haunt it still. To the watermeadows that lie by the heart they return as do flocks of swallows to the fields they have known and flickered and flown so often and so unforgettably over. What fish play in the bright wishing wells of your painted stretches, O secret untainted little Bure, I could easily tell, for would they not be those flashing dashers the sometimes glittering presentiments, images and idealizations of what had to be? The dawn has brightened the shallows and shadows and the Bure sidles and idles through weed isles and fallen willows, and under Itteringham Mill, and there is a kind of rain- drenched flittering in the air, the night swan still sleeps in her wings and over it all the dawn heaps up the hanging fire of the day. Fowell’s tractor blusters out of its shed and drags a day’s work, like a piled sled behind it. The crimson December morning brims over Norfolk, turning to burning Turner this aqueous water colour idyll that earlier gleamed so green that it seemed drowned. What further sanction, what blessing can the man of heart intercede for than the supreme remission of dawn? For then the mind looking backward upon its too sullied yesterday, the rotting stack of resolution and refuse, reads in the rainbowed sky a greater covenant, the tremendous pronouncement: the day forgives.
Holy the heart in its proper occupation praising and appraising this godsend, the dawn. Will you lift up your eyes my blind spirit and see such evidence of forgiveness in the heavens morning after golden morning than even the blind can see?
Aan elk van mijn generatiegenoten
Wat was het waar je aan denkt – de zomermorgens Langs de rivier bij Richmond met een vrouw; En als je onhandig, in je badpak, kuste, Grimaste tussen rozen de historie. Welk een teken – Had je het maar herkend, had je het maar herkend! En als je in spiegels keek was dan dit teken Even klaar als de pijn in een parelhart? Een vreeslijk morgen, met Teutoons gebaren Het niet te loochnen gisteren zinloos hetend?
Wij spanden de haan der toekomst als wij kusten En uit ons roekloos woord, als drakenzaad, Rijst nu de dood op: toen wij vrolijk waren, Dansend tesaam in wat wij leven dachten, Sloten onze armen zich niet om de deernen des doods, Die ons vandaag, vandaag in onze bedden wachten?
Vertaald door Bert Voeten
George Barker (26 februari 1913 – 27 oktober 1991) Gefotografeerd door John Deakin, ca. 1952
Uit: Schipbreuk der beschavingen (Vertaald door Hans E. Van Riemsdijk)
“Ik kom nog uitgebreid terug op die gemiste afspraak, maar om mijn ideeën daarover meteen scherp te stellen wil ik daar toch al het volgende over kwijt: als de inwoners van de diverse naties en de volgelingen van de monotheïstische godsdiensten in deze contreien waren blijven samenleven en erin waren geslaagd hun perspectieven op de toekomst onderling af te stemmen, dan zou de hele mensheid hebben beschikt over een welsprekend voorbeeld van eendrachtige co-existentie en welvaart – als bron van inspiratie en als baken op haar pad. Helaas is het omgekeerde gebeurd: weerzin en afschuw hebben de overhand gekregen en juist de ónmogelijkheid om samen te leven is de regel geworden. Het licht van de Levant is gedoofd. Vervolgens heeft de duisternis zich verbreid over de hele wereld. En vanuit mijn standpunt bezien is daarbij geen sprake van puur toeval. Het Levantijnse ideaal zoals de mijnen dat hebben meegemaakt en zoals ik het altijd heb willen meemaken verlangt van alle mensen dat ze zich verantwoordelijk voelen voor de groepen en gemeenschappen waartoe ze behoren en óók een beetje voor die van de anderen. Zoals bij elk ideaal gaat het om een streven dat je nooit helemaal bereikt, maar dat streven is op zích al heilzaam, omdat het de te volgen weg aanduidt, de weg van de rede, de weg van de toekomst. Ik zou zelfs durven zeggen dat dat streven voor een samenleving de grensovergang van barbarij naar beschaving markeert. In mijn kinderjaren zag ik hoe blij en trots mijn ouders waren als ze het hadden over dierbare vrienden die een ander geloof aanhingen of afkomstig waren uit een ander land. Veel meer dan een lichte stembuiging was het niet. Maar daar klonk wel een boodschap in door, een ‘handleiding’ zou ik vandaag zeggen. In die tijd leek het me de gewoonste zaak van de wereld; ik stond er niet eens bij stil en was ervan overtuigd dat het er overal ter wereld zo aan toeging. Pas veel later ben ik gaan begrijpen hoe zeldzaam de harmonie tussen de diverse gemeenschappen in de wereld van mijn kinderjaren was. En hoe broos. Heel vroeg in mijn leven zou ik zien hoe die eendracht haar glans verloor, beschadigd raakte en vervolgens in rook opging, om slechts heimwee en schaduwen achter zich te laten. Klopt het wel als ik zeg dat de duisternis zich heeft verbreid over de wereld toen het licht van de Levant doofde? Past het wel om over duisternis te spreken terwijl wij, mijn tijdgenoten en ik, getuige zijn van de spectaculairste technologische doorbraken aller tijden; terwijl wij vlotter dan ooit via internet toegang hebben tot alle beschikbare kennis; terwijl wij steeds langer en in veel betere gezondheid dan vroeger leven; terwijl zo veel landen van de vroegere ‘derde wereld’, om te beginnen China en India, zich energiek ontworstelen aan hun onderontwikkelde status? Maar daar ligt precies de treurige paradox van deze eeuw: voor het eerst in de geschiedenis beschikken we over de middelen om de mensheid te bevrijden van alle plagen die haar altijd hebben bestookt om haar naar een tijdperk van vrijheid, vlekkeloze vooruitgang, wereldwijde solidariteit en gedeelde rijkdom te voeren, en toch rennen we holderdebolder in de tegenovergestelde richting.”
