Christina Rossetti, Ellen Deckwitz, Tommy Wieringa, Auke Hulst, Jeroen Thijssen, Maurits de Bruijn, Gerrit Achterberg, Annie M.G. Schmidt, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 
End of the Road door Brian Buckrell, 2017

 

When I come to the end of the road

When I come to the end of the road
And the sun has set for me
I want no rites in a gloom filled room
Why cry for a soul set free?
Miss me a little, but not for long
And not with your head bowed low
Remember the love that once we shared
Miss me, but let me go.
For this is a journey we all must take
And each must go alone.
It’s all part of the master plan
A step on the road to home.
When you are lonely and sick at heart
Go the friends we know.
Laugh at all the things we used to do
Miss me, but let me go.
When I am dead my dearest
Sing no sad songs for me
Plant thou no roses at my head
Nor shady cypress tree
Be the green grass above me
With showers and dewdrops wet
And if thou wilt remember
And if thou wilt, forget.
I shall not see the shadows,
I shall not fear the rain;
I shall not hear the nightingale
Sing on as if in pain;
And dreaming through the twilight
That doth not rise nor set,
Haply I may remember,
And haply may forget.

 

 
Christina Rossetti (5 december 1830 – 27 december 1894)
All Hallows-by-the-Tower, de oudste kerk in London, de geboorteplaats van Christina Rossetti

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Ellen Deckwitz werd geboren op 20 mei 1982 in Deventer. Zie ook alle tags voor Ellen Deckwitz op dit blog.

 

Een plaats
Voor Willem Barnard

Samen met de fakkeldragers stopte ik bij zijn raam,
hij zag me niet. Hief armen op om de kinderen

mee te krijgen in een vreugde
die ze nog niet begrepen. Hij gebaarde:

‘Kijk, de mensen zijn gekomen,
ze kropen uit het water!’

Vlammen weerkaatsten op de glasplaat,
hij tuurde alsof er een wak in zat.

Ik dacht aan zijn opgeheven handen.
Dat hij steeds verder weg leek

en dat dit er is geweest. Een plaats
waar we niet meer zijn.

 

Een paar opmerkingen

Wat valt er nog te bergen als alles is teruggezonken,
vaders, broers, Sophie? Door het plafond wenken
wormen. Bomen pompen hen vol.

Zerken vastgelopen rookpluimen
boven een stad, huizen waarin mag worden
geleefd. Gras groeit nog een paar dagen
nadat het is gemaaid.

Alles weggestopt, keurig zoals de kelders
die in dochters worden verborgen. Laag op laag
geordend: eerst het gras, dan de grond,

eerst de grond, dan de kast, eerst de grond,
daaronder strijdhelmen, houten bedden
dan de grond, daaronder een verloren
boerenhoeve ten slotte een aan de god
geofferde hond.

De estafetteknoken die naar ons wuiven.
Een bladerpilaar te worden

en de tenen wortel schieten en de tenen het boven
beneden zuigen.

 


Ellen Deckwitz (Deventer, 20 mei 1982)

 

De Nederlandse schrijver Tommy Wieringa werd geboren in Goor op 20 mei 1967. Zie ook alle tags voor Tommy Wieringa op dit blog.

Uit: De heilige Rita

“Paul trok zijn benen binnenboord, deed het portier dicht en reed naar het dorp.
Bij Shu Dynasty, voorheen Bar-Feestzaal Kottink, stond Laurens Steggink met een onbekende man bij het biljart.
‘Mannen,’ groette Steggink.
Paul ging zitten aan de kopse kant van de bar, in de nis van schrootjes. Hij was graag gedekt in de rug, als een cowboy, zodat hij iedereen kon zien binnenkomen. Hedwiges schoof op de kruk naast hem. De radio stond op een halve zender, op golven van ruis klonk Die Sonne geht unter in Texas.
Mama Shu zei ‘hai Paul’ en ‘hai Hedwig’, en zette een flesje Grolsch voor Paul neer en een glas cola voor Hedwiges. De piraat bedankte cafetaria’s, loonbedrijven, houtzagerijen en sloperijen voor hun steun aan de zender. Paul wist hem te zitten, in een schuur achter aan de Tien Ellenweg; soms was de doffe basdreun tot in de wijde omtrek te horen.
Steggink boog voorover en spiedde langs zijn keu. Hij nam de tijd. Hij kon goed biljarten. In dienst geleerd tijdens de lange, lege uren in de onderdeelsbar in Seedorf.
Paul Krüzen had met Hedwiges Geerdink en Laurens Steggink in de klas gezeten.
Met Steggink had hij op een dag een ondergrondse hut gebouwd in het bos. Ze zouden er slapen. Ze roosterden bevroren frikadellen boven een rokerig vuurtje en rolden hun slaapzak uit, maar toen het donker werd schrok Paul terug voor een nacht in het hol tussen de spinnen en de pissebedden en fietste naar huis terug. Steggink bleef alleen achter. Hij was niet bang voor het donker.
De vriendschap was voorbijgegaan; Paul had steeds meer een afkeer gekregen van zijn streken en verhalen, alsmede van het vettige paardenstaartje in zijn nek. Op Theo Abbinks drieëntwintigste verjaardag had Steggink drie kittens van Theo’s vriendin de nek omgedraaid en in het weiland gegooid. Zijn verweer: hij was dronken en had een hekel aan katten.
De stilte tussen hen had zo’n twintig jaar geduurd.
Toen Steggink op een dag werd veroordeeld voor een wietplantage bij de ouders van zijn verloofde in de schuur en valse zaken op Marktplaats, was Paul niet verbaasd geweest. Niemand eigenlijk. Je zag het aankomen. Laurens Steggink had geen biografie maar een strafblad. Zijn ex deed het nog altijd in haar broek voor hem.
Toen hij vrijkwam had hij zijn zaken naar de overzijde van de grens verplaatst. In een voormalige drukkerij op een armetierig industrieterrein buiten Stattau bestierde hij een bordeel met meisjes uit de hele wereld. In Club Pacha zat hij met zijn lange lijf op een barkruk met een frisje voor zich en een telefoon aan het oor. Hem ontging niets. Maar vandaag was het maandag en op maandag was de club gesloten.”

 


Tommy Wieringa (Goor, 20 mei 1967)
Cover

 

De Nederlandse schrijver, journalist en muzikant Auke Hulst werd geboren in Hoogezand-Sappemeer, op 20 mei 1975. Zie ook alle tags voor Auke Hulst op dit blog.

Uit: Motel Songs

“Ik had tijdens de reis en de eraan voorafgaande maanden al vaak zulke gedachten gehad — want slecht geslapen — en ook onze omstandigheden vertoonden overeenkomsten. Heat-Moon was zijn baan als docent Engels kwijtgeraakt en had net vernomen dat zijn vrouw, van wie hij gescheiden leefde, een nieuwe vriend had. ‘Die nacht, toen ik me lag af te vragen wat er zou komen: slaap of een explosie, kwam in plaats daarvan het idee. Als je er niet in slaagt iets van het leven te maken kun je tenminste maken dat je wegkomt. Niet langer proberen het leven te omzeilen. Weg uit de sleur. De echte risico’s van het bestaan opzoeken. Het was een kwestie van waardigheid.’ Hij ging op reis door de vs en ik ging op reis door de vs. Inderdaad, het was een kwestie van waardigheid. Of was het een vlucht?
Eigenlijk begon de reis veel eerder. Dankzij Amerikaanse soft power — de proliferatie van een wereldbeeld middels films, muziek, tv-programma’s, boeken, jeans, sneakers en aanverwanten — ben ik al vanaf mijn geboorte ingezetene op afstand, zoals wij allen dat zijn, of in elk geval: mensen van mijn generatie en jonger. Er is alle reden kritisch te kijken naar die soft power, maar de junkieliefde die ik heb opgevat voor veel wat met de culturele golfstroom onze kant op kwam, zit diep. Ik ben van de generatie waarvoor The A-Team de wekelijkse kerkgang was, en die zich tijdens Veronica’s Meimaand Filmmaand gewillig onderwierp aan de propagandamachine van Hollywood. Van de generatie die de elpees van Madonna, Michael Jackson en Prince stukdraaide, en voor wie het ultieme Kwaad Darth Vader was, tevens ultiem stijlicoon. Van de generatie die sciencefiction las die impliciet Exceptionalisme predikte of juist de horror blootwoelde van de Amerikaanse consumptiemaatschappij, die spoedig ook de onze zou zijn.

 


Auke Hulst (Hoogezand-Sappemeer, 20 mei 1975)

 

 De Nederlandse schrijver Jeroen Thijssen werd geboren op 20 mei 1959 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Jeroen Thijssen op dit blog.

Uit: Hazer

‘Moeten we niet even praten?’ vroeg Marcel voorzichtig.
‘Niet nodig.’ De baard trilde heftig. ‘Die vogel deugt. Dat voel je toch.’
Hij beende weg. Marcel keek wat aarzelend naar Rogier.
‘Kom maar mee dan,’ zei hij.
De gang had dezelfde granito vloer als de hal, de muren waren gesaust in een onbestemd geel.
Rogi, dacht Rogier.
‘Rogi,’ zei hij. ‘Ik heet Rogi.’
Marcel knikte.
Hein bracht zijn spullen de volgende dag over met de Volvo, waar alles in paste want er viel weinig mee te nemen. De matras en de boekendozen vulden nog niet de helft van de ruimte, alleen de luie stoel, die nog van opa Klaver was geweest, een geval van houten spijlen en dikke kussens die ‘rookstoel’ werd genoemd, bezat enig volume.
Ze stopten voor de deur. Het razen van de motor stierf weg maar Hein stapte niet uit. Hij keek naar de voordeur, die enorme metalen deuren die de aanval hadden kunnen weerstaan van een vastberaden vijand.
‘Wij moeten weg uit dit land,’ zei hij ten slotte. ‘Dat snap je toch wel?’
Rogi knikte.
‘De revolutie is dood,’ zei Hein. ‘En dan blijven de patjepeeërs over.’ Hij legde zijn hand op zijn keel. Even meende Rogi tranen in zijn ogen te zien.
Hij bekeek zijn vader zijdelings, als om een portret te maken. Lange haren, die hem tot hippie maakten. Zijn puntige kin-met-baardje, diepliggende, grote ogen. Een half jaar geleden had Hein op school opgetreden met zijn band en de volgende dag vroeg Caroline Waalberg, de sloerieachtige schoonheid van 6A2, nog of Rogi’s vader toevallig gescheiden was.
Rogi bevoelde zijn eigen kin. Puntig als die van Hein maar nog niet begroeid. Ze hadden dezelfde ogen en ooit, wie weet zou ooit de Caroline Waalberg van een andere 6A2 ook wel informeren of hij, Rogi Pardoen, soms gescheiden was.
Hein stapte uit, opende de klep en nam kreunend een boekendoos ter hand.
‘Ik ben niet meer de jongste.’

