100 jaar Gerard Reve, Boudewijn Büch, Paul Eluard

De Nederlandse dichter en schrijver Gerard Reve werd op 14 december 1923 in Amsterdam geboren. Dat is vandaag precies 100 jaar geleden. Zie ook alle tags voor Gerard Reve op dit blog.

Uit: De Avonden

Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte. Hij keek op zijn lichtgevend horloge, dat aan een spijker hing. “Kwart voor zes”, mompelde hij, “het is nog nacht.” Hij wreef zich in het gezicht. “Wat een ellendige droom”, dacht hij. “Waar ging het over?” Langzaam kon hij zich de inhoud te binnen brengen. Hij had gedroomd, dat de huiskamer vol bezoek was. “Het wordt dit weekeind goed weer”, zei iemand. Op hetzelfde ogenblik kwam een man met een bolhoed binnen. Niemand lette op hem en hij werd door niemand begroet, maar Frits bekeek hem scherp. Opeens viel de bezoeker met een zware bons op de grond. “Was dat alles?” dacht hij. “Wat gebeurde er verder? Niets, geloof ik.” Hij sliep weer in. De droom ging voort, waar hij was opgehouden. De man lag, met de bolhoed over zijn gezicht gedrukt, in een zwarte doodkist, die in een hoek van de kamer op een lage tafel stond. “Die tafel ken ik niet”, dacht hij, “zou die geleend zijn ?” Hij keek in de kist en zei luid: “Daar zitten we in ieder geval morgen nog mee opgescheept.” “Dat hoeft niet”, zei een man met een kaal hoofd, een rood gezicht en een bril, “wedden, dat ik de begrafenis nog op vanmiddag twee uur geregeld kan krijgen?” Hij werd opnieuw wakker. Het was twintig minuten over zes. “Ik ben al uitgeslapen”, zei hij bij zichzelf, “daarom word ik zo vroeg wakker. Ik heb nog een flink uur.” Hij sluimerde langzaam in en trad voor de derde maal de huiskamer binnen. Er was niemand. Hij liep op de kist toe, keek er in en dacht: “Hij is dood en begint te bederven.” Opeens was de gestalte bedekt met allerlei timmermanswerktuigen, die tot de rand van de kist lagen opgestapeld: hamers, grote boren, zagen, waterpassen, schaven, zakjes met spijkers en tangen. Alleen de rechterhand van de dode stak er bovenuit. “Er is geen mens”, dacht hij, “in het hele huis is niemand; wat moet ik doen? Muziek, dat helpt.” Hij boog zich over de kist heen naar het radiotoestel, maar zag op hetzelfde ogenblik de hand, die blauwachtig van kleur was geworden, met lange, witte nagels aan de vingertoppen, langzaam zich opheffen. Met een schok deinsde hij terug. “Ik moet me niet bewegen”. dacht hij. anders gebeurt het.” De hand zakte langzaam weer neer. Hij voelde zich, toen hij wakker werd, benauwd. “Tien voor zeven”, mompelde hij, op het horloge turend. “Wat een beroerde dingen droom ik.” Hij draaide zich om en sliep weer in.
Door dikke, groene gordijnen liep hij weer de huiskamer binnen. De bezoekers waren weer aanwezig. De man met het rode gezicht trad hem tegemoet, glimlachte en zei: “Het gaat niet. Het wordt
maandagmorgen tien uur. We zetten de kist zo lang in de studeerkamer.” “Studeerkamer?” dacht Frits, “studeerkamer? Is die in ons huis? Natuurlijk, hij bedoelt de zijkamer.” Zes personen namen de
kist op hun schouders. Hijzelf liep vooruit om de deur
open te zetten.
“Er zit een sleutel in”, dacht hij, “dat is een goed ding”.”Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte. Hij keek op zijn lichtgevend horloge, dat aan een spijker hing. “Kwart voor zes”, mompelde hij, “het is nog nacht.” Hij wreef zich in het gezicht. “Wat een ellendige droom”, dacht hij. “Waar ging het over?” Langzaam kon hij zich de inhoud te binnen brengen. Hij had gedroomd, dat de huiskamer vol bezoek was. “Het wordt dit weekeind goed weer”, zei iemand. Op hetzelfde ogenblik kwam een man met een bolhoed binnen. Niemand lette op hem en hij werd door niemand begroet, maar Frits bekeek hem scherp. Opeens viel de bezoeker met een zware bons op de grond. “Was dat alles?” dacht hij. “Wat gebeurde er verder? Niets, geloof ik.” Hij sliep weer in. De droom ging voort, waar hij was opgehouden. De man lag, met de bolhoed over zijn gezicht gedrukt, in een zwarte doodkist, die in een hoek van de kamer op een lage tafel stond. “Die tafel ken ik niet”, dacht hij, “zou die geleend zijn ?” Hij keek in de kist en zei luid: “Daar zitten we in ieder geval morgen nog mee opgescheept.” “Dat hoeft niet”, zei een man met een kaal hoofd, een rood gezicht en een bril, “wedden, dat ik de begrafenis nog op vanmiddag twee uur geregeld kan krijgen?” Hij werd opnieuw wakker. Het was twintig minuten over zes. “Ik ben al uitgeslapen”, zei hij bij zichzelf, “daarom word ik zo vroeg wakker. Ik heb nog een flink uur.” Hij sluimerde langzaam in en trad voor de derde maal de huiskamer binnen. Er was niemand. Hij liep op de kist toe, keek er in en dacht: “Hij is dood en begint te bederven.” Opeens was de gestalte bedekt met allerlei timmermanswerktuigen, die tot de rand van de kist lagen opgestapeld: hamers, grote boren, zagen, waterpassen, schaven, zakjes met spijkers en tangen. Alleen de rechterhand van de dode stak er bovenuit. “Er is geen mens”, dacht hij, “in het hele huis is niemand; wat moet ik doen? Muziek, dat helpt.” Hij boog zich over de kist heen naar het radiotoestel, maar zag op hetzelfde ogenblik de hand, die blauwachtig van kleur was geworden, met lange, witte nagels aan de vingertoppen, langzaam zich opheffen. Met een schok deinsde hij terug. “Ik moet me niet bewegen”. dacht hij. anders gebeurt het.” De hand zakte langzaam weer neer. Hij voelde zich, toen hij wakker werd, benauwd. “Tien voor zeven”, mompelde hij, op het horloge turend. “Wat een beroerde dingen droom ik.” Hij draaide zich om en sliep weer in.
Door dikke, groene gordijnen liep hij weer de huiskamer binnen. De bezoekers waren weer aanwezig. De man met het rode gezicht trad hem tegemoet, glimlachte en zei: “Het gaat niet. Het wordt
maandagmorgen tien uur. We zetten de kist zo lang in de studeerkamer.” “Studeerkamer?” dacht Frits, “studeerkamer? Is die in ons huis? Natuurlijk, hij bedoelt de zijkamer.” Zes personen namen de
kist op hun schouders. Hijzelf liep vooruit om de deur
open te zetten.
“Er zit een sleutel in”, dacht hij, “dat is een goed ding”.

 

Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006)
Gerard Reve op een drieluik door Aldert Koop, 1973

 

De Nederlandse dichter, schrijver en televisiemaker Boudewijn Maria Ignatius Büch werd geboren op 14 december 1948 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Boudewijn Büch op dit blog.

