Crauss, William Golding, Ingrid Jonker, Orlando Emanuels, Jean-Claude Carrière

De Duitse dichter en schrijver Crauss werd geboren in Siegen op 19 september 1971. Zie ook alle tags voor Crauss op dit blog.

 

KOSENDES SCHWEIGEN

ich schneide mir die fussnägel, reisse sie mir ein wie es einreisst und wehtut, dass immer mehr freunde hier wegwollen. sie ziehen mit dem herbst in die grossen städte.
ich schreibe, doch was ich den freunden hinterherschreibe, macht den herbst nur noch schlimmer. und immernoch liegen mir zwanzig geschichten auf dem magen, die raus wollen. raus müssen, ein konglomerat aus kaffee und skizzen: wir waren, wir hatten, wir wollten. es geht nicht.
ich streite mit der telephongesellschaft über die rechnung und muss mich immer wieder neu einwählen. jeden morgen ein kater aus halsschmerzen und zeitung. wo steht mein name. ich gugel ihn, die meisten der 34tausend einträge jedoch sind schnäppchen-angebote oder handeln von längst aus craussendorf ausgewanderten. ferne, sehr ferne verwandtschaft. der herbst hört gar nicht mehr auf, so scheints.
ich frage mich. ich frage mich und gehe auf eine halbe stunde zu Walter. er brüht mir was auf, sehr heiss, aber so, dass ichs nicht verwenden kann für die lokalnachrichten. er weiss, wie man das macht. es gibt zupfkuchen und zigeunermusik, Bee Bee King und schokolade. eine neue bekanntschaft zu machen, gelingt nicht. die frau mit der unerhört tiefen stimme zwinkert vom nachbartisch her und kost einem burschen, der halb so alt ist wie ich, die locken. und küsst ihn und scattet ein paar zeilen an der musik aus den lautsprechern entlang. sie heisst Evelyn. angeblich.

 

URANUS II (Kometen)
                 elephant melzow mix

op de golven van de nacht
opgestegen (ik, (jouw sterdwaze adem
ongrijpbaar: in de halfschaduw hemel (at
mosfeer, maanstof, een ver uur
                nog, totdat de zon ons
               weer membraan maakt

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 
Crauss (Siegen, 19 september 1971)

Lees verder “Crauss, William Golding, Ingrid Jonker, Orlando Emanuels, Jean-Claude Carrière”

Patrick Marber, Stefanie Zweig, Curt Meyer-Clason, Mika Waltari, Hartley Coleridge

De Engelse schrijver, acteur en regisseur Patrick Marber werd geboren op 19 september 1964 in Londen. Zie ook alle tags voor Patrick Marber op dit blog en ook mijn blog van 19 september 2009 en ook mijn blog van 19 september 2010.

 

Uit: Closer

“A man and a girl approach, walking…
Girl is hit by a bus. She regains consciousness.
PORTMAN: Hello, Stranger.
They’re in the ER. He notices her going through his things.
PORTMAN: Sorry. Looking for a cigarette.
DAN: I’ve given up.
PORTMAN: Thank you.
PORTMAN: Gotta be somewhere?
DAN: Work.
PORTMAN: Mmm.
DAN: Do you fancy my sandwiches?
PORTMAN: Don’t eat fish.
DAN: Why not?
PORTMAN: Fish piss in the sea.
DAN: So do children.
PORTMAN: Don’t eat children either.
PORTMAN: What’s your work?
DAN: I’m sort of a journalist.
PORTMAN: What sort?
DAN: I write obituaries.
She moves over, offering him a seat.
PORTMAN: Are we in for a long wait?
He looks at an elderly lady.
DAN: She was 21 when she came in.”

 

 
Patrick Marber (Londen, 19 september 1964)
Natalie Portman (Alice) en Jude Law (Dan) in de film “Closer” uit 2004

Lees verder “Patrick Marber, Stefanie Zweig, Curt Meyer-Clason, Mika Waltari, Hartley Coleridge”

Armando, Ton Anbeek, Michaël Zeeman, Stephan Sarek, Omer Karel De Laey

De Nederlandse kunstschilder, beeldhouwer, dichter, schrijver, violist, acteur, journalist, film-, televisie- en theatermaker Armando werd geboren op 18 september 1929 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 18 september 2010 en eveneens alle tags voor Armando op dit blog.

