Kazim Ali

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

 

Golden Boy

Almost afraid I am in the annals of history to speak
And by speaking be seen by man or god
Such then debt in light be paid

Atop the Manitoban parliament building in Winnipeg
What beacon to dollars food or god
I hallow starvation

This nation beneath the body hollowing
Its stomach to emptiness and in breadth
The river empties

Who sew spoke the craft born along
Long echo and echelon grains of light
And space we width one and other weight

The soul not the spirit breathe through
Spirited went or wend why true
Weave woe we’ve woven

A dozen attempts these tents pitched
On the depth be made biped by pen may
Perch atop the temple pool

Proven the prove these richness wheat and
Cherries and prunes what washes
Over woven ocean

Frayed I am most sir desired
Sired in wind seared and warned
Once in wild umiyak sworn

We parley to mend be conned be bent
Come now called to document your
Meant intent your indented mind

Haul oh star your weight in aeons
There in prayer money morrow more
You owe and over time god spends

The spent river melt into
Summer sound out the window
Sound out the spender

Where does the river road end
In what language can prayer or
Commerce be offered

Ender of senses pensive atop
Plural spires be spoken or mended
Broken and meant for splendor my mentor

 

Nachtgebed

Ik heb jaren in de buurt van het archief gewoond, maar heb het nooit gelezen.
In plaats daarvan liet ik om middernacht brieven, gevouwen als boten, in de stroom vallen.

De witte lijnen van een kaart meerden me eraan vast.
Vanaf dat moment had ik dorst, denkend aan mijn eerdere dorst.

Stilstaand bij de vensterbank van het raam, wilde ik weten
wie er op de uitkijk stond. Maar hoe kan een raam antwoorden?

Al mijn maritieme missieven werden tussen kaart en maalstroom geworpen,
en als ik ooit zou durven te bidden voor iets echts

zou het zijn voor het lessen van mijn dorst of voor onlesbare dorst –

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e april ook mijn blog van 6 april 2020 en eveneens mijn blog van 6 april 2019.

An Easter Flower Gift (John Greenleaf Whittier)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen! 

 

Arum Lilies (Easter Flowers) door Theodore Garman, 1949

 

An Easter Flower Gift

O dearest bloom the seasons know,
Flowers of the Resurrection blow,
Our hope and faith restore;
And through the bitterness of death
And loss and sorrow, breathe and breath
Of life forevermore!

The thought of Love Immortal blends
With fond rememberances of friends;
In you, O sacred flowers,
By human love made doubly sweet,
The heavenly and the earthly meet,
The heart of Christ is ours!

 

John Greenleaf Whittier (17 december 1807 – 7 september 1892)
Sacred Heart Church in Haverhill, Massachusetts de geboorteplaats van John Greenleaf Whittier

 

Zie voor nog meer gedichten over Pasen ook alle tags voor Pasen op dit blog.

Zie voor de schrijvers van de 5e april ook mijn blog van 5 april 2020 en eveneens mijn blog van 5 april 2019 en ook mijn blog van 5 april 2018 en eveneens mijn blog van 5 april 2016.

Easter 2020 (Malcolm Guite)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen! 

 

De Verrijzenis door Aernout Vinckenborgh, ca. 1618

 

Easter 2020 (Malcolm Guite)

And where is Jesus, this strange Easter day?
Not lost in our locked churches, anymore
Than he was sealed in that dark sepulchre.
The locks are loosed; the stone is rolled away,
And he is up and risen, long before,
Alive, at large, and making his strong way
Into the world he gave his life to save,
No need to seek him in his empty grave.

He might have been a wafer in the hands
Of priests this day, or music from the lips
Of red-robed choristers, instead he slips
Away from church, shakes off our linen bands
To don his apron with a nurse: he grips
And lifts a stretcher, soothes with gentle hands
The frail flesh of the dying, gives them hope,
Breathes with the breathless, lends them strength to cope.

On Thursday we applauded, for he came
And served us in a thousand names and faces
Mopping our sickroom floors and catching traces
Of that corona which was death to him:
Good Friday happened in a thousand places
Where Jesus held the helpless, died with them
That they might share his Easter in their need,
Now they are risen with him, risen indeed.