 

Congratulations; You’ve Gone and Broken Another Heart’
[Mick Jagger]

waarom ik schrijf
is niet begrepen
ik dicht syntetisch
kunstgrepen
die zingen van:
ik heb je lief
& weet niet wie
je was zo mooi
maar meer nog poëzie

ik wilde dat je smorgens kwam
in kleren die ik kende
of hoe je lachte
toen ik sprak: ellende
werd angst als ziekte
van de kleine naamgenoot

vertrok je ongemerkt
zoals vader, Prins & dood

ligt nu het lied
onbemind
of leeg
& wat ik terugvind
noem ik eenzaamheid

o lief
het afscheid
ging je zelfs vertederd

ik maakte taal
die jij vernedert

 

‘Wenn alle untreu werden, so bleib ich dir doch treu’
[Novalis]

o lief, deze nacht moest vergeten
treinen, drank & medeweten
met de Prins gestorven
als taal dronken droomt
bedorven
omdat het lied ontbreekt
smart die smeekt
jouw mededogen
maar dichters zingen toekomst

in twee monologen

 

Boudewijn Büch (14 december 1948 – 23 november 2002)

 

De Franse dichter en schrijver Paul Eluard werd geboren op 14 december 1895 in Saint Denis. Zie ook alle tags voor Paul Eluard op dit blog.

 

Vrijheid

Op mijn schoolschriften
Op mijn bank en de bomen
Op het zand op de sneeuw
Schrijf ik je naam

Op elke bladzij die ik las
Op elke blanco bladzij
Steen bloed papier of as
Schrijf ik je naam

Op de vergulde beelden
Op de wapens van krijgers
Op de kroon van koningen
Schrijf ik je naam

Op het oerwoud de woestijn
Op de nesten op de brem
Op de galm van mijn jeugd
Schrijf ik je naam

Op de wonderen van de nachten
Op het wittebrood van de dagen
Op de verloofde seizoenen
Schrijf ik je naam

Op al mijn lapjes hemelblauw
Op de vijver muffe zon
Op het meer frisse maan
Schrijf ik je naam

Op de velden op de einder
Op de wieken van vogels
En op de schaduwmolen
Schrijf ik je naam

Op elke wasem dageraad
Op de zee op de boten
Op de uitzinnige berg
Schrijf ik je naam

Op het schuim van de wolken
Op het zweten van de storm
Op de logge lome regen
Schrijf ik je naam

Op de flikkerende vormen
Op de klokken van de kleuren
Op de waarheid van de natuur
Schrijf ik je naam

Op de ontwaakte paden
Op de ontplooide wegen
Op de overvolle pleinen
Schrijf ik je naam

Op de lamp die oplicht
Op de lamp die uitdooft
Op mijn huizen allemaal
Schrijf ik je naam

Op de doorgesneden vrucht
Van de spiegel en mijn kamer
Op mijn bed lege schaal
Schrijf ik je naam

Op mijn lieve gulzige hond
Op zijn gespitste oren
Op zijn onbeholpen poot
Schrijf ik je naam

Op de springplank van mijn deur
Op de vertrouwde dingen
Op de vloed van heilig vuur
Schrijf ik je naam

Op al het vereende vlees
Op het voorhoofd van mijn vrienden
Op elke uitgestoken hand
Schrijf ik je naam

Op de ruit van de verrassing
Op de aandachtige lippen
Hoog boven de stilte uit
Schrijf ik je naam

Op mijn verwoeste schuilplaatsen
Op mijn ingestorte vuurtorens
Op de wanden van mijn verveling
Schrijf ik je naam

Op het gemis zonder begeerte
Op de naakte eenzaamheid
Op de treden naar de dood
Schrijf ik je naam

Op de herwonnen gezondheid
Op het geweken gevaar
Op de hoop zonder heimwee
Schrijf ik je naam

En door de kracht van een woord
Begin ik aan een nieuw leven
Ik besta om jou te kennen
Om jou te noemen

Vrijheid.

 

Vertaald door Paul Claes

 

Paul Eluard (14 december 1895 – 18 november 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e december ook mijn blog van 14 december 2021 en ook mijn blog van 14 december 2018 en ook mijn blog van 14 december 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

José Eduardo Agualusa, Kenneth Patchen, Heinrich Heine

De Angolese schrijver José Eduardo Agualusa werd op 13 december 1960 in Huambo geboren. Zie ook alle tags voor José Eduardo Agualusa op dit blog.

Uit: Regentijd (Vertaald door Harrie Lemmens)

“Die nacht droomde Lidia over de zee. Een diepe, doorzichtige zee vol trage wezens die gemaakt leken van hetzelfde weemoedige licht als je hebt in de schemering. Lídia wist niet waar ze was, maar ze wist wel dat die wezens kwallen waren. Terwijl ze wakker werd zag ze ze nog door de muren van haar kamer heen glippen, en toen moest ze denken aan haar oma, doña Josephine do Carmo Ferreira, alias nga* Fina Diá Makulussu, beroemd droomduidster. Volgens de oude vrouw stond dromen over de zee gelijk aan dromen over de dood. Het eerste wat ze zag toen ze haar ogen opende was de tijd op de grote wandklok: twintig over twaalf. Angola was dus al twintig minuten onafhankelijk, dacht ze, en ze verbaasde zich over het feit dat ze in dat bed lag, in het oude huis in Ingombotas.** Wat deed ze hier, in het centrum van Luanda, wat deed ze in dit land? Een zinloze vraag die haar dag in dag uit kwelde. Maar op dat moment had de vraag wat ze daar deed een andere betekenis. Haar hoofd was helder en ze voelde niets, noch de verbittering van een verliezer, noch de euforie van een overwinnaar (die nacht was ze het allebei). Het is de nacht van de sprinkhaan, dacht ze, en ze zag zichzelf als pasgeboren baby met een grote bidsprinkhaan op haar borst. *
Toen ze klein was, had de oude Jacinto haar dat verteld: “Vlak na je geboorte zag je moeder toen ze naar je keek een enorme bidsprinkhaan op je borst zitten.” Lang daarna herinnerde oma Fina haar aan het voorval en zei: “Het leven zal jou verslinden. Oma Fina was die maand honderdvijf geworden, maar ze was nog even fris en fit als altijd. Lidia geloofde alles wat ze zei, ook haar voorspellingen Heel even dacht ze erover haar te wekken en haar haar droom te vertellen, maar ze deed het niet, had er de kracht niet voor. Ze ademde diep de met kikombo-parfum* doordrenkte lucht in en voelde zich lichter. Een ver en vet rumoer drong haar oren binnen; ze kon de geluiden niet van elkaar onderscheiden maar wist dat het ging om geweerschoten, ontploffingen en kreten van pijn, woede en euforie. Eén en al razernij, maar er moest ook liefdesgekreun tussen zitten, geblaf van honden en het bonzen van harten. Lidia dacht aan Viriato da Cruz, dacht aan de dood, dacht aan het leven, dat buiten de dichte ramen van haar slaapkamer doorging. Ze ging rechtop zitten, stak haar hand uit naar het nachtkastje en pakte een langwerpig zwart notitieboekje, zo een waarin kruideniers met potlood hun dagomzet noteren. “Buiten voltrekt zich het leven,” schreef ze. Ze streepte de zin door en schreef: “Buiten voltrok zich het leven / in zijn volle ruwe schittering.” Daarna omcirkelde ze de twee versregels en voegde er de datum aan toe: 11 november 1975″.

 

José Eduardo Agualusa (Huambo, 13 december 1960)

 

De Amerikaanse dichter Kenneth Patchen werd geboren op 13 december 1911 in Niles, Ohio. Zie ook alle tags voor Kenneth Patchen op dit blog.

 

De tempel

De aarde verlaten was mijn wens, en geen wil hield mijn opgang tegen.
Vroeg, voordat de zon de wegen had gevuld met wagens
Die mensen naar bruiloften en moorden brachten;
Voordat de mensen het zelf van hun slaap verlieten, om rond te dwalen
In het donker van de wereld als geslagen beesten.

