Ramsey Nasr, Maik Lippert

De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.

 

Een mooie dag om stilte te verscheuren

een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwart-wit – en het gebeurt.
gewoon omdat het kan. omdat één man.

het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.

ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.

vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.

 

Mijn wit plafond

Mijn wit plafond en ik
wij ontwaken weer tezamen.
Het bedmetaal en ik
wij scheiden minnaars van elkaar.
‘k Heb niemand nodig. Kijk
hoe ik de theekop stevig kus.
Ik wijdopen dode ramen
en je geur is buitenlucht.

 

Tafelgenoten

Al wie dit hoort: schrikt niet.
Peinst niet dat ik echt in ’t radiomachien
of in uw woonst verborgen zit – hier klinkt
uw eigen onbekende stem van ether.
Modern-kekke mens, komt toch aan tafel
laat ons een kleine geschiedenis eten.

Hangt eerst uw beleefdheden in de gang.
Legt goede smaak op de bestemde plank.
Veegt voeten, handen, eigenschappen.
Trekt uw beroep uit. Laat u zich gaan.
Staat u mij toe de laatste dromen
en vaste lastjes van u af te slaan.

Ik moet u, als in vroeger dagen
vragen het ras voorzichtig los te pellen.
Afkomst verwijderen, kleur ontkennen.
Wandelt nu rond, geheel doorschijnend
door alle lege kamers van het lijf.
Doden gelijk. En o ja: zeg jij tegen mij.

We zijn nu bijna zonder opsmuk.
Ontkleed je. Ga nu door tot op de huid.
Kijken we samen naar je buik, je rug
tien vingers, één navel, het vet in je zij
alle botten, wervels en kiezen verzameld
alle trilharen aan tafel. Dat ben jij.

En in deze schaamte zijn wij vrij.
Ik proost vandaag op onze naaktheid
in de hoop dat niemand ooit
het werelddeel in je ontdekt
je longen bezet, opvult met honger
en zijn geloof in je plant als een schoffel.

Zet je schrap tegen mij. Alleen hier
in weerloosheid zijn we vrij.

 

Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

 

De Duitse dichter en schrijver Maik Lippert werd geboren op 28 januari 1966 in Erfurt. Zie ook alle tags voor Maik Lippert op dit blog.

 

Niets nieuws op het werkfront

In het begin vecht je nog
Later wil je niet
Je collega’s in de steek laten
Sinds kort zit er iemand aan het bureau
In slaap gevallen
De rechterhand nog om de muis
Geklauwd
De noodarts had moeite
Om hem los te krijgen
In Outlook stonden zeventien
Onbeantwoorde e-mails
Neem jij dit over
Zei de divisiemanager tegen mij

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maik Lippert (Erfurt, 28 januari 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e januari ook mijn blog van 28 januari 2019 en ook mijn blog van 28 januari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Paolo Cognetti, Harvey Shapiro, Iduna Paalman

De Italiaanse schrijver Paolo Cognetti werd geboren in Milaan op 27 januari 1978. Zie ook alle tags voor Paolo Cognetti op dit blog.

Uit: Antonia (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)

“Antonia was een meisje uit Milaan dat verliefd was op de bergen. Ze werd geboren in de winter, op 23 februari 1912. Ook ik ben in de winter in Milaan geboren en ben vaak langs haar huis gelopen, een statige woning aan de Via Mascheroni, met op de voorgevel het bouwjaar,1914, dus het was nieuw toen de Pozzi’s er introkken. Het is een chique buurt, met veel huizen en villa’s 7 van een beschaafde industriële bourgeoisie die in Milaan nu niet meer bestaat, vlak bij het Parco Sempione waar Antonia, zo stel ik me voor, vaak naartoe ging omdat ze er iets van de bomen, de grasvelden en het water vond die ze in de rest van de stad zo node miste. Ze had geen band met dat huis, waarover ze nooit iets heeft geschreven, en overigens ook niet met de rest van Milaan, met uitzondering van de muziek die in de Scala en op het conservatorium werd uitgevoerd en de denkbeelden die opgeld deden op het Manzoni-lyceum en de Staatsuniversiteit, waar ze de mensen leerde kennen die voor haar het belangrijkst zouden blijken. Ze voelde zich meer thuis op het platteland van Lombardije, in de buurt van Paria. Haar moeder kwam daar vandaan: de Cavagna Sangiuliani’s, graven van Gualdana, hadden uitgestrekte landerijen bezeten langs de oevers van de Ticino, met bossen, velden, boerderijen, jacht- en visgebieden, maar ook een bibliotheek met tachtigduizend boeken, waaronder veel kostbare antiquarische werken. Haar grootvader was een gerespecteerd intellectueel geweest, die zich in het bijzonder had beziggehouden met de geschiedenis van Lombardije. Haar grootmoeder Nena, op-en-top een negentiende-eeuwse gravin, woonde nog steeds in het nabijgelegen Bereguardo, op een groot landgoed waar Antonia haar vaak ging opzoeken. De slootjes, de rijstvelden, de dijken en de mist vormden voor haar een vertrouwd landschap, net als de bochten en de draaikolken in de rivier. Toen ze in 1929 gedichten begon te schrijven, wijdde ze het eerste aan deze plek.

Vertewee

Ik herinner me dat, wanneer ik in het huis
van mijn moeder was, midden in de vlakte,
ik een raam had dat uitkeek
over de velden; ver weg, achter de bosrand
ging de Ticino schuil, en nog verder weg
zag je een donkere lijn van heuvels.
Ik had de zee toen nog maar één keer gezien,
maar daaraan dacht ik
met bittere weemoed terug als aan een geliefde.
Tegen de avond tuurde ik naar de horizon;
ik kneep mijn ogen half dicht, liefkoosde
met mijn wimpers contouren en kleuren:
en de lijn van de heuvels effende zich,
trillend, blauw: het deed me denken aan een zee
en die was me liever dan de echte.
Milaan, 24 april 1929”

 

Paolo Cognetti (Milaan, 27 januari 1978)

 

De Amerikaanse dichter Harvey Shapiro werd op 27 januari 1924 in Chicago geboren in een joodse familie uit Kiev. Zie ook alle tags voor Harvey Shapiro op dit blog.