 

niemand weet wie ik zal zijn wie ik was
niemand weet wie ik zal zijn wie ik was
u overschat mij
ik ben radeloos ik was een ander

geef mij touwen bind mij vast
dood mij niet
ik ben onschuldig ik ben de vijand

 

 
Armando, Damals, 2010

 

Een tijdperk

Strenge stemmen verlaten de aarde,
bezingen de razernij der dingen
en het geween van bloeiende bloemen:
de oogst van een roekeloos tijdperk.

Was het een offer op verlaten altaren?
Het bleek een halsstarrig ademen.

 

 
Armando (Amsterdam, 18 september 1929)

Lees verder “Armando, Ton Anbeek, Michaël Zeeman, Stephan Sarek, Omer Karel De Laey”

Gerrit Borgers

De Nederlandse dichter, schrijver, biograaf en letterkundige Gerrit Borgers werd op 18 september 1917 te Brummen geboren in een kleine-ambtenarengezin. Zijn vader was commies bij de belastingen en dat bracht veel overplaatsingen en evenzoveel verhuizingen mee. Zo woonde het gezin achtereenvolgens te Geldermalsen, Brummen, IJsselmonde, Amsterdam, Maassluis, Rijswijk en Bussum. Gerrit heeft een viertal lagere scholen bezocht voor hij, met financiële steun, zijn opleiding hbs-b kon aanvangen aan het Theosofisch Lyceum Drafna te Naarden. In 1939 begon hij aan zijn studie Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Kort na het cum laude behalen van zijn kandidaats-diploma op 12 maart 1943 moest Gerrit als niet-tekenaar van de loyaliteitsverklaring zijn studie staken. Pas in 1949 studeerde hij af. Na de bevrijding bleef hij les geven aan het Goois Lyceum en zette hij zijn studie te Amsterdam voort. In 1946 werd hij redacteur van het tijdschrift Podium. Met een onderbreking van twee jaar – 1956-1957 heeft Borgers tot 1963 het blad geleid. Van 1952 tot 1954 mee aan het weekblad Vrij Nederland, met beschouwingen over Van Ostaijen, over poëzie van jongeren, over Lucebert, Andreus, over Windroos-deeltjes, over gedichten van Buddingh’, Kousbroek en over Louis-Paul Boon. In 1954 werd hij conservator van het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum. Aan het einde van zijn Museum-periode, die bijna een kwart eeuw zou beslaan en in de loop waarvan hij bevorderd werd tot hoofdconservator (1969), bereidde hij mede de nieuwe vestiging voor in het complex van de Koninklijke Bibliotheek. Daarnaast was hij werkzaam op talloze terreinen van cultuur en letteren. In 1956 verscheen, door hem ingeleid, de verzamelbundel “Losse planken” van het tienjarig Podium. In 1961 verscheen het door hem verzorgde deel II (in twee banden) van Nijhoffs Verzameld werk, en wel het kritisch, verhalend en nagelaten proza. In 1962 verzorgde hij het Boekenweekgeschenk voor de jeugd “De Muze viert feest”. Twee jaar later gaf hij, samen met Karel Jonckheere en Chris Leeflang, het Boekenweekgeschenk “Speels abc der Nederlanden uit”. In 1971 was het dan promoveerde hij bij prof. H.A. Gomperts te Leiden cum laude op zijn tweedelig proefschrift “Paul van Ostaijen”, met de ondertitel “Een documentatie”. In de serie Achter Het Boek publiceerde hij in 1973 twee fragmenten van een autobiografische roman en in 1975 verscheen de rijk geïllustreerde Kroniek van Paul van Ostaijen. Vanaf 1979 bekleedde hij de leerstoel Moderne Nederlandse Letterkunde en Tekstinterpretatie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1981 kwamen de Verzamelde gedichten van Paul van Ostaijen in één deel uit. In 1983 verleende hij medewerking aan het Verzameld werk van A. Roland Holst. Kort daarvoor was ook Gerrits intensieve bemoeienis begonnen met de door Hans Visser en Anne Wadman geplande Vestdijk-biografie, als lid van de Begeleidingscommissie, en iets later met de in 1984 gestarte serie Rondom Vestdijk, waarbij hij adviseur was.