Ik nam geen bagage mee. Ik had geen paard, geen staf, geen geweer.
Ik was een eindje op weg en iets riep mij,
En zei,
‘Leg je hand in de mijne. Wij zullen samen God zoeken.’
En ik antwoordde: ‘Het is jouw vader die zoek is, niet de mijne.’
Toen vulde de lucht zich met tranen van bloed en slangen zongen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kenneth Patchen (13 december 1911 – 8 januari 1972)

 

De Duitse dichter Heinrich Heine werd geboren in Düsseldorf op 13 december 1797. Zie ook alle tags voor Heinrich Heine op dit blog.

 

Waarschuwing

Zulke boeken publiceer je?
Lieve vriend, je bent verloren!
Als je streeft naar geld en ere
Moet je wel braaf kruipen leren.

Lag ’t aan mij, je zou ’t wel laten
Om zo tegen ’t volk te praten,
Zo te praten over papen,
Over hoge potentaten!

Lieve vriend, je bent verloren!
Vorsten hebben lange armen,
Papen hebben lange tongen,
En het volk heeft lange oren!

 

Vertaald door Marko Fondse en Peter Verstegen

 

Heinrich Heine (13 december 1797- 17 februari 1856)
Portret door E. Palm, ca. 1830

 

Zie voor nog meer de schrijvers van de 13e december ook mijn blog van 13 december 2021 en ook mijn blog van 13 december 2018 en ook mijn blog van 13 december 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Kader Abdolah, Helen Dunmore

De Iraans – Nederlandse schrijver Kader Abdolah (pseudoniem van Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani) werd geboren in Arak op 12 december 1954. Zie ook alle tags voor Kader Abdolah op dit blog.

Uit: Voordat het laat wordt

“Mijn boeken zijn in vele talen vertaald, maar met een paar van die vertalingen voelde ik me blijer en meer betrokken. Dat zijn de vertalingen die eigenlijk illegaal zijn uitgegeven, waar ik niks voor betaald kreeg. Daar horen ook de Koerdische vertalingen bij, die in het Koerdistan van Irak werden uitgegeven. Ik was daar populair, omdat de Koerdische lezers zich thuis voelden in mijn boeken. Ik ben er een paar keer uitgenodigd om de presentaties van de vertalingen bij te wonen, maar ik durfde niet te gaan, want de bebaarde mannen van het regime van de geestelijken zijn ook daar erg aanwezig en actief. Ze zouden me meteen ontvoeren, in de gevangenis zetten en iets van me maken waardoor ik mezelf niet meer zou kunnen zijn.
De man die mijn Koerdische vertaling maakte is een mooi mens, ik heb hem een paar keer ontmoet. Tijdens onze eerste ontmoeting kwam hij langs bij mij thuis. Hij had een exemplaar van de vertaling meegenomen, en een doos gedroogde vijgen uit Koerdistan. Hij had een klassiek pak aan, het soort pak dat je tijdens een belangrijke gelegenheid draagt. “Uw lezers willen graag dat u een keer naar Erbil komt,” zei hij. “Wie weet,” zei ik.
Een paar jaar later kwam hij nog een keer langs. Dit keer had hij drie vertaalde boeken meegenomen. Nadat we een glaasje thee hadden gedronken en over de situatie in Koerdistan hadden gepraat, nam ik hem in vertrouwen en zei ik “Ik wil terug naar huis, Dertig jaar ballingschap Is genoeg geweest, ik kan niet langer wachten tot ze me het land in laten. En ondertussen zit mijn moeder in mijn ouderlijk huis op mijn terugkomst te wachten.” Hij luisterde aandachtig, maar ik aarzelde toch om mijn overpeinzingen verder met hem te delen. Ik liet een stilte vallen, stond op en bood hem nog een glaasje thee aan. Toen ik hem het glaasje overhandigde, zei ik: “Laat ik het zo zeggen: ik overweeg om illegaal het vaderland binnen te gaan. Onbegonnen werk, maar toch wil ik het doen. Anders wordt het laat.”Met grote ogen keek de vertaler me aan. Ik zei wat ik hem eigenlijk wilde zeggen: “Kan je iets voor me doen?” “Graag, maar wat zou ik voor u kunnen betekenen?” “Wil je van je connecties gebruikmaken en informeren of het mogelijk is dat iemand me vla het Koerdistan van Irak naar het Koerdistan van Iran terugsmokkelt?” “Terugsmokkelt?” zei hij verbaasd en hij zette zijn glas neer. “Ja, terug. Ik heb mijn beslissing genomen, ik wil de rest van mijn leven thuis doorbrengen.” Hij maakte het bovenste knoopje van zijn nieuwe overhemd los. Hij leek eigenlijk zijn colbert te willen uitdoen, maar hij was een ware Koerd: dat zou hij in de aanwezigheid van een schrijver nooit doen.”

 

Kader Abdolah (Arak, 12 december 1954)

 

De Britse dichteres en schrijfster Helen Dunmore werd geboren op 12 december 1952 in Beverley, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Helen Dunmore op dit blog.

 

De Blauwe Tuin

‘Ziet het er niet vredig uit?’ zei iemand
toen onze trein op de dijk stopte
en er niets anders opzat dan staren
naar de blauwe tuin.

Blauwe rozen gingen langzaam open,
blauwe appels glinsterden
onder de zich uitbreidende pauw van bladeren.

De fontein spuwde stralen puur Pruisisch blauw
het terras was gemaakt met vingers van middernacht
het gras was zo blauw als Kentucky.

Zelfs de spelende kinderen
in hun ultramarijn pierenbadje
waren aangeraakt door een kobaltblauwe Midas

die hun huid had veranderd
van de warme kleuren van de aarde
in het azuur van de hemel.

‘Zien ze er niet gelukkig uit?’ zei iemand,
terwijl de treinbeheerder zich verontschuldigde
voor het ongemak veroorzaakt tijdens onze reis,

en ja, ze zagen er gelukkig uit.
Wensten we niet dat we in de blauwe tuin waren
gedrenkt in het sproeien van de tuinslang,

Wensten we niet dat we in de indigo-aarde konden graven
naar hemelkleurige aardappelen,
wensten wij niet dat onze reis voorbij was

en we vrij waren om de dijk af te racen
en verstrikt te raken in het niets, net als die kinderen
die ineenkrompen tot stipjes hemelsblauw
toen onze trein vertrok.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Helen Dunmore (12 december 1952 – 5 juni 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e december ook mijn blog van 12 december 2021 en ook mijn blog van 12 december 2020 en eveneens mijn blog van 12 december 2018 en ook mijn blog van 12 december 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Marie Kessels, Christoph W. Bauer

De Nederlandse schrijfster Marie Kessels werd geboren in Nederweert op 11 december 1954. Zie ook alle tags voor Marie Kessels op dit blog.

