Rachilde, Johannes van Melle, Lydia Child, Marie-Joseph Chénier, Bernard de Fontenelle, Honoré d’Urfé, Rudolf Hans Bartsch

De Franse schrijfster Rachilde werd geboren als Marguerite Vallette-Eymery in Périgueux op 11 februari 1860. Zie ook alle tags voor Rachilde op dit blog.

Uit: Monsieur Vénus

« L’homme sentit le froid que laissait pénétrer la porte ouverte; il releva l’abat-jour de la lampe et se retourna.
—Est-ce que je me trompe, monsieur? interrogea la visiteuse, désagréablement impressionnée; Marie Silvert, je vous prie.
—C’est bien ici, madame, et, pour le moment, Marie Silvert, c’est moi.
Raoule ne put s’empêcher de sourire: faite d’une voix aux sonorités mâles, cette réponse avait quelque chose de grotesque, que ne corrigeait pas la pose embarrassée du garçon tenant ses roses à la main.
—Vous faites des fleurs? Vous les faites comme une vraie fleuriste!
—Sans doute, il le faut bien. J’ai ma sœur malade; tenez, là, dans ce lit, elle dort….. Pauvre fille! Oui, très malade. Une grosse fièvre qui lui secoue les doigts. Elle ne peut rien fournir de bon…; moi, je sais peindre, mais je me suis dit qu’en travaillant à sa place, je gagnerais mieux ma vie qu’à dessiner des animaux ou copier des photographies. Les commandes ne pleuvent guère, ajouta-t-il en matière de conclusion, mais je décroche le mois tout de même.
Il eut un haussement de cou pour surveiller le sommeil de la malade. Rien ne remuait sous les lis. Il offrit une des chaises à la jeune femme. Raoule serra autour d’elle son pardessus de loutre et s’assit avec une grande répugnance; elle ne souriait plus.
—Madame désire…? demanda le garçon, lâchant sa guirlande, pour fermer sa blouse, qui s’écartait beaucoup sur sa poitrine.
—On m’a donné, répondit Raoule, l’adresse de votre sœur en me la recommandant comme une véritable artiste. J’ai absolument besoin de m’entendre avec elle au sujet d’une toilette de bal. Ne pouvez-vous la réveiller?
—Une toilette de bal? oh! madame, soyez tranquille, inutile de la réveiller. Je vous soignerai ça… Voyons, que vous faut-il? des piquets, des cordons ou des motifs détachés?…
Mal à l’aise, la jeune femme avait envie de s’en aller. Au hasard, elle prit une rose et en examina le cœur, que le fleuriste avait mouillé d’une goutte de cristal:
—Vous avez du talent, beaucoup de talent, répéta-t-elle, tout en détirant les pétales de satin…
Cette odeur de pommes rissolées lui devenait insupportable. »

 

 
Rachilde (11 februari 1860 – 4 april 1953)
Cover

Lees verder “Rachilde, Johannes van Melle, Lydia Child, Marie-Joseph Chénier, Bernard de Fontenelle, Honoré d’Urfé, Rudolf Hans Bartsch”

Johan Harstad, Åsne Seierstad, Marjolijn van Heemstra, Derek Otte, Jac. van Hattum, Simone Trieder, Bertolt Brecht, Boris Pasternak, Carry-Ann Tjong-Ayong

De Noorse schrijver Johan Harstad werd geboren op 10 februari 1979 in Stavanger. Zie ook alle tags voor Johan Harstad op dit blog.

Uit: Darlah (Vertaald door Gabriele Haefs)

