April (William Stanley Braithwaite), Sandro Veronesi, Jay Parini

 

Bij het begin van de maand april

 

April Skies door William Wendt, 1910

 

April

At morn when light mine eyes unsealed
I gazed upon the open field;
The rain had fallen in the night —
The landscape in the new day’s light
A countenance of grace revealed
Upon the meadow, wood and height.

The sun’s light was a smile of gold,
Ere shut by sudden fold on fold
Of surging, showering clouds from view;
No sooner hid than it broke through
A tearful smile upon the wold
Where earth reflected heaven’s blue.

Each separate divided part
Of day, was as the threefold art
Of God, who dreamed three dreams and made
The morning, noon, and night parade
In ever changing guise athwart
The day’s hours, in His dreams arrayed.

The sky was as a canvas spun
To paint the new spring’s nocturns on;
A blended melody of tints —
The sea’s hue, and the myriad hints
Of garden-closes, when the sun
Hath stamped the work of nature’s mints.

 

William Stanley Braithwaite (6 december 1878 – 8 juni 1962)
De Old South Church in Boston, de geboorteplaats van William Stanley Braithwaite

 

De Italiaanse schrijver Sandro Veronesi werd geboren in Florence op 1 april 1959. Zie ook alle tags voor Sandro Veronesi op dit blog.

Uit: De kolibrie (Vertaald door Welmoet Hillen)

“De wijk Trieste in Rome is, kun je gerust zeggen, een middelpunt in dit verhaal met vele andere middelpunten. Deze wijk heeft altijd geschommeld tussen elegantie en decadentie, luxe en middelmatigheid, privilege en alledaagsheid, en dat moet voorlopig volstaan: het heeft geen zin haar nog verder te beschrijven, aangezien zo’n beschrijving aan het begin van het verhaal saai kan worden en zelfs averechts kan werken. Overigens kun je plekken het best omschrijven door te vertellen wat er gebeurt, en hier staat iets belangrijks te gebeuren.
Laat ik het zo zeggen: een van de dingen die gebeuren in dit verhaal met vele andere verhalen gebeurt in de wijk Trieste, in Rome, op een ochtend halverwege oktober 1999, om precies te zijn op de hoek van de via Chiana en de via Reno, op de eerste verdieping van een van die gebouwen die we hier dus juist niet gaan beschrijven, waar al duizenden andere dingen zijn gebeurd. Maar wat hier staat te gebeuren is, kun je gerust zeggen, doorslaggevend en mogelijk catastrofaal voor het leven van de hoofdpersoon van dit verhaal. drs. marco carrera, oogheelkundig specialist en oftalmoloog staat op het naambordje op de deur van zijn spreekkamer – de deur die hem nog even scheidt van het meest kritieke moment van zijn leven met vele andere kritieke momenten. In die spreekkamer, dus op de eerste verdieping van een van die gebouwen enzovoorts, schrijft hij een oude dame met blefaritis een recept voor – antibiotische oogdruppels, na een nieuwe of liever, kun je gerust zeggen, revolutionaire behandeling met N-acetylcysteïne die in het oog wordt gedruppeld, wat bij andere van zijn patiënten het ergste probleem van deze aandoening al oploste, namelijk de neiging chronisch te worden. Buiten staat het lot echter te wachten om hem in het verderf te storten in de gedaante van een klein mannetje genaamd Daniele Carradori, kaal en met baard, maar wel begiftigd met een – kun je gerust zeggen – magnetische blik, die zich spoedig zal richten op de ogen van de oogarts en daar eerst ongeloof, vervolgens verwarring en uiteindelijk pijn in zal druppelen die niet kan worden genezen door zijn (oogheelkundige) kennis. Het mannetje heeft deze beslissing nu eenmaal genomen en dat heeft hem tot in de wachtkamer gebracht, waar hij nu naar zijn schoenen zit te staren zonder gebruik te maken van het ruime aanbod gloednieuwe tijdschriften – niet maanden oud en beduimeld – die her en der op de tafeltjes liggen. Hopen dat hij van gedachte gaat veranderen is zinloos.”

 

Sandro Veronesi (Florence, 1 april 1959)

 

De Amerikaanse schrijver, dichter en essayist Jay Parini werd geboren in Pittston op 2 april 1948. Zie ook alle tags voor Jay Parini op dit blog.