 

Juli

Jullie dichters van de Late Tang sturen mij berichten
deze morgen.
De oostelijke hemel is roodgekleurd.
Schakels van vogelzang vormen een zwevende ketting.
In een uithoek van de wereld, omringd door de oceaan
en de lucht,
kan ik terugkijken op zoveel destructieve dagen
en nachten,
en ook vooruit, ego-demonen voor zover
de geest reikt.
Hier blijft, voor even, het licht hangen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Harvey Shapiro (27 januari 1924 – 7 januari 2013)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De  Nederlandse dichteres, schrijfster, presentatrice en columniste Iduna Paalman werd geboren in Rolde in 1991. Zie ook alle tags voor Iduna Paalman op dit blog.

 

Hitteplan

Ik werd een paal onder het viaduct. Ik was moe
en las: wil je rechtop blijven staan, moet je
een ledemaat zijn van de stad. 

Voel je de pols van het beton, de neerslag die klaarstaat
in maatpak, vanavond op sissende daken zal slaan? 

Er is een hitteplan geschreven: wees als de eenden.
Nestel je naakt in het gruis, kruip in de buizen
of broed op gloeiende tegels je kuikentjes uit. We overleven
alleen als we de zalen verlaten, ons in staaldraden sluiten,
omkleden met steen.

Kijk, de hagedis met bonzende romp, uit haar bek
de damp van de metrostations. Ze legt haar vel af,
verdwijnt in de spleet, wij volgen traag
haar voorbeeld.

 

A Queens Krönungsmesse

de rit begint niet in de vettige vacht van onze ma
maar met een dienst in een deftige buurt, een glanzend
pakket van boudoirs en vieze bedden, in de handen
van wie betaalt en zijn mond houdt

voor wie de attractie omzeilt is ons lichaam te winnen, het dunne
raam drukken wij als etiket tegen onze borst maar het draagt ons
niet als we vallen, wij zijn Mozart aan het hof: we zoeken een bergplaats
voor ons talent

wie zingt er mee in de sopraanaria, dit gillende gewelf
het geweld dat ons in elke sponning vastzet
ons dichtslaat als een deur

wie heeft ons in handen, wie opent de vitrine
en bedekt het bloed, wie heft het glinsterende hoofd
welk wezen, in godsnaam?

 

Iduna Paalman (Rolde, 1991)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e januari ook mijn blog van 27 januari 2019 en ook mijn blog van 27 januari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Nora Gomringer, Simone Atangana Bekono, Martijn den Ouden, Michiel van Rooij

De Zwitsers-Duitse dichteres Nora Gomringer werd geboren op 26 januari 1980 in Neunkirchen an der Saar. Zie ook alle tags voor Nora Gomringer op dit blog.

 

Der Rose kündigen für den Tag, an dem alle nach Dornen fragen

An süßduftenden Tagen, an denen Regen auf allen Bänken sitzt
und ein Rentner über die Rohheit der Jugend erzürnt
-denn der Regen ist jung und tritt die Bänke mit Wasserfüßen-,
an schweren, dunstigen, ebendiesen Tagen
ist der Garten ein Revier der Zierde,
der Schnecken und Würmer,
der Zähne der Löwen,
der Größe der Rosen,
der Majestät und des Grüns.
Ich sitze und gehe manchmal,
es ist ein Tanzschritt eher als ein Wegbereiter,
ich komme nicht an, ja ich verlaufe mich sogar.
Ich trete auf die Zehen meines Baumes.
Mein zarter Schuh versucht ein Muster, versucht etwas bleibendes zu zeichnen,
der Regen wird kommen und wird vergessen machen.
Ich werde mich wegspülen, ich werde unter der Straße gluckern, ich werde mich
wenden, an Ecken an die Oberfläche sprudeln,
ich werde Wände hinauf und hinabsteigen.
Meine Hände spielen im Haar der Farne
und ertasten das Zarte und Gegangene.
Ich denke bei mir, wie leicht und sonderbar die Flächen sind, auf denen wir
                                                                                               wandern
und gar nicht leben.
Der Rose lecke ich den Hals, den schlanken und ihre breite Stola lässt mich im
Schatten weilen.
Der Dorn, der kleine Sarazene, ist voller Eifersucht. Sein Schwert ist alt und meine
Lust sehr jung. Die bunte Dame gewährt, dass ich ein Blatt von ihrer Brust ablöse,
ein Blütensegel, ein bauschiges Tüchlein, das ich mir um Lippen und Fingerkuppen
lege, um, wie ein Schwärmer, dummer Junge, kleiner Muck vor ihr zu lagern und
                                                                                                               wie
einer, der nur Rosenworte reden darf.
Meine Dame hat ihr Herz auf meine Zunge gelegt mit dem einen Kuss.
An Tagen, wie ebendiesen. In Nächten wie jenen,
entsage ich dem Duft und schicke mich, um sie zu betrügen,
an die Hände und Münder anderer Sträucher.
Ich beiße in die Tomate, ich feiere die Röte der Völle.
Hin und her schwingt mein Verdacht,
der Garten raunt. Ich bin entdeckt,
enttarnt als Larve, die ein Blatt zerreißt.
Die Ameise kommt, um nach mir zu sehen.
Die treue Amme trägt mich hinab.
Manchmal bin ich ein Haus, das verlassen wurde von einer Schnecke.
Ich liege als stille Erinnerung am Rand und Halme wachsen in mich hinein
und Vögel hallen wider.
Meine Mauern, die gewunden und wund, zittern wie einsturzgefährdet.
Kein Denken an die fröhlichen Feste.
Sie fragen nach Dornen, die Undankbaren.
Für ebendiesen Tag, sage ich, habe ich der Rose gekündigt.