„Dieses Bild wurde von James Irwin von Apollo 15 auf dem Mond aufgenommen. Der Astronaut auf dem Foto ist David R. Scott.“
„Aber wer ist die andere Person im Hintergrund?“
„Das wissen wir nicht.“
„Das wisst ihr nicht? Was zum Teufel wird hier eigentlichgespielt?“
„Alles zu seiner Zeit, Johnson. Alle Informationen, um die du hier bittest, werden zugänglich gemacht werden, wenn wir einstimmig beschließen, das Projekt weiterzuverfolgen. Aber erst dann. Und jetzt lasst uns über etwas anderes reden. Wie erklären wir, dass wir seit vierzig Jahren einen unbenutzten Stützpunkt auf dem Mond haben, ohne dass irgendwer davon erfahren hat?“
„Unbenutzt? Willst du damit sagen, dass sich dort noch nie jemand aufgehalten hat?“‚ fragte einer der im Raum anwesenden Astronauten. »Was ist mit denen, die den Stützpunkt konstruiert haben?“
„Die waren nie dort. Sie haben die Module montiert, sie auf der Oberfläche aufgestellt und sind zur Erde zurückgekehrt.“
Ein Mann erhob sich und sagte mit einem dümmlichen Lächeln: „Wir lancieren das als Geschenk. Und erzählen, dass wir vierzig Jahre gebraucht haben, um alles zu testen und uns davon zu überzeugen, dass es perfekt funktioniert.“
„Tut es das?“‚ fragte ein anderer.
„Im Prinzip ja“, antwortete der Mann mit dem dämlichen Lächeln.
„Im Prinzip ist aber nicht gut genug, oder was?“
„Es muss reichen. Für mehr fehlt uns die Zeit. Wir können ja nicht gut eine neue Station bauen, oder? Wir müssen innerhalb der nächsten fünfzehn Jahre wieder hin, sonst ist es zu spät.“

 

 
Johan Harstad (Stavanger, 10 februari 1979)

Lees verder “Johan Harstad, Åsne Seierstad, Marjolijn van Heemstra, Derek Otte, Jac. van Hattum, Simone Trieder, Bertolt Brecht, Boris Pasternak, Carry-Ann Tjong-Ayong”

John Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Herman Pieter de Boer, Alice Walker, Jacques Schreurs, Amy Lowell, Maurits Sabbe

De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook alle tags voor John Coetzee op dit blog.

Uit: De kinderjaren van Jezus (Vertaald door Peter Bergsma)

“De man bij de poort wijst hen op een laag, vormeloos gebouw halverwege. ‘Als jullie haast maken,’ zegt hij, ‘kunnen jullie je melden voordat ze hun deuren voor de rest van de dag sluiten.’
Ze maken haast. ‘Centro de Reubicación Novilla’ staat er op het bord. Reubicación: wat betekent dat? Geen woord dat hij heeft geleerd.
Het kantoor is groot en leeg. Warm ook – nog warmer dan buiten. Aan de andere kant strekt een houten balie zich uit over de hele breedte van het vertrek, opgedeeld door matglazen ruiten. Tegen de muur een rij archiefladen van gelakt hout.
Boven een van de hokjes tussen glas hangt een bord: Recién Llegados, zwart gesjabloneerde woorden op een rechthoekig stuk karton. De baliebediende, een jonge vrouw, begroet hem met een glimlach.
‘Goedendag,’ zegt hij. ‘Wij zijn nieuwkomers.’ Hij spreekt de woorden langzaam uit, in het Spaans dat hij met moeite onder de knie heeft gekregen. ‘Ik ben op zoek naar werk, ook naar een plek om te wonen.’ Hij pakt de jongen onder zijn oksels en tilt hem op zodat ze hem goed kan zien. ‘Ik heb een kind bij me.’
Het meisje pakt de hand van de jongen. ‘Hallo, jongeman!’ zegt ze. ‘Is hij uw kleinzoon?’
‘Niet mijn kleinzoon, niet mijn zoon, maar ik ben verantwoordelijk voor hem.’
‘Een plek om te wonen.’ Ze werpt een blik op haar papieren. ‘We hebben een kamer vrij hier in het Centrum die u kunt gebruiken terwijl u naar iets beters zoekt. Luxe is het niet, maar dat vindt u misschien niet erg. Wat werk betreft, laten we daar morgenochtend naar kijken – u ziet er moe uit, u wilt vast wel uitrusten. Komt u van ver?’
‘We zijn de hele week onderweg geweest. We komen uit Belstar, uit het kamp. Bent u bekend met Belstar?’
‘Ja, ik ken Belstar goed. Ik ben zelf via Belstar gekomen. Heeft u daar uw Spaans geleerd?’
‘We hebben zes weken lang elke dag les gehad.’
‘Zes weken? Dan boft u. Ik was drie maanden in Belstar. Ik ging er bijna dood van verveling. Het enige wat me op de been hield waren de Spaanse lessen. Had u toevallig les van señora Piñera?’
‘Nee, wij hadden les van een man.’ Hij aarzelt. ‘Mag ik iets anders te berde brengen? Mijn jongen’ – hij werpt een blik op het kind – ‘voelt zich niet goed. Dat komt deels doordat hij van streek is, van streek en in de war, en niet goed gegeten heeft. Hij vond het eten in het kamp vreemd, niet lekker. Kunnen we ergens een fatsoenlijke maaltijd krijgen?’

