Ramsey Nasr, Maik Lippert

De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.

 

Radicaal intiem

1.
Dat was in de dagen der titanen. Men at schorseneren, kauwde sigaren.
Vermoeide dichters werden op de rug gedragen.
Daar waren nog geen voorvaderen. Het universum rook fris van de brand.
Ze banjerden rond in hun eerste lente: vlassige knevels, driedelig pak
wandelstok los in de tachtigershand.
Titanen spraken in navelen
zij kenden geen schaamte, gingen in goudmuiltjes over straat.
Rondom hen hing lichtgeknetter, voortgebracht door een apparaat
dat zij hun Gedachtenharp noemden.
Het ding was van a tot z verzonnen, maar fakkelde rustig de heuvelen af.
Bloemen smeulden onder hun stappen.
Heel de wereld lag teder en zwart.

 

Le sacre du printemps & Pierre Boulez

Toen stopte het met bloeden en bedaard
Steeg hij van zijn estrade, paars noch bleek.
Men kreeg applaus, een vlinderdas hing scheef:
Laatste verweer van een woedende maart.

En ik, weerlozer dan tevoren, keek
Naar ravage met blote hand gebaard,
Alsof een rood verband of oude baard
Afscheurde en zere bloempjes openstreek.

Hoe kan een man die enkel denkt in tikken
Mij doen huilen? Ik huil om een soort Zeus.
Alleen in lege zaal hoor ik nog juist,
Hoe ze de cello’s in hun dozen klikken.
Wie weet of binnen in zijn klokkenhuis
Het hart niet rustig verder gaat, maar suist.

 

Lied van de oude man

Ik vind met uitgevallen mond
Opnieuw het huilen uit. Ik zing
Zoals een long en buiten klinkt
Een vuist zich vast aan mijn accordeon.

Mijn vel is hard, Ana, vlieg op.
Een harde worst ben ik geworden,
Maar alles krijgt weer plaats en orde:
Lelijke vlinders vinden hier hun pop.

Beef, Ana, stilletjes omhoog.
Neem mee de varkens, het konijn,
Maar zeg mij of het sterren zijn
Of uitgebrande stenen. Hoe dan ook,

Die Jezus Christus, hij beloog
Ons, mooike, net als iedereen
Die jonggebleven en alleen
Heeft leren leven, zonder ruggenboog.

Zij zagen nooit je vingers ha-
ken. Altijd ‘zachtjes’, altijd weer.
Ik denk niet dat ik iemand deer,
Nu ik een oud spel openwringen ga.

 

Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

 

De Duitse dichter en schrijver Maik Lippert werd geboren op 28 januari 1966 in Erfurt. Zie ook alle tags voor Maik Lippert op dit blog.

 

oorsuizen

een klamme april lang
met otitis media
de oude in de gehoorgang
looit je trommelvliezen met aluin
je luistert naar de radio met je voorhoofd
in de schedel hannesen
verslaggevers op de blikken membranen
van telefooncellen
je zoekt de plaatsen in de schoolatlas
plaatsen met symbolen
zoals kobalt en koper
je ziet mensen
die zijn geboren met mijnwerkerslampen op hun voorhoofd
anderen met geweerlopen in hun ogen
vertelt jezelf

in koorts
worden we allemaal wakker
en wenst alle verpleegkundigen
en leraren
die voor de dichtkunst lijden
oorsuizen
stofvreters voor de eeuwigheid
deze gedichten
over zomerregen en aderklachten
zeg je
de rest is amoxicilline
3 keer per dag een hele tablet
en in mei schrijf je weer
gedichten
waterig als de aderkaarten op je benen

 

elke ochtend begroet me een lege

pilsator fles
op de rij brievenbussen

in het trappenhuis
de leeuw op het etiket
ziet er
onberispelijk krasvrij uit
liefdesboodschap
of achteloos achtergelaten statiegeld
ik kan het niet ontraadselen
moet naar de metro
naar the bone man
met wisselende namen
en als ik thuiskom
is altijd de lege
fles al weg

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maik Lippert (Erfurt, 28 januari 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e januari ook mijn blog van 28 januari 2019 en ook mijn blog van 28 januari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Paolo Cognetti, Harvey Shapiro

De Italiaanse schrijver Paolo Cognetti werd geboren in Milaan op 27 januari 1978. Zie ook alle tags voor Paolo Cognetti op dit blog.