 

Malcolm Guite (Ibanda, 12 november 1957)
Oritamefa Baptist Church in Ibadan, Nigeria, de geboorteplaats van Malcolm Guite

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e april ook mijn blog van 4 april 2020 en eveneens mijn blog van 4 april 2019 en ook mijn blog van 4 april 2017 en ook mijn blog van 4 april 2015 deel 2.

Das leere Grab (Kurt Marti)

 

Bij Stille Zaterdag

 

Die drei Marien am Grab door Peter von Cornelius, tussen 1815 en 1822  

 

Das leere Grab

ein grab greift
tiefer
als die gräber gruben

denn ungeheuer
ist der vorsprung tod

am tiefsten
greift
das grab, das selbst
den tod begrub

denn ungeheuer
ist der vorsprung leben.

 

Kurt Marti (31 januari 1921 – 11 februari 2017)
De Drievuldigheidskerk in Bern, de geboorteplaats van Kurt Marti

 

 

Zie ook alle tags voor Stille Zaterdag op dit blog.

Zie voor de schrijvers van de 3e april ook mijn blog van 3 april 2020 en eveneens mijn blog van 3 april 2019 en ook mijn blog van 3 april 2017 en ook mijn blog van 3 april 2016 deel 2.

Goevrijdag (Guido Gezelle), Johannes Bobrowski

 

Bij Goede Vrijdag

 

De kruisiging door Jacob Jordaens, ca. 1617 – 1620

 

Goevrijdag

‘s Goevrijdags ratel, rauwgetand,
dwersdoor de kerke relt,
terwijl het volk, stilzwijgende, om
den autaar neêrgeveld,
den God aanbidt, dien Golgotha
zag sterven, naakt en bloot,
‘s goevrijdags, op den schandeboom,
de schandelijkste dood.

De ratel relt de kerke door,
noch koper nu noch brons
en hoore ik, ook den orgel niet:
men bidt den “Vader ons.”
En al mijn bloed verkruipt, wanneer
ik, spraakloos, in den choor,
het kraken van de bergen… neen
den houten ratel hoor.

Het autaarkleed is afgedaan,
het wierookvat gebluscht,
de lichten al gestorven, en
de ratel zelve rust;
‘t houdt alles op, de zonne schijnt
te vragen, ongetroost,
of morgen zij nog heffen zal
heur aanzichte, in den oost.

Als vader sterft, de kinderen
vergâren om de spond
des stervenden, en knielen daar,
en bidden, in de grond:
zoo knielen, in de kerken, in
de huizen nu, vereend,
de menschen, en, in stilte, wordt
gebeden en geweend.

‘t Is dood nu al: God zelve stierf
de dood! Wie dierve er, ach,
schier leven, in de droefheid van
dien al te droeven dag?
Geen woord en zij gesproken meer:
ons Heere hangt en bloedt,
gekropen zij ten kruise nu,
gebiddaagd en geboet!

 

Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
De Onze-Lieve-Vrouwekerk in Brugge, de geboorteplaats van Guido Gezelle

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

 

Steeds weer te benoemen

Steeds weer te benoemen:
de boom, de vogel in zijn vlucht,
de rossige rotswand, waar de stroom
trekt, groen, en de vis
in de witte rook, als over de bossen
de duisternis neervalt.

Tekens, kleuren, het is
een spel, ik ben bekommerd
of het wel afloopt
gerechtig.

En wie leert mij
wat ik vergat: van de stenen
de slaap, de slaap
van vogels in hun vlucht, van de bomen
de slaap, in het donker
gaat hun gesprek -?

Was er een god
en in het vlees,
en kon mij roepen, ik zou
rondlopen, ik zou
wachten een tijd lang.