 

 
John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)
Cover

Lees verder “John Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Herman Pieter de Boer, Alice Walker, Jacques Schreurs, Amy Lowell, Maurits Sabbe”

Kees Verheul

De Nederlandse schrijver, vertaler, slavist en essayist Kees Verheul werd geboren in Hengelo op 9 februari 1940. Verheul studeerde Engels en slavistiek aan de Universiteit Utrecht. Hij promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift “The theme of time in the poetry of Axmatova”. Hij was van 1979 tot zijn pensionering op 16 december 2005 docent Russische Letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Verheul vertaalde poëzie van Anna Achmatova, Osip Mandelstam, Innokenti Annenski en Joseph Brodsky, de memoires van Nadezjda Mandelstam en een aantal boeken van Andrej Platonov. Verheul was bevriend met Joseph Brodsky. Samen met Frans Kellendonk vertaalde hij Brodsky’s essaybundel “Less than One” (vertaald als: “Tussen iemand en niemand”). Hij droeg bij aan Russische vertalingen van poëzie van Martinus Nijhoff en Guido Gezelle en schreef in Russische tijdschriften over letterkundige onderwerpen. Ook publiceerde hij een aantal bundels met beschouwingen over Nederlandse en Russische letterkunde, dagboeken en het autobiografische boekje ‘Een vierkant in de toendra’. Hij schreef een aantal romans: “Kontakt met de vijand” (over zijn studietijd in Rusland), “Een jongen met vier benen” (een bildungsroman met homo- en pedoseksuele thematiek) en de (nog onvoltooide) familieromancyclus “De Tutcheffs“. Verheul leverde ook een bijdrage aan een cursus Russische literatuur voor middelbare scholen. In de Nederlandse letteren behoort Kees Verheul met Karel van het Reve, Nico Scheepmaker, Nicoline van der Sijs en Johan Daisne tot de slavisten die buiten hun oorspronkelijke vakgebied zijn getreden. In 1977 kreeg Verheul de Busken Huetprijs voor “Verlaat debuut en andere opstellen”. In 1991 kreeg Verheul, samen met een aantal collega-vertalers, de Aleida Schot-prijs voor vertalingen van poëzie van Joseph Brodsky.

Uit: Met Bennie spelen

“Mijn eerste schoolvriendje woonde in onze straat, vlakbij het spoorwegviadukt waar het boerse centrum van het dorp ophield en de villabuurt begon. Vóór de lagere school kende ik hem niet. De afstand tussen zijn huis en het mijne was net te groot om elkaar bij het op straat spelen met onze buurjongens tegen te komen. Wel zag ik hem soms voorbijlopen. Ik wist alleen dat hij een broertje was van een van de grote jongens die iedere dag met mijn broer van school naar huis kwamen en dat hij Bennie heette. Toen de juffrouw ons op de eerste schooldag één voor één liet vertellen waar we woonden, deed ze opgetogen alsof hij en ik bij elkaar hoorden. Toch bemoeiden we ons de eerste tijd niet met elkaar. We zaten aan verschillende kanten van de klas – ik ergens opzij, tussen meisjes en jongens die zelden lastig waren bij de les, hij in een van de voorste banken waar de juffrouw meteen in het begin de ergste lawaaischoppers had neergezet. Ook buiten, tijdens de spelletjes op het schoolplein of de klassewandelingen, was ik nooit dicht bij hem in de buurt. Hij sloot zich gewoonlijk aan bij een vast stel vriendjes – jongens die dialekt spraken, zich apart hielden van de rest en zo gauw ze de kans kregen schreeuwend met elkaar stoeiden en vochten. De ‘nette’ kinderen letten nauwelijks op hen. Het sprak nu eenmaal vanzelf dat ze anders waren: ruw en een beetje achterlijk, want als ze een beurt kregen moest zelfs de juffrouw vaak lachen om het antwoord. Op verjaardagspartijtjes van klasgenoten werden ze bijna nooit gevraagd.
Van dit groepje was Bennie de minst opvallende. Los van zijn kameraden leek hij zelfs een stille jongen. Bij de les zat hij onbeweeglijk in een hoek van zijn bank, diep voorovergebukt boven zijn uitgespreide ellebogen. Als hij opkeek had zijn gezicht een starre uitdrukking. Zijn ogen blonken grijs door de ronde glazen van zijn brilletje en zijn mond hing half open, net of hij ingespannen over iets nadacht. Meestal keek hij snel weer voor zich. Op de vragen van de juffrouw antwoordde hij lijzig, met een bijna onverstaanbare stem en als ze zei dat hij harder moest praten tuurde hij naar haar en kwam er, ook al maakte ze zich nog zo boos, geen woord meer uit hem. Zodra hij met zijn vriendjes speelde was zijn bedeesdheid weg. Op het schoolplein klonk zijn stem schel uit de ravottende kluwen die zich meteen na het buitenkomen achterin de rij had gevormd. Het begon al in de gang. Als de juffrouw even niet oplette duwde hij een van zijn vriendjes in de rug of lichtte hij hem bliksemsnel beentje. Bij het vechten verloor hij zelden van de anderen, hoewel hij verreweg de kleinste was, met bleke armen en benen, en tenger gebouwd.”