 

Gedicht met toespelingen

De gedachten die op kleine kattenpootjes komen
zijn natuurlijk niet van mij.
Ik ben ten prooi aan alles wat ze hebben gezegd,
en geloof half in de hemel en zijn hymnen.
Ik heb mijn weg gevonden door Chapman’s Homerus
en keek hoe mijn handen, als rafelige klauwen,
’s nachts over je heen kropen.
Je leek het niet erg te vinden.
Je hebt veel gelezen en veel gehoord.
Dat hebben we allemaal, schat.
We weten niet wie wat tegen wie heeft gezegd
of waarom of wanneer. De gezichten in de metro
zien er hetzelfde uit, allemaal gingen ze
door geboorte en copulatie, zelfs door de dood zelf.
Ik had niet gedacht dat de dood zovelen ongedaan zou maken.
Op landelijke kerkhoven op de bemoste stenen,
maken hun grafschriften misschien geen indruk op de critici,
maar het kan ze niet veel schelen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jay Parini (Pittston, 2 april 1948)

 

Zie voor de schrijvers van de 1e april ook mijn blog van 1 april 2020 en eveneens mijn twee blogs van 1 april 2019 en ook mijn blog van 1 april 2018 deel 2.

Stefan Hertmans, Nichita Stănescu

De Vlaamse dichter, schrijver en essayist Stefan Hertmans werd geboren in Gent op 31 maart 1951. Zie ook alle tags voor Stefan Hertmans op dit blog.

 

Bezoekingen

I
Van al deze gewichtloze vormen,
schaduwen op de wand van een beproefde grot,
zijn alleen de donkerste werkelijk licht,
ongrijpbare echo van een luidruchtige stilte.
Donkerder vlek in verduistering, zwart gat
waarin deze eetbare, krokante wereld
in verkruimelde ogenblikken opgeslokt wordt,

en zo weer in een volgende beweging zweeft:
er is een hand doende ergens boven de karavanen,
de sneeuwhozen vol geluidloze verbijstering
als aan gesloten ramen de nachtkoelte drukt,

er is een zwevende hand boven gestalten merkbaar,
een vijfvleugelige straatmus met ontelbare letters
en een borst vol glas.

 

II
Toen ik voor hem zat en handen wrong,
toen ik met het gemak waarmee men vuur maakt
in de deuropening stond en zijn drukkende
schouder voelde,
toen deze vereeuwiging in zout gefixeerd,
in fijne korrel getranscendeerd zo weer verdween
en rook in de kamer achterliet, een vage blauwe zuil
terwijl iemand op straat de wereld schiep
en het plein in wraakzuchtige steen begon te stralen,

toen wist hij, en iemand met hem,
dat zijn naam onmogelijk geworden was, –
nutteloos ook, terwijl de vlammen hoger gingen
en het hele huis, nu al tot in zijn blikveld stijgend,
opging in de gedachte dat ik voor hem zat
en zweeg.

 

III
Iemand belde drie keer aan
en de grote papyrus dauwde.
Omdat het ochtend was en lakens in de wind
herinnering aan andere lichamen wakker riepen,
wantrouwde ik het licht en deed
de vleugeldeuren op een kier.

Hij in de hoge spiegel
dronk mij uit porselein en jade toe.
Ik liep verloren in de trapzaal;
het licht drukte achter diafane opalen,
en de putti kirden in hun geniepige nissen.

In de nok, boven de treden, hing nog het
kabelwerk, het verse spek, de grote geblokte doeken
waarin het kind gewikkeld werd.

En omdat ik in de hoogte keek,
hoofd achterover en de hals gestrekt,
liep ik hem blindelings en bijna teder overhoop.
Hij drong tegen mijn borst en siste;
kromp toen, tot hij een vlek werd
op een hard geslacht,
en weer verdween.

 

Stefan Hertmans (Gent, 31 maart 1951)

 

De Roemeense dichter en essayist Nichita Stănescu werd geboren op 31 maart 1933 in Ploieşti. Zie ook alle tags voor Nichita Stănescu op dit blog.

 

Een ander soort wiskunde

We weten dat een maal een één is,
maar een eenhoorn maal een peer
geen idee hoeveel dat is.
We weten dat vijf min vier één is
maar een wolk min een zeilboot
geen idee hoeveel dat is
We weten dat acht
gedeeld door acht één is,
maar een berg gedeeld door een geit
geen idee hoeveel dat is
We weten dat een plus een twee is,
maar ik en jij, oh,
we hebben geen idee hoeveel dat is.

Oh, maar een dekbed
maal een konijn
is natuurlijk één roodharige,
een kool gedeeld door een vlag
is een varken,
een paard min een tram
is een engel,
een bloemkool plus een ei
is een astragalus.

Alleen jij en ik
vermenigvuldigd en gedeeld
opgeteld en afgetrokken
blijven hetzelfde…

Verdwijn uit mijn gedachten!
Kom terug in mijn hart!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nichita Stănescu (31 maart 1933 – 13 december 1983)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e maart ook mijn blog van 31 maart 2020 en eveneens mijn drie blogs van 31 maart 2019. 