 

Vertaald door C. O. Jellema

 

Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)

 

Zie voor de schrijvers van de 2e april ook mijn blog van 2 april 2020 en eveneens mijn blog van 2 april 2019 en ook  mijn blog van 2 april 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Maundy Thursday (Wilfred Owen), Jay Parini

 

Bij Witte Donderdag

 

De voetwassing door Giotto in de Cappella degli Scrovegni (Arenakapel), Padua, 1304-06

 

Maundy Thursday (Wilfred Owen)

Between the brown hands of a server-lad
The silver cross was offered to be kissed.
The men came up, lugubrious, but not sad,
And knelt reluctantly, half-prejudiced.
(And kissing, kissed the emblem of a creed.)
Then mourning women knelt; meek mouths they had,
(And kissed the Body of the Christ indeed.)
Young children came, with eager lips and glad.
(These kissed a silver doll, immensely bright.)
Then I, too, knelt before that acolyte.
Above the crucifix I bent my head:
The Christ was thin, and cold, and very dead:
And yet I bowed, yea, kissed – my lips did cling.
(I kissed the warm live hand that held the thing.)

 

Wilfred Owen (18 maart 1893 – 4 november 1918)
St Oswald’s Church, Oswestry, Shropshire, de geboorteplaats van Wilfred Owen

 

De Amerikaanse schrijver, dichter en essayist Jay Parini werd geboren in Pittston op 2 april 1948. Zie ook alle tags voor Jay Parini op dit blog.

 

Onder nul

IJsbloemblaadjes op de bomen.
De driftige zwarte mussen stromen over
het bevroren gazon.
De wind wacht geduldig achter de schuur.

Hoewel ik hier mezelf niet ben, is dat in orde.
Ik ben mijn naam kwijt,
mijn laatste adres, het probleem
dat me deze winterweek elke nacht heeft wakker gehouden.

Zo’n lange tijd komt eraan,
deze witte tijdloze tijd in de tijd,
met nul tot op het bot,
het beste wat je ooit zou kunnen zeggen.

Ik sta hier in de open lucht,
vol stro, losse ledematen, ongedempt.
Niemand is hier, ik ook niet,
deze winterochtend die eeuwig duurt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jay Parini (Pittston, 2 april 1948)

 

Zie voor de schrijvers van de 1e april ook mijn blog van 1 april 2020 en eveneens mijn twee blogs van 1 april 2019 en ook mijn blog van 1 april 2018 deel 2.

Stefan Hertmans, Nichita Stănescu

De Vlaamse dichter, schrijver en essayist Stefan Hertmans werd geboren in Gent op 31 maart 1951. Zie ook alle tags voor Stefan Hertmans op dit blog.

Uit: De opgang

“Het was in het eerste jaar van het nieuwe millennium dat ik een boek in handen kreeg waaruit ik begreep dat ik twintig jaar in het huis van een voormalige ss-man had gewoond. Niet dat ik geen signalen had gekregen: zelfs de notaris had me, op de dag dat ik het huis met hem bezocht, terloops op de vorige bewoners gewezen; ik had er toen weinig aandacht voor. Misschien verdrong ik het ook, doordrenkt als ik jarenlang was geweest van de pijnlijke gedichten van Paul Celan, de getuigenissen van Primo Levi, de talloze boeken en documentaires die je sprakeloos achterlieten, de onmogelijkheid van een hele generatie om het ondenkbare te beschrijven. Nu zag ik mijn intieme herinneringen doordrongen raken van een werkelijkheid die ik me amper kon voorstellen, maar die ik ook niet meer kon wegduwen. Het was alsof er schimmen opdoemden in de kamers die ik zo goed had gekend; ik wilde ze vragen stellen, maar ze liepen dwars door me heen. Niets stond me zozeer tegen dan schrijven over het soort mens dat nu als een spook door mijn eigen leven begon te banjeren. Ik zag de dag voor me waarop ik het huis voor het eerst had opgemerkt. Dat moet in de late zomer van 1979 zijn geweest. Ik liep door een stoffig stadsparkje waaraan een rij oude huizen paalde; de achtertuintjes hadden een hek waardoor je naar binnen kon kijken. Om de roestige spijlen van één ervan slingerde zich een blauweregen met dikke, bijna zwarte takken. Enkele late bloemtrossen hingen bestoft neer, maar de geur trof me diep – hij bracht me terug naar de verwilderde tuin van mijn kinderjaren; ik ging nieuwsgierig door het hek staan kijken. Ik zag een verwaarloosd stadstuintje waar een slanke esdoorn opschoot te midden van ondefinieerbare rommel, een kolenhok met een restje hakhout onder een laag zwart stof, een vijftal meter verderop het gebroken raam van het vervallen achterhuis, ernaast een veranda met een hoog boograam dat uitzicht bood op de verre voorzijde van het huis. Ik keek dwars door de donkere, lege kamers. Het licht aan de voorzijde schemerde vaag en veraf.
Er ging een vreemde opwinding door me heen; ik liep het park uit, het blokje om en kwam in een somber straatje van een oude wijk terecht. Het bleek om een groot burgerhuis te gaan met een pokdalige gevel, waarin het vocht zich decennialang een weg had gevreten. Het pand met zijn hoge ramen en afgebladderde voordeur had betere tijden gekend; het stond duidelijk al een aantal jaren leeg. Aan een van de ramen hing een koopbrief die gerimpeld was door condens. Het begon te miezeren zoals het alleen in oude steden miezeren kan; de koperen klep van de brievenbus klapperde even mistroostig in een windvlaag.”