 

 
Jeroen Thijssen (Haarlem, 20 mei 1959)

 

De Nederlandse schrijver en journalist Maurits de Bruijn werd geboren op 20 mei 1984 in Delft. Zie ook alle tags voor Maurits de Bruijn op dit blog.

Uit: Broer

“Ik ben te laat dus besluit ik een taxi te nemen. Naar Den Haag.
Op elk van mijn vragen reageert de chauffeur kortaf. Ik lees zijn naam op zijn taxibewijs: Omar. Het oog van Allah schommelt onder de achteruitkijkspiegel. Omar rijdt ontzettend veilig, hij laat mij niet betalen. Omar toont mij de palm van zijn vlakke hand als ik hem het briefje van vijftig aanreik. Er is niets van zijn gezicht te lezen. Ik stap uit, kijk in de felle zon. Het is nog steeds ochtend.
Ze willen hem dood of levend. Dat is het vonnis. Voor het Paleis van Justitie kan Broer maar één van de twee zijn. Hij moet kiezen. Zwart of wit. Als hij dat niet kan, moeten wij voor hem kiezen. Ertussenin zweven mag niet. Er is geen ruimte voor een grijs gebied.
In niets lijkt het gebouw op een paleis. Het houdt het midden tussen een crematorium en een wachtruimte van de huisarts. Maar dan groter. Hier staan mensen met zorgelijke blikken in gesprek met hun advocaten, het paleis maakt iedere burger machteloos. Het paleis spreekt een eigen taal en hanteert de rigide regels van de wet. Na tien jaar is Broer een zaak geworden. Een stapel papieren in de handen van mensen in toga’s. Verworden tot een naam die door het paleis schalt zodra de zitting zich aandient.
Ik, papa en mama lopen een vierkante zaal binnen. Ik neem plaats op de tweede rang. Hier zijn de wanden bekleed met paarsgrijze stenen. Niets in de rechtbank mag aanstoot geven. De rechter vraagt mijn ouders of ze het ultieme hebben gedaan om hun zoon te vinden. Voor de rechtbank is het ultieme een advertentie in de krant. Een paar regels tekst, meer wil het paleis niet vragen.
Boven de zwarte achterkant van haar computer zie ik de zoekende ogen van de griffier. Ze bewegen snel van de rechter naar mijn ouders. De rechter noemt het ‘betrokken’ dat ik en mijn ouders aanwezig zijn bij deze zitting. Ik zie voor me hoe de griffier het woord intikt. Een woord dat net zo goed vervangen kan worden door ‘onnodig’. De doodverklaring van Broer is een formaliteit waar door het paleis vijf weken over nagedacht moet worden. De rechter geeft ons vijf weken om te laten zien dat hij het ook niet niks vindt, zo’n doodverklaring. En dan krijgen de onderdanen van het paleis nog drie maanden om in beroep te gaan.
Weer vraag ik me af waarom niemand wat zegt. In het paleis duurt niets te lang, de zittingen worden in een routineus tempo afgedraaid. Geen woord te veel. De tijd krijgt niet de kans zich uit te rekken, zoals dat vannacht in het park gebeurde.
Ik mag protesteren tegen de dood van mijn broer. Ik bedenk dat niemand die kans krijgt. Voor hij wordt doodverklaard kan ik hem nog redden. Ik heb drie maanden en vijf weken de tijd om het paleis te laten zien dat Broer niet dood maar levend is.”

 


Maurits de Bruijn (Delft, 20 mei 1984)
Cover

 

De Nederlandse dichter Gerrit Achterberg werd geboren in Nederlangbroek op 20 mei 1905. Zie ook alle tags voor Gerrit Achterberg op dit blog.

 

Verschijning

Terwijl het regent tussen u en mij
is elke afstand bezig te vermind’ren.
Ieder figuur aanschouwt zijn overzij
zonder zich door de stof te laten hind’ren.
En vage sluiers nemen omtrek aan.
Een omgekeerde orde is op handen.
Ik zie uw ogen in de regen branden.
Om mijn gelaat liggen uw natte handen.
Ga niet meer heen. Of laat mij medegaan.

 

Kindergraf

Hier ligt het grafje met de zoden glad.
Het is het sluitstuk na een kort ontwaken:
een meter aarde om gelijk te maken,
wat voor een ogenblik verheffing had

tegen een moederarm, niet meer dan dat.
En beide armen langs het lichaam slaken
en denken, denken: waar moet ik geraken
met kinderstoel, commode, wieg en bad?

Ruimteverlies in rekening gebracht
voor doodskist, lijkkoets en gemeentegrond.
Mijn hart krimpt samen als ik overweeg

hoe alles om mij heen voldoening kreeg.
Ik loop met een paar volle borsten rond,
die men nu langzaam leeg te kolven tracht.

 

Moordballade

O gij die ik had omgebracht.
Ik bond den wind om uwen hals
in verre sterrenacht, ik brak
uw dansen af tot op den grond,
uw lachen vond
den dood in mijnen lach.
————

De huizen werden blokken nacht.
De hemel was een zwarte doek
over de rouwhuizen heengebracht,
en in mijn mond
de regen regende lang en zwart.
————

Toen stond gij op en vond
mijn handen, waar uw bloed afdroop.
Met nooit zoo ondervonden handen
sloot gij mijn opgebroken oog.

Gij hield mijn hoofd in wind en licht
en woei mij uit en liet doorstralen
dit moegebeefde vleesch, het lijf
lag in uw schoot adem te halen.

En in uwer oogen spiegelzalen
braken de eerste tranen los.
Gij kunt uw dansen weer herhalen.
Ik ben, o droomenbond, verlost.

 

 
Gerrit Achterberg (20 mei 1905 – 17 januari 1962)
Op 19-jarige leeftijd

 

De Nederlandse schrijfster en dichteres Anna M G Schmidt werd op 20 mei 1911 geboren in Kapelle. Zie ook alle tags voor Annie M.G. Schmidt op dit blog.

 

Vaders

De vader zegt: wat ga je doen?
De dochter zegt: ‘k ga rijen,
De vader zegt: met wie, met Koen?
Gaan jullie met z’n beien?
De dochter zegt: jawel, allicht,
En dan houdt Paps z’n wafel dicht.
Daar gaat ze dan, ze zegt: so long,
En paps bijt liever op zijn tong
Dan nog te vragen hoe of waar.
Het lieve kind is zestien jaar,
Ze heeft gezegd wat ze gaat doen.
Ze gaat op ’t scootertje met Koen,
Maar vader denkt: wat gaan ze dóén?

De vader zegt: waar ga je heen?
De dochter zegt: kamperen.
De vader zegt: met Koen alleen?
En in die malle kleren?
De dochter zegt: met Jan. Salu!
Ze gaat. En daar zit vader nu.
Ze heeft gezegd wat ze gaan doen,
Ze gaat kamperen, niet met Koen.
Ze gaat kamperen met haar Jan.
En vader denkt: wat dóén ze dan?

Zo zitten al die duizend pa’s
Zich zwijgend op te vreten.
Helaas helaas, helaas helaas,
Zij zullen het niet weten.
Wat doet mijn dochter op de plas?
Jawel, ik weet, ze zeilt met Bas.
Wat doet mijn dochter nu vandaag –
Ze danst met Leo in Den Haag.
Zij zwemt met Dick, ze roeit met Piet,
Maar wat ze dóén, dat weet Paps niet.

 

De trap is weggewaaid

Toen vader ’s morgens wakker werd,
toen riep hij: Wel verdraaid!
Kijk nou es wat er is gebeurd,
de trap is weggewaaid.

En moeder zei: Hoe moet dat nou?
Hoe komen we beneden?
De hele trap is weggewaaid,
met vijfenzestig treden.

De kinders kwamen uit hun bed
en riepen: Heerlijk zeg!
We kunnen lekker niet naar school,
want onze trap is weg.

En vader nam de telefoon
en belde naar ’t kantoor.
Zeg baas, de trap is weggewaaid,
ik kan niet komen hoor!

Maar ja, er was geen brood in huis,
geen melk, geen kaas, geen fruit;
ze konden het niet halen ook,
ze konden er niet uit.

Daar zaten ze, drie dagen lang.
Ze waren bleek en mager.
Want niemand kon naar boven toe,
geen bakker en geen slager.

Toen belde vader ’t vliegveld op
en riep: Hallo, Hallo!
Stuurt u een helikoptertje
en krijgen we ’t cadeau?

Er kwam een helikoptertje,
dat landde op het plat.
Het bracht hen naar beneden toe.
Ziezo, en dat was dat.

En moeder zei: Nu moeten wij
een nieuwe trap gaan bouwen.
Maar vader riep: Ach Bets, waarom?
We zullen ’t zo maar houwen.

En voortaan houden ze ’t maar zo.
Ze zijn nu erg tevreden.
Ze gaan per helikoptertje
omhoog en naar beneden.

En vader zegt: Nou zie je, Bets
die trappen zijn maar ouderwets!

 

 
Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e mei ook mijn blog van 20 mei 2018 deel 2.

Mascha Kaléko, Constantin Göttfert, Simone van Saarloos, Karel van het Reve, Gijs IJlander, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 


Vanitas-Stilleven door Maria van Oosterwijck, 1668

 

Memento

Vor meinem eignen Tod ist mir nicht bang,
Nur vor dem Tode derer, die mir nah sind.
Wie soll ich leben, wenn sie nicht mehr da sind?

Allein im Nebel tast ich todentlang
Und laß mich willig in das Dunkel treiben.
Das Gehen schmerzt nicht halb so wie das Bleiben.

Der weiß es wohl, dem gleiches widerfuhr;
— Und die es trugen, mögen mir vergeben.
Bedenkt: den eignen Tod, den stirbt man nur,
Doch mit dem Tod der andern muß man leben.

 


Mascha Kaléko (7 juni 1907 – 21 januari 1975)
De Sint-Johanneskerk in Chrzanów, de geboorteplaats van Mascha Kaléko

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Constantin Göttfert werd op 19 mei 1979 in Wenen geboren. Zie ook alle tags voor Constantin Göttfert op dit blog.