 

VERSIES

en
een boot legt aan
Böcklin schildert een boot, die aanlegt.
schimmig,
zwelgend.
Een bootsman, naamloos,
al te gewillig, zich prijs te geven.
Hitler bezat een versie,
Utøya werd een
eiland
schimmig,
zwelgend.
Een boot legt aan,
aan boord een dood
een overgangsadvocaat
Böcklin schildert een boot, die aanlegt
Een bootsman naamloos,
Versies van Breivik.
Aan boord een dood,
rusteloos,
verzwolgen,
schimmenrijk,
zonder silhouet,
een eiland
en

 

Vertaald door Maud Vanhauwaert

 

Nora Gomringer (Neunkirchen an der Saar, 26 januari 1980)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichteres en schrijfster Simone Atangana Bekono werd in 1991 geboren in het Brabantse Dongen als dochter van een Kameroense vader en een Nederlandse moeder. Na het Sint-Oelbertgymnasium in Oosterhout studeerde ze een tijd Media & Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Deze studie heeft ze niet afgerond. In 2016 studeerde ze af in creative writing aan hogeschool ArtEZ. Atangana Bekono debuteerde in 2017 met de dichtbundel Hoe de eerste vonken zichtbaar waren, waarvoor zij de Poëziedebuutprijs aan Zee 2018 en het Charlotte Köhler Stipendium 2019 ontving. In 2019 riep de Volkskrant haar uit tot een van de literaire talenten van 2020. In 2020 verscheen haar roman “Confrontaties”, waarin discriminatie en racisme centraal staan en de hoofdpersoon worstelt met angst, teleurstelling en woede. Het boek kwam op de shortlist voor de Libris Literatuurprijs 2021 en werd bekroond met de prijs Beste Boek voor Jongeren 2021 van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek. Ook de Hebban Debuutprijs 2021 en de Anton Wachterprijs 2022 werden aan haar toegekend. Ze trad twee keer op tijdens het literatuurfestival Winternachten, in 2017 en 2020. De Universiteit van Amsterdam benoemde Atangana Bekono per 1 november 2022 tot ‘Honorary Fellow’ aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit, met als leidraad ‘Intimiteit in literatuur’.

 

vt I (origin0

de stad is heel mooi vandaag
regen valt rustig op zoevende auto’s
zilver zoals staal lekt op tapijten in de huizen van anderen
jij bent solide ergens anders
ik ga een blokje om

ik was oranje
jij een bleek soort blauw heel diep
scheuren ze langs de grachten als strepen
geen geslacht, die auto’s, slordig
als ik door de deuropening kijk zie ik je zoute glimlach
ooit mocht ik die van je gezicht slaan werd je zeiknat
de echte is er een die plastic smolt

snijd de tijd eruit
ik was weids en overdonderend een periode lang
ik zag een soort grotesk onvormlijk iets zo mooi
het deed bam bam je borsten of een zeilschip
het deed een spook na het was je wijsvinger of god
mijn richting uit gestoken of gewoon gewillig
ik draai me om maar kwam mezelf niet uit
zo groots zo vochtig nee ik loop dieper in mezelf en ben
ijskoude witte muren en de vloer is zo diepbruin
dat het pijn doet een kleur die zijn toekomst zoekt
glimmend en

ik snijd tijd eruit en tijd die toekijkt
een vloer die om zichzelf heen kromt
alles om me heen elk voorwerp – krom
elke hand ook elk rimpelend gat elk mes
blindslag in de hals gelegd niet ideaal maar wat er uit je
kruipt of dat expres is
samen tot één tentakel dat zich aan me vastzoog
                    me naar zich toetrok

ik of ik in mezelf
ik wil er meer van wat het ook is
ik at de houtskool op en dronk de inkt
wil de omheining worden niet omheind
ik kneed tijd strompel een rondje
maar jij stond gewoon stil!
en leeft!
en bewoog je!

 

Simone Atangana Bekono (Dongen, 1991)

 

De Nederlandse dichter en beeldend kunstenaar Martijn den Ouden werd geboren in Nieuw-Lekkerland in 1983.Zie ook alle tags voor Martijn den Ouden op dit blog.

 

Paradijzen

paradijs 1

het goed onderhouden buitenzwembad in Emmeloord omringd met eindeloze bossen en sportvelden waar ’s zomers beeldige atleten in gestreept badgoed lenig van de hoge springen

paradijs 2

de weelderig gedekte eettafel van de familie Tukker eerste kerstdag 1972 waar grootvader zich met het broodmes de keel doorsnijdt na zijn bekentenis de kinderen te hebben misbruikt

paradijs 3

het zonnewerend naaldbos dat bij 37 graden Celsius haar poriën opent en uit volle overgave het leven onder haar rokken verleidt zich voort te planten

paradijs 4

het steriele dierenasiel waar hopeloze dieren op een pijnloze wijze het tijdelijke met het eeuwige verwisselen op een met zonlicht bestreken behandeltafel

 

Martijn den Ouden (Nieuw-Lekkerland, 1983)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Michiel van Rooij werd geboren in Eindhoven in 1982. Zie ook alle tags voor Michel van Rooij op dit blog.

 

Het verlangen naar Berlijn

Soms voel je een verlangen zo hevig
dat je het op dat moment al bijna
meemaakt. Vreemde momenten.

Zoals het biertje waar je naar op weg
bent en dat je eigenlijk al proeft.
Of het meisje dat je later ziet.

Opeens zat ik te ontbijten in Berlijn.
Zomaar een Imbiss.
Ergens half acht in de ochtend.

Ik kon het Brötchen horen kraken.
Rook de koffie en voelde de krant
ritselen tussen mijn vingers.

Om me heen dat kenmerkende
gedempte geroezemoes van openbare
ruimten, het klonk als het verlangen zelf.