 

Stefan Hertmans (Gent, 31 maart 1951)

 

De Roemeense dichter en essayist Nichita Stănescu werd geboren op 31 maart 1933 in Ploieşti. Zie ook alle tags voor Nichita Stănescu op dit blog.

 

De hiëroglief

Wat een eenzaamheid
om geen betekenis te vinden
als er een betekenis is

en wat een eenzaamheid
om blind te zijn in het volle daglicht, –
en doof, wat een eenzaamheid,
temidden van het aanzwellen van een lied

maar om niets te begrijpen
als er geen betekenis is,
en om midden in de nacht blind te zijn,
en doof als de stilte compleet is, –
oh, eenzaamheid in eenzaamheid!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nichita Stănescu (31 maart 1933 – 13 december 1983)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e maart ook mijn blog van 31 maart 2020 en eveneens mijn drie blogs van 31 maart 2019. 

Gerrit Komrij, Milton Acorn

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus, polemist en toneelschrijver Gerrit Komrij werd geboren op 30 maart 1944 in Winterswijk. Zie ook alle tags voor Gerrit Komrij op dit blog.

 

Een verre reis

Je ging, gezeten in een emmer, naar een
Zekere streek op reis, waar enkel grote,
Pokdalige dokters en goede heelkruiden waren.
Dat was een reis, die je nooit heeft verdroten.

Je was immers een emmer vol ziekte. Ja,
Een door en door krank vat, en je zocht
Beterschap. Er vloog jou een regen achterna
Van scheldwoorden van het grauw. Maar toch,

Je zocht beterschap, al het krapuul ten spijt.
En waarlijk, je kreeg hoestsiroop, en vond
Een heilzaam gewas, genas, maar sinds die tijd
Kreeg je de emmer nooit meer van je kont.

 

De vrouw in de kunst

Mevrouw haat mannen die haar met hun blik
Verslinden en haar niettemin laag aanslaan.
Zij toeft graag daar, waar met een hoofse knik
Haar slappe vlees gehuldigd wordt door maan-

Zieke artiesten, die in haar gelaat waarderen
dat het nog steeds van Voren Boven ligt.
Of ik, zo vraagt ze, ook vind dat deze wereld
Geenszins de echte is? en of ik Hans’ gedichten

(‘Die zachte Hans’) niet groots, experimenteel
En kosmisch acht? Ik antwoord met een glunder,
Doch strak gezicht: Mevrouw, ik ben uw tegendeel:
‘k Hou meer van spier-dan van gedichtenbundels.’

 

De zittende politicus

Hij heeft nog nooit gedanst. Hij kent zijn doel.
Nog nooit is op zijn vale klerkensmoel
Zomaar een lach verschenen, maar die nacht,
Nadat de gek de nar had omgebracht,
Kroop hij zijn bed uit, glimmend van de pret,
En maakte onbespied een pirouette.
Dank, dank, riep hij, het monster is geveld.
Hij oefende het woord ‘geschokt’ voor morgen
En sliep als twintig ossen kunnen slapen.
Straks is hij, voor de camera, vol zorgen.
Natuurlijk is hij zwaar tegen geweld.
Daar klinkt verdomd weer zijn belegen lied.
Hij loopt op straat, ondraaglijk rechtschapen,
En ziet nog steeds het echte monster niet.