Geert van Istendael, R. S. Thomas

De Vlaamse schrijver, dichter en essayist Geert van Istendael werd geboren in Ukkel op 29 maart 1947. Zie ook alle tags voor Geert van Istendael op dit blog.

 

Zevenmaal James Ensor

Salons bourgeois

Twee mensen rustig bezig, thuis, aan tafel.
De krullen van een burgerlijk salon.
Hij kent dat. Maar zijn licht pleegt al verraad,
schijnt vlekkerig, rusteloos. De vorm verwordt.

Mos op de mat, bloed aan de stoel. Hij rafelt
zelfgenoegzaamheden uit. Paniek alom.
Zijn licht is vol gevaar. Het ding verlaat
zijn randen net voor het salon instort.

 

Natures mortes

En groene kool is een gebeurtenis,
een rog een lijk, een perzik open wonde.
Hij maakt de gaven Gods te schande. Dit
leeft niet in stilte. Het schreeuwt een rauw gebod:

verafgood kleur. De felheid van de kleuren is
Gods glanzend aanschijn. Duisternis is zonde.
Tomaat, rabarber, bokking, het aanbidt
goud, purper, rood: een goddelijk genot.

 

Une boutique au 27, Rue de Flandre

Hij was al dood toen hij dit huis betrok.
De winkel werd gesloten. Maskers, conchae
verkleurden en vergingen in het stof.
Hij, zwarte kever, raakte hier ingesponnen
in schemering en pluche. Hij bleef verstokt
zichzelf herhalen. Van de muren lonken
nu foto’s van zijn werk, herhaalde straf.
Dit huis heeft hem stilzwijgend overwonnen.

 

Bal du rat mort

Het varken is geslacht, de darmen dampen,
de ratten sterven nooit, dit is hun feest.
Muziek en maskers, nachtverlichting, dansen,
de vettigheid beveelt, bier triomfeert.

Bezwete ratten springen onder lampen,
haast menselijk is de tooi van ieder beest.
Maar in de maskers blijven snuiten schransen.
In maskers is de rat tot mens verweesd.

 

Geert van Istendael (Ukkel, 29 maart 1947)

 

De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas werd geboren op 29 maart 1913 in Cardiff. Zie ook alle tags voor R. S. Thomas op dit blog.

 

De Afwezigheid

Het is deze grote afwezigheid
die is als een aanwezigheid, die me dwingt
om hem zonder hoop op een antwoord
aan te roepen. Het is een kamer die ik binnenkom

waaruit iemand net is weg-
gegaan, de vestibule voor de aankomst
van iemand die nog niet is gekomen.
Ik moderniseer het anachronisme

van mijn taal, maar hij is niet meer hier
dan voorheen. Genen en moleculen
hebben niet meer kracht om hem op
te roepen dan de wierook van de Hebreeën

bij hun altaren. Mijn vergelijkingen falen
zoals mijn woorden doen. Welke middelen heb ik
behalve de leegte zonder hem van mijn gehele
wezen, een vacuüm dat hij misschien niet verafschuwt?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

R. S. Thomas (29 maart 1913 – 25 september 2000)
Portret door Jack Jones, 1979

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e maart ook mijn blog van 29 maart 2020 en eveneens mijn blog van 29 maart 2019 en ook mijn blog van 29 maart 2015 deel 2.

Joost de Vries, Ada Limón

De Nederlandse schrijver Joost de Vries werd geboren op 28 maart 1983 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Joost de Vries op dit blog.