Uit:Nogmaals: de Vestdijk-biografie

“Eenzelfde opvatting over de éénduidigheid van een literaire tekst blijkt ook uit de slotregel van deze alinea: ‘Trouwens, nog niemand kent en begrijpt op het ogenblik het oeuvre van Vestdijk, en er zullen zeker nog decennia verstrijken voor men diens werk volledig heeft doorvorst.’ Nog sterker, ben ik geneigd te zeggen: ‘volledig doorvorst’ zal het wel nooit worden, want het kennen en begrijpen van een werk is geen statische aangelegenheid. Kennis en begrip veranderen steeds per lezer, milieu, periode enz. (met de Bijbel zijn ze al eeuwen bezig). Bovendien is een levensbeschrijving iets anders dan een studie of essay over iemands oeuvre. Voor een biograaf gaat het er niet om het werk en de persoon achter het werk te verklaren, maar de relatie tussen het geleefde leven en de daarin geschreven werken te verhelderen, kortom een schrijversleven, zoals het eens geweest is, te beschrijven, zoals S. Dresden in De structuur van de biografie (1956) betoogt.
Verder komen in deze paragraaf twee beweringen voor zonder enige argumentatie, zodat een discussie hierover niet mogelijk is: uit de publikaties van Wadman zou ‘zonneklaar’ blijken dat hij weinig of niets van Vestdijk begrijpt en het is voor mevrouw Vestdijk de vraag ‘of Visser wel ooit op de gedachte gekomen is dat een biograaf inzicht moet hebben in het werk van zijn auteur’.
In paragraaf III merkt mevrouw Vestdijk terecht op, dat een biograaf zoveel mogelijk documentatiemateriaal moet verzamelen. Er zijn echter zéér veel gegevens beschikbaar en herhaaldelijk is gebleken, dat een levensbeschrijving, gebaseerd op vele gegevens, wel aangevuld, maar zelden ingrijpend gewijzigd wordt door later bekend geworden materiaal.
Als bewijs dat het selecteren en interpreteren van het materiaal boven Wadmans en Vissers krachten gaat verwijst mevrouw Vestdijk in paragraaf IV naar het niet beschikbare proefhoofdstuk. Zij licht hier de episode over Vestdijks reis met de Kota Inten uit, waarin gebruik gemaakt wordt van een door Vestdijk senior geschreven Epos, en schrijft: ‘De biografen nemen al te gemakkelijk aan dat de woorden van vader Vestdijk de mening van Vestdijk junior vertolken.’ Ja, zonder het proefhoofdstuk kunt u weer niet controleren of deze uitspraak juist is, evenmin trouwens als mijn bewering dat de biografen alleen aannemen dat het Epos gebaseerd is op de mededelingen per brief van Simon, hetgeen zeer plausibel is – waar zou pa Vestdijk anders de stof voor zijn Epos vandaan hebben gehaald? Deze veronderstelling wordt nog ondersteund door de overeenkomsten van bepaalde passages uit het Epos met motieven die Vestdijk in een aantal gedichten uit die tijd verwerkt heeft.”


Gerrit Borgers (18 september 1917 – 15 januari 1987)

Michael Deak

De Nederlandse dichter, journalist en docent Michael Deak (pseudoniem van Simon Kapteijn) werd geboren op 18 september 1920 in Alkmaar. Volgde seminarie te Warmond. Brak de priesteropleiding af en werd in 1942 administratief medewerker van het Bedrijfschap voor Vee en Vlees. Publiceerde in 1941 in Criterium en c. 1941 in Roeping, vanaf 1942 in Groot Nederland. De oude redactie van dit in 1903 opgerichte tijdschrift werd in 1943 door SS-Verwalter Reinier van Houten vervangen door een SS-redactie. Deak bleef tot en met 1944 medewerker aan dit collaborerende tijdschrift. Naast ‘normale gedichten’ leverde hij ook uitgesproken ‘nationaal-socialistische gedichten’ aan. Gedichten die hij met W.J. van der Molen onder het pseudoniem Aernout van Leiden had geschreven. Zes daarvan werden in het mei/juninummer 1944 van Groot Nederland¹ gepubliceerd. In 1985 verklaarde hij daarover dat deze zes verzen dienden om vijf sonnetten met een verborgen verzetsboodschap een door de Amsterdamsche Keurkamer uitgeschreven poëziewedstrijd te laten winnen. Na de oorlog zouden hij en Van der Molen deze boodschap dan onthullen. In 1945 werkte hij mee aan het clandestiene tijdschift Parade der profeten. Hij werd in 1948 tot de katholieke ‘jeugdige dichtersbent’ gerekend, met o.a. Frans Babylon, Jan Leyten, Michel van der Plas, Hans Berghuis, Jan Engels .Naar eigen zeggen was in 1950 de inspiratie op en schreef hij geen nieuw werk meer.