Uit: Levenshonger

“Oom Izaäk zou me om vier uur komen ophalen in de ontvangsthal van het bedrijf waar hij nu al een kwarteeuw vertalingen levert om het geld en om de eer: Dymph, de technologiebeurs. Hij werkt op het hoofdkantoor. Oompje. Wat was hij opgelucht, toen Dymph de schriftelijke aanvraag voor mijn bezoek aan zijn werkruimte zowaar meteen goedkeurde en een keer niet moeilijk deed. Het zat me wel dwars dat hij zich zo zenuwachtig liet maken vanwege mij. Daarom had ik hem de suggestie gedaan om zijn kamer bij Dymph voor me te filmen, mocht het niet lukken met die aanvraag. Ik zou dan evengoed naar hem toe komen, onze afspraak kon gewoon doorgaan. Nu liep het tegen achten. Ik had al verse broodjes gehaald en ontbijt gemaakt voor Jozef, dat is mijn kostganger. ’s Ochtends bij het wakker worden hoef ik me Jozef maar voor de geest te halen en ik voel me nuttig, nodig. Hoe zwaar en vuil mijn dromen ook op me wegen, die lastpost hier op de zolderverdieping krijgt me snel weer met mijn twee voeten stevig op de aarde. En dan laat ik me zonder al te grote tegenzin contant door hem betalen voor zijn maaltijden en de was en het schoonmaken en allerlei andere meer of minder huishoudelijke taken.
Overdag zit hij bijna altijd aan zijn artikelen te werken, soms in een razend tempo typend met de wijsvingers gestrekt, soms diep gebogen over zijn notities, het hoofd tussen de schouders getrokken. Alsof hij al jaren slecht ziet en zich daar ook helemaal op heeft ingesteld, zonder er nog wat aan te willen veranderen. Hoelang woont Jozef hier nu? Ik herinner me dat de essen langs de kade aan het eind van onze straat van goud en roodkoper leken in de zon, toen wij binnen een uur al zijn koffers en dozen de trappen op zeulden naar de ongebruikte kamertjes op de bovenste verdieping. In ons kennismakingsgesprek deed hij alle moeite om me ervan te overtuigen dat deze zolderetage geknipt was voor iemand als hij: oud en bovendien weer vrijgezel. Maar je weet bij Jozef nooit of hij meent wat hij zegt, of dat hij misschien het tegenovergestelde bedoelt, of nog iets anders. `De wereld zelf moet nog rijp worden voor eerlijkheid en ernst: Van zulke wijsheden heeft hij een voorraadkist vol, en iedere keer trek ik een ernstig gezicht en hij trekt ook een ernstig gezicht. Eigenlijk zit hij als een idioot te vechten om mijn aandacht maar van zijn persoon af te leiden. Terwijl hij het heerlijk vindt om wat gezelschap van me te krijgen tegelijk met zijn maaltijden, en samen urenlang te ouwehoeren. Pools is de taal uit zijn vroegste kinderjaren, waar hij weinig meer van weet. Maar bij het horen van een enkel Pools woord wordt hij meteen in de tijd teruggesmeten. Op zo’n moment leeft hij met zijn hele lichaam in twee verschillende tijden en op twee verschillende plaatsen. Pools horen praten betovert hem én het jaagt hem schrik aan. Het woelt te veel in hem om, en hij heeft juist zo hard geprobeerd om alles wat hij aan kwade herinneringen heeft te verzegelen, zodat het hem niet te grazen kan nemen.”

 

Marie Kessels (Nederweert, 11 december 1954)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Christoph W. Bauer werd geboren in Kolbnitz op 11 december 1968. Zie ook mijn blog van 26 september 2010 en ook alle tags voor Christoph W. Bauer op dit blog.

 

ademtalen ze leerden secondenalfabetten

ademtalen ze leerden secondenalfabetten
en hielden hun mond wijsvingergeplaveid
hun neuzen in de wind waarmee ze de
slaapzaal oppompten als een Montgolfiere
die ze over alle bergen in hun familie bracht
beelden van latere bezichtigingen groeiden op
tot aeronauten van het moment en vanuit de
kleuterschool in het kompas van de namiddagen
aan de naald geraakt die hun een verslaving
aannaaide dagelijks geïnjecteerde slogans in de manden
waarvan zij door stripverhaallandschappen
schommelden steeds maar hoger steeds maar
sneller tekstballonnen volle kracht vooruit

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph W. Bauer (Kolbnitz, 11 december 1968)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e december ook mijn blog van 11 december 2018 en eveneens mijn blog van 11 december 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

John the Baptist (Philip C. Kolin), Emily Dickinson, Ludwig Thoma

 

 

Sint Johannes de Doper in de wildernis
door Anthony van Dyck, ca. 1624 – 1625

 

John the Baptist

Out of the wilderness came this prophet of fire
and repentance, his voice a flame igniting
souls out of darkness to witness the Messiah.
Wherever he went bonfires reddened the night air.

He wore a tunic of camel hair, and a rope
cincture binding unruly flesh from
appetite; he lived on locusts and burr-
nested cones. When he entered the Jordan

it flowed east, away from the sin-crusted west.
Each wave was engraved with grace as he plunged
sinners heavy with the world’s woes under
only to lift them up toward the light.
But not the Pharisees. Stones would rise sooner.

When he announced Christ passing by,
the birds of the air carried each honeyed syllable
to every open heart and sin-ridden soul.

 

Philip C. Kolin (Chicago, 21 november 1945)
Adventstijd in Chigaco

 

De Amerikaanse dichteres Emily Dickinson werd geboren op 10 december 1830 in Amherst, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Emily Dickinson op dit blog.

 

158

Doodgaan! Doodgaan in de nacht!
Wordt er dan geen licht gebracht
dat straks mijn voettocht begeleidt
door ’t sneeuwen van de eeuwigheid?

En Jezus? Wat is Jezus laat?
Men zegt dat Hij ons nooit verlaat,
maar Hij kan ook verdwalen, hoor.
Hierheen, Jezus! Laat Hem door!

Rent er dan niemand naar de poort
of Dollie komt? ‘k Heb iets gehoord:
haar voeten, die de trap opgaan.
Niet bang meer. Dollie komt eraan.

 

Vertaald door Willem Willink

 

Emily Dickinson (10 december 1830 – 15 mei 1886)
Portret door Bekir Salim, 2018

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse dichter en schrijver Ludwig Thoma werd geboren op 21 januari 1867 in Oberammergau. Zie ook alle tags voor Ludwig Thoma op dit blog.

Christkindl-Ahnung im Advent

„Erleben eigentlich Stadtkinder Weihnachtsfreuden? Erlebt man sie heute noch? Ich will es allen wünschen, aber ich kann es nicht glauben, daß das Fest in der Stadt mit ihren Straßen und engen Gassen das sein kann, was es uns Kindern im Walde gewesen ist.
Der erste Schnee erregte schon liebliche Ahnungen, die bald verstärkt wurden, wenn es im Haus nach Pfeffernüssen, Makronen und Kaffeekuchen zu riechen begann, wenn am langen Tische der Herr Oberförster und seine Jäger mit den Marzipanmodeln ganz zahme, häusliche Dinge verrichteten, wenn an den langen Abenden sich das wohlige Gefühl der Zusammengehörigkeit auf dieser Insel, die Tag und Tag stiller wurde, verbreitete.
In der Stadt kam das Christkind nur einmal, aber in der Riß wurde es schon Wochen vorher im Walde gesehen, bald kam der, bald jener Jagdgehilfe mit der Meldung herein, daß er es auf der Jachenauer Seite oder hinter Ochsensitzer habe fliegen sehen. In klaren Nächten mußte man bloß vor die Türe gehen, dann hörte man vom Walde herüber ein feines Klingeln und sah in den Büschen ein Licht aufblitzen. Da röteten sich die Backen vor Aufregung, und die Augen blitzten vor freudiger Erwartung.
Je näher aber der Heilige Abend kam desto näher kam auch das Christkind ans Haus, ein Licht huschte an den Fenstern des Schlafzimmers vorüber, und es klang wie von leise gerüttelten Schlittenschellen. Da setzten wir uns in den Betten auf und schauten sehnsüchtig ins Dunkel hinaus; die großen Kinder aber, die unten standen und auf eine Stange Lichter befestigt hatten, der Jagdgehilfe Bauer und sein Oberförster, freuten sich kaum weniger.
Es gab natürlich in den kleinen Verhältnissen kein Übermaß an Geschenken, aber was gegeben wurde, war mit aufmerksamer Beachtung eines Wunsches gewählt und erregte Freude. Als meine Mutter an einem Morgen nach der Bescherung ins Zimmer trat, wo der Christbaum stand, sah sie mich stolz mit meinem Säbel herumspazieren, aber ebenso frohbewegt schritt mein Vater im Hemde auf und ab und hatte den neuen Werderstutzen umgehängt, den ihm das Christkind gebracht hatte.
Wenn der Weg offen war, fuhren meine Eltern nach den Feiertagen auf kurze Zeit zu den Verwandten nach Ammergau. Ich mag an die fünf Jahre gewesen sein, als ich zum ersten Male mitkommen durfte, und wie der Schlitten die Höhe oberhalb Wallgau erreichte, von wo sich aus der Blick auf das Dorf öffnete, war ich außer mir vor Erstaunen über die vielen Häuser, die Dach an Dach nebeneinander standen. Für mich hatte es bis dahin bloß drei Häuser in der Welt gegeben.”