Ver ver van ruige golven deze kindergezichten. Als onkruid zonder wortels, hun haar wild om hun bleekheid. Het lange meisje met haar hangend hoofd. De papier- Bleke jongen met ratteogen. De onvolgroeide, misdeelde erfgenaam Van kromme botten, die de knoestige ziekte van een voorvader Opleest, zijn les, van zijn bank. Achterin de schemerige klas Eén kind onopgemerkt, lief en jong. Zijn ogen leven in een droom Van eekhoornspel in een boomruimte, een andere dan deze.
Aan de zuremelk-wanden gekregen dingen, Shakespeares hoofd, Wolkenloos in de ochtendschemer, beschaafde koepel boven alle steden. Met klokken, bloemrijk, een Tirools dal. Kaart met open handen Die de wereld beloont met zijn wereld. En toch zijn voor deze Kinderen deze ramen, niet deze wereld, de wereld, Waar heel hun toekomst is geschilderd met een mist, Een nauwe straat dicht onder een loden lucht, Ver ver van rivieren, kapen en sterren van woorden.
Shakespeare is toch zeker slecht, de kaart een verkeerd voorbeeld Met schepen en zon en liefde die hen verleidt tot diefstal – Voor levens die sluw ronddraaien in hun benauwde holen Van mist tot eindeloze nacht? Op hun sintelhoop dragen Deze kinderen vel waar botten doorsteken en stalen brillen Met geplakt glas, als flesscherven op stenen. Al hun ruimte en tijd is mistige achterbuurt. Dus wis uit hun kaarten met achterbuurten groot als een vloek
Tenzij, bestuurder, meester, inspecteur, bezoeker, Die kaart hun raam kan worden en deze ramen Die hun bestaan afsluiten als catacomben Breken O openbreken tot ze de stad wegbreken En deze kinderen zicht geven op groene akkers en hun wereld Hemelsblauw laten stromen op gouden stranden, en hun tong Naakt boeken in laten lopen, de wit en groene bladen open Geschiedenis aan hen wier taal de zon is.
Vertaald door Willem van Toorn
Stephen Spender (28 februari 1909 – 16 juli 1995) Portret door Robert Buhler, 1939
Uit:Prins Peper (Vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre)
“Het is allemaal begonnen toen ik als tiener nadacht over hoe ik heette. Mijn naam had ik gekregen van Papa Moupelo, de priester van het weeshuis van Loango. Hij doopte mij: Tokumisa Nzambe po Mose yamoyin-do abotami namboka ya Bakoko, dat Lingala is voor: `Goddank, zwarte Mozes is geboren op de grond van onze voorouders. Die naam staat nog steeds op mijn geboorteakte … Papa Moupelo was een apart figuur; hij is een van de weinigen die een stempel op me heeft gedrukt tijdens mijn verblijf in het weeshuis. Hij was drie turven hoog, droeg Salamanders met dikke zolen – die wij “lifthakken” noemden – en witte boubous, wijde, losse kleden, die hij kocht bij de West-Afrikaanse kooplui op de Grote Markt van Pointe-Noire. Zo gekleed leek hij op een vogelverschrikker in het maïsveld, vooral als hij de centrale binnenplaats overstak en de wind aan de casuarina’s rukte die rond de ommuring van het weeshuis stonden. Elk weekend wachtten we vol ongeduld op zijn komst, en zodra we een eerste glimp opvingen van zijn oude R4 (waarvan de motor volgens ons aan chronische tering leed) begroetten we hem met applaus. De priester had op de binnenplaats moeite met inparkeren. Hij moest het een keer of zes overdoen, terwijl de eerste de beste zondagsrijder zijn wagen met zijn ogen dicht op dezelfde plek zou hebben neergezet. Die komische strijd leverde hij niet voor zijn plezier. Het doel was namelijk, zei hij ter vergoelijking, “dat de kop van de auto al naar de poort keek”, en dat hij het zich niet nodeloos moeilijk hoefde te maken als hij twee uur later terugreed naar zijn woonplaats Diosso, op een kilometer of tien van Loango. Tegenover de leslokalen was de priester een eigen lokaal ter beschikking gesteld. Daar vormden we een kring om hem heen en deelde hij papieren uit waarop we de woorden vonden van het lied dat we gingen leren. Onmiddellijk klonk er luid geroezemoes in het lokaal, want de meesten van ons konden maar