Donkere metten

Twee bruine vogels nestelen op het hart
van Zwarte Lientje met de blanke tanden:
dat zijn de wilde vogels van de schande,
dat zijn de stille vogels van de smart.

’k Weet een verscholen fjord tussen het zwart
van haar klein oerwoud.
— Wie er eenmaal landde
keert er steeds weer, en vangt met warme handen
de bruine vogels op haar brandend hart.

Wij hebben voor elkaar geen vreemde namen
en geen verhalen voor elkaar bedacht, —
wij zijn alleen maar teder en tezamen.

Eet van het brood dat ik je heb gebracht
en zing je liederen van Suriname
en laat mijn bloemen in je haar vannacht.

 

 
Michael Deak (Alkmaar, 18 september 1920)
In 1950

H.H. ter Balkt, Piet Gerbrandy, William Carlos Williams, Ken Kesey, Abel Herzberg, Dilip Chitre

De Nederlandse dichter H.H. (Herman Hendrik) ter Balkt werd geboren in Usselo op 17 september 1938. Zie ook alle tags voor H. H. Ter Balkt op dit blog.

 

Hondsdraf

Dat draaft maar, hondsdraf
Dat draaft maar

Pijlsnel, in ’t blauw, eeuw
in en andere uit

Eer de staak de hop droeg
was hondsdraf de hop

genas wie zwak was,
troostte de hutten

Oud-heilbrenger, beroemde;
hé, Blauwe Loper!

Stadswapen
voor de onbekende stad

Plant hondsdraf, inwoners
Hondsdraf onder je ramen

Ruil jullie tamme anjer
in voor de balling

 

Elegie van de varkens

Er is zoiets droefs in de wijze ogen van varkens
dat zij wel profeten lijken voor de slachttijd.
(ik heb het niet erg op profeten en jij? Nee
meer houd ik van het klimop dat omhoog klimt)
Hun slagtand uitgerukt als zij op de lopende band
het moederlijf uittrekken, exodus heet Egypte,
de rode zee door van hun verlossing, stro tegemoet
en de messenrijke afgodsbeelden van de mens.
Soms staat er één, een oude beer onder de oude
boom van de kennis, oud uitstervend appelras,
doodstil en kijkt naar de wind op de horizon,
door inzicht blinder dan van nature bijna.

Bijna zie je, in de bruidsachtige herfstsluiers
in de lispelende wind, in de kruidigheid, de gedachte-
wolk op zijn topzware kop: gestreept rende ik, ever
eenmaal, en wat ben ik nu! O jammer van de getemde
varkens, zij zijn de dichters onder de dieren,
melancholiek en van weinig nut totdat aan de muur
afgebrand, hun speklaag openklapt als een elegie.

 

Aardappelen

Platvloerser en toch blijmoediger plant
leeft er bijna niet in dit sombere land.
De aardappel is zo Hollands: hij danst dom
de aardappelmand in en veel later de mond.
Het bruin van oude veelgebruikte balzakken
en van wel zeer versleten bruiden paart hij
aan varkensachtige rondheid, Grootmogoldom
en de gezichtsuitdrukking van rollende munt.
Op de balzaal van gods akker wiegelt hij blij
en zijn spaarbank heeft hij onder de grond

 

 
H.H. ter Balkt (17 september 1938 – 9 maart 2015)
In 1973

Lees verder “H.H. ter Balkt, Piet Gerbrandy, William Carlos Williams, Ken Kesey, Abel Herzberg, Dilip Chitre”

Breyten Breytenbach, Alfred Schaffer, Frans Kusters, Michael Nava, Justin Haythe, James Alan McPherson, Hans Arp

De Zuid-Afrikaanse schrijver en dichter Breyten Breytenbach werd geboren op 16 september 1936 in Bonnievale. Zie ook alle tags voor Breyten Breytenbach op dit blog.