Uit: Sofia draagt altijd zwart (Vertaald door Yond Boekeen Patty Krone)

“Op een nacht keek de verpleegster uit het raam van de af­deling en zag zijn bestelbus voor het ziekenhuis staan. De koplampen knipperden drie keer, doofden en gingen daar­ na weer aan toen zij zwaaide. Ze vroeg haar collega of ze haar even wilde aflossen en liep de trap af naar de dienst­ingang, en daar, in de herfstregen, draaide hij zijn raampje open en zei dat hij een aantal beslissingen had genomen.
De verpleegster keek hem onderzoekend aan, niet zeker of ze hem moest geloven. Ze checkte of niemand hen zag en ging de man voor naar een lege kamer op de eerste verdie­ping, waar ze ongestoord konden praten.
De snor van de man rook niet alleen naar sigaretten, zo­ als gebruikelijk, maar ook naar wijn. Eenmaal in de kamer omhelsde hij haar en manoeuvreerde haar in de richting van het bed, maar de manier waarop stond haar niet aan en dus duwde ze hem van zich af. Hij reageerde beledigd, opende het raam, stak een sigaret op en keek naar buiten.
Na een tijdje zei hij: ‘Als het nog even zo doorregent, krij­gen we nog vinnen, net als de vissen.’
‘Nou?’ zei de verpleegster, ‘ga je me nog vertellen wat je komt doen?’
De man antwoordde niet meteen, keek naar de regen en nam nog een paar trekjes. Daarna zei hij dat hij die nacht niet naar huis ging. Hij was met slaande ruzie vertrokken en had naar zijn vrouw geschreeuwd dat ze hem maar moest vergeten. Hij vertelde niet dat hij daarna naar het café was gegaan, maar dat was wel duidelijk. Het was kwart voor twee. Hij haalde een hand door zijn natte haar en de verpleegster stelde zich voor dat hij met andere mannen aan de bar had staan drinken, over vrouwen had gepraat, met de serveerster had geflirt, en dat hij daarom zo laat was. Hij zei: ‘Als jij me ook al niet wilt, slaap ik wel in de bestelbus, mij maakt het niets uit.’ Toen hij haar nogmaals probeerde te omhelzen liet ze hem begaan, sloot haar ogen en dwong zichzelf niet aan zijn opeenstapeling van smoe­zen en leugens te denken.
Later die nacht werd ze opgepiept voor een spoedbe­valling. Een jonge vrouw van tweeëntwintig, in de zeven­ de maand. Ze baarde een minuscuul, blauwzuchtig meisje, plus een flinke hoeveelheid bloed. De verloskundige gaf het een paar tikjes tegen de billen om het te laten huilen en ademen, maar het meisje ademde noch huilde en moest gereanimeerd worden. De arts had het idee dat er iets niet klopte aan die premature bevalling: uiteindelijk bleek dat de moeder zonder het tegen iemand te zeggen maag­ zweermedicijnen had geslikt die verboden waren tijdens de zwangerschap, maar nu was ze te zeer van slag om tekst en uitleg te geven.”

 

Paolo Cognetti (Milaan, 27 januari 1978)

 

De Amerikaanse dichter Harvey Shapiro werd op 27 januari 1924 in Chicago geboren in een joodse familie uit Kiev. Zie ook alle tags voor Harvey Shapiro op dit blog.

 

Stadsgedicht

1.
Kale maar numineuze bomen,
zelfs in de winter, zelfs in de stad,
die zich voeden met cement, maar
de hele last van de lucht dragen
en de ellende die uit de stenen sijpelt
en uit degenen die tussen hen ronddwalen.

2.
Van alle verschillende soorten licht
vind ik het het leukst als het donker wordt,
bijna donker, boven de rivier en in de stad,
wanneer de lichten langs de brug
als juwelen worden en voor me glanzen,
zoals ze eerder deden, toen mijn hart heel was
en ik mijn reis begon.

3.
Herinneringen, ik bezoek ze, zoals oude ruïnes.
Een leven lang verloren in de stad.
Straat donker van regen en zwarte paraplu’s.
In Brooklyn klaart de lucht op boven het water.
Wilde meeuwen drijven op de stroming, ogen klaar voor de buit.
Koorts, als de rand van een woestijn.
Om de dageraad en de brede oceaan te zien.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Harvey Shapiro (27 januari 1924 – 7 januari 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e januari ook mijn blog van 27 januari 2019 en ook mijn blog van 27 januari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Nora Gomringer, Harvey Shapiro

De Zwitsers-Duitse dichteres Nora Gomringer werd geboren op 26 januari 1980 in Neunkirchen an der Saar. Zie ook alle tags voor Nora Gomringer op dit blog.

 

Eingedenk der hl. Apollonia / Heute war ich beim zahnarzt

Und ich war sperrangelweit,
eine große Wunde mein Mund.
Zeugnis der Feste und Fülle.
Die Lider starr vom bohrenden Schmerz,
die Hände hielten sich wie Idioten, doch
ahnend, dass ihnen das Halten
gar nichts bringt.
Aus Amalgam tormte kunstfertig,
auskunftsfrei der Riese in seinem Tempel
– fast noch am Sabbat –
eine winzige Blüte und grub sie in ein Loch.
Seit wann habe ich dieses Loch, oh Herr? Was bedeutet es,
ein Loch mit sich herumzuführen? Einen Nichtort, ein Paradies
verinnerlicht. Fast wollt ich rufen: Dieses Loch, so scheint mir’s,
das bin ich. Nehmen Sie es nicht aus dieser Welt!

Da war ich längst floriert, fluoridiert,
verschlossen: ein Mädchen
vor seiner Zeit.