 
Kees Verheul (Hengelo, 9 februari 1940)

John Grisham, Elizabeth Bishop, Neal Cassady, Henry Roth, Eva Strittmatter, Gert Jonke, Robin Block, Jules Verne

De Amerikaanse schrijver John Grisham werd geboren in Jonesboro, Arkansas, op 8 februari 1955. Zie ook alle tags voor John Grisham op dit blog.

Uit: The Firm

“The senior partner studied the résumé for the hundredth time and again found nothing he disliked about Mitchell Y. McDeere, at least not on paper. He had the brains, the ambition, the good looks. And he was hungry; with his background, he had to be. He was married, and that was mandatory. The firm had never hired an unmarried lawyer, and it frowned heavily on divorce, as well as womanizing and drinking. Drug testing was in the contract. He had a degree in accounting, passed the CPA exam the first time he took it and wanted to be a tax lawyer, which of course was a requirement with a tax firm. He was white, and the firm had never hired a black. They managed this by being secretive and clubbish and never soliciting job applications. Other firms solicited, and hired blacks. This firm recruited, and remained lily white. Plus, the firm was in Memphis, of all places, and the top blacks wanted New York or Washington or Chicago. McDeere was a male, and there were no women in the firm. That mistake had been made in the mid-seventies when they recruited the number one grad from Harvard, who happened to be a she and a wizard at taxation. She lasted four turbulent years and was killed in a car wreck.
He looked good, on paper. He was their top choice. In fact, for this year there were no other prospects. The list was very short. It was McDeere or no one.
The managing partner, Royce McKnight, studied a dossier labeled “Mitchell Y. McDeere–Harvard.” An inch thick with small print and a few photographs, it had been prepared by some ex-CIA agents in a private intelligence outfit in Bethesda. They were clients of the firm and each year did the investigating for no fee. It was easy work, they said, checking out unsuspecting law students. They learned, for instance, that he preferred to leave the Northeast, that he was holding three job offers, two in New York and one in Chicago, and that the highest offer was $76,000 and the lowest was $68,000. He was in demand. He had been given the opportunity to cheat on a securities exam during his second year. He declined, and made the highest grade in the class. Two months ago he had been offered cocaine at a law school party. He said no and left when everyone began snorting. He drank an occasional beer, but drinking was expensive and he had no money. He owed close to $23,000 in student loans. He was hungry.”

 

 
John Grisham (Jonesboro, 8 februari 1955)

Lees verder “John Grisham, Elizabeth Bishop, Neal Cassady, Henry Roth, Eva Strittmatter, Gert Jonke, Robin Block, Jules Verne”

Charles Dickens, Gay Talese, Christine Angot, Pjeroo Roobjee, Emma McLaughlin, A. den Doolaard, Lioba Happel, Rhijnvis Feith, Joachim du Bellay

De Engelse schrijver Charles Dickens werd geboren op 7 februari 1812 in Landport. Zie ook alle tags voor Charles Dickens op dit blog.