 

het manifest van de meelevendheid der dichters

wij zijn de dichters / wij gunnen elkaar de vrijheid van denken
en verbeelding / wij kijken naar elkaars
woordworstelingen als kleuters die Noachs archeologie
met boetseerklei vormgeven / en wij
zijn allemaal blij met de vruchten van andermans
handen / wij zijn de dichters / wij hebben grote
medeklinkende harten die belangeloos
opgaan in de liefde / wij zijn niet jaloers
of afgunstig / we voelen ons nooit afgescheept /
wij oordelen niet en veroordelen niet / wij
proberen elkaar niet te verdoezelen met de ikkesotische
concepten van het Empaier / noch
zullen wij een ander ooit vergiftigen met wierook
of hem met stroferoof het canongedonder insturen /
wij zijn de dichters / geringschattend
is als woord te tongbeduvelend om ooit
piekfijn en fris in een gedicht onderuit gehaald te worden
wij nemen niemand bij de neus en zijn niet zelfvoldaan /
wij bakkeleien immers niet om de kruimels
van de tafel van de baas / kijk, wij begluren nooit een ander
en apen nooit na / wij zijn de dichters / wij koeren
als vredesduiven wederzijdse bewondering /
bovendien: wij weten dat al onze lettergrepen torentjes zijn
van as en zandkasteeltjes op het land / en brandende
kaarsjes van ons op de tocht van de geschiedenis / daarom
zijn onze monden welluidend van meelevendheid /
want wij zijn de dichters / armzalige broeders en zusters /
dus waarom zouden wij ooit in elkaars gat
of oog willen koekeloerehoeren of de ander in de oven stoppen?

 

there is no time

there is no time
time is man’s skin
it cracks and crackles and shrinks
in life’s passing-by
in the fire of being
telling the hours
then letting them be
in the ever reverberating
moment of silence
 
in the smoking dance
of the evening star and the midnight sun
in the curl of the leaf
in the dove’s swiftly
graceful and fluttered
gesture of dying
 
there is no time
time is the shooting
comet of recall
strewing heaven with the sparks
of stories no one will ever hear again
 
time’s my love for you
the lizard movements
in your body that come and go
to fill the hollows
with the fire of telling
those many faces of departure
 
there is no time
just the pulse of the heart
as pain under eye-shells
 
just the emptied tell-skin
of this poem
splotched and measured
by cancer words of forgetting
like lizard shit

 

 
Breyten Breytenbach (Bonnievale, 16 september 1936)

Lees verder “Breyten Breytenbach, Alfred Schaffer, Frans Kusters, Michael Nava, Justin Haythe, James Alan McPherson, Hans Arp”

Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Claude McKay, Orhan Kemal, Karl Philipp Moritz

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

gedicht

I
van vaste duisternissen ik laat mij een lied zingen
van hoe de mensen webben spinnen en sterven
van savonds versierde hyenaas en cocons in de ochtend
van zwaar slapen aanblazen en van de vraatzucht

II
hoe in de heldere natuur eender werken de dingen en wezens
bruisend zich rekken de takken en huilende vallen de stenen
een denkende mier of een denkende ster en een slang
zacht vertrekt uit zijn zwangere staart als de beken
uit hun drabbig foedraal zoals de leliën ook en
van verdriet of van vrede blauw zijn de bloemende bergen

III
altijd en overal anders zijn de mensen want anders
dragen zij de aarde: vaak door de slaafse spreekbuis
hinkend zij dragen de aarde of vallend van de statietrap
zij torsen de aarde maar nooit en te nimmer zij nemen
de aarde aan als een wind in ’t gezicht in het web

IV
door donkerte nader zij komen met allen en alles
en daar gelijk is het oor aan de mond het hoofd aan het hart
aan alles aan allen gelijk het licht zij vloeien het toe

 

 
Lucebert, Het geschenk, 1986

 

V
maar daaraan terstond zij maken bodemloze fotoos van de almacht
als was de nacht hun moeder niet de avond niet hun vader
zij steken de zon in de mond verorberen de wolken
zij beduimlen de bliksem met hun smeulende tongen
en bootsen de maan na met hun pluimstrijkende ogen
of gaan wonen in hoge wisselstromen onttronend de diepte

VI
spook en talisman zij trouwen en bouwen hun huizen daarom
maar buiten zij breken graag de glazen derwisch van het water
en gehaast zij plukken de magnetische springveren
die van het vuur en de maandragende paarden der zee
blazen zij op en het steen het steen zij besmetten het met
rokende rivieren of sluizen en aldus ook hun mummies
zij sluimren of mijmren niet maar zij stomen zij bonzen

VII
oh de moede man die de sleutels der dubbelzinnigheid smolt
of wegwierp dat hij staat voor de zo vaak vertoonde kasten en laden
die zo gehoond gelijk zij geloofd zijn dat hij er staat en vraagt
naar een deur om daar door te gaan

VIII
zie dan voor zijn vetgemeste spiegel wil hij vliegen en zweven
hoor dan door zijn mulle microfonen wil hij van vrede lachen en zingen
deze die eens de sleutels der dubbelzinnigheid smeedde
hem opent geen vrede

 
Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994)

Lees verder “Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Claude McKay, Orhan Kemal, Karl Philipp Moritz”

Hans Faverey, Theodor Storm, Leo Ferrier, Corly Verlooghen, Bernard MacLaverty, Ivan Klíma

De Nederlandse dichter Hans Faverey werd op 14 september 1933 geboren in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Hans Faverey op dit blog.