 

De H. Apollonia indachtug / Vandaag was ik bij de tandarts (Vertaald door Elbert Besaris)

Wagenwijd open lag ik daar,
een grote wond mijn mond.
Blijk van feest en overvloed.
Mijn oogleden stijf van borende pijn,
mijn handen knepen elkaar als gekken,
zochten houvast
tegen beter weten in.
Vaardig, zwijgzaam, maakte de reus
van amalgaam in zijn tempel
– nog net op de sabbat –
een nietige knop en begroef hem in een gat.
Sinds wanneer heb ik dit gat, o Heer? Wat betekent het
om een gat met je mee te dragen? Een nietsplaats, een paradijs
verinnerlijkt. Bijna riep ik uit: dit gat, lijkt mij,
dat ben ik. Neem het toch niet weg uit deze wereld!

Ik was allang gefloreerd, gefluorideerd,
gesloten: een meisje
voor haar tijd.

 

Ben vergeten

Ben vergeten
Te benoemen hoe de straten
De dingen waar de kopjes
Op de plank daarachter op de oprit
Sta ik naakt
Mijn haar los draag ik jouw ring
Komt een man elke dag
Als een hoe heten die
Wil mij kindje wiegen
Streelt mijn wang denk ik
Moordenaar jij hé dief laat dat
Ga nou door voortdurend
Ruik ik naar arnica oude vrouw
Roepen ze me toe ik vraag hun
wie bedoel je dan
Sta ik naakt op de oprit
Ben vergeten

 

Vertaald door Elbert Besaris

 

Nora Gomringer (Neunkirchen an der Saar, 26 januari 1980)

 

De Amerikaanse dichter Harvey Shapiro werd op 27 januari 1924 in Chicago geboren in een joodse familie uit Kiev. Zie ook alle tags voor Harvey Shapiro op dit blog.

 

Wat rein is

Wat ceremonieel onrein was, wist hij,
Was zijn leven. De wetten werden niet gevolgd.
De god werd niet geëerd.
Angst zat op elke weg.
Om zijn leven te veranderen, bedacht hij
Een baan die regelmaat en orde beloofde.
Hij vond liefde uit die vreugde beloofde.
In de zomer zat hij tussen groene bomen.
De familie lachte in het water.
Laat de ceremonie nu beginnen, zei hij,
In het hartje van de zomer,
In het pure groen
En het pure blauw.
Laat de god zijn berg bewandelen.
Hij kan naar beneden komen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Harvey Shapiro (27 januari 1924 – 7 januari 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e januari ook mijn blog van 26 januari 2019 en ook mijn blog van 26 jauari 2016 en mijn blog van 26 januari 2014 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

Lisa Weeda, Derek Walcott

De Nederlandse schrijfster Lisa Weeda werd geboren in Dordrecht op 25 januari 1989. Zie ook alle tags voor Lisa Weeda op dit blog.

Uit: Aleksandra

“Zelfs als ik Aleksandra’s naam, haar vadersnaam Nikolajevna en haar achternaam Temnikova noem, mag ik niet langs het checkpoint. Ik neem mijn paspoort terug aan en wijs naar de brug richting Loegansk.
‘Toen ze werd weggehaald heette deze stad nog Vorosjy-lovhrad,’ zeg ik.
De Oekraïense soldaat, die iedereen voor mij heeft doorgelaten, schuift zijn geweer van zijn buik naar zijn rug en slaat zijn armen over elkaar. De brug hangt als een in tweeën gespleten boom in de rivier, die de gesepareerde republiek scheidt van de Oekraïense grond waar ik op sta. De houten constructie, die al bijna vier jaar door moet gaan voor opgang naar het ingestorte wegdek, ziet
er zelfs vanaf hier krakkemikkig uit.
‘Overal liggen mijnen, er wordt om de haverklap ge- schoten, ’s nachts zijn er bombardementen,’ bromt de soldaat.
‘Dat zeiden ze al.’
‘Wie, ze?’

‘Mijn oma. Haar zus Nina die hier woont, ken je haar?
Mijn oudtante en haar zoon in Odessa. Ze zeiden: je bent gek.’
De soldaat schudt nog eens zijn hoofd.
‘Dus je omaatje, die jou hopelijk liefheeft, stuurt je naar een oorlogsgebied. Is ze mesjogge?’
‘Het moet,’ zeg ik, ‘ze heeft het me gevraagd.’
‘Er moet wel meer nu. Je kunt wel papieren hebben, maar je bent alleen. Regel een fixer, iemand die met je meegaat.’
‘Mijn achternichten wonen in Loegansk,’ ga ik door, ‘hier, hun telefoonnummers.’
Ik duw mijn telefoon onder zijn neus en scrol tot de namen Ira en Joelja voorbijkomen. Hij drukt zijn over elkaar geslagen armen nog strakker tegen zijn borst, waardoor het blauw-gele embleem op zijn mouw een beetje kreukelt.
‘Meisje, het spijt me.’
Met een zo ernstig mogelijk gezicht trek ik een langwerpige linnen doek uit mijn tas. Ik laat hem aan de soldaat zien.
‘Deze doek is bijna een eeuw oud. Hij heeft duizenden kilometers afgelegd. Je mag dit ding geen laatste reis naar huis ontzeggen.’
Op de witte doek zijn zwarte en rode lijnen geborduurd. De randen zijn versierd met bloemenpatronen in de kleuren blauw, rood en zwart. Ik prik mijn wijsvinger erin. ‘Zie je deze lijn, die waar de naam Kolja boven staat, de lijn die stopt in 2015?”