Uit: Steiners Geschichte

„Ich muss sagen, dass ich diesen Namen kannte. Es war unmöglich, mit Ina zusammen zu sein und nicht mit diesem Namen konfrontiert zu werden. Limbach war ein Dorf in der Slowakei. Ihr Großvater, den alle nur den Steiner nannten, war dort aufgewachsen. Aber natürlich war dieser Name viel mehr. Er war eine zerstörte Hoffnung, eine Sehnsucht, ein einziger Schmerz. Aber das begriff ich damals noch nicht so gut wie heute. Ina nannte nur wieder diesen Namen, «Limbach», und löste sich aus meinem Griff, während der gelbe Stern noch unter dem Wort ruhte. Sie stand auf, ging einen Schritt auf die Tür zu, blieb dort aber nicht stehen, sondern drehte sich nach mir herum, als wollte sie etwas sagen. Sie sagte aber nichts. Steiner war tot. Ich zog mein Handy heraus, um das Datum abzulesen. Er war vor genau vierzehn Tagen gestorben. «Wir können den Fährmann ja einfach fragen», sagte ich. «Wir kommen morgen wieder und fragen ihn nach diesem Ort. Wenn er dort wohnt, wie du glaubst.» <‹morgen?», höhnte sie. «Oder wenn die Fähre wieder fährt. Wir nennen ihm den Namen deines Großvaters, vielleicht weiß er von jemandem, der noch mit Steiner bekannt war.» Und später würden wir dorthin fahren, sagte ich. «Wann später?», fragte sie. Die Spitze meines Zeigefingers pendelte auf ihren Bauch zu, aber ich sagte es nicht. Es gab Worte, die sprachen wir nicht aus. Schwangerschaft war so ein Wort, das Wort Geburt, das Wort Kind. Es war eine stille Abmachung, die in den letzten Wochen immer verbindlicher geworden war. Ich könnte nicht genau beschreiben, wie sie mich jetzt ansah, auf jeden Fall fühlte es sich bedrohlich an. Sie stellte die Tasse hin, rückte den Stuhl, auf dem sie gesessen war, zurück an den Schreibtisch. Durch die Luke fiel jetzt etwas Licht in die Kajüte und verfing sich in ihren Haaren. Die Wolkendecke war ein Stück aufgerissen. Ein halber Mond hing über dem Flusslauf, im Gebüsch lag noch etwas Schnee. Man sah die verfallenen Fabrikschlote am slowakischen Ufer und flussabwärts die Stumpen der Brückenpfeiler im silbrig-trüben Wasser. Ich legte meine Hand in die Grube zwischen Inas Schulterblättern. Ich roch die Feuchtigkeit in ihrem Mantel. Ich konnte spüren, wie sehr sie die Haltung anstrengte, aber sie beugte sich jetzt hinaus wie ich zuvor, als könnte sie von hier aus durch die Dunkelheit bis zu diesem Limbach sehen, in ein unbekanntes Land und bis zu einem alten Hof, von dem sie nichts wusste, außer, dass er verloren war. Es war nicht so, dass sie oft von ihrem Großvater sprach. Aber ich erinnere mich daran, dass sie vor ein paar Tagen gesagt hatte, die Last der Großväter drücke auch die Enkel oder irgendetwas, das so ähnlich geklungen hatte. Es war gar nicht ihre Art, so zu reden. Vor fast 70 Jahren hatten die tschechoslowakischen Kommunisten die Reste einer alten Steinbrücke sprengen lassen, um das, was sie unter dem Namen Republikflucht mit langen Gefängnisstrafen, Sippenhaftung und Berufsverboten ahndeten, zu verhindern. Dieselbe Steinbrücke endete immer noch im Nichts, im Nichts der Grenzregion, immer noch in dieser Stille, dachte ich, die seit meiner Kindheit über der March hängt. An die Luke gedrängt, blickten wir eine Weile auf die Stumpen der Brücke, und als sich unsere Augen an die Dunkelheit gewöhnt hatten, sahen wir, wie sich das dunkle Wasser dort fast lautlos teilte.“

 


Constantin Göttfert (Wenen, 19 mei 1979)
Cover

 

De Nederlandse schrijfster en columniste Simone van Saarloos werd geboren in Summit, New Jersey op 19 mei 1990. Zie ook alle tags voor Simone van Saarloos op dit blog.

Uit: De vrouw die

“Op het veldje achter hen werd een oosterse sport beoefend. Een groepje Chinezen – Chinees-ogend –, gekleed in wijdvallend grijs, stond stijf als soldaten. Tegelijk, zonder zichtbaar teken, kwamen ze in beweging. Heel langzaam spreidden ze hun armen, borstkassen helden voorover en de knieën bogen. Zo, klaar om te springen, bleven ze staan. Er werd aanhoudend getoeterd. De chauffeur schoof zijn wagen abrupt in een andere baan. Het getoeter nam toe en werd nu persoonlijk. Janine opende haar raam om het opzwepende geluid binnen te laten.
In het midden van de rotonde torende een triomfboog. Adelaars prijkten aan weerszijden, bezetten ieder een eigen zuil. Op de horizontale vlakte die de sokkels samenbond memoreerden strijdlustige woorden de Amerikaanse burgeroorlog. De steen was helderwit, de geschiedenis oogde fris.
De etalageruiten van koffietentjes prezen verse lokale producten aan. Gevlochten manden vol kruiden vulden de kozijnen. Houten planken rondom de platanen op de stoep dienden als bankjes. Mensen zaten buiten te werken, ze knepen hun ogen dicht tegen de zon om de schermen van hun laptops te kunnen lezen.
De chauffeur remde voor een rood licht en klaagde: augustus was een rustige maand. New Yorkers ontvluchtten de hitte en toeristen kwamen liever in de herfst. Een jongen met een hond aan zijn voeten en een telefoon tussen oor en schouder geklemd, zoog ijskoffie door een duimdik rietje. Zijn wangen pompten. Het gemalen ijs in de drank was te grof om gezamenlijk te bewegen. De kristallen buitelden over elkaar heen, gebruikten elkaar om omhoog te komen. De hond kefte naar een wesp, die vermoedelijk op de gesuikerde koffie afkwam. Het waren zijn agressieve laatste weken: in september loost de wesp zijn laatste gif, om daarna te sterven. De hond sprong op en trok aan de riem, die om de pols van zijn baasje hing. Die wist zijn laptop te redden, alleen de telefoon viel op de grond. De man rukte aan de halsband. Hij corrigeerde zijn hond.
Het artificiële heeft voor groei slechts successen nodig. Het natuurlijke verbetert alleen na een mutatie.
Midden in de zomer, een jaar geleden, was Janine begonnen met hardlopen. Het was niet de zon die haar naar buiten brandde. Haar collega’s maakten zich hardop zorgen om de kringen rond haar ogen. Hoewel de oculairs op haar microscoop waren voorzien van siliconen hoesjes, droeg ze een permanent brilletje van rode striemen. De kracht waarmee ze haar gezicht overdag tegen de microscoop duwde, zat ’s nachts in het samenklemmen van haar kaken. In haar kussen zat elke ochtend een krater. De haren van haar elektrische tandenborstel waren binnen een week plat omdat ze kauwde in plaats van poetste. Gebruiksvoorwerpen markeerden haar of bogen mee.”

 

 
Simone van Saarloos (Summit, 19 mei 1990)

 

De Nederlandse letterkundige, vertaler, essayist, schrijver en columnist Karel van het Reve werd geboren in Amsterdam op 19 mei 1921. Zie ook alle tags voor Karel van het Reve op dit blog.

Uit: Nacht op de Kale Berg

“De protestantse kanselredenaar veinst, lijkt het, een soort ontroering. Dankbaar en eerbiedig richt hij zich tot God – de ‘soortnaam is hier tegelijk eigennaam’ en de neiging van sommige ongelovigen om hier een kleine letter te gebruiken moet meer uit rancune dan uit redelijkheid voortkomen – en voegt Deze (hier is de hoofdletter niet verplicht, maar vooruit) op onderdanige toon tal van vleiende dingen toe, die mij, ware ik in Zijn plaats, met walging zouden vervullen. Men begrijpt niet dat Hij niet iedere zondag een paar honderd van die redenaars met Zijn bliksem neervelt. Aan het uitblijven van deze reactie Zijnerzijds zou men een argument kunnen ontlenen ten bewijze van Zijn algoedheid of Zijn niet bestaan.
In de loop der jaren heb ik een verzameling aangelegd van boeken van de Engelse schrijver Somerset Maugham, boeken die mij in hun literaire eenvoud sterk bekoren, en in een van die boeken komt een kennis van hem voor die iedere dag aan tafel voorging in gebed, maar die in het Book of common prayer alle passages had doorgestreept, waarin de Heer ‘to his face’ werd geprezen. Hij meende, zeer terecht naar het mij voorkomt, dat dit een barbaarse gewoonte was.
Maar afgezien daarvan. Ook wanneer zij zich tot het publiek richten en uitleggen hoe wij de verhouding tussen God en Zijn schepping eigenlijk moeten zien, blijft die walging bestaan, die onuitwisbare indruk van schandelijke veinzerij, die, en dat is het merkwaardige en eigenlijk onredelijke van mijn kant, des te groter wordt naarmate ik meer de indruk heb dat de spreker meent – of meent te menen, laat ons niet onrechtvaardig zijn – wat hij zegt. ‘Hoe kan iemand zo verdorven zijn’, aldus in zulke gevallen ongeveer mijn gedachtegang, ‘hoe kan iemand zo verdorven zijn dat hij dingen die hij kennelijk meent op een zo uitgesproken huichelachtige wijze ten gehore brengt?’
Met de katholieken is het weer anders. Ook bij hen wordt men van afkeer vervuld. Zij behandelen echter Onze Lieve Heer enigszins en canaille, als ware Hij zelf een soort pastoor.”

 

 
Karel van het Reve (19 mei 1921 – 4 maart 1999)
Cover achterkant

 

De Nederlandse dichter en schrijver Gijs IJlander (eig. Gijs Hoetjes) werd op 19 mei 1947 in Alkmaar geboren. Zie ook alle tags voor Gijs IJslander op dit blog.

Uit: Vergeef onsonze zwakheid

“Door de beslagen ramen zag hij dat alle tafels en banken in het passagiersverblijf bezet waren, voor de kleine bar stond een rij. Toen die was opgelost besloot hij naar binnen te gaan, de kou aan dek was doordringend.
Met een mok koffie in de hand zocht hij een plaatsje, een boer wiens vrouw op de bank tegenover hem lag te slapen schikte een stukje in. Verweerd gezicht, diepliggende ogen; de man bleef hem nauwlettend gadeslaan terwijl hij zijn koffie opdronk. Weer zo’n slappe bak, wanneer zouden ze hier ooit begrijpen dat koffie geen thee is en op een totaal andere wijze bereid moet worden?
Not from here, are you? vroeg de man naast hem.
Holland, zei hij. But I’ve come to the islands for many years now. Own a house there, actually.
You do, do you? And do you think that’s a good idea?
Yes, of course. Of course I do.
Ze keken naar buiten, er kwam land voorbijglijden, ze naderden de kade van het eerste eiland dat de veerboot aandeed. Aan de wal was geen sterveling te bekennen, pas toen ze tot op enkele meters genaderd waren kwam er met hoge snelheid een landrover aanrijden, de bestuurder sprong eruit en was nog net op tijd om een uitgeworpen lijn aan te nemen.
Sybrand stond op met een knikje naar zijn tafelgenoot, ging naar buiten en zag vanaf het dek een paar passagiers aan land gaan, er werden pakketten op de kade gezet. Vervolgens werd er weer losgemaakt, de passagiers stapten in de auto en verdwenen landinwaarts.
Het oponthoud had nog geen tien minuten geduurd.
Het eiland leek leeg en onbewoond, maar toen de veer-boot gedraaid was zag hij een pompeus fantasiekasteel dat uitkeek over zee. Sommige eilanden waren privébezit, de rijken hadden er hun eigen koninkrijk, de popmusici, bankiers en industriëlen; wie het zich veroorloven kon hield anderen op afstand.
Toen ze de baai waren uitgevaren was de mist dichter geworden, van het eiland was al snel niets meer te zien, ze waren omringd door grijze nevel vermengd met de zwavelige walm uit de schoorsteenpijp. Ze deden een tweede eiland aan. Een derde. De stoten op de misthoorn bij het naderen van de aanlegplaats stierven weg en bleven onbeantwoord. De kades waren verlaten.”