Uit: Hard Times

“Now, what I want is, Facts.  Teach these boys and girls nothing but Facts.  Facts alone are wanted in life.  Plant nothing else, and root out everything else.  You can only form the minds of reasoning animals upon Facts: nothing else will ever be of any service to them.  This is the principle on which I bring up my own children, and this is the principle on which I bring up these children.  Stick to Facts, sir!’
The scene was a plain, bare, monotonous vault of a school-room, and the speaker’s square forefinger emphasized his observations by underscoring every sentence with a line on the schoolmaster’s sleeve. The emphasis was helped by the speaker’s square wall of a forehead, which had his eyebrows for its base, while his eyes found commodious cellarage in two dark caves, overshadowed by the wall. The emphasis was helped by the speaker’s mouth, which was wide, thin, and hard set. The emphasis was helped by the speaker’s voice, which was inflexible, dry, and dictatorial. The emphasis was helped by the speaker’s hair, which bristled on the skirts of his bald head, a plantation of firs to keep the wind from its shining surface, all covered with knobs, like the crust of a plum pie, as if the head had scarcely warehouse-room for the hard facts stored inside. The speaker’s obstinate carriage, square coat, square legs, square shoulders,—nay, his very neckcloth, trained to take him by the throat with an unaccommodating grasp, like a stubborn fact, as it was,—all helped the emphasis.
‘In this life, we want nothing but Facts, sir; nothing but Facts!’
The speaker, and the schoolmaster, and the third grown person present, all backed a little, and swept with their eyes the inclined plane of little vessels then and there arranged in order, ready to have imperial gallons of facts poured into them until they were full to the brim.”

 

 
Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870)
Standbeeld in Portsmouth

Lees verder “Charles Dickens, Gay Talese, Christine Angot, Pjeroo Roobjee, Emma McLaughlin, A. den Doolaard, Lioba Happel, Rhijnvis Feith, Joachim du Bellay”

Thomas von Steinaecker, Annelies Verbeke, Dermot Bolger, Felix Mitterer, Heinz Kahlau, Pramoedya Ananta Toer, John Henry Mackay, Ernst Wilhelm Lotz, Irmgard Keun

De Duitse schrijver en journalist Thomas von Steinaecker werd geboren op 6 februari 1977 in Traunstein. Zie ook alle tags voor Thomas von Steinaecker op dit blog.

Uit: Die Verteidigung des Paradieses

„Ich wache auf, ich habe Durst. Nicht nur ein bisschen, sondern Durst à la: Noch zehn Minuten, und ich bin tot. Es ist mitten in der Nacht. In meinem Zimmer haben meine Eltern den Homie, unseren Haus-Com-puter, ausgeschaltet, damit ich nicht an ihm herumspiele. Also muss ich hinüber zum Lichtschalter, und das, obwohl ich wirklich riesige Angst vor der Dunkelheit habe. Und wenn ich riesig sage, meine ich schrecklich. Ich nehme also all meinen Mut zusammen, steige aus dem Bett und stolpere los. Bei jedem Schritt kleben meine nackten Füße kurz am Parkettboden fest. Dazu taucht in meinem Kopf ein absolut unheimliches Bild auf: wie sich die Haut der Sohlen in die Länge zieht. Endlich ertaste ich an der Wand den Schalter. Für einen Moment hatte ich befürchtet, ich befände mich gar nicht in meinem Zimmer, sondern in einer gewaltigen, leeren Halle ohne Ausgang auf einem fremden Planeten. Aber da ist der Schalter, ich wische darüber, und es ist mein Zimmer, auf dem Boden liegt mein Spielzeug, da steht mein Kleiderschrank, da mein Tisch mit dem Mal-Screen. Trotzdem sieht im elektrischen Licht alles anders aus als tagsüber. Als wäre hier gerade eben erst etwas geschehen, das nichts für Kinder ist. Im hellen Kegel, der aus meiner Tür in den Flur fällt, husche ich los, am Zimmer meiner Eltern und dem meines kleinen Bruders vorbei, vorbei am Erbstück, dem Wandteppich, der eine golden schimmernde Stadt mit Zinnen und Türmen zeigt. Endlich in der Küche, rufe ich außer Atem: »Licht!« Sofort führt der Homie meinen Befehl aus. Ich muss mich auf die Zehenspitzen stellen, um den Kühlschrank zu öffnen, strecke mich nach der Milchpackung, jetzt habe ich sie, sie ist schwerer als gedacht, aber heute rutscht sie mir nicht aus der Hand so wie letztes Mal. Ich drücke die Lasche auf. Leise ploppend zerplatzt eine durchsichtige Blase in der dreieckigen Öffnung. Das Hologramm auf der Packung ist Schönheit deluxe:“

 