 

Gerrit Komrij (30 maart 1944 – 5 juli 2012)
Portret door Peter Klashorst, z.j.

 

De Canadese dichter Milton James Rhode Acorn werd geboren op 30 maart 1923 in Charlottetown, Prince Edward Island. Zie ook alle tags voor Milton Acorn op dit blog.

 

Leef met mij op aarde onder de onzichtbare daglichtmaan

Leef met mij op aarde tussen rode bessen en de lijsters
En lommerrijke jonge twijgen die fluisteren
Binnen zulke kleine ruimtes, tussen zulke groene beddingen, zulke
…… figuren in de wolken
Dat twee van ons ons leven zouden kunnen vullen met een delicaat verlangen:

Waar sterren voorbij het sparrenbos zich vermengen met vuurvliegjes
Of het daglandschap duizend tinten licht terugwerpt naar de
…… zon-
Wees een van de kleuren van een liefhebber van de aarde;
Loop met me mee en bedek soms je schaduw met de mijne.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Milton Acorn (30 maart 1923 – 20 augustus 1986)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e maart ook mijn blog van 30 maart 2020 en eveneens mijn blog van 30 maart 2019 en ook mijn blog van 30 maart 2018 en mijn blog van 30 maart 2017 en eveneens mijn blog van 30 maart 2014 deel 2 en ook deel 3.

Geert van Istendael, R. S. Thomas

De Vlaamse schrijver, dichter en essayist Geert van Istendael werd geboren in Ukkel op 29 maart 1947. Zie ook alle tags voor Geert van Istendael op dit blog.

 

Stationsbuurt. avond

De treinen op de brug, de klok, signalen,
een spoorstation. Gestuurde regelmaat,
die mij niet baat. Ik zal de weg verliezen,
mijn wegen zijn niet recht, ik wil de straat.
Haar sporen wisselen altijd, vervagen,
een steeds weer onberekenbare raad
van steen aan schoenen.
Ramen zullen dof,
gevels lepreus en deuren verveloos zijn.
Die deur hier staat niet dicht. Ze pleegt verraad.
Het koude lokken van een lege gang,
herhaalde vragen van een kale trap.
Daarbinnen woekeren gedempt de talen.
Buiten wordt iets geroepen. Het wordt donker.
Zomer. Ik weet niet wat me te wachten staat.

 

Centrum

Lopen dus maar, de stad door. Zien wat komt,
een mengsel van vermoeidheid en verlangen.
Bij kunstlicht zijn gebouwen rijke vrienden,
de duisternis vermomt ze als despoten.
Maar zwijgen is een plicht van steen. Een mond
is ons, niet hun gegeven. En ik zwijg.
Mijn oren vullen zich met stad, mijn vel
betast de warmte. Ik loop. Toch is er wachten
in mijn hoofd. Op wat? ’s Nachts, zomers, gromt
de stad. Op wat? Ik weet het niet. Het komt.

 

Bar

Licht binnen is verlokking. Luxe dreigt.
Een stem klinkt elektronisch laag. Ze vleit.
Iets broeierigs, iets zieks waakt daar. Iemand
staat tussen flessen, lampen, duur te kijken.
Zijn pak is nacht, zijn overhemd is krijt.

Warm is het hier. Je ziet het vast tapijt.
Muziek likt giftig, lucht is gas, mijn glas
een dosis dood. De gladde binnenkant
van steden ademt onherbergzaamheid.
Ik kijk. Moet slikken. Tranen? Misselijkheid?

 

Geert van Istendael (Ukkel, 29 maart 1947)

 

De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas werd geboren op 29 maart 1913 in Cardiff. Zie ook alle tags voor R. S. Thomas op dit blog.