 

 
Gijs IJlander (Alkmaar, 19 mei 1947)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e mei ook mijn blog van 19 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Eva Gerlach, Yi Mun-yol, W.G. Sebald, Markus Breidenich, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 
Riviergezicht met kerk en veerpont door Salomon van Ruysdael, 1649

 

Veergeld 1

Liggen we ’s nachts met de doden die op ons gaan zitten
ons strelen met handen van talk bergamot en citroen

bij elke beweging levender: Han met de tanden
Mentja met puilende ogen, iets in ons haalt ze over

door te gaan, toe dan, aderen zwellen op
vellen als gedroogd bloemblad, een schrift van verwarring

verwijzing: nu wil ik mijn oma
Tsjoetsjoe, trillend, het ei van de struma beweegt

in haar hals en de hel breekt los, rent ze
met loshangend haar, de doden klemmen zich vast

wie zich verstopt kan nooit meer weg, blijft daar
dubbelgevouwen steken zwart in zwart – : liefje

slaap je? ik moet je smoren, jij mij tegelijk!
waar is je kussen, hoe laten ze anders los –

De ochtend wekt ons met geluid van vracht
wagens door de straat, de muren trillen

en we kijken naar buiten, het raam hangt scheef, in de verte
zien we de bergen, maar op de manier van de vlieg.

 


Eva Gerlach (Amsterdam, 9 april 1948)
De Krijtberg of Sint-Franciscus Xaveriuskerk in Amsterdam

 

De Zuidkoreaanse schrijver Yi Mun-yol werd geboren op 18 mei 1948 in Yongyang. Zie ook alle tags voor Yi Mun-yol op dit blog.

Uit:Our Twisted Hero (Vertaald door Kevin O’Rourke)

“He spoke once again in that same soft but firm voice. That was all; he didn’t move a finger; And yet I found myself almost getting up. Such was the strange effect his eyes had on me.
I braced myself, with the shrewd sophistication of a Seoulite. My first fight, I thought, and with this sudden realization came a determination to see it through to the end. If I let myself be seen as easy prey from the beginning, I figured life here would be difficult. But could I fight back in the face of the baffling, virtually absolute obedience of the others?
“What do you want?” I answered defiantly, pulling in my tummy; he just snickered contemptuously.
“I want to ask you something,” he said.
“If you want to ask something, come on over here then.”
“What?”
The corners of his eyes suddenly arched as if to say that he’d heard everything now; again he snickered. He said no more; he just looked at me quietly, his eyes glued to me so intensely that it was difficult to meet them. But I had come too far to back down now. This too is a kind of fight, I thought, bracing myself with all my strength. Two of the bigger boys who were sitting beside him got up and came over to me.
“Get up!”
They both looked angry. It seemed as if they might pounce on me at any moment. Any way I looked at it, I wouldn’t be able to take on both of them. Suddenly I was on my feet. One of them grabbed me roughly by the collar and shouted, “Didn’t Om Sokdae, the class monitor, tell you to come over?”
This was the first time I had heard the name Om Sokdae. It was engraved on my memory from the moment I heard it, perhaps because of the odd tone of voice the boy used to pronounce it. It was as if he were using the name of someone very great and noble, as if respect and obedience for such a person were only fitting. This made me shrink again, but I couldn’t give in now. One hundred and twenty eyes were watching me.
“Who are you fellows?”
“I’m in charge of sports; he keeps the classroom nice.
“So, what’s up?”
“Om Sokdae, our class monitor . . . didn’t he ask you to come over?”
Hearing for the second time that his name was Om Sokdae, that he was monitor, and that for this one reason Ihad to present myself and wait on his command, did begin to make me feel intimidated.”

 

 
Yi Mun-yol (Yongyang, 18 mei 1948)

 

De Duitse schrijver W.G. Sebald werd geboren in Wertach (Allgäu) op 18 mei 1944. Zie ook alle tags voor W. G. Sebald op dit blog.

Uit: Campo Santo (Vertaald door Anthea Bell)

“There are also many statuettes of the Emperor carved from soapstone and ivory and showing him in familiar poses, the tallest about ten centimeters high and each of the others smaller than the last until the smallest seems almost nothing but a white speck, perhaps representing the vanishing point of human history. One of these diminutive figures depicts Napoleon after his abdication sur le rocher de l’île de Sainte-Hélène (on the rock of the island of St. Helena). Scarcely larger than a pea, he sits in cloak and three-cornered hat astride a tiny chair set on a fragment of tuff which really does come from his place of exile, and he is gazing out into the distance with furrowed brow. He cannot have felt at ease there in the middle of the bleak Atlantic, and he must have missed the excitement of his past life, particularly as it seems that he could not really depend even on the few faithful souls who still surrounded him in his isolation.
Or so, at least, we might conclude from an article in Corse-Matin published on the day of my visit to the Musée Fesch, in which a certain Professor René Maury claimed that a study of several hairs from the Emperor’s head undertaken in the FBI laboratories established beyond any doubt que Napoléon a lentement été empoisonné à l’arsenic à Sainte-Hélène, entre 1817 et 1821, par l’un de ses compagnons d’exil, le comte de Montholon, sur l’instigation de sa femme Albine qui était devenue la maîtresse de l’empereur et s’est trouvée enceinte de lui. (“that Napoleon was slowly poisoned with arsenic on St. Helena, between 1817 and 1821, by one of his companions in exile, the comte de Montholon, at the urging of his wife, Albine, who had become the Emperor’s mistress and was pregnant by him.”) I do not really know what we should think of such stories. The Napoleonic myth has, after all, given rise to the most astonishing tales, always said to be based on incontrovertible fact. Kafka, for instance, tells us that on November 11, 1911, he attended a conférence in the Rudolfinum on the subject of La Légende de Napoléon, at which one Richepin, a sturdy man of fifty with a fine figure, his hair arranged in stiff whorls in the Daudet style and at the same time lying close to his scalp, said among other things that in the past Napoleon’s tomb used to be opened once a year so that old soldiers filing past could set eyes on their embalmed Emperor. But later the custom of the annual opening of the tomb was discontinued, because his face was becoming rather green and bloated. Richepin himself as a child, however, says Kafka, had seen the dead Emperor in the arms of his great-uncle, who had served in Africa and for whom the commandant had the tomb specially opened. Moreover, Kafka’s diary entry continues, the conférence concluded with the speaker swearing that even in a thousand years’ time every mote of the dust of his own corpse, should it have consciousness, would still be ready to follow the call of Napoleon.”

 

 
W.G. Sebald (18 mei 1944 – 14 december 2001)
Cover Engelse uitgave

 

De Duitse dichter en schrijver Markus Breidenich werd geboren in Düren op 18 mei 1972. Zie ook alle tags voor Markus Breidenich op dit blog.

 

MORPHING

Man beginnt damit, sich in Schalen zu werfen, einen
Hauch von Perlmutt über weichen Körpern
zu tragen und – am Ende des kalten Buffets –
ein Schneckenhaus zu leeren, aus Eigenbedarf.

Wie spät das Heben der Gläser von Grund.
Perlen auf Zungen zergehen. Die Steine.
Ketten, an denen man hängt.

Algenverhangene Säle, Kronleuchter, die
– vom Boden herauf – in Meeresströmen leuchten.

Dann sieht man es nachts, mit feuchteren Augen.
Den Kopf voll Gold sinkt man in Schlaf. Und
hört in den Schalen entfernt das
Pochen der Echolote.

 

REQUIEM

Vorletztes Jahr, es gab ja erste Zeichen, eines
Nachts, wir sahen schwarz, im Spätprogramm
die Sterne vor den Augen, Popcorn
aus den Satellitenschüsseln fallen.

Als Wolken sich von Süden vor die Bilder schoben.
Jemand Geld von uns verlangte für die nächsten dreißig
Monate im voraus.

Fieberhaft. Im Keller unsres siebten Hauses suchten wir
nach Unterlagen über Orte, Zeiten jeder
Sendung. Gaben Daten, die wir fanden,

die Ermächtigung zum Einzug der
Geburten weiter, als der Wind sich drehte. Und die
Aufklärung des Himmels über uns

es kälter werden ließ. Der Schüttelfrost sich
auf Antennenstäbe legte. Wir von ferne noch
den Schnee im Dritten sahen, später – wie vorhergesagt –
nach kurzer, schwerer Krankheit dann verschieden.

 

 
Markus Breidenich (Düren, 18 mei 1972)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e mei ook mijn blog van 18 mei 2018 en eveneens mijn blog van 18 mei 2014 deel 2.

Remember (Christina Rossetti), Dolce far niente

 

Dolce far niente

 


Remember me door Amy Donaldson, z.j.

 

Remember

Remember me when I am gone away,
        Gone far away into the silent land;
        When you can no more hold me by the hand,
Nor I half turn to go yet turning stay.
Remember me when no more day by day
        You tell me of our future that you plann’d:
        Only remember me; you understand
It will be late to counsel then or pray.
Yet if you should forget me for a while
        And afterwards remember, do not grieve:
        For if the darkness and corruption leave
        A vestige of the thoughts that once I had,
Better by far you should forget and smile
Than that you should remember and be sad.

 

 
Christina Rossetti (5 december 1830 – 27 december 1894)
Buckingham Palace in Londen, de geboorteplaats van Christina Rossetti

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e mei ook mijn blog van 17 mei 2018 en ook mijn blog van 17 mei 2015 deel 2.

Michel van der Plas, Paul Gellings, Margreet Schouwenaar, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 
De droom van Jacob door Ferdinand Bol, 1642

 

Engel in de nacht

Zend ons een engel in de nacht
als alles ons een raadsel is,
als ons de zekerheid en kracht
ontvallen in de duisternis.

Zend ons een engel ieder uur
die ons ontvoert van U vandaan,
wanneer wij voor de blinde muur
van uw geheime plannen staan.

Zend ons een engel met Uw licht
in onze slaap, de metgezel
die troost brengt in het vergezicht
van God met ons, Immanuel.