 

Ludwig Thoma (21 januari 1867 – 26 augustus 1921)
Het  geboortehuis van Ludwig Thoma in Oberammergau

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e december ook mijn blog van 10 december 2022 en ook mijn blog van 10 december 2018 en ook mijn blog van 10 december 2017 deel 3.

Thomas Verbogt, Eileen Myles, Abraham Jehoshua

De Nederlandse schrijver Thomas Verbogt werd op 9 december 1952 geboren in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Thomas Verbogt op dit blog.

Uit: Maak het mooi (Kijken in de tijd)

“Een herfstdag, natuurlijk een herfstdag, ik loop door Nijmegen, door de oude Lange Hezelstraat, ik weet wat er gaat gebeuren, wat alleen maar gebeurt omdat ik het weet maar ik stel het nog even uit. Natuurlijk loop ik hier even met mijn vader, minstens een paar seconden. Ik zeg, ik wil graag zeggen: Wat voorbijgaat, is nog gaande, dus niet voorbij.’ Hij is het met me eens: veel blijft maar voorbijgaan zonder ooit voorbij te zijn. Bijna niets eindigt ooit echt. Dan is hij weer verdwenen in wat hem na zijn dood overkwam, zijn tijd is niet voorbij, hij ook niet, het zal niet gebeuren. Ik weet dat zonder te weten hoe ik dat weet. Niet van alles wat je weet hoef je te weten hoe dat komt. Hoe lang geleden is het dat ik hier Jana zag staan, toevallig? Ik zag haar op haar rug, ze stond voor een etalage van een kleine winkel met curiosa. Aan haar rug was haar aandacht te zien. Als ik haar zou begroeten, kon ik er niet onderuit te bekennen dat ik niet wist hoe ik het moest doen met haar zusje, met Nienke, maar dat het aan mij lag, dat ik me met veel in het leven geen raad wist. Grote woorden! Veel in het leven. Ik kan kijken in de tijd, niet altijd, wel vaak. Even stilstaan en een kant kiezen, een richting, heen en terug. Het is een herfstdag waarin wat van de zomer is overgebleven, ik kijk door de straten heen, door de binnenstad heen, naar een buitenwijk, ja, daar. Na mijn eerste jaren Graafseweg, hartje stad, daas naar de rand toe, de bossen, de nieuwbouwwijk, gewoon maar kijken is het, richten, rust nemen en daar sta ik, klaar om te worden gefotografeerd. Het is een zondag in juni, 1960, zeven jaar ben ik, een zonnige dag, warm, van die slappe warmte, bijna zomer. Ik doe mijn eerste heilige communie en heb daarom een keurige lange broek aan, een grijze, met een scherpe vouw, ook een nieuw jasje, blauw, en een lichtblauw overhemd dat kriegel jeukt in mijn nek. Kleren waarin je opgesloten zit, waarmee een nieuwe fase in je leven begint. Mijn moeder noemt ze nette kleren. Mijn iets te grote schoenen zijn zo nieuw dat ik er bijna niet op durf te lopen. Ik geloof dat ik toen voor het eerst woedend werd of begreep wat dat was, woedend zijn, ik schrok ervan, een klap in mijn gezicht. Omdat ik bang was. Bang voor hoe ik mezelf zag, over mezelf dacht. Weerzin was het, haast grenzend aan haat. Dat kwam niet alleen door die kleren, hoewel die te maken hadden met een bestaan waarvan ik ver weg wilde zijn. Mijn angst was de angst dat die woede gewoon bij het leven hoorde waarin ik nu een nieuwe stap zette, een stap waarvoor ik niet gekozen had, maar die moest, die van me verwacht werd. Ook angst voor verwachtingen was het. Dat je de hele tijd besefte wat er van je verwacht werd. Je was nog steeds kind, maar nu een kind dat moest begrijpen dat het menens was met het leven, dat leven zoiets was als tegen de stroom in zwemmen.
`Je bent een plaatje,’ roept tante Mia, de zeer Limburgse zus van mijn moeder die haar helpt deze feestdag perfect te laten verlopen.”

 

Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Eileen Myles werd geboren in Boston, Massachusetts, op 9 december 1949. Zie ook alle tags voor Eileen Myles op dit blog.

 

Göteborg

Voor Daphne en Alice

Kwam thuis en verloor
tonnen bewust
zijn.

Een tijdlang
stal ik dienbladen
uit hotels
& nu steel ik
kopjes

Er was deze handdoek
die ik heel graag wou hebben.
Zweden heeft verstand
van handdoeken

Er lag een shirt
op het vliegveld,
wit, een beetje gevlokt,
in alle opzichten
iets voor mij,

behalve
deze gordel

Ik kocht
voor de gordel
een burger &
miste bijna
mijn vliegtuig.

Ik rende
en mijn hart
bonkte

Ik was niet zo
snel

Er rende
een man
met mij mee

Ik schreeuwde
36
in kameraadschap

maar hij negeerde
me, maar toen

begon hij
onzin

uit te kramen. Ik
ken dat.

Er is zoveel
koffie

Er is voldoende
koffie

Ik wou dat
iemand

hier was.

Ik word
zo’n gevoelig
iemand
die tien uur

heeft geslapen
Ik ben net als

Vincent Price
in alles

mijn zachte stem
die van alles
fluistert

Er was
een vrouw
in mijn gedicht

nee ik bedoel
mijn droom

en ze leek
op iemand
met wie ik vroeger uitging

nee,
zij voelde aan
zoals zij

alsof zij
haar

zou worden
en het was
een intense
tijd
in ons beider
leven

zij maakte
iets
af
en ik
maakte een
berg van
slaap

het was
misschien
gek
en ze maakte me
aan het lachen,
maar

ik voelde
dat de kloof tussen ons

snel zou worden
gedich
t

het moet
waar zijn

dacht ik
het voelt

Aldus
de twee
personen
die op het punt staan
ons te worden

Dit geologische
drama

tonnen van
tijd manifest
als personen

ik
boog
mezelf
langzaam

naar voren
om de kleine
afstand

te overbruggen

en ik werd
getroffen
in de droom

door het feit
dat ze
iemand was

en ik doe dit

maak
haar tot de mijne
om mijn koffie

mee te delen
het is
beter
nu

studenten!

de koffie
is goed
hij is
goed voor mij

geworden
gedurende
de dag

en dit
is de relatie
die ik wilde

de donkere
vloeistof
die mij wakker maakt
in een
gestolen
kopje.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Eileen Myles (Boston, 9 december 1949)

 

De Israëlische schrijver Abraham Jehoshua werd geboren op 9 december 1936 in Jeruzalem. Zie ook alle tags voor Abraham Jehoshua op dit blog.