 

Michiel van Rooij (Eindhoven, 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e januari ook mijn blog van 26 januari 2019 en ook mijn blog van 26 jauari 2016 en mijn blog van 26 januari 2014 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

Lisa Weeda, John Donne

De Nederlandse schrijfster Lisa Weeda werd geboren in Dordrecht op 25 januari 1989. Zie ook alle tags voor Lisa Weeda op dit blog.

Uit: Aleksandra

“Mensen zoals ik,” bijt ze, “dit is geen plek voor jou. Kom terug als de oorlog voorbij is. Je dooie neef gaat heus nergens naartoe, geloof mij maar. Hop, ga opzij, ik moet een pokkeneind lopen naar huis en dan ook nog koken.”
“Kan ik niet met u mee,” dram ik door, “zodra we Loegansk bereiken ga ik mijn eigen weg, als ik mijn familie gebeld heb.”
“En als ze niet opnemen? Blijf je dan bij mij? Ik ga in de avond naar mijn kelder, nog steeds, na vier jaar. Kom je dan naast me in mijn eenpersoonsbedje liggen? Moet ik je verhalen vertellen over betere tijden tot je in slaap valt?”
“Papieren, mevrouw,” zegt de soldaat en steekt zijn arm uit.
“Ja, ja.”
De vrouw sist naar me en tilt haar tassen op een lange tafel. Uit haar beha trekt ze een Oekraïens paspoort en een paspoort van de Volksrepubliek Loegansk. De soldaat kijkt naar haar gezicht en naar de foto”s. Dan opent hij een voor een haar tassen. Hij is niet veel ouder dan ik, zie ik nu. Zijn handen bewegen door de spullen, weckpotten met augurken, pakken melk, bebloemde onderbroeken, in knisperend plastic verpakte panty”s, een broccoli, een artisjok, blikken bonen, knakworsten, smalle blikjes met sardientjes, geel-blauw gestreepte plastic bekers, een zwart brood, plastic borden met felroze bloemen erop.
“Waarom was u in Oekraïne?”
“Pensioen. Groente. Brood, panty”s. Een paar nieuwe onderbroeken.”
“Wat komt u hier doen?”
“Man, man, man, je zou me inmiddels moeten herkennen. Je zou me over die gammele brug naar huis moeten dragen. Ja! In die grote armen van je, waar je de hele dag deze lichte paspoortjes mee vasthoudt.”
“Mevrouw –”
“Ik ben het zat. Zo zat. Ben jij het niet zat? Dit circus, dit theaterspel.”
“Mevrouw, alstublieft, nu staat u zelf de rij op te houden. Wij doen meer dan paspoorten controleren, dat weet u ook.”
“Ja, aan díé kant!”
Ze wijst achter zich, naar Oekraïne, en lacht schamper: “Wat een mop. Iedereen loopt hier altijd maar grenswachtertje te spelen. Er is geen bal veranderd in al die tijd dat ik hier leef.”

 

Lisa Weeda (Dordrecht, 25 januari 1989)

 

De Engelse dichter John Donne werd ergens tussen 24 januari en 19 juni 1572 geboren in Londen. Zie ook alle tags voor John Donne op dit blog.

 

Holy Sonnets

III

Keer weer, gij zuchten, tranenstroom, en spoed
Terug naar borst en oog, vanwaar gij ging
Opdat ik in heilige begoocheling
Nu rouw met vrucht. Ik heb vergeefs geboet.
Wat scheurde het hart om niet, welde er een vloed
Van tranen, – straf om mijn verafgoding.
Dat lijden was mijn zonde; ik zie het nu in –
Omdat ik leed, is het pijn die ik lijden moet.
De dronkaard, dief die “s nachts veel onheil sticht,
De opschepper en hij die steeds wel lust
Weten hoe fijn het was, als tegenwicht
Voor pijn die komen zal. Geen enkele rust
Krijgt arme ik: lange, hevige pijnen gaf
Mij oorzaak en gevolg, zonde en straf.

 

Vertaald door Jan Jonk

 

John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631)
Borstbeeld door Nigel Boonham, 2012, St Paul”s Cathedral Churchyard

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e januari ook mijn blog van 25 januari 2021 en ook mijn blog van 25 januari 2019 en ook mijn blog van 25 januari 2017 en ook mijn blog van 25 januari 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Anthony Staring

De Nederlandse dichter, landbouwkundige en landheer Anthony Christiaan Winand Staring werd geboren in Gendringen op 24 januari 1767. Staring was een zoon van Damiaan Hugo Staring en Sophia Wijnanda Ver Huell, de laatste een lid van het geslacht Ver Huell. Hij bracht zijn jeugdjaren in het Zuid-Hollandse Gouderak en in Gouda door. Zijn vader werd in 1773 in dienst van de VOC uitgezonden naar Kaap de Goede Hoop, waar zijn echtgenote zich in 1774 bij hem voegde. De zesjarige Anthony werd waarschijnlijk al in 1773 ondergebracht bij zijn oom, de weduwnaar Jacob Gerard Staringh, die predikant in Gouderak was. Na achtereenvolgens van 1773 tot 1776 de Franse school en van 1776 tot 1782 de middelbare opleiding aan de Latijnse school te Gouda te hebben gevolgd vertrok hij in 1783 uit Gouda om te gaan studeren. Hij promoveerde aan de Universiteit van Harderwijk op stellingen in de rechten, en vervolgde zijn opleiding in Göttingen (onder andere botanie) om zich voor te bereiden op het beheer van het landgoed en Kasteel De Wildenborch, waar hij zich in 1791 blijvend vestigde, toen zijn moeder en stiefvader zich vestigden op het door hen aangekochte Nijenhuis (Diepenheim). De manier waarop hij het landgoed exploiteerde was voor die tijd zeer bijzonder. De ‘landman’ Staring had oog voor de natuur, maar ook voor de noden van de mensheid.  Staring werd in 1797 gekozen tot lid van de Tweede Nationale Vergadering, maar aanvaardde deze functie niet. Van 1802 tot 1805 was hij lid van het departementaal bestuur van Gelderland. Van 1812 tot 1813 was hij president van de kantonnale raad Lochem. Hij was van 1814 tot 1831 lid van Provinciale Staten van Gelderland, met een onderbreking van twee jaar in de periode 1824-1826. Staring was een romantische dichter, een van de weinige de dichtkunst beoefenende Nederlanders die als zodanig bekendstaan. Zijn romantische inslag betrof zowel hetgeen waarover hij schreef (legenden, beschrijvingen van de natuur) als de wijze waarop hij dat deed (gevoelig en humoristisch). Hij debuteerde in 1786 met “Mijne eerste proeven in poëzij”. Staring blonk uit in de dichterlijke vertelkunst. Een goed voorbeeld daarvan is zijn “Jaromir-cyclus”, maar ook met “Marco” en “De hoofdige boer” verwierf hij bekendheid. Veel waardering ondervond hij echter niet, onder meer omdat zijn literaire werk moeilijk toegankelijk zou zijn. Hij werd ook bekend door zijn puntdichten. Een van zijn bekendste is dat over de dubieuze kookkunsten van ene Aagt Morsebel, met de gevleugelde slotzin “Heeft aangebrand ook voetjes, Moeder Aagt?”