Zend ons in hem de zekerheid
dat U ons zelf bezoeken zult
en bij ons wonen in Uw tijd
en leer ons wachten met geduld.

 

 
Michel van der Plas (23 oktober 1927 -21 juli 2013)
De Nieuwe kerk in Den Haag, de geboorteplaats van Michel van der Plas

 

De Nederlandse dichter en vertaler Paul Johann Gellings werd geboren in Amsterdam op 16 mei 1953. Zie ook alle tags voor Paul Gellings op dit blog.

 

Het kind uit mij

Voor Mara’s 21e verjaardag

Je oogjes wisten het op het moment van je geboorte
ik kwam je bekend voor en jij mij in even sterke mate
wie ben je toch, zo sprak je zonder woorden
we huilden samen alsof we toen al praatten

later dansend aan mijn hand op zaterdagen
of tekenend in de trein op weg naar Amsterdam
waar je me in het Rijksmuseum zou vragen
hoe het kon dat er zomaar licht uit schilderijen kwam

ja, toen was je meer dan ooit het kind uit mij
daarna werden we overrompeld door de tijd
een eierschaal stelde zich op om al dat zachte

een pantser, wat kon ik er zo gauw aan doen –
toch zag ik altijd het kind uit mij erachter
en ach, die schaal, die  brak, je keek me aan als toen

 

Boekenbalgedicht

Later vieren denk ik de boeken
zelf feest, wervelen op het toneel
of staan te lezen in elkaar.

Op kousenvoeten terug naar het
theater, dat nagonst als een
schrijvershoofd. Daar inderdaad

gezien hoe zijzelf dansten, dansten,
tot de slaap kwam met de dag –
ochtend op een eenzaam plein.

Binnen alle pluche nu dof;
blijft alleen hun glans
als wij er niet meer zijn.

 

December

Zwakke zon aan duisternis ontkomen,
over een blinde muur van tijd, maakt
van deze namiddag een ingekleurde
staalgravure. Okergeel de bomen op
het plein; hardroze de trottoirs.
Van korte duur is dit stadsgezicht.
Maar puur zoals het, voor wij
hier kwamen wonen, ook al
eens geweest moet zijn.

Daarna het zwoegen van de winternacht
waarin gestommel van een laatste trein,
een hemel openscheurend met de kracht
van een geboorte. Voor onze deur alvast
drie koffers uit het oosten, onverwacht.

 

 
Paul Gellings (Amsterdam, 16 mei 1953)

 

De Nederlandse schrijfster en dichteres Margreet Schouwenaar werd geboren in Schagen op 16 mei 1955. Zie ook alle tags voor Margreet Schouwenaar op dit blog.

 

Oude huizen, nieuwe deuren

In dit lege huis ligt verkruimeld
mijn heelal, op de tast vind ik
babygeur, heilig vuur, verschoten
pijn. Op het oog blozen dozen van
het grauwe stouwen Over en weer
klinkt stom geblaf of brekend hart.

De deur, een bokkig heer, wil niet
open, kast blijft steken, bank schiet
dwars. Met blauwe knieën, geschaafde
schenen, wring ik door een kier. Tevergeefs
is het stenen slepen, stutten bouwen,
beelden ketenen, het zondagskind
blijft hier, evenals de kromgetrokken
dromen en het Duvels bier.

Achter de horizon slaat een vlag
de gongslag van de wind. Wie weet
wat ik vind in vers steen: een oude
wandelstok, een nieuw been.

 

Dodijnendom

Tussen verschoning en overjas
de gepoederde hoop, de dracht,
de klokkende buik, de lebbige lach.
Achter de hand. Psalmen en gesnik.

Er is een pak voor ieder leven.
Plunje. Boel. Paradekleed. Ieder
is gelijk de ander andersom
in hem gekleed. Rokend. Leppend
of onthoudend. De mens is zijn bef,
zijn lus, zijn trens, zijn pat. Zijn
gedoe. Gekoord. Gesmokt.
Knievrij! voor het ontlopen.

Kijk het schepsel scheppen.
Handenvol stof stolt zijn roeping.
Zijn hoop een mes. Zijn mes zijn vlees.
Zo bot dat het mijdt wanneer het snijdt.
In alle ernst, groot is zijn formaat. Geweekt,
gewit, gepapt zijn pipse daad. Bleekjes
bezigt hij allemans kleur in zijn roomwitte
villa waar hij met ronken spraak maakt,
tranen in kristal laat, de dood in dingen
vertaalt. Onsterfelijk in grut en beuzelen.
Schappelijk voor hoofd en kloddeman.
Te geef. Hij is te geef, zijn weke bolle wang,

zijn broos gebaar dat reikt naar iets
meer eigen, meer privaat, iets zo zacht
en stevig als twee kusjes voor de slaap.

 


Margreet Schouwenaar (Schagen, 16 mei 1955)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e mei ook mijn blog van 16 mei 2018.

Frieda Jung, Albert Verwey, W.J.M. Bronzwaer, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 


Der Vater des Künstlers auf dem Krankenbett II door Franz Marc, 1906-1907

 

Am Krankenbett

Nun schleichst du schon wieder tagein — tagaus
Um unser armes, kleines Haus!
Herr Gott im Himmel! — schon wieder?

Ich fahre auf, entsetzt, verstört,
Mir ist, als hätt’ ich rufen gehört!
Herr Gott im Himmel! — schon wieder?

Ein Schluchzen erfaßt mich, ein wildes Schrei’n.
Ich lasse dich nicht in das Haus hinein!

Ich kenn’ deine Stimme, ich kenn’ dein Gesicht!
Mein letztes Liebes bekommst du nicht!

Mein letztes Liebes, das mir blieb,
Das hab’ ich so lieb! das hab’ ich so lieb!

Das rett’ ich in zitternder Angst und Pein
Tief, tief in Gottes Erbarmen hinein.

Mit meinem Herzblut versieg!’ ich das Tor,
Mit all meinem Glauben stell’ ich mich vor.

Herr Gott im Himmel! Erhör’ mein Fleh’n,
Laß den Tod, den Tod vorübergehn!

 

 
Frieda Jung (4 juni 1865 – 14 december 1929)
Kiaulkehmen, Landkreis Gumbinnen, de geboorteplaats van Frieda Jung

 

De Nederlandse dichter, essayist en letterkundige Albert Verwey werd geboren in Amsterdam op 15 mei 1865. Zie ook alle tags voor Albert Verwey op dit blog.

 

Het verlaten huis

Als in een huis in de onderwereld, waar
De stille vader en het stomme kind
Elkander aanzien – zó zit ik gebukt
Over mijn boeken in dit donk’re huis.
En tegenover me aan de tafel zit
Dat stomme kind der sombere gedachte,
Mijn stille weemoed met het bleek gelaat,
Mijn stomme weemoed met het donker oog,
Die niemand ziet dan ik, – maar áls ik opzie,
Dan voel ik dat zij mij heeft aangezien,
Maar ’t niet wil weten om die grote smart; –
En als verschrikt buig ik dan weer het hoofd
Achter mijn boeken en ik durf niet spreken
Tot haar, schoon ik gedenk aan vroeg’re vreugd.
En als gevoelloos, werk ik al de dag
En zie niet op noch om, omdat ik vrees
De grote smart, die ‘k zien zal in dat oog.
Want zij was éens zo schoon, mijn jonge weemoed,
Toen alle bloemen blij ons tegenbloeiden
En vogels spotten met ons jeugdig leed.
Maar weggedoken zit de laatste vogel
Thans in de takken en door de enge spleet
Der halfgesloten blinden valt het licht
Op ons, die treuren in ’t verlaten huis. –

 

Lachen en Schreien

Ik wenste dat mij mocht gebeuren,
Nu en voortaan, –
Heel goed te zijn voor hen, die treuren,
Nu en voortaan.

Want als ik blijf behou’en
Gezang en de vreugd daarvan, –
Dan weet ik, dat ik al wie rouwen
Oneindig troosten kan.

Want al mijn zangen in mij
Zijn boodschappers van vreugd:
Zij dragen goede tijdingen,
En hemelse verblijdingen,
En ’t vlieden van hun licht gewaad is liefelijk gewin mij,
Daar ik ze alleen in ’t vlieden zie en ’t vlieden mij slechts heugt.

De mensen klagen,
Dat vreugde vliedt:
Laat vreugden vlieden, laat mensen jagen,
Wij zien ze vlieden en klagen niet.
Want al wat schoon is,
Is schoon wijl ’t vliedt;
Want schoonst van een citer zijn toon is
’t Sterven, – het stijgen niet…

En dáarom staren
We op ’t vliedend-schone,
En zeggen zacht: na vreugd zal ‘k vreugd ontwaren,
Die ’t leven lone…
Veel zang en schone dromen,
Om zoet te slapen tot het ochtend-domen:
Want vreugden vlieden opdat vreugden komen…

Schrei daarom niet, want als gij schreit,
Dan zal ik zelf gaan schreien wijl ik schrijf,
En al die schone bloemen van mijn zang
Zal ’t zijn of er een dauw van tranen drijv’
Om hen, om mij, tot ‘k eindlijk lang, heel lang,
Zal moeten wenen en geen trooster blijf,
En niet meer schrijf en enkel lijd…

Schrei niet, schrei niet: mijn zang is ál te teer:
Daar blinkt een traan in de ogen van mijn zang,
Zijn wangen zijn zo bleek, – ik zend hem u:
Trek ‘m aan uw knie en zeg: kind, ween niet meer,
Want ik ben ook niet somber, ‘k was ’t te lang,
Zit neer en glimlach nu…

Dan zal hij lachen door zijn tranen heen,
En zeggen: zie, ’t verdriet zelfs is een vreugd;
Want grootste vreugd is lachen na geween,
En dat doe ‘k veel en dat ’s mijn deugd.