Zonder begeerte, zonder hoop

Zonder begeerte, zonder hoop
op beloning, ook niet uit angst voor straf,
de roekeloze, de meedogenloze schoonheid

te fixeren waarin leegte zich meedeelt,
zich uitspreekt in het bestaande.

Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.

 

 Bij herhaling blijkt het zelfs…

Bij herhaling blijkt het zelfs goed
om te zijn in de werkelijkheid;

maar voor een gedicht is het meestal

niks. Bronmos markeert wel de plaats
waar zich de bron bevindt, maar tevens
talloze andere plaatsen waar van
een bron allang geen sprake meer is,

laat staan van mos. Zo gaat het ook
met bronnymfen en vinders van bronnen,
met makers van verzen en met slagen
van wieken langs de hemeltergende
knechtende hemel.

 

Waar stil toen

Waar stil toen
de abrikozenboom stond,
sta ik nu stil.

Tussen de gladiolen
weet ik de plek waar
zij toen stond: zij
wierp mij de abrikoos
toe – toen. Nu,

terwijl herinnering met zich
doet wat zij wil, beginnen
wij opnieuw met bijten,
haast tegelijk, tussen

de maïsplanten: zij in haar
abrikoos, ik in mijn abrikoos;

terwijl de kleine vossen nog door
de wijngaard sluipen, en de zee,
fluisterend: bij mij is zij niet;
nee, hier vind je het niet;
in mij is zij niet.

 
Hans Faverey (14 september 1933 – 8 juli 1990)
Portret door Hedwig van der Heiden

Lees verder “Hans Faverey, Theodor Storm, Leo Ferrier, Corly Verlooghen, Bernard MacLaverty, Ivan Klíma”

Tõnu Õnnepalu, Janusz Glowacki, Julian Tuwim, Nicolaas Beets, Roald Dahl, James Shirley

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

Uit: Border State (Vertaald door Madli Puhvel)

WHAT WAS IT YOU SAID AGAIN? “YOU HAVE A STRANGE LOOK IN your eyes-like a bystander observing the world. You’re not French, are you?”
Yes, I think that those were your first words, Angelo, as you emerged from that vacuously bright sunshine, like an image appearing on white photographic paper when it’s immersed in developing solution. I have waited in the hellish glow of a darkroom and watched over a shoulder as a special pair of hands performed witchcraft above the murky liquid. The point at which the picture first emerged, that brink of development, fascinated me even more than the shoulder and the hands … That, by the way, was so long ago, in another century, in a forgotten country. But they must have been familiar with Daguerre’s discovery. I remember the developing tank quite clearly. I’ll tell you about that century and country eventually, and about the hands that lost their seductiveness with time. Everything in sequence! There is so much to tell you. That is, to write you, because I promised to write you. I promised to put everything down gradually, from beginning to end, if I can find a beginning and an end.
You are a stranger I may never again meet. You have come from the other side of the world and know nothing of what I am about to tell you. I could lie, could fabricate whatever my heart desired!
It was at random you talked to me in that town. No, not quite at random: you chose me because you were sent to question me, and now you have no choice. I never tried telling anyone all this before because people always think they know everything. They prejudge. You won’t prejudge, Angelo.
I don’t know whether you even exist. Pardon my poor French, by the way. I only dare to write you because I know you too are not French. You’re nobody special, no one in particular. That’s the only reason I dare turn to you. You in turn must think it is I who appeared from nowhere, from the bottom of the ocean, or the other side of the moon, from Bosnia-Herzegovina, or from an apartment filled with the suffocating stench of an indoor privy, in a small town beside a river in Eastern Europe, from behind a stack of firewood.”

 
Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

Lees verder “Tõnu Õnnepalu, Janusz Glowacki, Julian Tuwim, Nicolaas Beets, Roald Dahl, James Shirley”