 

Lisa Weeda (Dordrecht, 25 januari 1989)

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

In de Village

II
Iedereen in New York speelt in een sitcom.
Ik zit in een Latijns-Amerikaanse roman, een
waarin een viejo met zilverreigerhaar trilt van wat
onzichtbaar verdriet, een of andere obscene kwelling,
en het stiekem boekstaaft, totdat het op zijn gezicht te zien is,
en de rimpels tussen haakjes zijn verdichtsel
tot zijn diepe gêne, bevestigen. Kijk het is
gewoon het oude verhaal van een hart dat niet wil stoppen
wat de kansen ook zijn, donquichotachtig. Het is er gewoon een dat
niemands hart zal breken, zelfs als de grijze kolonel
van zijn ros vliegt in een cavalerie-aanval, in een gevecht
dat van hem geen standbeeld maakt. Het is de hel
van gewone, onbeantwoorde liefde. Let op deze zilverreigers,
sjokkend over het gazon in een slordige troep, die vergeefs
witte vlaggen volgt; zij zijn de verbleekte spijt
van een oude mans memoires, gedrukte stanza’s,
die hun scharnierende vleugels tonen als wijd open geheimen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e januari ook mijn blog van 25 januari 2021 en ook mijn blog van 25 januari 2019 en ook mijn blog van 25 januari 2017 en ook mijn blog van 25 januari 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

John Donne, Derek Walcott

De Engelse dichter John Donne werd ergens tussen 24 januari en 19 juni 1572 geboren in Londen. Zie ook alle tags voor John Donne op dit blog.

 

Holy Sonnet VII

At the round earth’s imagin’d corners, blow
Your trumpets, angels, and arise, arise
From death, you numberless infinities
Of souls, and to your scatter’d bodies go;
All whom the flood did, and fire shall o’erthrow,
All whom war, dearth, age, agues, tyrannies,
Despair, law, chance hath slain, and you whose eyes
Shall behold God and never taste death’s woe.
But let them sleep, Lord, and me mourn a space,
For if above all these my sins abound,
‘Tis late to ask abundance of thy grace
When we are there; here on this lowly ground
Teach me how to repent; for that’s as good
As if thou’hadst seal’d my pardon with thy blood.

 

Holy Sonnet VIII

If faithful souls be alike glorified
As angels, then my father’s soul doth see,
And adds this even to full felicity,
That valiantly I hell’s wide mouth o’erstride.
But if our minds to these souls be descried
By circumstances, and by signs that be
Apparent in us not immediately,
How shall my mind’s white truth by them be tried?
They see idolatrous lovers weep and mourn,
And vile blasphemous conjurers to call
On Jesus’ name, and pharisaical
Dissemblers feign devotion. Then turn,
O pensive soul, to God, for He knows best
Thy grief, for He put it into my breast.

 

The Good-Morrow

I wonder, by my troth, what thou and I
Did, till we loved? Were we not weaned till then?
But sucked on country pleasures, childishly?
Or snorted we in the Seven Sleepers’ den?
’Twas so; but this, all pleasures fancies be.
If ever any beauty I did see,
Which I desired, and got, ’twas but a dream of thee.

And now good-morrow to our waking souls,
Which watch not one another out of fear;
For love, all love of other sights controls,
And makes one little room an everywhere.
Let sea-discoverers to new worlds have gone,
Let maps to other, worlds on worlds have shown,
Let us possess one world, each hath one, and is one.

My face in thine eye, thine in mine appears,
And true plain hearts do in the faces rest;
Where can we find two better hemispheres,
Without sharp north, without declining west?
Whatever dies, was not mixed equally;
If our two loves be one, or, thou and I
Love so alike, that none do slacken, none can die.

 

John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631)
Anoniem portret in de National Portrait Gallery, London

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

In de Village

I
Ik kwam uit de metro en daar stonden

mensen op de trap alsof ze iets wisten
dat ik niet wist. Dit was in de Koude Oorlog,
en nucleaire fall-out. Ik keek en de hele avenue
was leeg, ik bedoel volkomen leeg, en ik dacht,
De vogels hebben onze steden verlaten en de plaag
van stilte vermenigvuldigt zich via hun slagaders, ze voerden
oorlog en ze verloren en er is niets subtiels of vaags
aan dit gruwelijke vacuüm dat New York is. ik ving
het geschal van een luidspreker op die herhaaldelijk
de laatste paar mensen waarschuwde, misschien een verliefd stel op hun wandeling,
dat de wereld op het punt stond te vergaan die ochtend
op Site of Seventh Avenue zonder mensen die naar hun werk gingen
in dat ontegensprekelijke, gruwelijke perspectief.
Het was geen manier om te sterven, maar ook geen om te leven.
Goed, als we zouden verbranden, was het tenminste New York.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e januari ook mijn blog van 24 januari 2021 en ook mijn blog van 24 januari 2019 en ook mijn blog van 24 januari 2017 en ook mijn blog van 24 januari 2016 deel 2.