 

 
Albert Verwey (15 mei 1865 – 8 maart 1937)
De Oude Kerk in Amsterdam

 

De Nederlandse letterkundige, essayist en criticus W.J.M. Bronzwaer werd geboren op 15 mei 1936 in Heerlen. Zie ook alle tags voor W. J. M. Bronzwaer op dit blog

Uit: Lessen in Lyriek

Bij alle vormen van communicatie treedt redundantie op, al zullen we vaak proberen dat te vermijden. Wanneer iemand ons op straat begroet met de woorden ‘Goeiedag! Goeiedag!’, dan brengt onze afkeer van redundantie met zich mee, dat we de woordherhaling niet als redundant zullen opvatten. Dan zou de herhaling immers zinloos zijn. We interpreteren deze woorden als buitengewoon hartelijk, of als blijk van grote verrassing. De herhaling krijgt voor ons zodoende een betekenisvolle meerwaarde die de strikt lexicale betekenis van het herhaalde woord te boven gaat.
Een van de vroegste voorbeelden uit de literatuur van een herhaling die deze meerwaarde bezit is de uitroep ‘De zee! De zee!’ van de Griekse soldaten in het vierde boek van Xenophons Anabasis, als zij uiteindelijk vanaf een heuveltop de zee ontwaren en zich gered weten van hun Perzische achtervolgers. We kunnen deze uitroep, net als de beurtzang van de Israëlitische vrouwen in het eerste boek Samuel, als een oervorm van poëzie beschouwen. In het poëtisch taalgebruik werken de informatietheoretische wetten, zoals wij die voor kunsttalen hebben opgesteld, niet. In de logica betekent ‘a + a’ niet hetzelfde als ‘a’. Zo betekent ‘De zee! De zee!’ ook niet hetzelfde als ‘De zee!’. Nu zouden we kunnen zeggen dat bij een leeswijze die het verschil tussen ‘De zee! De zee!’ en ‘De zee!’ op dezelfde wijze interpreteert als het verschil tussen ‘a + a’ en ‘a’, het citaat uit Xenophon op niet-poëtische wijze wordt gelezen.
Herhaling is op alle niveaus werkzaam in de poëtische tekst; men hoeft maar aan eenvoudige fenomenen als rijm, maat, gelijkheid van regellengte en dergelijke te denken om dit in te zien. Maar om poëtisch functioneel te zijn dient de herhaling ook geperiodiseerd op te treden. De psychologie leert dat periodisering een onmisbare voorwaarde is bij onze waarnemingen. Het absoluut eenmalige is voor ons niet waarneembaar, en evenmin het zich ongedifferentieerd tot in het oneindige herhalende. Klokken en uurwerken (althans de ouderwetse) produceren eindeloze reeksen van herhalingen van steeds hetzelfde tikkende geluid, maar in onze waarneming worden die reeksen gebroken tot elkaar opvolgende periodes die wij als ‘tik-tak’ waarnemen. De lucht om ons heen nemen wij niet waar, behalve in de periodisering van onze ademhaling (‘in-uit’) of in de onregelmatiger periodisering van windvlagen. Periodisering heeft dus te maken met afwisseling,met terugkeer van hetzelfde na het andere, met ritme. De tijd zelf kunnen we alleen beleven als in periodes verdeeld: etmalen, seizoenen en de al veel abstractere periodes van generaties en tijdperken. Theorieën volgens welke de geschiedenis zich in grote periodes van 2000 jaar zou herhalen, zoals opgesteld door Vico, Spengler, Toynbee of Yeats, ja ook een ‘theorie’ als die over het thans aanbrekende ‘Aquarius-tijdperk’, zijn niets anders dan symptomen van onze periodiseringsbehoefte.”

 

 
W.J.M. Bronzwaer (15 mei 1936 – 20 januari 1999)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e mei ook mijn blog van 15 mei 2018 en ook mijn blog van 15 mei 2017 en ook mijn blog van 15 mei 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

 

Ida Gerhardt, Jo Gisekin, Karl-Markus Gauß, Gaby Hauptmann, Tor Jonsson, Michael Basse, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 
La Mélancolique door Jules Pascin, 1909

 

Kwade dagen

Ga niet naar anderen als dat leed u slaat
dat een mens kromt, of als een wig u splijt;
ga niet naar anderen: raak uw kracht niet kwijt,
die harde kern, waarmee u het bestaat.
En houd uw huis in stand, gelijk altijd.

Ga niet naar anderen: hun blik verraadt
weigering, te beseffen wat er is.
Straks woedt hún onrust om in uw gemis.
Mijd hun bedisselen, hun ergernis
dat ge u blijkbaar niét gezeggen laat.

Zoek het bij een goede vriend, u toegewijd,
één die u niets verwijt, niets vraagt, niets raadt,
maar u verdraagt met uw beschreid gelaat.
Die, zelf zwijgzaam, u kent voor wie ge zijt
en merkt dat het, nog bevend, berg-op gaat.

 

 
Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)
Gorinchem, de geboorteplaats van Ida Gerhardt

 

De Vlaamse dichteres Jo Gisekin werd geboren in Gent op 14 mei 1942. Zie ook alle tags voor Jo Gisekin op dit blog.

 

De nacht is veel te groen

De nacht is veel te groen
om krekels van het
blauw te onderscheiden

waar is het licht
dat leeggezogen weiden
uit hun stramme schaduw dwingt?

Je hoort geen stilte
die luider snikt
dan legers meeldraden
– ze vechten voor wat licht –

schrijf met glazen woorden
de scherven op hun dode bloemenmond.

de tijd eet geld met hopen
en af en toe
zich rond.

 

Moedervlek

Soms is het kind een wimper in je oog
of noem het maar
een vleselijk schandaal
een slak of een worm je durft het
niet zeggen
de deur staat open

Je schrijft een naam op zijn buik
een landschap met honderd gebaren
want je bent sprakeloos
als vaders met open oren
en naakt als een zeehond
die rilt in zijn huid

Waar komt het buurmeisje vandaan
dat met hoofdletters spreekt
ik zou haar cacao willen geven
en een moestuin met mussen bijvoorbeeld

Je denkt: het is een prins
met wollen wangen
en jurkjes uit valenciennekant
misschien had het geen vader
en opa, dat moet je noteren
al jarenlang weg

dus
zwijg je maar
over zijn oortjes
die lieflijk als zwemvliezen zijn
nagels die je nooit hebt geknipt

toch is het geboren met gembergeel
de moedervlek

 

 
Jo Gisekin (Gent, 14 mei 1942)

 

De Oostenrijkse schrijver, essayist en uitgever Karl-Markus Gauß werd geboren op 14 mei 1954 in Salzburg. Zie ook alle tags voor Karl-Markus Gauß op dit blog.

Uit: Der Alltag der Welt

„Vor jeder der zahllosen Türen blieb ich stehen, auf der Suche nach dem Zimmer mit der Nummer Abt. VII, 1.21, in dem ich mit meiner Unterschrift genehmigen würde, was notfalls auch gegen meinen Willen erzwungen werden könnte, dass nämlich die Oberleitung des städtischen Busses, der durch meine Straße fährt, eine neue Verankerung in der Fassade unseres Wohnhauses erhalte, direkt neben unserem Küchenfenster im zweiten Stock. Kein Mensch war zu sehen, offenbar war der Amtsverkehr mit und ohne Oberleitung erloschen, fast schon, dass ich die Sehnsucht verspürte, einer der Inspektoren oder Adjunkten von früher, wie längst keine mehr existieren, würde aus seinem Zimmer stürmen, mich anherrschen und mit dem mündlichen Bescheid, dass ich schon wieder die Frist übersehen habe, mein Anliegen gebührenpflichtig einzureichen, von der Schwelle scheuchen. Mit der eilfertigen Beflissenheit, mit der ich immer alles richtig zu machen versuche und die alles in allem das ist, was ich in meinem Leben seit jeher falsch mache, schlich ich über den Gang und bemühte mich, so leise wie möglich aufzutreten und einzuatmen. In der vollkommenen Ämterstille aber fehlte etwas, das es vor den zwanzig Jahren, als ich das letzte Mal hier gewesen war, noch gegeben hatte. Erst auf dem Nachhauseweg fiel mir ein, was es war: das Klappern der Schreibmaschinen. Damals hatte es aus allen Zimmern geklappert, selbst durch geschlossene Türen und dicke Wände, die sonst jedes Lebenszeichen verschluckten, war es zu hören gewesen, und dieses Klappern war monoton, aber nicht gleichmäßig und nicht eintönig, denn es kannte Takte, in denen es sich beschleunigte, und Pausen, in denen es abrupt stockte, und je schneller es voranging, umso höher schien die Tonlage zu werden, während die von ungelenker Hand nur sporadisch gesetzten Anschläge bedeutungsschwer tief klangen.Wer damals einen Behördengang zu erledigen hatte, ging wie durch eine vormittägliche Musikschule, in deren Übungsräumen die Schüler an Ersatzklavieren klappernd immer dieselben Etüden spielten. Die Schreibmaschine ist aus den Büros verschwunden, und der Zeitschrift, die ich herausgebe, schicken nur mehr zwei Mitarbeiter ihre Texte nicht als elektronische Dateien, sondern auf dem Postweg als Typoskripte zu, die mit Schreibmaschine verfertigt wurden und die sie mit etlichen handschriftlichen Korrekturen versehen. Größere Passagen korrigieren sie mithilfe jenes weißen Plättchens, das man zwischen Papier und Farbband fixieren musste, damit man die falschen Buchstaben und fehlerhaften Worte wieder entfernen konnte, und ich muss Hermann Schreiber und Hansjörg Graf, die beiden neunzigjährigen Münchener aus Österreich, einmal fragen, woher sie diese Plättchen noch beziehen oder ob sie seinerzeit einfach so viele Tipp-Ex im Voraus gekauft haben, dass es für ihr Leben und viele tausend Manuskriptseiten reichen mag.“

 


Karl-Markus Gauß (Salzburg, 14 mei 1954)

 

De Duitse schrijfster Gaby Hauptmann werd geboren op 14 mei 1957 in Trossingen. Zie ook alle tags voor Gaby Hauptmann op dit blog.

Uit: Plötzlich Millionärin – nichts wie weg!

„Ich hätte auf meine Vorahnung hören sollen. Wieso habe ich das nicht getan? Ich habe sie beiseite gewischt. Aber hinterher ist man immer schlauer – wer weiß das nicht!
Jetzt sitze ich auf diesem Flughafen, mitten in Afrika, und schüttle nur noch den Kopf: über mich, über das Schicksal, überhaupt darüber, dass die Dinge nie so sind, wie sie scheinen.
Wenn man zu einem Zeitpunkt, da einem das Wasser bis zum Hals steht, im Lotto gewinnt, dann wendet sich doch alles zum Guten. Glaubt man. Ja, eigentlich sollte man das glauben.
Gleichzeitig beginnen aber die Dinge um einen herum, ein dynamisches Eigenleben zu entwickeln. Denn eines ist sicher: Kaum hast du Geld, kommt die Gier der anderen. Und ich habe es nicht bemerkt.
Aber jetzt stecke ich mittendrin und habe Entscheidungen zu treffen, von denen ich vor Kurzem nicht einmal geträumt hätte. Wozu auch. Ich hatte ja kein Geld und war deshalb uninteressant für die meisten Menschen. Jetzt habe ich Geld, und einiges hat sich geändert. Für manche Menschen bin ich jetzt interessant. Sehr interessant.
Vor allem für meine eigene Familie.
Immerhin habe ich nun Zeit zum Nachdenken, denn ich habe meinen Weiterflug verpasst und bin gestrandet. Nachts in Nairobi. Und Hunderte von Fluggästen mit mir, weil unser Flugzeug von Johannesburg Verspätung hatte und der Anschluss nach Bangkok pünktlich war – also weg. Folglich sind wir nun alle hier, hier in Nairobi. Und stehen alle in einer langen Schlange vor einem einzigen Schalter, denn alle müssen übernachten. Das bedeutet, raus aus dem Flughafen. Aber bevor man Kenia betreten darf, braucht man ein Transit-Visa-Tagesticket. Die gelben Formulare sind angesichts der Menge an Menschen aber ausgegangen. Die weißen Formulare sind die falschen. So stehen nun alle in der Schlange und warten. Es sind noch zwei weitere Schalter besetzt: Dort aber steht niemand an, denn zwei Schilder »First Class« und »Diplomaten« zeigen uns, dass wir eben nur einfache Economics sind. Ein Herr mit Aktentasche probiert es trotzdem und wird von einer gähnenden Beamtin zurück in die lange Schlange geschickt.“

 


Gaby Hauptmann (Trossingen, 14 mei 1957)
Cover

 

De Noorse dichter, schrijver en journalist Tor Jonsson werd geboren op 14 mei 1916 in Lom, Oppland. Zie ook alle tags voor Tor Jonsson op dit blog.