Uit: De tunnel (Vertaald door Kees Meiling)

“Laten we eens samenvatten hoe de zaak ervoor staat,” zegt de neuroloog. “Ja, laten we samenvatten,” fluisteren ze allebei. “De klachten zijn niet geheel en al denkbeeldig. Er heeft zich daadwerkelijk atrofie in de hersenkwab voorgedaan en die duidt op een lichte degeneratie.” “Waar precies?” “Kijk hier, in de hersenschors.” “Het spijt me, maar ik zie niets.” Zijn vrouw buigt zich voorover naar de foto. “Ja, iets donkers hier,” geeft ze toe. “Maar dat is toch maar heel klein.” “Inderdaad, heel klein,” bevestigt de neuroloog, “maar het kán zich uitbreiden.“ Kan, slechts kán? Of gaat het ook gebeuren?” Zijn stem trilt. “Kan en het gáát ook gebeuren.” “En in welk tempo?” “Er gelden geen vaste regels voor welke pathologische ontwikkeling dan ook en zeker niet in de hersenschors. Het tempo hangt verder ook van u af.” “Van mij af? Hoezo van mij?” Van uw gedrag. Dat wil zeggen, van hoe u ertegen vecht, hoe u zich teweerstelt.” “Mij teweerstel tegen mijn hersens? Hoe dan?” “De ziel tegen de hersens.” “En ik heb altijd gedacht dat dat hetzelfde was.” “In het geheel niet, in het geheel niet,” zegt de neuroloog beslist. “Hoe oud bent u, meneer?” “Drieënzeventig…” “Nog niet,” corrigeert zijn vrouw, “hij streeft altijd verder… tot het einde toe…” “Kijk eens aan,” bromt de arts, “dat is ook al niet zo best.” Voor het eerst ontdekt de patiënt dat tussen de krullen van de neuroloog een klein keppeltje verstopt zit. Toen hij liggend werd onderzocht had de arts het waarschijnlijk afgedaan uit angst dat het op zijn gezicht zou vallen. “Want kijk, bijvoorbeeld, de namen die u niet te binnen willen schieten…” “De voornamen vooral,” haast de patiënt zich de puntjes op de i te zetten. “Want achternamen komen nog betrekkelijk gemakkelijk bij me op, maar de voornamen smelten als het ware weg wanneer ik ze probeer aan te raken.” “Kijk eens aan, daarmee hebt u al een klein slagveld. Neem geen genoegen met slechts de achternamen, geef de voornamen niet zomaar op.” “Ik geef niets zomaar op, maar wanneer ik moeite doe erop te komen, springt zij er meteen bovenop en is me voor.” Dat is niet zo best,” berispt de arts zijn vrouw. Mat is niet handig, zo helpt u hem niet verder.” “Dat is waar,” erkent zij volmondig haar schuld. “Maar soms duurt het zó lang voordat hij erop komt, dat hij inmiddels vergeten is wat hij ermee wilde zeggen.” “Maar toch moet u hem de gelegenheid geven om er zelf op te komen en voor de herinnering te vechten, alleen zo zult u hem helpen.” “IJ hebt gelijk, dokter, ik beloof dat ik zo zal doen voortaan.” “Vertel me eens, bent u nog werkzaam?” “Niet meer. Ik ben met pensioen, inmiddels vijf jaar.” “Met pensioen, maar wat deed u als ik wagen mag?” “Israëlische Wegenbouw.”

 

Abraham Jehoshua (9 december 1936 – 14 juni 2022)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e december ook mijn blog van 9 december 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Jamal Ouariachi, Eileen Myles

De Nederlandse schrijver Jamal Ouariachi werd geboren in Amsterdam op 8 december 1978. Zie ook alle tags voor Jamal Ouariachi op dit blog.

Uit: Herfstdraad

“We zijn net verhuisd.”
Zo’n veertig boekendozen staan in het souterrain tot twee indrukwekkende muren opgestapeld, langs de wanden waar straks de nieuwe kasten zullen verrijzen.
“Ik zie het.”
Maar mijn twee schrijftafels heb ik tenminste in elkaar geschroefd, al ben ik sinds we hier wonen nog niet aan schrijven toegekomen. Ik bied Monique de enige beschikbare stoel aan, leun zelf tegen de tafel waarop mijn laptop ligt. MacBook Pro, relatief nieuw. Bijna drieduizend ballen in de winkel. Daar kan ze straks mooi beslag op leggen.
Ik vraag of ze koffie wil, maar ze blijft niet lang, zegt ze. Meteen erger ik me aan mijn vormelijkheid: waarom zou je de duivel in eigen persoon proberen te behagen met koffie?
Mijn duimnagel blijft haken in mijn baard, waar ik blijkbaar aan zat te frunniken. Voorzichtig lostrekken, inspecteren: de zeis heeft twee haartjes losgemaaid.
Het gesprek dat volgt heb ik vaker gevoerd. De laatste keer moet een paar jaar geleden zijn geweest. Ik had gehoopt en me voorgenomen dat die tijd voorgoed voorbij was, dat ik de rommel van het studentikoze leven achter me had gelaten met de komst van een kind en de aankoop van een echt grotemensenhuis.
In de foliomap: twee exploten. Stamelend geef ik een veel te vergezochte verklaring voor mijn gedrag, maar daar komt Monique Sluiter niet voor. De tijd van verklaringen is al gepasseerd. Er moet nu gewoon betaald worden. Driftig noteert ze allerhande gegevens op de formulieren in haar map. Haar huid lijkt nu nog postmortaler, in de weerkaatsing van de vanillevlageel geschilderde wanden van het souterrain.
Dan noemt ze het bedrag. Volgens mij weet ik mijn gezicht in de plooi te houden terwijl ik haar woorden incasseer. Maar hoe moet ik dit straks aan Liek vertellen? Zou ze ons gehoord hebben? Dat ze dacht: wie belt er? En dat ze mij dan gehaast iemand met een vrouwenstem naar het souterrain hoorde loodsen… Liek wordt gek, die gaat helemaal over de rooie. Het einde van onze nog maar net begonnen idylle in dit droomhuis. De voorgenomen idylle die zoveel problemen moest oplossen, maar die, zoals het er nu naar uitziet, niets is dan een voortzetting of zelfs een verergering van die problemen.”

 

Jamal Ouariachi (Amsterdam, 8 december 1978)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Eileen Myles werd geboren in Boston, Massachusetts, op 9 december 1949. Zie ook alle tags voor Eileen Myles op dit blog.

 

De Honingbeer

Billie Holiday was op de radio
Ik stond in de keuken
en rookte mijn sigaret van dit pakje
dat ik vanavond leeg wilde maken
laatste avond van mijn rokende jeugd.
Ik maakte een kopje van dat grappig
soort thee dat ik ergens had
liggen Een beetje te zoete en
vreemde mix. Mijn enige impuls
was om hem zoeter te maken.
Ivy Anderson zong
behoorlijk laat vanavond
in mijn zeer lichte keuken.
Ik sta me bij het bad
een beetje ouder te voelen,
bijna dertig in mijn zeer
lichte keuken vanavond.
Ik ben geen slecht uitziende vrouw
veronderstel ik O het is erg stil
in mijn keuken vanavond Ik knijp
in deze plastic honingbeer een sliertje
honing druipt in de gekke zoete
thee. Het is behoorlijk laat
Het deksel van de honingbeer zat los
en op de een of andere manier druipt er honing
langs het gezicht van de beer blijft hangen
in de spleten onder

de ogen van de beer O heel verdrietig en lief.
Ik sta in mijn keuken, oh lieverd
Ik staar naar het gezicht van de honingbeer.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Eileen Myles (Boston, 9 december 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e december ook mijn blog van 8 december 2020 en eveneens mijn blog van 8 december 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Gabriel Marcel, Michael Krüger

De Franse filosoof en toneelauteur Gabriel Marcel werd geboren op 7 december 1889 in Parijs. Zie ook alle tags voor Gabriel Marcel op dit blog.