Jabik Veenbaas

De Nederlandse dichter, schrijver, vertaler en filosoof Jabik Veenbaas werd geboren in Hijlaard op 23 januari 1959. Veenbaas volgde het Christelijk Gymnasium in Leeuwarden en studeerde Engels aan de Universiteit van Amsterdam en Wijsbegeerte en Fries aan de Vrije Universiteit (VU). Hij debuteerde in 1990 met de Friestalige verhalenbundel Tusken himel en hel en publiceerde sindsdien verschillende Nederlandstalige en Friestalige boeken. Hij ontplooide zich tevens als criticus en werd in 1999 recensent Fries proza voor de Leeuwarder Courant, wat hij vijf jaar zou blijven. Ook recenseerde hij filosofisch werk voor Het Financieel Dagblad. Daarnaast publiceerde hij artikelen en essays over filosofische en literaire onderwerpen in bladen als Trouw, Filosofie Magazine en Tirade, en Nederlandstalige poëzie in onder meer Het liegend konijn, Poëziekrant en Hollands maandblad. Vanaf 1985 publiceerde Veenbaas vertalingen uit het Engels, Duits, Frans en Fries naar het Nederlands en vanuit het Engels naar het Fries. Hij vertaalde werk in allerhande literaire genres en daarnaast veel filosofisch werk. Voor zijn vertalingen van gedichten van de klassieke Friese dichter Obe Postma in de bundel Van het Friese land en het Friese leven werd hem in 1999 de vertaalprijs van de provincie Friesland toegekend. In 2010 kreeg hij samen met collega-vertaler Willem Visser de Filter-vertaalprijs voor het vertalen van Kritiek van het oordeelsvermogen van Immanuel Kant. Veel succes oogstte hij met zijn filosofische boek De Verlichting als kraamkamer (Amsterdam, 2013), waarin hij vijftien Verlichtingsdenkers in hun historische context plaatst en hun belang voor vandaag onderzoekt. Het boek stond op de shortlist van de Socrates Wisselbeker 2014.

 

Requiem

bleef wat hangen in het sleepvoetende huis
om een uur te sterven met een oude vriend
rook er licht naar de oorlog die ongemerkt
was gaan liggen maar de hoge piano
stond er nog met al haar
tien stijve vingers

nog amper ademen, vrachten verhalen
verzwijgen. het was de maag, het haperende
hart, het waren de rennende kinderen, daar
buiten op straat, een step vergeten, de hoge
blauwe bal die over de heg vloog
waar bleef hij toch

de bomen zetten hun tanden in de nacht, die
als een druppel leven van zijn lippen vloeide: wat
hebben we gelachen, had nog zo graag naar
wenen gewild, en: oude vrienden
sterven niet. maar dat laatste heb ik
niet meer gehoord

 

darwinistische weemoed

christus, waar kom ik terecht
ik ben zo nerveus!
zal ik een engel worden?
soms meen ik dat m’n staartbeentje groeit
maar het is die grijze zak aan m’n kop
nog betere machines zeker!

met m’n vrienden vier ik m’n verleden:
de bonobo boemelt, de kaketoe roept
en de Cheshire cat glimlacht
(overdag soezen en spinnen
’s avonds met één sprong op het dak)
maar dan bekruipen mij
bloedige beelden: het slagveld,
de goedige dodo die zich opoffert,
en ik zeg niet: laat mij het maar doen

eeuwig die verrekte muggen
staken me al als schubbig reptiel

ja, toen ik nog een listig eiwit was
ik vloog er in als een wilde
wat voel ik me oud!

overal in en om mij
het ruisende water
zo deemoedig dat het me vertedert
en nooit die heimwee naar een ziel
waar doet het me toch aan denken?

werd ik maar weer een steen:
eerst het trotse stollen, dan
het vadsige liggen, ’t gestage
blijmoedige slijten

 

Jabik Veenbaas (Hijlaard, 23 januari 1959)

 

Wouter van Heiningen, Derek Walcott

De Nederlandse dichter Wouter van Heiningen werd geboren op 23 januari 1963 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Wouter van Heiningen op dit blog.