 

I am sorrow and joy

Shape me not anew with shadow.
I wish to be the one I became.
I am sorrow in white clothing,
I am joy dressed in black.

Shape me not anew with joy.
I became who I wished to be:
Ruler of an unknown kingdom,
Slave in my own time.

 

 
Tor Jonsson (14 mei 1916 – 14 januari 1951)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Michael Basse geboren op 14 april 1957 in Bad-Salzuflen / Nordrhein-Westfalen. Zie ook alle tags voor Michael Basse op dit blog.

Uit: Ein einziges lyrisches Missverständnis

„Doch damit sind die Parallelen nahezu erschöpft. Während Borchardt in Lucca mit Vorliebe königliche Hoheiten empfing, avancierte Rapallo unter Pound zum internationalen Treff für Musiker und Komponisten (von Igor Strawinsky bis George Antheil), und Dichter (von W. B. Yeats bis T. S. Eliot). Während Borchardt, der zu Beginn des Ersten Weltkriegs noch vom “Untergang des alten autonomen Europas und seiner kulturellen Übernahme durch das deutsche Imperium” träumte, auch danach noch an der deutschen Mission festhielt und einen aggressiven Chamberlain-Hitler-Pakt gegen Franco favorisierte, schwor Pound – vom ersten Weltkrieg gründlich desillusioniert – allen imperialistischen Visionen ab, mutierte zum Kriegsgegner und Internationalisten und schrieb seinen “Mauberly”-Zyklus. Hitler hielt er von Anfang an für einen “epileptischen Hinterwäldler”, während ihm der Duce – wie vielen italophilen Ausländern – der einzige Garant für ein kulturell fortschrittliches Europa zu sein schien. Mit anderen Worten: während Pound selbst noch als angeklagter “Hochverräter” seinen republikanischen Überzeugungen treu blieb und den Faschismus in seiner italienischen Spielart nur insoweit goutiert hatte, als er die res publica “fortschrittlicher” (und das hieß für ihn “gemeinnütziger und friedlicher”) organisierte als der wild gewordene Kapitalismus, der zu Weltkrieg und Börsenkrach geführt hatte, huldigte Borchardt unverdrossen einem untergegangenen deutschen Wilhelminismus samt seinen imperialen Ansprüchen. Borchardts überstrapazierter Leitbegriff hieß nicht “Republik” sondern “deutsche Nation”, und zwar eine, die im Zweifelsfall über alles ging (also auch über Leichen).”

 

 
Michael Basse (Bad-Salzuflen, 14 april 1957)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e mei ook mijn blog van 14 mei 2018 en eveneens mijn blog van 14 mei 2017 deel 2.

In Memoriam Leo Herberghs

In Memoriam Leo Herberghs

De Nederlandse dichter en schrijver Leo Herberghs is in de nacht van vrijdag op zaterdag overleden. Hij was 94 jaar. Zie ook alle tags voor Leo Herberghs op dit blog.

oude wandelingen

maar de wind is een adelaar
die op ons jaagt, die ons kaal
plukt. we leggen onze snavel
tegen onze borstveren aan

de wind naait met zijn naaigaren
onze ogen dicht. wij draaien
rond een met zilver beslagen
kerktoren die we niet naderen

weggelegd worden we in de laden
van wind en weggedragen
in de diepste aardlagen.
niemand die ons terugvindt

 

Portret van een landschap        

I Bezijden

Waar het licht is, vult het de vlakken, ontvouwt het zijn
zwarten, legt het schaduw op vierkanten, daalt het onder het
vlak: een water misschien dat stil lag.

En het wreedste in de struik, het blijdste, de grond daaronder
angstig. Wat het daar nadert, nadert het langzaam.

Als het nabij is? Waar zal het zich neerleggen? Waarvoor zal
het zich hoeden, waar zal het zich bergen?

Alsof het er niet was. Iemand zag het en toen was het er.
Nooit was het er vroeger geweest. Die het gezien had was
daarna weggegaan, was er daarna niet meer.

Alsof het terug was onder het blauwe, weggenomen was van
het gele.
Alsof het bij sparappels was gaan wonen, bij eikenbladeren,
gegaan was naar het stille van varens, naar kelders, naar zolders.

Dat vlakke was er: een pad.

Alsof het later geworden was, alsof het eerder was begonnen.
Alsof het er vroeger geweest was, ervoor was, erna. Alsof het
daarna op was gehouden, weer was begonnen, schuil was
gegaan.

 

VII Afdrift

Aan alle kanten is het zichtbare zichtbaar, trekt zich daarna
terug, wordt kleiner. Zoveel licht: tot aan de verblinding.
Zoveel duisternis: daarin verliest het zich.
Iets wil het kennen voor het nacht wordt. Het schuift door
onder het liggende: of het daarginds is. Achter het water gaat
het: of het omhoog gaat. Wat is hoger dan water? Wat is lager
dan water?
Het staat en is rond. Of is het niet rond en hangt het?
Wat daar omheen is, is het vlakke. Paden zijn er: wat iemand
zich herinnert. Als de smaak van zichtbare druiven.
Kon het maar liggen zoals de akker ligt. Kon het maar ongeoogst
blijven en ongemaaid. Kon het maar troost zijn.

Ontmoet het dit en waar? Staat het bij een boom en wacht
het? Is het bij de bocht met de vis? Staat het stil waar het is? Is
het er als het komt, bij wat daar waait, wat daar aan de zoom
gezien wordt? Even staat het, zoveel wind in zijn afscheid.

Waarom is het hier, rust het hier uit, ligt het zo, wordt het
weggedragen en neergelegd waar iemand het kan zien, waar
het niet meer kan weggaan.

Zover als het te zien is, is het overal, maakt het de wind overal
donker.
Het is ergens en het staat er. Nergens komt het vandaan, nergens
gaat het heen. Nog even is het te zien. En daarna.


Leo Herberghs (Heerlen, 21 juli 1924 – 11 mei 2019)

Anna Enquist, Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier

Dolce far niente

 

 
Ziekenhuistuin in Edam door Max Liebermann, 1904

 

Andante

Als de tocht niet meer voert naar de
plaats waar alles weer goed komt,
wat houdt haar gaande? Rood zand
op het fresco verbleekt, troost verkleint
tot een blik, tot een handpalm.
Als niet wanhoop met windkracht tien
in haar rug staat, wat houdt haar in gang?

De straatstenen houden haar gaande
ogen likken de gevels, de keel
is gulzig naar lucht. Haar houdt
in gang het plezierpaard lijf dat
geen halt verstaat. Haar hakken
slaan vuur uit de tegels: Dat zij gaat
houdt haar gaande. Zij gaat.

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
Het Vondelpark in Amsterdam, de geboorteplaats van Anna Enquist

 

De Vlaamse dichter Jan Lauwereyns werd geboren op 13 mei 1969 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jan Lauwereyns op dit blog.

 

De paradox van slaap

Die muurschildering, de vogel op hoge stelt,
de twee speren, de bizon, de man met armen
wijd, liggend tegen lucht, zijn pik stijf.

Waar gaat dit naartoe?

Nergens: nacht, land van wat
niet bestaat.

Wat richt die vogel/ziel
op hoge stelt/hakken uit?

Op het tipje van je tong begint de wacht.

Kon je maar als een dolfijn
slapen met een hersenhelft,
rondjes varen met de andere.

 

Het temmen

Voor rijst gebeurde het in China,
een zevental millennia geleden.
De dichter zegt: ‘in Middelaarde, toen
de tijd nog niet bestond’. De wetenschapper
maakt koeken en knabbelt.

De afstand vergroot in de vertaling van de ene
algemeenheid naar de andere.

Lege spelletjes, dacht ze, energie uit fotosynthese,
altijd hetzelfde liedje, een extra laag
maar niets dat blijft hangen.

Tan telt niet. Ook Guo-Ping niet.

Glo-Ping?

Ben je grapjes aan het maken?
Want grappig is het niet. Als je zo
blijft doorgaan…

(Hij snapte het.)
(Zowel de dichter als de wetenschapper.)

Tarwe en gerst suggereren: zachtjesaan.

 

Heb je het ook gevoeld

Heb je het ook gevoeld
een flurry of beginningen

mission impossible

dat rest wat rest
en blijvend moge blijven
de tot verlangen bekeerde

want o
mijn lieve lijdend

voorwerp van aandacht

het zwijgen in alle vuren
onvermogelijk

heffe zich het glas
je bubbly

mijn elixir

met randy
op het randje

lippen die nodig willen

jij mag kiezen waar.

 

 
Jan Lauwereyns (Antwerpen, 13 mei 1969)

 

De Vlaamse dichter Reinout Verbeke werd geboren op 13 mei 1981 in Roeselare. Zie ook alle tags voor Reinout Verbeke op dit blog.

 

Honda asimo

De handleiding zegt dat je humanoid bent
dat je me in bed zult tillen
de deur openmaakt voor
bezoek, mijn zakdoek raapt
me vasthoudt

Volg me langzaam tot op de gang
tot in de eetzaal, tot in de kleine
witte kamer die ik ben

Hou daar pas mee op
tot ik de schroefbladen tussen je schouders
verwar met haar zuchten, de buzzer in je buik
met haar schoot. Spiegel me voor hoe zij was,
hoe zij destijds de deur
mijn zakdoek
mij

Wees, word, herinner me

Kom met je batterijen hart
naast me liggen
dat ik je een paar heel
dierlijke dingen leer
en kir kir kir dat het een lust is

 

 
Reinout Verbeke (Roeselare, 13 mei 1981)

 

De Engelse schrijver Bruce Chatwin werd op 13 mei 1940 in Sheffield geboren. Zie ook alle tags voor Bruce Chatwin op dit blog.