Uit: De Mens Zichzelf een Vraagstuk (L’Homme Problématique, vertaald door Edward Brongersma)

“We zagen dat Nietzsche niet stil blijft staan bij de uitspraak ‘God is dood’, op dezelfde manier als Pascal, in een toespeling op een passage uit Plutarchus, eens zei: ‘De grote Pan is dood’. Wat Nietzsche  beweert is oneindig tragischer, omdat hij zegt dat wij, wij. zelf, God hebben gedood, en dit alleen verklaart de heilige ontsteltenis waarmee Nietzsche hier zijn uitspraak doet. Men heeft mij verzekerd dat Jean-Paul Sartre, toen hij op het toppunt van zijn roem was, en vlak na de bevrijding door de journalisten te Genève werd binnengehaald, hun zo eventjes tussen neus en lippen door uiteenzette: ‘Mijne heren, God is dood’. Wie ziet niet, dat dit existentieel een geheel andere klank heeft, juist omdat de heilige ontsteltenis eruit verdwenen is en plaats heeft gemaakt voor de voldane toon van iemand, die voorgeeft zijn stelsel te grondvesten op de puinhopen van iets waaraan hij nooit geloofd heeft? En toch kan men zeggen, dat de beweerde dood van God reeds bij Nietzsche de trekken vertoont van een inleidend feit, in deze zin dan dat deze tragische gebeurtenis de weg vrijmaakt voor de komst van de Übermensch; deze kan immers onmogelijk komen eer de daad is verricht waardoor de mens zich de dood van God bewust maakt en in zeker opzicht zijn verantwoordelijkheid daarvoor erkent. In de studie, die Heidegger in zijn ‘Holzwege’ heeft gewijd aan de dood van God bij Nietzsche, brengt hij ons in herinnering, dat met het bewust worden van de dood van God ook de bewustwording begint van een radicale verandering in de waardering van die waarden, welke tot dusver als de allerhoogste werden beschouwd. De mens zelf komt dan te verkeren in een andere en verhevener geschiedenis, omdat de wil tot macht daar ervaren en erkend wordt als het beginsel, dat aan de waarden hun plaats geeft. Het kan overigens niet sterk genoeg worden beklemtoond, dat dit het gegeven is waarmee Nietzsche meent te kunnen ontkomen aan het nihilisme. Want daarin zouden wij vervallen, of daartoe zouden wij gedoemd zijn, als wij niet doorgingen doch bleven stil staan bij de dood van God, als wij in alle gemoedsrust het lieten bij het vaststellen van dit tragisch gebeuren, of als we er zelfs een soort pervers genot uit gingen putten, in plaats van te begrijpen, dat dit slechts een uitgangspunt kan zijn, zoiets als een springplank voor de sensationele sprong, voor het scheppend vooruitschieten, waarzonder de Übermensch en de Übermenschheit ondenkbaar zijn.”

 

Gabriel Marcel (7 december 1889 – 8 oktober 1973)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Michael Krüger werd geboren op 9 december 1943 in Wittgendorf. Zie ook alle tags Michael Krüger op dit blog.

 

Weervoorspelling

Ooit zal de sneeuw
oplossen in smeltwater
en een bruisend beekje worden,
dat de donkere rivieren oplicht
in hun bewaakte loop
naar de zee. Ooit
zullen de wolken opstijgen
en het podium vrij maken
voor de smekende ogen.
Ooit zullen we weer
buiten zitten
aan de fris gebeitste tafels
en de boeken lezen,
die winterslaap hielden.
Dus kom alsjeblieft snel,
zoals het er nu uitziet
wordt het ooit weer

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Krüger (Wittgendorf, 9 december 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e december ook mijn blog van 7 december 2020 en eveneens mijn blog van 7 december 2018 en eveneens mijn blog van 7 december 2014 deel 2.

Julia Kasdorf, Karl Ove Knausgård

De Amerikaanse dichteres Julia Mae Spicher Kasdorf werd geboren op 6 december 1962 in Lewistown, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Julia Kasdorf op dit blog.

 

Before Dawn in October

The window frame catches a draft
that smells of dead leaves and wet street,
and I wrap arms around my knees,
look down on these small breasts,
so my spine forms a curve as perfect
as the rim of the moon. I want to tell
the man sleeping curled as a child beside me
that this futon is a raft. The moon
and tiny star we call sun are the parents
who at last approve of us. For once,
we haven’t borrowed more than we can return.
Stars above our cement backyard are as sharp
as those that shine far from Brooklyn,
and we are not bound for anything worse
than we can imagine, as long as we turn
on the kitchen lamp and light a flame
under the pot, as long as we sip coffee
from beautiful China-blue cups and love
the steam of the shower and thrusting
our feet into trousers. As long as we walk
down our street in sun that ignites
red leaves on the maple, we will see
faces on the subway and know we may take
our places somewhere among them.

 

Sometimes It’s Easy to Know What I Want

On a road that cuts through the richest, non-irrigated land
in the nation, according to some Lancaster, PA, natives,

a minivan slowed, and a woman with a good haircut yelled,
Do you want a ride, or are you walking because you want to?

I didn’t reply because my life felt so wrecked—
no matter the reason, either you get this or you don’t—

wrecked in the way that makes gestures of tenderness
devastating, like the time I showed up in Minnesota, brittle

with sorrow, and the professor sent to fetch me
asked if I wanted heat in the seat of his sports car

or the local apple he’d brought in case I arrived hungry.
I didn’t know people make seats to hold a body in radiance

like the merciful hand of God. The apple was crisp and cold
and sweet. Maybe I looked in his eyes and shook his hand

in both of mine when I left, I don’t remember. Months later,
he sent an empty seed packet, torn open, lithographed

with a fat, yellow annual no one grows any more, flamboyant
as Depression-era glassware. That was all, thank you.

Thank you, oh thanks so much, I finally told the woman
framed by a minivan window, but yes, I do want to walk.