 

Bosbewoners

Mannen die nauwelijks aan hun houding
in de baarmoeder
zijn ontrold. Naakt. Hoofden gebogen, niet
in gebed, maar in contemplatie
over de aarde waar ze vandaan kwamen,
die hen zoogde met de bruine
melk die bot opbouwt, geen hersenen.

Wie riep hen weg om in het groene licht,
te lopen, hun gedachten
bij duisternis? Hun vrouwen,
die geen Madonna’s zijn, hebben baby’s
aan de borst met het wijze,
door de tijd geteisterde gezicht van het Christus
kind in een schilderij van een Florentijnse

meester. De krijgers bereiden met liefdevolle zorg
gif voor de Sebastiaans
van hun pijlen. Zij hebben geen
God, maar volgen de tegenstrijdigheden
van een ritueel dat zegt
dat het leven moet sterven opdat het leven
kan doorgaan. Ze dragen bloemen in hun haar.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

R. S. Thomas (29 maart 1913 – 25 september 2000)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e maart ook mijn blog van 29 maart 2020 en eveneens mijn blog van 29 maart 2019 en ook mijn blog van 29 maart 2015 deel 2.

Palm Sunday (Eugene Gloria), Ada Limón

 

Bij Palmzondag

 

De intocht van Christus in Jeruzalem door Jan van Scorel, ca. 1526

 

Palm Sunday

Always the sky keeps expanding.
Wide as America’s brave margins,
wide as my loneliness in the Middle West.
I lean against a dust cloud behind us,
the glory sinking into a muted timberline.
I am drunk with longing. The wind is singing—

my drunken friend, the wind, hurls
sweet curses at my face.
We have learned to love
this road, which lies down like pythons,
refuses to forgive our excesses,
refuses to consider us kin. Our driver’s

sign overhead reads, Jesus is my co-pilot.
Jesus who crossed the city
gates of his ancestors
on a road carpeted by palms.
Our goodtime driver must know this—
he drives with abandon,

despite our fragile cargo: scholars and accountants,
prophets and exiles all the same to him.
The road, which suggests things, is tired of ceremony.
It lies down to sleep like the snow.
Lie down TallMountain, lie down
Serafin Syquia, lie down Li-Young, lie
down Divakaruni, lie down Eman Lacaba,
lie down pilgrims of the open road.
Shameless, we gather our light
jackets in balls. We rest our heads,
our faces upturned to a squall of stars.
I near the end, my soul recites.

O loneliness, my body responds.
This empty road is a house
where no one lives. What strange fire
we bring when we come to this house.

 

Eugene Gloria (Manila, 1957)
De kathedraal van Manilla

 

De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.

 

Het contract zegt: we willen dat het gesprek tweetalig is

Als je komt, breng dan je bruin-
zijn mee zodat we er zeker van kunnen zijn dat we de financiers

zullen behagen. Wil je dit vakje?
aanvinken?; we vragen een beurs aan.

Heb je gedichten die ongedurige tieners
aanspreken? Tweetalige zijn het beste.

Wil je komen eten
met de sponsors en van Patrón nippen?

Kun je ons de verhalen vertellen die ons
ongemakkelijk maken, maar niet medeplichtig?

Lees niet dat ene voor waarin jij net
bent als wij. Geboren in een groen huis,

tuin, vertel ons niet hoe je tomaten
hebt geplukt en opat in de modder,

terwijl je keek hoe gieren op de weg de botjes
van een andere vogel kapot pikten. Vertel ons dat ene

over je vader, die wieldoppen stal,
nadat een collega had gezegd dat het dat was wat

zijn soort deed. Vertel ons hoe hij naar
de bijeenkomst kwam met een poncho aan

en probeerde de man zijn wieldoppen terug
te verkopen. Vermeld niet dat je vader

leraar was , Engels sprak, hield van
bier maken, hield van honkbal, vertel ons

opnieuw over de poncho, de wieldoppen,
hoe hij ze stal, hoe hij datgene deed,

waarvan hij wilde aantonen dat hij het niet deed.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ada Limón (Sonoma, 28 maart 1976)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e maart ook mijn blog van 28 maart 2020 en eveneens mijn blog van 28 maart 2019 en ook mijn blog van 28 maart 2017 en ook mijn blog van 28 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.