 

Herdenking

Wij schuilden onder dropplend lover,
Gedoken aan de plas;
De zwaluw glipte ’t weivlak over,
En speelde om ’t zilvren gras;
Een koeltje blies, met geur belaân,
Het leven door de wilgenblaân.

’t Werd stiller; ’t groen liet af van droppen;
Geen vogel zwierf meer om;
De daauw trok langs de heuveltoppen,
Waar achter ’t westen glom;
Daar zong de Mei zijn avendlied!
Wij hoorden ’t, en wij spraken niet.

Ik zag haar aan, en, diep bewogen,
Smolt ziel met ziel in een.
O toverblik dier minlijke oogen,
Wier flonkring op mij scheen!
O zoet gelispel van die mond,
Wiens adem de eerste kus verslond!

Ons dekte vreedzaam wilgenlover;
De scheemring was voorbij;
Het duister toog de velden over;
En dralend rezen wij.
Leef lang in blij herdenken voort,
Gewijde stond! geheiligd oord!

 

Aangebrand

Aagt Morsebel nam kleine Piet
In kost, en als het kind, te middag aangezeten,
Haar soms zijn walging merken liet:
De vieze bijsmaak van heur knoeisels werd geweten
Aan kaarsvet, roet, noch snuif; ’t was altoos: “Lekkertand,
Wat zou het zijn, als aangebrand?”

Nu kwam er eens een schotelvol groen eten
Te voorschijn, die Kok Aagt spinazie had geheten:
Hiervan kreeg kleine Piet zijn deel op ’t bord gesmakt;
Hij roert er in: hij vindt twee achterpoten
Van d’arme kikvors, onder ’t warmoes kort gehakt,
En legt, met de ogen half gesloten,
Zijn eetvork neer, terwijl hij vraagt:

“Heeft aangebrand ook voetjes, moeder Aagt?”

 

Vertrouwen

Gefolterd hart, o staak uw angstig jagen!
Eens komt het uur van ’t juichend wederzien;
De scheidingsnacht zal met zijn kommer vliên;
Ons morgenrood in luister dagen!

Haar trouw staat vast, en zou de mijne falen?
Des hemels as werd eer haar wentlen moe!
Wat grimt ons dan ’t vijandig noodlot toe?
In ’t eind moet liefde zegepralen!

’t Is weinig slechts, wat ons de tijd kan roven!
Oprechte min versmaadt zijn kort gebied.
Schoon ’t leven hier ook in gemis vervliet’,
Zij slaat een moedig oog naar boven!

 


Anthony Staring (24 januari 1767 – 18 augustus 1840)
Portret door door Adriaan de Lelie, 1805

E. Th. A. Hoffmann, Derek Walcott

De Duitse dichter en schrijver Ernst Theodor Amadeus Hoffmann werd geboren in Koningsbergen op 24 januari 1776. Zie ook alle tags voor E. Th. A. Hoffmann op dit blog.

Uit: Ridder Gluck. Een herinnering uit het jaar 1809 (Vertaald door Albert Verwey)

“Het late najaar in Berlijn heeft gewoonlijk nog eenige schoone dagen. De zon treedt vriendelijk uit de wolken te voorschijn, en snel verdampt de nattigheid in de lauwe lucht die door de straten waait. Dan ziet men een lange rij, bont door elkaar – dandy’s, burgers met de vrouw en de lieve kleinen in zondagskleeren, geestelijken, jodinnen, ambtenaren, lichtekooien, professoren, modistes, balletdansers, officieren en anderen – door de Linden naar de Thiergarten trekken. Weldra zijn alle plaatsen bij Klaus en Weber bezet; de cichorei-koffie dampt, de dandy’s steken hun cigarros aan; men spreekt, men twist over oorlog en vrede, over de schoenen van Mad. Bethmann, of zij onlangs grijs of groen waren, over de gesloten handelsstaatGa naar voetnoot1) en het bederf van de pasmunt, tot alles in een aria uit Fanchon vervloeit, waarmee een ontstemde harp, een paar niet gestemde violen, een teringachtige fluit en een kortademige fagot zich en de toehoorders plagen.
Dicht bij het hek dat het terrein van Weber scheidt van de straatweg, staan verscheidene kleine ronde tafels en tuinstoelen; hier ademt men vrije lucht, kijkt naar de gaanden en komenden, is op een afstand van het kakaphonisch geweld van dat vermale. dijd orkest. Daar ga ik zitten, me aan het luchte spel van mijn fantasie overlatend, die mij bevriende gestalten toevoert, met wie ik over wetenschap, over kunst, over alles wat de mensch het dierbaarst zijn moet, me onderhoud. Bonter en bonter golft de stroom van de wandelaars langs me; maar niets stoort me, niets kan mijn gefantaseerd gezelschap doen vluchten. Alleen het vervloekte trio van een allerlaaghartigste wals ontrukt me aan mijn droomen. De knarsende bovenstem van de viool en fluit en de brommende grondbas van de fagot alleen hoor ik; zij gaan op en neer, vast bij elkaar blijvend in octaven, die het oor verscheuren, en onwillekeurig, als iemand wie een brandende smart doorwoelt, roep ik uit:
‘Welk een razende muziek! Die afschuwelijke octaven!’
Naast mij murmelt het:
‘Verdoemelijk noodlot! Alweer zoo’n octavenjager!’