 

De vergankelijkheid van het moment

In probleemloze tijden
ben ik alleen
in mijn element
en sluit de lucht
zich als een
vacuüm om mij heen

Dat moment – kortstondig beleefd –
staat vast in de tijd
en – freeze framed –
op vergankelijk papier

Steeds opnieuw
zweef ik gewichtsloos
door de beelden
van dat moment
en dan soms
waan ik mij in een
probleemloze tijd

 

Dood water

Ontvleugeld water
doods
van leven ontdaan
kruipt niets meer
door de modder

versteende onderwaterflora,
slierten grijs
plastic als inktvissen – made in China –
strijden om oppervlakteruimte
met oranje koraalzeil

waar verschuilt zich
het leven dat leven
onmogelijk maakt,
dat leven ondraaglijk maakt

ontkieuwd water
bewegingsloos helder
schuilt de
dood
in het donker

 

Stadskamer

Huis van glas, de deur
wijd open voor de dagelijkse gang
van de mensenslang in slow motion
of in fast forward

de koopzucht lijkt een dwang
maar drukt zich uit
als een drang, naar deel uitmaken
van de huiselijkheid

van de vele kamers in
het koophuis van de
stadsmakelaar in roerend
goed van oud en nieuw

kom binnen, wees welkom
draag de taak niet als last
omarm het staal en de binten
van de nieuwe stad

 

Wouter van Heiningen (Leidschendam, 23 januari 1963)

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

Zee-oeverriet

De helft van mijn vrienden is gestorven.
Laat mij je nieuwe geven, zei de aarde.
Nee, geef ze me liever terug, zoals ze waren,
met gebreken en al, snikte ik.

Vannacht kan ik hun stemmen weer horen
in het zachte murmelen van de branding
in het oeverriet, maar ik kan niet over

de bladeren lopen die door het maanlicht,
langs dat lichtend pad alleen, op de oceaan zijn gelegd,
of meedrijven met de droombeweging

van uilen, aan de aardse last ontheven.
O aarde, het aantal vrienden dat rust in jou
is veel groter dan wie er nog over zijn om lief te hebben.

De rietstengels onderaan de klif flitsen groen en zilver;
zij waren de engelenlansen van mijn geloof,
maar uit wat verloren is gegaan groeit iets sterkers

dat de rationele uitstraling heeft van gesteente en,
maanlicht verdragend, de wanhoop voorbij,
krachtig als de wind, door het wijkend riet heen
onze beminden terugbrengt bij ons, zoals ze waren,
met gebreken en al, niet eerbiedwaardiger, maar wel aanwezig.

 

Vertaald door Leo Mesman

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e januari ook mijn blog van 23 januari 2019 en ook mijn blog van 23 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Clara Ann Thompson

De Afro-Amerikaanse dichteres, lerares en voorvechtster van burgerrechten Clara Ann Thompson werd geboren in Rossmoyne, Ohio, op 22 januari 1869.  Thompsons ouders, John Henry en Clara Jane Gray Thompson, waren eerder tot slaaf gemaakt in Virginia. Thompsons meest opvallende dichtbundel was “Songs from the Wayside” (1908). Thompsons “A Garland of Poems” (1926) was haar tweede bundel. Sommige van haar gedichten verschenen in “An Anthology of Verse by American Negroes” (1924). Thompson bracht het grootste deel van haar leven door in Rossmoyne, hoewel ze ook buiten haar geboorteplaats les gaf. Ze trouwde niet, maar woonde het grootste deel van haar leven bij twee van haar broers en zussen, Priscilla Jane Thompson en Garland Yancey Thompson. Thompson was actief in de Young Women’s Christian Association (YWCA) en haar plaatselijke kerk, Zion Baptist. Ze was ook lid van de National Association for the Advancement of Colored People (NAACP), en een pleitbezorger voor Afro-Amerikaanse burgerrechten. Thompson werd geïnspireerd door het activisme in deze groep om meer rasgerelateerde poëzie te schrijven, zoals “What Mean This Bleating of the Sheep?”. Dit gedicht werd voorgedragen in de kerken van Cincinnati en Indianapolis, soms staande naast haar broer, Aaron Belford. Thompson maakte kennis met Booker T. Washington en James Whitcomb Riley terwijl hij in Indeanapolis was. Door deze organisatie en ontmoetingen met andere NAACP-leden had de familie Thompson een directe invloed in de Harlem Renaissance en in Washington, D.C. Clara Ann Thompson stierf op 18 maart 1959 als gevolg van een hersenbloeding in haar woonplaats Rossmoyne, Ohio. Thompson is begraven naast haar familie, maar heeft geen bekende graflocatie.

 

To My Dead Brother

How silently the years have sped away,
Drifting me off from childhood’s sunny time,
Since angels bore thy pure white soul away,
On swift bright wings, to realms of fairer day,
And purer clime.

And still my heart, dear brother, yearns for thee,
When friends seem cold, and life and earth so drear,
Thou wert my hero, ever true to me;
Though other brothers loved I tenderly,
Thou wert most clear.

Ofttimes when death seems cold and grim to me,
I cling to earth, with all its wasting care,
I think: That Messenger once came to thee;
And then I dare to brave eternity,
For thou art there.