 
Thomas von Steinaecker (Traunstein, 6 februari 1977)

Lees verder “Thomas von Steinaecker, Annelies Verbeke, Dermot Bolger, Felix Mitterer, Heinz Kahlau, Pramoedya Ananta Toer, John Henry Mackay, Ernst Wilhelm Lotz, Irmgard Keun”

Geert Buelens, William S. Burroughs, Ruth Lasters, Joris-Karl Huysmans, Terézia Mora, Philip Weiss, Luc Indestege, Rikkert Zuiderveld, Laurens Hoevenaren

De Vlaamse dichter, essayist en columnist Geert Buelens werd geboren in Duffel op 5 februari 1971. Zie ook alle tags voor Geert Buelens op dit blog.

 

Einde van de horizon (Klassenstrijd)

En toen
in de winter van de schemering
werden we ingehaald door de geschiedenis

Het schuim ging plots rotten
het platte bleek in schuifjes
onderverdeeld en niet langer
stonden we naast elkaar
te blinken

Zo voelt het
pletten van de tijd

het rustig voortschokkelen
komt aan zijn eind
Al wat we zien

is ongewis

 

Landkaartverkleining (Systeemcrisis)

Je was er even uit
toen het land vervaarlijk ging
verzakken

Daar was bewust op aangestuurd, natuurlijk
we kennen wie daarop uitwas
allen liefhebbers van
de grootheid van ons volk
ook als het daarvoor
kleiner moet worden gemaakt

Nooit kreunde het onder de hitte
zelden leek het voldaan met zichzelf
een groot gevoel van gemis
ging ervan uit
door geen frituur op te vullen
door geen president te redden
door geen seismische schok te verschuiven

 

 
Geert Buelens (Duffel, 5 februari 1971)

Lees verder “Geert Buelens, William S. Burroughs, Ruth Lasters, Joris-Karl Huysmans, Terézia Mora, Philip Weiss, Luc Indestege, Rikkert Zuiderveld, Laurens Hoevenaren”

Reto Finger, Clara Müller – Jahnke, Johan Ludvig Runeberg, Henriette Hardenberg, Albert Paris Gütersloh, Madame de Sévigné, Honorat de Bueil, Sandra Paretti, Rudolf Lorenzen

De Zwitserse schrijver Reto Finger werd geboren op 5 februari 1972 in Bern. Zie ook alle tags voor Reto Finger op dit blog.

Uit: Kaltes Land

„PFARRER Ein Licht ist das.
Als würde Macolvi den Petrus würgen.
Ich habe dem Sigrist gesagt, dass es schneien wird.
Wie das ausschaut im Frühling, wenn die Gräber nicht eingewintert waren.
VATER Nein-
PFARRER Um deins brauchst du dir keine Sorgen zu machen. Da habe ich ein Auge drauf.
VATER Solange der Föhn so drückt, schneit es nicht, Herr Pfarrer.
PFARRER Schickst mir die Hanna rauf, wir legen ein paar Tannäste darauf.
VATER Ich sollte es ihr sagen.
PFARRER Die Hanna und ich werden das Grab herrichten, dass es eine Freude sein wird.
VATER Ich sollte es ihr sagen, der Mutter.
PFARRER Fünf, sechs Äste legen wir drauf.
VATER Das mit dem Melk.
Ich sollte es ihr sagen.
PFARRER Die einzige Weißtanne auf dem ganzen Friedhof. Das wird ein Schauen, dass der Kathrin das Herz aufgeht.
VATER Sie glaubt noch immer, der Bub sei an Schwermut gestorben.
PFARRER „Folge mir und lass die Toten die Toten begraben.“
VATER Ich habe den Melk klettern sehen. Ich sage Ihnen, wie eine Gämse ist er die Felswand hoch
PFARRER Der Melk war schwermütig.
VATER Es gibt keine schwermütigen Gämsen_ Herrgott noch mal.
Dass der Tag, an dem der Melk gestorben isL‚ in diesem Jahr auf den Totensonntag fällt und die Mutter noch immer glaubt, er sei an Schwermut gestorben, und mit mir zum Friedhof will, das ist des Teufels später Spott.“

 

 
Reto Finger (Bern, 5 februari 1972)
Scene uit een uitoering in Hittisau, 2016

Lees verder “Reto Finger, Clara Müller – Jahnke, Johan Ludvig Runeberg, Henriette Hardenberg, Albert Paris Gütersloh, Madame de Sévigné, Honorat de Bueil, Sandra Paretti, Rudolf Lorenzen”