 

E. Th. A. Hoffmann (24 januari 1776 – 25 juni 1822)
Zelfportret, voor 1822

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

In de Village

II

Iedereen in New York zit in een sitcom.
Ik zit in een Latijns-Amerikaanse roman, één
waarin een viejo met zilverreigerhaar met wat
onzichtbaar verdriet trilt, een obscene aandoening,
en het in het geheim beschrijft, totdat het in zijn gezicht te zien is,
de rimpels tussen haakjes bevestigen zijn fictie
tot zijn diepe schaamte. Kijk het is
gewoon het oude verhaal van een hart dat maar niet wil stoppen
wat de kansen ook zijn, wereldvreemd. Het is slechts één dat
niemands hart zal breken, zelfs niet als de grijze kolonel
van zijn paard tuimelt in een cavalerie-aanval, in een gevecht
dat hem niet to standbeeld maakt. Het is de hel
van gewone, onbeantwoorde liefde. Kijk naar deze zilverreigers
in een slordige groep, witte vlaggen, die over het gazon sjokken
hopeloos achterop; zij zijn de verbleekte spijt
van de memoires van een oude man, gedrukte strofen.
hun gescharnierde vleugels tonend als wijd open geheimen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e januari ook mijn blog van 24 januari 2021 en ook mijn blog van 24 januari 2019 en ook mijn blog van 24 januari 2017 en ook mijn blog van 24 januari 2016 deel 2.

Wouter van Heiningen, Derek Walcott

De Nederlandse dichter Wouter van Heiningen werd geboren op 23 januari 1963 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Wouter van Heiningen op dit blog.

 

Lijnen

Waarom die verticale precies en die
horizontale minder precies die dikte

heeft is uit de rangschikking niet
objectief op te maken. De schepper

heeft er vast zijn redenen voor gehad
maar of het telt weet geen van de

belangstellenden. Uitleg blijft uit of
anders gezegd wordt niet gegeven.

Misschien is hier sprake van gezichts-
bedrog of enige mate van vertekening.

 

Geen vluchtig moment

Dit is niet slechts passeren,
geen terloops
geworpen blik

je ogen afvegen, desnoods deppen,
aan dat ene moment,
geen vluchtig rendez vous

dit is meer dan kijken, zien
zonder ogen, weten wat blijft
en beklijft

het is niet slechts passeren,
dit is kleven en grijpen,
vasthaken met tentakels

 

Tussen jou en mij

Praat niet geringschattend over de taal
van mijn mond, mijn handen
die kracht zouden ontberen

bergen heb ik verzet voor jou
luchten geschilderd in het felste blauw
het zonlicht beschreven als ware
het een pasgeborene

hou niet van me
om mijn daden,
bewonder me niet
om wie je ziet

geef me een vinger
een oogopslag, daaraan
heb ik genoeg

 

Wouter van Heiningen (Leidschendam, 23 januari 1963

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

Kaart van de Nieuwe Wereld

1 Archipels

Aan het einde van deze zin begint het te regenen.
Aan de rand van de regen, een zeil.

Langzaam zal het zeil de eilanden uit het oog verliezen;
In een nevel verdwijnen zal het geloof in havens
van een heel ras.

De tienjarige oorlog is voorbij.
Helena’s haar, een grijze wolk.
Troje, een witte askuil
bij de druilerige zee.

De motregen wordt strakker als de snaren van een harp.
Een man met troebele ogen pikt de regen op
En tokkelt het eerste vers van de Odyssee.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e januari ook mijn blog van 23 januari 2019 en ook mijn blog van 23 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Delphine Lecompte, Rainer Stolz

De Vlaamse dichteres en schrijfster Delphine Lecompte werd geboren op 22 januari 1978 in Gent. Zie ook alle tags voor Delphine Lecompte op dit blog.

 

Dit gedicht gaat niet over een metafysische kaarsenmaker die ‘s nachts van kleur verschiet

Vijf jaar geleden toen mijn vader nog een beroep had
Was hij op een zondag jarig zonder bombarie
De dag voordien had ik al een verjaardagscadeau gekocht
Ik moest het vervoeren met een kruiwagen
Hij weigerde de gemummificeerde orang-oetang te aanvaarden.

Vandaag is mijn vader opnieuw jarig
Een prachtig cadeau werd mij in de schoot geworpen
Gisteren heb ik namelijk een onverwoestbare kaasstolp gewonnen
In de reeuwse parochiezaal van het West-Vlaamse gehucht
Waar ik als tienjarige voodoolessen heb gekregen van een schele looier.

Mijn vader is verzot op kaas
Een beroep heeft hij niet meer
Vier jaar geleden kreeg hij zijn ontslag
Nadat hij werd betrapt op sodomie met een hond
Het was de labrador van de onderdirecteur van de roeispanenfabriek.

Mijn vader houdt van water
Zijn favoriete water is de Noordzee
Zijn lievelingskaas is belegen
Hij doet de deur open
Omdat ik de stolp voor mijn kop hou schrikt hij zich een hoedje.

Na te zijn bekomen zet hij zijn kroon recht
Hij neemt de stolp aan
En kust mij met lippen
Die vandaag nog geen enkele andere dochter hebben gekust
Zijn enige andere dochter is nog onderweg.

In de woonkamer ken ik de twee aanwezige feeën:
De blondine assisteert hem dagelijks bij zijn kaasproeverij,
En de roodharige helpt mijn vader wekelijks met de ontwenning van zijn waterfixatie,
Zijn enige andere dochter komt maandelijks de ukeleles herbesnaren.