moeilijk wennen aan de verfijnde woordenschat van het Lingala uit de boeken die Europese missionarissen hadden geschreven over onze oeroude geloofsovertuigingen, legenden, verhalen en liederen. We gingen er tegenaan en nog geen kwartier later voelden we ons ermee vertrouwd en zongen we zoals Papa Moupelo het wilde. Het leek hem een goed idee als de meisjes youyous lieten horen, lange, hoge kreten, en dat de jongens de meisjes antwoordden met hun laagste toon. Hijzelf deed zijn ogen dicht, en terwijl er een glimlach om zijn lippen verscheen liet hij virtuoos benenwerk zien: kruisen, spreiden, kruisen, spreiden … Hij voerde die bewegingen zo snel uit dat we zeker wisten dat hij de snelste mens ter wereld was. En na een paar minuten veegde hij met de rug van zijn hand het zweet van zijn gezicht en gebaarde buiten adem en met open mond naar ons: “nu jullie!” Omdat we aarzelden, schoot de priester ons met woord en daad te hulp: “Hup! Hup! Niet verlegen zijn, kinderen! Iedereen meedoen! Op en neer met de schouders! Ja, zo! Heel goed! Denk nu dat diezelfde schouders vleugels zijn en dat jullie weg gaan vliegen! 2,5 ja!!! Tegelijk knikken, zoals nerveuze agamen dat doen, je weet wel, die hagedissen met een oranje kop! Geweldig, kinderen! Precies zoals ze dansen in het noorden van dit land!” In ons enthousiasme hadden we het gevoel dat deze dienaar van God er niet was om ons het evangelie bij te brengen, maar om de herinnering aan de lijfstraffen van de vorige dagen te verjagen. We lieten ons gaan; soms gingen we iets te ver en dan duurde het even voordat we begrepen dat niet alles mocht, dat we niet aan het fameuze hof van koning Makoko waren, waar de Batéké’s onafgebroken feestvierden terwijl hun heerser dag en nacht lag te snurken, gewiegd door zijn zingende verhalenvertellers.”
Alain Mabanckou (Congo-Brazzaville, 24 februari 1966)
Barely contained by the eyesight, the beach makes one great arc – blue ranges overlapped behind it; each of them a tide-mark.
About me, swamp-oaks’ foliage streams, hatching by Cézanne. Off in the heath, a guard’s carriage follows the vats of a train.
A creek spoils the hem of the sea; spread on the beach in flutes it has the redness of black tea, from the swamp’s sodden roots.
Behind, cloudy afternoon swells, the colour of claret stain. The sunlit town is strewn like shells. Its lighthouse, a tiny pawn.
I’m walking on the beach alone; the sea’s grey feathers flurry, showing emerald. Sandpipers blown seem mice, in their scurry.
And the sun on my shoulders brings, because it’s perfect warmth, the feeling that I wear great wings while stepping along the earth.
Flames and Dangling Wire
On a highway over the marshland. Off to one side, the smoke of different fires in a row, like fingers spread and dragged to smudge. It is the always-burning dump.
Behind us, the city driven like stakes into the earth. A waterbird lifts above this swamp as a turtle moves on the Galapagos shore.
We turn off down a gravel road, approaching the dump. All the air wobbles in some cheap mirror. There is a fog over the hot sun.
Now the distant buildings are stencilled in the smoke. And we come to a landscape of tin cans, of cars like skulls, that is rolling in its sand dune shapes.
Amongst these vast grey plastic sheets of heat, shadowy figures who seem engaged in identifying the dead – they are the attendants, in overalls and goggles,
forking over rubbish on the dampened fires. A sour smoke is hauled out everywhere, thin, like rope. And there are others moving – scavengers.
As in hell the devils might poke about through our souls, after scraps of appetite with which to stimulate themselves,
so these figures seem to be wandering despondently, with an eternity where they could find some peculiar sensation.
We get out and move about also. The smell is huge, blasting the mouth dry: the tons of rotten newspaper, and great cuds or cloth….