 

Landschap met verlangen

Volgende maand zullen de esdoorns langs deze laan woeden
oranje en scharlaken. Sparren onderscheiden we nauwelijks
aan die verre kust zullen hun donkere vormen zichtbaar worden,
dus we worden verscheurd tussen het allemaal in ons opnemen
vanaf de veranda of een duik nemen. ’s Nachts
trekken we sweatshirts aan, gaan op de kade liggen,
hoofden genesteld in zwemvesten, en wachten
op meteoren die langs de augustushemel schieten
zoals ladders in de zwartste kous tegen
de witste dij. Bij elk dalend licht,
stijgen onze stemmen op als liefdeskreten, urgenter
en luider dan welke eenzame duiker of coyote dan ook
die naar zijn maatje roept. Alleen wij vermengen
verlangen en verlies op deze wijze; alleen wij wachten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Julia Kasdorf (Lewistown, 6 december 1962)

 

De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op 6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Engelen vallen langzaam (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Ze smakken en sluipen, hun kaken glimmen van het vet, zo nu en dan glijden hun oogappels naar boven en is hun blik wit en leeg. En ook al wordt Lot bang als hij dat ziet, toch wil hij niet dat er een eind komt aan de maaltijd, want zolang ze aan het eten zijn, schenken ze geen aandacht aan wat er om hen heen gebeurt en buiten op straat roept de menigte nu zijn naam. Daarom staat hij behoedzaam op zodra de hoeveelheid op tafel slinkt, hij glipt naar de voorraadkelder om meer eten te halen en zet dat zo discreet mogelijk voor hen neer om hun aandacht niet te trekken en de trance waarin ze verkeren niet te verbreken. Misschien lukt het, denkt hij. Na een maal als dit zijn ze vast slaperig, en als hij te kennen geeft dat hij zich terugtrekt voor de nacht, volgen ze misschien zijn voorbeeld. Het is tenslotte al laat, denkt hij. En hij heeft al een bed voor hen klaargemaakt. Uit die gedachte schept Lot moed. Dan ontdekt hij dat de twee engelen naar hem zitten te kijken. Met een rood hoofd vraagt hij of ze genoeg hebben gehad. Ze knikken en bedanken hem voor het eten. Buiten is het stil. Als hij de tafel heeft afgeruimd, rekt hij zich gapend uit.
`Het is al laat’, zegt hij. ‘Tijd om te gaan slapen, misschien?’ De engelen schuiven hun stoel naar achteren en komen overeind. Van hun onbeheerste gedrag tijdens de maaltijd is niets meer te bespeuren, de beide dienaren van de Heer stralen weer rust en waardigheid uit en heel even heeft Lot het gevoel dat hij het allemaal heeft gedroomd. ‘Ik heb daar een bed voor jullie klaargemaakt’, zegt hij en hij wijst naar de kamer ernaast. ‘Als jullie even meelopen …’ Het lukt! denkt hij. Het lukt! Net op dat moment klopt er iemand hard op de buitendeur. Lot doet alsof hij niets hoort, hij loopt door, maar achter hem zijn de engelen blijven staan. Wat was dat? vraagt de een. ‘Vast een paar kwajongens’, zegt Lot. ‘Niet de moeite waard.’ Dan dringt er geschreeuw van de straat tot hen door. ‘Lot!’ wordt er geroepen. Waar zijn die mannen die bij je overnachten? Breng ze naar buiten, we willen ze nemen!’
Er is niets aan te doen. Met de kaars in zijn hand loopt hij langs de twee engelen, doet de deur open en wendt zich tot de menigte die zich buiten heeft verzameld. Maar hij heeft de hoop nog steeds niet opgegeven. Want zoals in de Schrift staat: ‘Lot ging naar buiten en deed de deur achter zich dicht. “Maar vrienden, zoiets kunnen jullie toch niet doen!”‘ Waar het hier om gaat, is niet het verzoek dat hij tot zijn medeburgers richt, maar de informatie dat hij erop toeziet eerst de deur achter zich dicht te doen. Lot probeert dus nog steeds te vermijden dat de engelen erachter komen wat er gaande is. Dat heeft iets ontroerends, vind ik wat moet hij vertwijfeld zijn als hij probeert met behulp van een dichte deur te verhinderen dat de engelen iets merken.”

 

Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e december ook mijn blog van 6 december 2018 en ook mijn blog van 6 december 2017

Sint Nicolaas 1938 (A. Marja), Hanif Kureishi, Christina Rossetti

 

 

 

Sint Nicolaas 1938

Weer doen wij ons aan marsepein tegoed:
al ligt de wereld machteloos te bloeden,
God zal òns feest, òns Neerland wel behoeden.
o, Sinterklaas, wij waren braaf en zoet!

Verstop de krant, die riekt naar rook en bloed:
nòg walmt de puinhoop, nòg zwiept ginds de roede
en striemt den Jood, wij kunnen ‘t niet verhoeden…
o, speculaas, o, marsepein, zo zoet!

Vanavond deert ons vluchteling noch beul,
wij zoeken slechts bij koek en snoepgoed heul,
en lezen, voor ‘t naar bed gaan, ‘t woord des Heren,

dat ons, als steeds, weer ernstig stemt en sticht,
maar verder vrijlaat en tot niets verplicht
zolang wij koek en snoepgoed niet ontberen.

 

A. Marja (8 maart 1917 – 10 januari 1964)
Portret door door Willy Rieser, z. j.

 

De Britse schrijver en regisseur Hanif Kureishi werd geboren op 5 december 1954 in Bromley, Kent. Zie ook alle tags voor Hanif Kureishi op dit blog.

Uit: The Buddha of Suburbia

“Dad had been in Britain since 1950 — over twenty years — and for fifteen of those years he’d lived in
the South London suburbs. Yet still he stumbled around the place like an Indian just off the boat, and
asked questions like, ‘Is Dover in Kent?’ I’d have thought, as an employee of the British Government, as a Civil Service clerk, even as badly paid and insignificant a one as him, he’d just have to know these things. I sweated with embarrassment when he halted strangers in the street to ask directions to places that were a hundred yards away in an area where he’d lived for almost two decades.
But his naivete made people protective, and women were drawn by his innocence. They wanted to
wrap their arms around him or something, so lost and boyish did he look at times. Not that this was
entirely uncontrived, or unexploited. When I was small and the two of us sat in Lyon’s Cornerhouse
drinking milkshakes, he’d send me like a messenger pigeon to women at other tables and have me
announce, “My daddy wants to give you a kiss.”
Dad taught me to flirt with everyone I met, girls and boys alike, and I came to see charm, rather than
courtesy or honesty, or even decency, as the primary social grace. And I even came to like people who
were callous or vicious provided they were interesting. But I was sure Dad hadn’t used his own gentle
charisma to sleep with anyone but Mum, while married.
Now, though, I suspected that Mrs Eva Kay — who had met Dad a year ago at a ‘writing for pleasure’
class in an upstairs room at the King’s Head in Bromley High Street — wanted to chuck her arms around him. Plain prurience was one of the reasons I was so keen to go to her place, and embarrassment one of the reasons why Mum refused. Eva Kay was forward; she was brazen; she was wicked.
On the way to Eva’s I persuaded Dad to stop off at the Three Tuns in Beckenham. I got off the bus; Dad had no choice but to follow me. The pub was full of kids dressed like me, both from my school and from other schools in the area. Most of the boys, so nondescript during the day, now wore cataracts of velvet and satin, and bright colours; some were in bedspreads and curtains.”

 

Hanif Kureishi (Bromley, 5 december 1954)

 

De Engelse dichteres en schrijfster Christina Georgina Rossetti werd geboren in Londen op 5 december 1830. Zie ook alle tags voor Christina Rossetti op dit blog.

 

Bergop

Gaat deze weg soms helemaal bergop?
Als ik me niet vergis.
En is het een dag lopen tot de top?
Totdat het donker is.

Maar is er daar een slaapgelegenheid?
Ja, voor de lange uren van de nacht.
En in het duister vind ik die altijd?
Je ziet het eer je het verwacht.

Zal ik ook andere mensen daar ontmoeten?
Ja, hen die jou zijn voorgegaan.
Moet ik dan kloppen daar of stampen met mijn voeten?
Ze zullen je er heus niet laten staan.

En is het fijn daar als ik moe ben van het lopen?
Ze hebben daar voor jou hun best gedaan.
En mag men op een goede nachtrust hopen?
Ja, iedereen van overal vandaan.

 

Vertaald door H. F. H. Reuvers

 

Christina Rossetti (5 december 1830 – 27 december 1894)
Cover biografie

 

Zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn blog van 5 december 2018.