 

Misantropie en goedertierenheid leven in dezelfde winkel, likken dezelfde zolen

Ik vind drie puzzelstukjes op de drempel
Van de misantropische schoenmaker
Het zijn twee lamakoppen en een vorksteel
De schoenmaker is misantropisch geworden
Na de galblaasverwijdering van zijn favoriete dochter.

Ze heeft de operatie niet overleefd
Met blote voeten is ze gecremeerd
Op haar sweater stond een sledehond
Aan de linkerpijp van haar jeansbroek plakte
Een sinaasappelsticker, of was het een clementine?

De kater van de schoenmaker heet ‘Goedertierenheid’
Zo heet hij al jaren
Ik sar hem niet met mijn veters
Ik laat hem likken: stroop van mijn nagelriemen,
Honing van mijn onetherische zolen.

Ik probeer mij niet af te vragen waar
De andere puzzelstukjes zijn gebleven
Ik stel mij geen 997 stukjes voor
Met de afbeelding naar beneden
Op een vals marmeren keukenvloer.

Ik beeld mij in dat de puzzelstukjes liggen
Op de dode borst van een vergiftigde paardendief
Met de afbeelding naar boven
Is de lucht gegroepeerd
Maar de lama’s en de picknickende anesthesisten
Zijn hopeloos verstrooid.

 

Delphine Lecompte (Gent, 22 januari 1978)

 

De Duitse dichter en schrijver Rainer Stolz werd geboren in Hamburg op 22 januari 1966. Hij woont nu in Berlijn. Zie ook alle tags voor Rainer Stolz op dit blog.

 

slingerende lading

“Slingerende lading, heel lastig”
zegt mijn buurman, terwijl hij het leeggoed balanceert
op zijn fietsstuur, onder zijn arm
folders (“we blijven hier!”), opnieuw
stuit ik op de leesreflex: “ga weg!-
schade!”, ervaar live hoe hij ruimte inneemt
de sanering in mij, die ik de afslag
naar de alkpunk gemist heb – of
kan het ook met moutbier? rond te hangen hier
tussen de waardepapieren, onderweg te zijn
met het hersenschimzeil bij het herkenteren
van de vakantie in het detail van een uitwijkstrook
van de uitleendienst van de lucht en van de lectuur
die zich opent op de rand van de vlucht, van het succes
een dag te stelen, en nog een, zo
dat overschotten nestkasten worden
en schommelingen vleugelslagen?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Rainer Stolz (Hamburg, 22 januari 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e januari ook mijn blog van 22 januari 2021 en ook mijn blog van 22 januari 2019 en ook mijn blog van 22 januari 2017 deel 1, deel 2 en deel 3.

Louis Menand, Edward Hirsch

De Amerikaanse schrijver en letterkundige Louis Menand werd geboren op 21 januari 1952 in Syracuse, New York. Zie ook alle tags voor Louis Menand op dit blog.

Uit: The War On Chaplin (The New Yorker, 20 Nov. 2023)

“Chaplin’s run of silents continued into the talkie era. Two of the most iconic silent movies ever made, “City Lights” (1931) and “Modern Times” (1936), were made long after the shift to sound. Chaplin gambled that there was still an audience for silent movies. He also knew that once the Tramp spoke he would cease being an Everyman and become merely an Englishman.
Those films embodied, for many people, a distinctive attitude toward life in the twentieth century. City Lights became the name of the San Francisco publisher that put out Allen Ginsberg’s “Howl” (1956) and other dissident works; Les Temps Modernes was the name of the intellectual journal founded in Paris in 1945 by the existentialists Jean-Paul Sartre and Simone de Beauvoir. The Tramp was evoked during the Berkeley Free Speech Movement in the nineteen-sixties and the Solidarity movement in Poland in the nineteen-eighties. The Tramp stood for the Individual against the System.
In 1940, Chaplin made his first talkie, a satire of Hitler and Mussolini called “The Great Dictator.” It was a huge hit. And then the sky fell. The country, or a very noisy part of it, turned against him, and eventually, after a decade of critical and political abuse, Chaplin left the United States, cashed out his American assets, bought a house in Switzerland, and did not return for twenty years.
That was in 1972, when Chaplin was eighty-two and frail. He came back to accept an honorary Oscar, and was greeted with a twelve-minute ovation, said to be the longest in the history of the Academy Awards. By then, accusations that had once been damaging—of sexual libertinage and Communist sympathies—had lost most of their force.
Still, even for people who were not around when the reputational crash occurred, the shadow of the old charges lingered. The image of Chaplin the man had become virtually the inverse of the Tramp’s: oversexed, ungenerous, anti-American. Scott Eyman’s “Charlie Chaplin vs. America” (Simon & Schuster) is an attempt to explain what happened.
The story is not new. Sadly, it’s not old, either. As Eyman says, it “eerily foretells the homicidal cultural and political life of the twenty-first century.” Chaplin was set upon by the mid-century equivalent of social media—newspaper columnists—and was targeted by a “weaponized” government agency, the F.B.I.
Chaplin’s chief antagonists among the columnists—whose audiences, in the days before television, were considerably larger than the audiences today for Fox News and MSNBC—were gossip columnists like Hedda Hopper and Walter Winchell (who also had a weekly radio show heard by twenty million people) and anti-Communist flamethrowers like Westbrook Pegler and Ed Sullivan, a vigorous enemy of subversives before he became defanged by serving as the man who introduced the Beatles to America. The proximate cause of Chaplin’s exile was the cancellation of his reëntry permit by Harry Truman’s Attorney General after Chaplin had taken his family on a trip abroad.”

 

Louis Menand (Syracuse, 21 januari 1952)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

De wijder wordende hemel

Ik ben zo klein als ik over het strand loop
’s nachts onder de steeds wijder wordende hemel.
Het natte zand versnelt onder mijn voeten
en de golven donderen tegen de kust.