And standing where I see the mirage of the city I realize I am in the future. This is how it shall be after men have gone. It will be made of things that worked.
A labourer hoists an unidentifiable mulch on his fork, throws it in the flame: something flaps like the rag held up in ‘The Raft of the Medusa’.
We approach another, through the smoke and for a moment he seems that demon with the long barge pole. It is a man, wiping his eyes. Someone who worked here would have to weep,
and so we speak. The rims beneath his eyes are wet as an oyster, and red. Knowing all that he does about us, how can he avoid a hatred of men?
Going on, I notice an old radio, that spills its dangling wire – and I realize that somewhere the voices it received are still travelling,
skidding away, riddled, around the arc of the universe; and with them, the horse-laughs, and the Chopin which was the sound or the curtains lifting, one time, to a coast of light.
HAVENSCHEMER
Zij en ik kwamen daar dwalend door een leeg park en legden onze handen op het wegvloeiende leven van een stenen balustrade. Voor ons, over het olieachtig aubergine duister van de haven, konden we de zeiljachten nog onderscheiden
tegen een betrokken lucht die van onderen mauve belicht was en een verre oever van donker, afbrokkelend geboomte. Een deel van de stad, links van ons, lichtte op als een fruitkraam. Na de zomerdag, een enorm, vochtig verstommen.
De jachten waren een heel eind weg, in hun lege velden van water. Soms werd er een zachtjes neergelegd, als een ganzeveer. Ze leken te fluisteren, door elkander glijdend, steeds in weifelend evenwicht, als was beslistheid kwalijk.
in de verte, door de gespannen Brug, een hemel van moerbei en oranje chiffon. Mauve-grijs, elk gekliefd zeil – als verpleegsters, in een diepe gang: lichte melancholie; of als nonnen die ’s avonds te biecht gaan.
Vertaald door Maarten Elzinga
Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)
De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.
Uit: Het literatuurcongres (Vertaald door Adri Boon)
“Tijdens een trip naar Venezuela die ik onlangs maakte, had ik de gelegenheid om een kijkje te nemen bij de beroemde Draad van Macuto, een van de wonderen van de Nieuwe Wereld, een erfenis nagelaten door anonieme piraten — toeristische attractie en onopgelost raadsel ineen. Een vreemd monument van menselijk vernuft dat eeuwenlang een enigma bleef en op den duur deel ging uitmaken van een Natuur die op die breedtegraad net zo rijk is als alle vernieuwingen waartoe zij aanleiding geeft. Macuto is een van de kustplaatsen die aan de voet van Caracas liggen, niet ver van Maiquetfa, waar het vliegveld waar ik landde zich bevindt. Ik werd voor die nacht ondergebracht in Las Quince Letras, een modem hotel opgetrokken langs het strand, tegenover het gelijknamige pension annex restaurant. Mijn kamer zag uit op zee, de weidse en tegelijk zo intieme Caribische Zee, blauw en schitterend. De Draad bevond zich op honderd meter van het hotel; ik kon hem vanuit mijn raam zien, maar ik ging naar buiten om er van dichterbij een blik op te kunnen werpen. Net als elk kind van het Amerikaanse continent had ook ik me overgegeven aan even wilde als ijdele speculaties over de Draad van Macuto, een tastbaar overblijfsel van de tot de verbeelding sprekende piratenwereld, die daardoor tot leven kwam en werkelijkheid werd. In encyclopedieën «n mijn geval El Tesoro de la Juventud, die nooit meer dan onder het betreffende lemma zijn naam eer aandeed) stonden schema’s en foto’s, die ik in mijn schriften kopieerde. Al spelend ontwarde ik de knoop, kwam ik achter het geheim… Later zag ik op tv documentaires over de Draad, kocht ik nu en dan een boek dat erover was verschenen, en tijdens mijn studie Venezolaanse en Caribische literatuur dook de Draad vaak op als leidmotief. En net als iedereen volgde ook ik (hoewel zonder speciale interesse) de berichten in kranten over nieuwe theorieën, over nieuwe pogingen om het raadsel te doorgronden… Het feit dat het steeds weer nieuwe pogingen betrof, gaf duidelijk aan dat de vorige tot niets hadden geleid. Volgens een oeroude legende diende de Draad om er een schat mee omhoog te takelen, een buit van onschatbare waarde die piraten naar de zeebodem hadden laten afzinken. Een van de piraten (alle naspeuringen in kronieken en archieven ten spijt was men er nog steeds niet achter om wie het ging) moest wel een wetenschappelijk-artistiek genie van de eerste orde zijn geweest, een Leonardo aan boord, om zo’n wonderlijk mechaniek te kunnen bedenken waarmee je de buit zowel kon verbergen als ophalen. Het ding was van een geniale eenvoud.”
César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949) Cover