And when, at last, the toil of life all o’er,
I stand by Jordan’s surging, swelling, tide,
Methinks our Lord will send thee to the shore,
To guide thy falt’ ring, timid, sister o’er,
To heaven’s side.

 

An Autumn Day

I sat in the door of our cottage,
   One golden autumn day,
And the breezes stirring the tree-tops,
   Were as soft as those of May.

 
But looking away to the woodland,
   Through hazy autumn air,
The red and gold of the forest leaves,
   Proclaimed the frost-touch there.

 
The grass was still green in the pasture.
   Where soft-eyed cattle trod.
And down in the deep, sheltered valleys.
   Were asters and golden rod.

 
But I knew the merciless frost-king.
   Would come with might, erelong.
And blast all the green things remaining,
   And still the sweet bird-song.

 
So my heart drank in the warm beauty,
   Of that soft autumn day,
With a wistful love for ev’rything,
   So soon to pass away.

 

Clara Ann Thompson (22 januari 1869 – 18 maart 1959)

Delphine Lecompte, Rainer Stolz

De Vlaamse dichteres en schrijfster Delphine Lecompte werd geboren op 22 januari 1978 in Gent. Zie ook alle tags voor Delphine Lecompte op dit blog.

 

Abracadabra in zijn slaap

Een man verleidt mij met een woordspeling
Hij is een pas ontslagen kraanmachinist
We nemen de bus naar de badstad waar ik leerde vechten
Vechten, tellen, stelen, lezen, schrijven, goochelen, turnen
De andere buspassagiers zijn jong en keurig.

Ik haat keurigheid in jonge mensen
Ik haat keurigheid in oude mensen
Ik haat keurigheid
Mijn vader is keurig
Ik haat mijn vader niet, hij staat op het punt om maagkanker te krijgen.

De pas ontslagen kraanmachinist zegt: ‘Ik draag mijn moeder op handen.
Toen ze zeven was heeft ze een duiker gered.’
‘Gered waarvan?’ Vraag ik oprecht nieuwsgierig
‘Van zichzelf natuurlijk!’
We stappen uit de bus, de zee oogt oud en wellustig.

Ik hou van wellust in oude mensen
Ik hou van wellust in jonge mensen
Ik hou van wellust
Mijn moeder is wellustig
Vroeger dacht ik dat ik mijn moeder niet graag zag, nu weet ik dat ik haar aanbid.

We delen een wafel, we strelen een opblaasboot
De boot is lek, de wafel is teleurstellend
In een bunker bedrijven we de liefde
De pas ontslagen kraanmachinist klinkt als een gewonde reiger
Wanneer hij klaarkomt, het is een afknapper.

Na de seks valt hij in slaap
Hij zegt verscheidene keren ‘abracadabra’ in zijn slaap
Dat vind ik grappig.

 

Zo word je een kind

Zo word je een kind dat graag wordt gezien:
Hol naar het dichtstbijzijnde bos
En laat je adopteren door wolven
Ook al kun je ‘INSECT’ al spellen, en op de valreep ‘NEILPAARD’
Het is beter laat dan nooit, en je bent nog maar zeven.

Wolven zijn altijd happig om kinderen aan te nemen
Zolang de kinderen niet te veel noten op hun zang hebben
En bereid zijn de waarschuwingsfabels van hun ouders achter te laten
En hun twistzieke zussen, en hun aanstellerige namen, en hun brevetten
En de domme dashond, en de pedofiele tuinman, en het vlindernet, en de waterput.

Nu ben je een kind geworden dat een wolvenfamilie kan verzinnen
Het hoeft niet te stoppen in het bos, je moet je niet beperken tot wolven
Je kunt ook naar de zee en onder de hoede van de onstuimige Neptunus
Slierten kweken, zeepaardjes berijden en baarzen belazeren
Of naar de steppe om je te laten koesteren door korzelige kamelen.

Zo word je een kind dat graag wordt gezien:
Ga naar het hoenderhok, strooi granen in het rond
En laat de zorgeloze kippen je toekomst voorspellen
Ze komen uit hun hok en ze zijn gulzig
Dat kan maar 1 ding betekenen: het wordt een verrukkelijk leven!

 

Delphine Lecompte (Gent, 22 januari 1978)

 

De Duitse dichter en schrijver Rainer Stolz werd geboren in Hamburg op 22 januari 1966. Hij woont nu in Berlijn. Zie ook alle tags voor Rainer Stolz op dit blog.

 

Geluksmederij

We heffen het glas op het idee
van activiteit de draai
die ons deuren geven heffen

het glas op de radio
de bilaterale en de sneeuw
die nog op de wereld valt
de wijn die nog ademt
heffen we het glas op de koe
die de moed heeft om melk te geven heffen
we er een op de vaatwassers
een op de parkeerplaatsengelen
nog een op de hartweken
in de meest plastische van alle afdelingen chirurgie

heft het glas op de kunst
en haar fouten op de kiezers
op de multiplexbioscoop
op personeelskortingen en prikborden
die er zo uit zien als vervulling
en op de blues waar we nu
ook nog mee opgescheept zitten heffen
we nu het glas en de benen
en de flessen met kleingeld
dat er groot in wordt als een plan
dat we echter niet hebben
heffen we het glas op het principe
van vallen en opstaan
dus laten we de hamer heffen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Rainer Stolz (Hamburg, 22 januari 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e januari ook mijn blog van 22 januari 2021 en ook mijn blog van 22 januari 2019 en ook mijn blog van 22 januari 2017 deel 1, deel 2 en deel 3.