Ik beweeg me weg van de promenade
met zijn kleurrijke slingers van mensen
en de hotels met hun knipperende lichten.
De wind zucht honderden kilometers lang.

Ik verdwijn zo ver in het donker
Dat ik uit het zicht ben verdwenen.
Ik ben een kleine zeeschelp
die in het geheim aan land is gedreven

en het geluid draagt van de oceaan
die door zijn lichaam stroomt.
Ik ben zo klein dat niemand mij kan zien.
Hoe kan ik vervuld worden met zo’n enorme liefde?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e januari ook mijn blog van 21 januari 2022 en ook mijn blog van 21 januari 2019 en ook mijn blog van 21 januari 2018.

Stefan Popa, Edward Hirsch

De Nederlandse schrijver en journalist Stefan Popa werd op 20 januari 1989 geboren in Vleuten. Zie ook alle tags voor Stefan Popa op dit blog.

Uit: In de schaduw van de eik

“Ik druk mijn duim in de noest boven mijn voorhoofd en sleep mijn huid langs de nerf, over het taaie eikenhout, tot een splinter mijn vel in sluipt en ik op mijn tong bijt om geluidloos te kermen. Omdat ik toch iets denken moet, denk ik: ’toog’ betekent zowel ‘priestergewaad’ als <bar’ Ik stop mijn duim in mijn mond en zuig het ijzer uit mijn lijf. Als de wond is gestold, vouw ik mijn handen kruislings over mijn borst en wacht net als iedereen het einde af. De mouwen van mijn gasten ruisen als zij hun kruisen slaan. Het moet me meer zorgen baren Ik hoor hoe de priester opnieuw rond mijn lichaam klingelt. Hij prevelt zoetgevooisde woorden die ik niet versta. Ingenesteld in eiken tel ik mijn grafrede af. Er zit een ruimte van twee vuisten tussen neus en deksel, maar ik heb in te veel kleine keukens gewerkt om nu nog claustrofobie te ontwikkelen. Ik lig zo stijf als ik kan. Zonder de priester te zien volg ik het geketende wierookvat in zijn handen, op en neer, heen en terug, als een pendule die de toeschouwer in hypnose leidt. Mijn ingetoomde adem stuit op de deksel en keert nog warm terug. Ik begrijp best dat je soms wordt verrast door het leven – noem het overrompeld – maar dit is niet het einde dat ik me had voorgesteld. Ik ben hier niet heen gegaan om te sterven. De priester kucht. Ik bijt me door de psalmen, hymnes, gebeden en klaagzangen.
Een hoop gedoe om niets. Ik heb heel mijn leven gezegd dat ik niet gecremeerd en zeker niet begraven wilde worden. Stoof mijn lijf in een ketel met abdijbier en voer me aan het meest misbruikte dier ter wereld: het varken. Volgende keer beter. De priester neemt een slok water voor hij preekt. Hij vervloekt de globalisering, de eindeloze nood tot consumeren die zelfs is doorgedrongen tot zijn gemeente in het hoge noorden en het gebrek aan spiritualiteit die over de moderne mens is neergedaald. Hij pauzeert kort zodat alle aanwezigen mij voor zich zien, de Alex die zij zo kort kenden. .is te vroeg, veel te vroeg, teruggeroepen: Ik houd van mijn voornaam. Van mijn voornaam wel. Alex past me. Die naam heb ik te danken aan mijn vader, die mijn vader niet was. Hij gaf me bij een poldergemeente onder zeeniveau aan als Alex Petrescu. Tegen de zin van mama, zij stond erop om mij Codrin te noemen. Dat kon ze vergeten. Mijn voornaam was de naam die hij mij wilde geven om mijn vader te spelen. Het was een eenzijdig compromis. Al hield hij wel degelijk rekening met haar geboortegrond: het ging wat hem betrof tussen Daniel, Victor, Stefan, zonder komma onder de s, en Alex. Een Alex zou tenminste werk vinden in een kantoortoren. ‘Ik begraaf meer mensen dan ik doop: zegt de priester. Hij zucht – oprecht, geloof ik. ‘Dat kan ik accepteren, dat is mijn last. Maar dit…’ Hij wijst, vermoedelijk, naar mij. Ik druk mijn achterhoofd dieper in het hoofdkussen. Met mijn vingers hamer ik rond de kloppende schotwond in mijn buik. Soms druk ik mijn wijsvinger erop, zo hard als ik aankan, om vast te stellen hoe dood ik wel niet ben.”

 

Stefan Popa (Vleuten, 20 januari 1989)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Een gedeeltelijke geschiedenis van mijn domheid

Er kwam veel verkeer van de brug af,
en ik nam de weg naar rechts, de verkeerde,
en zat urenlang vast in de auto.

De meeste nachten haastte ik me de avond in
zonder op de bomen te letten,
waarvan ik de namen niet wist,
of de vogels, die achteloos verder vlogen.

Ik kon mijn verlangens niet opgeven
of ze accepteren, en dus slenterde ik verder
als een tijger die wilde springen,
maar was nog steeds bang voor de wildernis in mij.

De ijzeren staven leken onzichtbaar voor anderen,
maar ik droeg een kooi in mij rond.

Het kon mij teveel schelen wat andere mensen dachten
en maakte opmerkingen die ik niet had moeten maken.
Ik zweeg terwijl ik had moeten spreken.

Vergeef mij, filosofen,
Ik heb de stoïcijnen gelezen, maar ze nooit begrepen.

Ik had het gevoel dat ik het verkeerde leven leidde,
geestelijk gesproken,
terwijl over de halve de wereld
duizenden mensen werden afgeslacht,
sommigen van hen door mijn landgenoten.

Dus liep ik verder – afgeleid, in gedachten verzonken –
en vergat aandacht te besteden aan degenen die leden
ver weg, dichtbij.

Vergeef me, geloof, dat ik er nooit een heb gehad.

Ik geloofde niet in God,
die mij ontging.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e januari ook mijn blog van 20 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.