Jan Prins

De Nederlandse dichter en vertaler Jan Prins (pseudoniem van Christiaan Louis Schepp) werd geboren in Rotterdam op 5 februari 1876. Literair-historisch wordt hij gesitueerd in de kring rond het tijdschrift De Beweging van Albert Verwey. Het was echter in het tijdschrift De XXe eeuw dat Prins in 1903 als dichter debuteerde. Zijn eerste poëziebundel Tochten verscheen acht jaar later, in 1911. Daarin staat zijn bekendste gedicht, ‘De bruid’, waarvan de eerste en de laatste strofe worden afgesloten met de vaak geciteerde regels “De bruigom is de lentezon / en Holland is de bruid”. In 1896 werd Prins benoemd tot marine-officier tot hij in 1924 om gezondheidsredenen werd afgekeurd voor actieve dienst. Zijn zeereizen hadden hem toen al verschillende malen naar Nederlands-Indië gebracht. Zijn indrukken over dit land en zijn bevolking legde hij vast in een aantal verzen die nog tijdens zijn leven werden verzameld onder de titel Indische gedichten (1932). Prins maakte zich ook verdienstelijk als literair vertaler. Hij vertaalde onder meer de fabels van Jean de La Fontaine en toneelstukken van Racine en Molière. Op latere leeftijd volgde hij privélessen Grieks bij P.C. Boutens (1926) en ging hij ook klassieke teksten vertalen, waaronder Plato’s Timaeus (1937). Prins heeft in zijn poëzie meermaals zijn liefde betuigd voor zijn geboortestad Rotterdam. Deze gedichten werden in 1946 door Alfred Kossmann bijeengebracht en van een korte inleiding voorzien in de bundel “De stad waar men is kind geweest”

De bruid

De lucht, over de jonge dag,
Was helderder dan ooit.
Iets ongewoon-verblijdends lag
In weide en veld gestrooid.
De torenklok zong, wat ze kon,
De vlaggen staken uit:
De bruigom was de lentezon
En Holland was de bruid.

Ze was des morgens opgestaan,
Een ranke, frisse meid.
Ze deed haar gazen sluier aan
van dunne dauwigheid.
Ze stak zich van de perenboom
De bloesem in het haar,
Die witter dan een winterdroom
Is, – wonder, wonderbaar.

Ze deed een gladde gordel om
Van zilverig allooi,
Van zuivre waterglans, – wat glom
Die ronde gordel mooi!
Toen hechtte ze als een donzen vacht
Aan haar satijnen kleed
De schuimrand die de zee haar bracht.
Toen was de bruid gereed.

Een ooievaar trad op de deel,
Gewichtig, met zijn stok.
De merel was in zwart fluweel,
De zwaluw kwam in rok.
Toen keken, daar ’t zó prachtig was –
En Holland is de bruid, –
De madeliefjes in het gras
Haar gouden oogjes uit.

De bruigom is een edel man,
De bruid is jong en sterk.
Daar komen schone kinders van
En blijdschap bij het werk.
De bruid, – waar zag men weker leest,
Een vriendelijker mond, –
De bruid, – die maakten zeewind meest
En ruimte zo gezond.

Nu komt ze met haar lief gezicht
De bruigom tegemoet.
Wat is de hemel wijd, – en licht,
Wat is het leven goed!
De wereld is een wonderbron
Van telkens nieuw geluid.
De bruigom is de lentezon
en Holland is de bruid.

 

Geboortestad

Is dit mijn stad? De welvaart is voorbij,
De schepen liggen rottend in de haven
En door het touwwerk vliegen zwarte raven:
Het is gedaan met vloot en visscherij.
Waar is het volk van dit verloopen tij?
Men zag het vroeger langs de kaden draven,
Het is vergeten nu of reeds begraven,
Prooi van zijn laatst, onheelbaar averij.
Voorgoed gedaan? Vergeefs gekalefaterd?
Daar ligt een schip, waarop ‘Vertrouwen’ staat,
Ik zie een jongen, turend over ’t water.
Vertrouw, mijn stad: nòg stroomt de Maas voorbij
En dit is sterker dan uw averij:
De trek naar zee, een jongensdroom voor later.

 
Jan Prins (5 februari 1876 – 9 februari 1948)