Uit: The Songlines

“When he did come to town, he worked from a disused newspaper shop-floor where rolls of old newsprint still clogged the presses and his sequences of aerial photos had spread, like a game of dominoes, over the shabby white walls. One sequence showed a three-hundred-mile strip of country running roughly due north. This was the suggested route of a new Alice to Darwin railway. The line, he told me, was going to be the last long stretch of track to be laid in Australia; and its chief engineer, a railway-man of the old school, had announced that it must also be the best. The engineer was close to retiring age and concerned for his posthumous reputation. He was especially concerned to avoid the kind of rumpus that broke out whenever a mining company moved its machinery into Aboriginal land. So, promising not to destroy a single one of their sacred sites, he had asked their representatives to supply him with a survey. Arkady’s job was to identify the ’traditional landowners’; to drive them over their old hunting grounds, even if these now belonged to a cattle company; and to get them to reveal which rock or soak or ghost-gum was the work of a Dreamtime hero. He had already mapped the 1 so-mile stretch from Alice to Middle Bore Station. He had a hundred and fifty to go. ‘I warned the engineer he was being a bit rash,’ he said. ‘But that’s the way he wanted it.’ ‘Why rash?’ I asked. ‘Well, if you look at it their way,’ he grinned, ’the whole of bloody Australia’s a sacred site.’ ‘Explain,’ I said. He was on the point of explaining when an Aboriginal girl came in with a stack of papers. She was a secretary, a pliant brown girl in a brown knitted dress. She smiled and said, ‘Hi, Ark!’ but her smile fell away at the sight of a stranger. Arkady lowered his voice. He had warned me earlier how Aboriginals hate to hear white men discussing their ‘business’. ‘This is a Pom,’ he said to the secretary. ‘A Porn by the name of Bruce.’ The girl giggled, diffidently, dumped the papers on the desk, and dashed for the door. ‘Let’s go and get a coffee,’ he said. So we went to a coffee-shop on Todd Street.”

 

 
Bruce Chatwin (13 mei 1940 – 18 januari 1989)

 

De Britse schrijfster Daphne du Maurier werd geboren in Londen op 13 mei 1907. Zie ook alle tags voor Daphne du Maurier op dit blog.

Uit: Jamaica Inn

“They drove along the twisting lane to the farmhouse at the top of the village. A neighbour met them at the gate, her face eager to impart bad news. ‘Your mother’s worse,’ she cried. ‘She came out of the door just now, staring like a ghost, and she trembled all over, and fell down in the path. Mrs Hoblyn has gone to her, and Will Searle; they’ve lifted her inside, poor soul. They say her eyes are shut.’ Firmly the doctor pushed the little gaping crowd away from the door. Together he and the man Searle lifted the still figure from the floor and carried her upstairs to the bedroom. `It’s a stroke,’ said the doctor, ‘but she’s breathing; her pulse is steady. This is what I’ve been afraid of — that she’d snap suddenly, like this. Why it’s come just now, after all these years, is known only to the Lord and herself. You must prove yourself your parents’ child now, Mary, and help her through this. You are the only one who can.’ For six long months or more Mary nursed her mother in this her first and last illness, but with all the care she and the doctor gave her it was not the widow’s will to recover. She had no wish to fight for her life. It was as though she longed for release, and prayed silently that it would come quickly. She said to Mary, ‘I don’t want you to struggle as I have done. It’s a breaking of the body and of the spirit. There’s no call for you to stay on at Helford after I am gone. It’s best for you to go to your Aunt Patience up to Bodmin.’ There was no use in Mary telling her mother that she would not die. It was fixed there in her mind and there was no fighting it. ‘I haven’t any wish to leave the farm, mother,’ she said. ‘I was born here and my father before me, and you were a Helford woman. This is where the Yellans belong to be. I’m not afraid of being poor, and the farm falling away. You worked here for seventeen years alone, so why shouldn’t I do the same? I’m strong; I can do the work of a man; you know that.’ ‘It’s no life for a girl,’ said her mother. ‘I did it all these years because of your father, and because of you. Working for someone keeps a woman calm and contented, but it’s another thing when you work for yourself. There’s no heart in it then.’
‘I’d be no use in a town,’ said Mary. ‘I’ve never known anything but this life by the river, and I don’t want to. Going into Helston is town enough for me. I’m best here, with the few chickens that’s left to us, and the green stuff in the garden, and the old pig, and a bit of a boat on the river. What would I do up to Bodmin with my Aunt Patience?’ ‘A girl can’t live alone, Mary, without she goes queer in the head, or comes to evil. It’s either one or the other. Have you forgotten poor Sue, who walked the churchyard at midnight with the full moon, and called upon the lover she had never had? And there was one maid, before you were born, left an orphan at sixteen. She ran away to Falmouth and went with the sailors. ‘I’d not rest in my grave, nor your father neither, if we didn’t leave you safe. You’ll like your Aunt Patience; she was always a great one for games and laughing, with a heart as large as life. You remember when she came here, twelve years back? She had ribbons in her bonnet and a silk petticoat.”

 

 
Daphne du Maurier (13 mei 1907 – 19 april 1989)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13 mei ook mijn blog van 13 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Alexander Rybak

De Noorse violist, zanger, componist, acteur en schrijver van Wit-Russische afkomst Alexander Igorjevitsj Rybak werd geboren in Minsk, Sovjet-Unie, op 13 mei 1986. Zijn ouders emigreerden naar Noorwegen toen Rybak vier jaar oud was. Hij speelt sinds zijn vijfde jaar zowel piano als viool. De ouders van Rybak zijn Natalia Rybak-Goerina, een bekende Wit-Russische pianiste en vader Igor Rybak, die een bekende violist is in Noorwegen. Zijn ouders studeerden beiden aan het conservatorium van Minsk, maar kwamen oorspronkelijk beiden uit de stad Vitebsk. Rybak heeft samen met de Israëlische violist Pinchas Zukerman opgetreden. Hij won de Anders Jahre Cultuurprijs in Noorwegen en is concertmeester van een van de grootste symfonische jeugdorkesten in Bergen. In 2005 deed hij mee aan Idols in Noorwegen. In 2007 trad Rybak op als violist in de musical Fiddler on the Roof in het theater van Oslo. In augustus 2009 was hij te zien zijn in de telefilm Yohan – Child Wanderer. De muzikale idolen van Rybak zijn Sting, The Beatles en Mozart. Rybak won het Eurovisiesongfestival 2009 in Moskou met het door hemzelf geschreven en gecomponeerde lied “Fairytale”. Het nummer is geënt op Russische en Noorse folklore en geïnspireerd door de liefde. Rybak won met 387 punten wat op dat moment een record was. Het nummer werd in heel Europa uitgebracht en stond in de Nederlandse Top 40. Een week na zijn overwinning was Rybak te gast in Mooi! Weer de Leeuw. Na het Songfestival verscheen Rybaks eerste album Fairytales, het album bevatte negen nummers en de singles Fairytale, Funny Little World, en Roll With The Wind. Hij ging op promotour voor zijn album onder andere naar Oekraïne, België en Finland. Fairytales, werd meerdere keren platinum in Noorwegen, dubbel platinum in Rusland en goud in Finland. In juli 2010 verscheen het album No Boundaries. De officiële promotie single ervan is Europe Skies. De videoclip speelt zich af op de Krim. In 2011 was Rybak te zien in verschillende tv-shows, zo was hij deelnemer aan de Zweedse versie van Strictly Come Dancing, Let’s Dance. Samen met zijn danspartner Malin, bereikte hij de vierde plaats. In de zomer kwam zijn derde album uit: Visa Vid Vindens Änger. Een album volledig in het Zweeds. De melodieën van de nieuwe liedjes werden geschreven door Rybak en de teksten door de Zweedse dichter en componist Mats Paulson. Bij het album verscheen ook de single Resan Till Dig. In 2012 bracht hij zijn nieuwe single Leave Me Alone uit. Het verhaal van de single draait om iets wat hemzelf is overkomen. Hij werd gestalkt door een vrouw en hij wist geen manier om van haar af te komen. Uiteindelijk besloot hij in plaats om naar de politie te gaan, er een liedje over te schrijven. De videoclip werd wederom opgenomen in Kiev. Door promotie van Paul De Leeuw in zijn programma Manneke Paul bij de VTM in Vlaanderen bereikte het liedje een plaats op de Belgische tiplijst. In november van dat jaar kwam zijn vierde album Chirstmas Tales uit. In september 2015 publiceerde hij een half autobiografisch kinderboek: “Trolle en de betoverde viool”.De op dit boek gebaseerde gelijknamige musical zal worden gereleased in november 2019. In 2018 besloot Alexander Rybak zich opnieuw te presenteren op de Melodi Grand Prix met zijn nummer That How You Write a Song. Hij won de Melodi Grand Prix op 10 maart en vertegenwoordigde Noorwegen voor de tweede keer op het Eurovisie Songfestival, na zijn zegevierende deelname in 2009. Rybak werd eerste in de tweede halve. In de finale eindigde hij deze keer op de 15e plaats. Zijn lied was het 1500ste dat ooit op het Eurovisie Songfestival werd uitgevoerd.

Uit: Trolle en de betoverde viool

“Huldermyren was geen plek om vrijwillig naartoe te gaan. Het lag verborgen in de diepten van een donker bos, als een geheimzinnig geheim. Er werd geen levend wezen in de buurt gevonden, slechts een paar dunne bomen op de rand van het moeras. Vaak wervelde een sluier van dichte mist in dit gebied en dan konden figuren worden gezien die tussen de boomstammen bewogen. Er waren nerds, hellen die ooit jong waren geweest en die in de dorpen bij het bos hadden gewoond. Elke keer dat de mist over het moeras zakte, verschenen de lopers. Toen stonden ze op uit de dood om te dansen. Ze bewogen zwijgend, een stille waarschuwing dat er iets engs stond te gebeuren. De huilers wachtten tot hun meester wakker werd uit zijn diepe slaap. En, mijnheer, het was de koning van de Hulder. Hij sliep, goed beschermd door de bomen. Zijn ademhaling was traag. De King of Holder was een lange en donkere figuur en hij had langer geleefd dan iemand zich kon herinneren.

Ja, al honderden jaren waren er legendes over hem verteld. De koning van de houder had onuitsprekelijke dingen gedaan om koning te blijven. Eens in elke tijd werd de Hulk King wakker. En toen waren geen bossen veilig.

Niet ver van de slapende Hulder King, op een grote rots, stond een viool. Het was zijn geheime, magische wapen. Degenen die werden blootgesteld aan de muziek van de viool waren betoverd. De tonen lokten hen steeds verder het bos in, totdat ze in het moeras belandden. Niemand kon het geluid van de kerel weerstaan. Maar zoals bij alle betoverde objecten, was de viool ook grillig. En terwijl de obers wachtten tot de King of the Wakes ontwaakte, begon de viool ongeduldig te worden. Het verlangde ernaar gespeeld te worden.”

Alexander Rybak (Minsk, 13 mei 1986)