Kristín Marja Baldursdóttir, Edward Hirsch

De IJslandse schrijfster Kristín Marja Baldursdóttir werd geboren op 21 januari 1949 in Hafnarfjörður. Zie ook alle tags voor Kristín Marja Baldursdóttir op dit blog.

Uit: Das Echo dieser Tage (Vertaald door Tina Flecken)

„Eine Frau mit einem Koffer, eingesunken im Schnee.
Das Dorf war weiß, der Schnee blauschwarz im dämmrigen Winterlicht, die Häuser auf der Landzunge verteilt, die sich bis hinunter zum Meer und den Hang hinauf erstreckte, wo ich in einer Schneewehe feststeckte und mich fragte, ob jemand meine Ankunft beobachtet hatte. Die Landbevölkerung war neugierig, hatte ich gehört, doch ich sah niemanden zu dem Haus hinaufschauen, das ich in den kommenden Monaten streichen sollte.
Mit einem kräftigen Ruck befreite ich mich, nahm die Haustür ins Visier und watete entschlossen durch den Schnee, nur wenige mühsame Schritte, bis ich den Eingang erreichte. Die Tür war vom Schnee zugeweht, und ich musste ihn mit der Hand wegwischen, damit er nicht ins Haus fiel, wenn ich sie öffnete.
Anstelle des angenehmen Geruchs, der mich beim Betreten meiner eigenen Wohnung empfing, hing ein Mief in der Luft, wie ihn alte Möbel verströmen, die einsam vor sich hin ächzen, doch nachdem ich das Licht eingeschaltet und mich umgeschaut hatte, war ich positiv überrascht. Die Möbel waren verschlissen und abgenutzt, passten jedoch gut in diese Umgebung, ein altes isländisches Holzhaus. Die Wände waren grün, blaugrün bei näherer Betrachtung, und ich musste an die Farbeimer im Kofferraum denken.
Ich zog die Vorhänge auf, die so alt waren, dass sie Gefahr liefen, zu zerreißen, wenn man zu stark an ihnen zerrte. Das Haus war kalt, man hatte mir gesagt, ich solle das Wasser andrehen und die Elektroheizung einschalten, sobald ich ankäme. Nachdem das erledigt war, ließ ich Wasser in einen Kessel laufen, denn ein guter, starker Kaffee war unerlässlich, bevor ich mich einrichtete. Dann hielt ich inne und lauschte, als wollte ich kontrollieren, ob mich jemand beobachtet hatte; die Stille im Haus war beunruhigend.
Ich ging wieder hinaus, spähte in alle Richtungen, nahm die alten Häuser am Hang unter mir in Augenschein, doch nichts regte sich, draußen war es genauso still wie drinnen. Ein Schauder durchfuhr mich, als ich mir vorstellte, dass alle das Dorf verlassen hätten oder tot wären, dass ich ganz alleine wäre. Alleine in den Westfjorden.
Erst später, nachdem ich aus dem Wagen alles ins Haus getragen hatte und nach Atem rang, sah ich Lebenszeichen im Dorf. Es war schon halbdunkel, die Straßenlaternen waren angegangen und beschienen Menschen, die vermutlich von der Arbeit kamen. Vor dem großen Gebäude unten auf der Landzunge herrschte reger Verkehr – ich war mir ziemlich sicher, dass es sich um die Fischfabrik handelte – , und von einem anderen Gebäude, anscheinend der Schule, kamen Kinder gelaufen.“

 

Kristín Marja Baldursdóttir (Hafnarfjörður, 21 januari 1949)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Ik ga leven als een mysticus

Vandaag trek ik een groene wollen trui aan
en ga door het park wandelen in een schemerige sneeuwval.

De bomen staan als zevenentwintig profeten in een veld,
elk een halte op een pelgrimstocht – stil, nadenkend.

Blauwe vlokken van licht die over hun bast vallen
zijn het cijferschrift van een geheim, een occultatie.

Ik zal hun bladeren onderzoeken als pagina’s in een tekst
en de belezen duiven beschouwen, studenten van de winter.

Ik zal knielen op het spoor van een verslagen eekhoorn
en in een lege vijver turen naar de figuur van Sophia.

Ik zal beginnen de lucht af te speuren naar tekenen,
als was mijn hele toekomst erin samengeclusterd.

Ik zal alleen naar huis lopen met de diepte alleen,
een discipel van schaduwen, vol lof voor de mysteries.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e januari ook mijn blog van 21 januari 2021 en ook mijn blog van 21 januari 2019 en ook mijn blog van 21 januari 2018.