Uit: Rustig aan, tijger

“Goed dan, daar gaan we. Daar ben je.
Die foto die het algoritme oprispt stond in Elle.
Jaren heeft die spread op kantoor aan de muur gehangen: John en ik keken er dagelijks op uit, Molly had ’m ooit trots opgehangen (over Molly kan ik het niet hebben, sta me dat toe). Jij op de ene bladzijde, de Muis op de andere. Het ging me toen niet om jou, maar juist om die lieve Muis. Ze was kirrend van verontwaardiging van de shoot gekomen, helemaal blij dat ze iets had om boos over te zijn. Ze moest een doorzichtige blouse! Mocht geen beha aan! Niet dat je daar iets van zag op de foto, keurig decent, niets vulgairs. Haar haar leek achterovergekamd met stroop, weg krullen. Haar lippen waren ineens vol en donker als rijpe druiven. Duimpje op haar onderlip, mond een beetje open. De Muis, die zich altijd verstopte in overdreven grote truien en achter uilenbrillen, ineens helemaal glamour, helemaal sexual creature. Eens per jaar, voor het Commercial Makers Gala, kwam haar groene Filippa K-jurkje uit de kast en schoten er subtiel blikken heen en weer tussen Elias en mij: kijk eens aan, dat silhouet van de Muis. Niet dat we er raad mee wisten, niet dat ze op ons zat te wachten. Misschien keken we ook niet zo subtiel. Misschien hadden jullie alles door. John keek nooit, de directeur ook niet – mannen die aan zichzelf genoeg hadden, denk ik nu. En jij dus op de andere bladzijde van Elle, met dezelfde dieppaarse achtergrond. En profil. Je droeg een zwartpaars gewaad, vast onbetaalbaar, had je ene hand onder je kin, zoals denkende schrijvers heel serieus voor hun achterflap worden gefotografeerd. Blote arm met een dikke tegencultuurarmband om je pols. Je haar was omhooggeduwd, een pluk viel omlaag langs je oor, een chassidische pijpenkrul maar dan blond. Slaapkamerogen, donkerroze oogschaduw. Ook jij je mond open, met royaal aangebrachte lipgloss. (Sex sells – wie dat zei op de zaak, was af. Met strafpunten, zonder recht op herkansing. Mensen die dat zeggen denken dat hun succes van niets meer afhangt dan de glans van hun schoenen, die denken dat apen ons werk kunnen doen.) Je oorlel viel me op – een lange oorlel, zoals Vietnam en Cambodja aan de schelp van Azië vastzitten. Iemand vertelde me eens dat dat een teken van muzikaliteit was, André Hazes had zulke oorlellen. Klinkt niet heel sexy als ik het zo zeg, maar voor mij was je ook niet sexy toen – jij was de geliefde van de directeur, was afwisselend hartsvriendin en aartsvijand van Mickey, kaapte een hele serie opdrachten weg voor de neus van de Muis. Ik was solidair, het kwam niet in me op.”

 

Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983

 

De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.

 

Hoe het er voor ons uitziet en de woorden die we gebruiken

Al deze grote schuren hier in de buitenwijken,
zwarte creosootplaten kniediep in het veldbeemdgras.
Ze zien er zo mooi verlaten uit, zelfs in gebruik.
Je zegt dat ze eruitzien als arken nadat de zee
is opgedroogd, ik zeg dat ze op piratenschepen lijken,
en ik denk aan die wandeling in de vallei waarop
J zei: Geloof je niet in God? En ik zei,
Nee. Ik geloof in die connectie die we allemaal hebben
met de natuur, met elkaar, met het universum.
En ze zei: Ja, God. En hoe we daar stonden,
nederige dieren tussen de witte eiken, Spaans mos,
en spinnenwebben, scherven van obsidiaan in onze zakken,
een vlaag specht, en ik weigerde het zo te noemen.
Dus in plaats daarvan keken we omhoog naar de weerbarstige lucht,
zijn wolken in eenvoudige dierenvormen die we konden benoemen,
hoewel we wisten dat het eigenlijk alleen maar wolken waren…
wanordelijk, en wonderbaarlijk, en van ons.

 

Vertaald door Frans Romen

 

Ada Limón (Sonoma, 28 maart 1976

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e maart ook mijn blog van 28 maart 2020 en eveneens mijn blog van 28 maart 2019 en ook mijn blog van 28 maart 2017 en ook mijn blog van 28 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Golo Mann, Erica Jong

De Duitse schrijver en historicus Golo Mann werd geboren in München op 27 maart 1909. Zie ook alle tags voor Golo Mann op dit blog.

Uit: Wallenstein

„Sie lautet: »Im Jahre des Herrn 1595, am Freitag, dem Tage des Heiligen Matthäus, starb der wohlgeborene Herr, Herr Vilim der Ältere von Valdstejn auf Hermanitz, und hier ruht sein Körper bis
zur fröhlichen Auferstehung.« Auf der anderen Seite die Frau, mit Haube und großer Halskrause, wirkt ein wenig bucklig. Sie trägt ein Gebetbuch in ihren Händen. Wessen das Wappen zu ihren Füßen war, lehrt die Inschrift: »Im Jahre des Herrn 1593, dem Tage der Heiligen Maria Magdalena, starb die wohlgeborene Frau, Frau Markyta von Smirice, Gattin des wohlgeborenen Herrn, Herrn Vilim des Älteren von Valdstejn und auf Hermanitz, und hier ruht ihr Körper bis zur fröhlichen Auferstehung.«
Die Grabdenkmäler ließ der einzig überlebende Sohn, Albrecht Wenzel Eusebius, seinen Eltern errichten, als er neunzehnjährig von einer Reise zurückkam; in der vorzügereichen Situation früher
Selbständigkeit und eines bequemen Erbes, aber sonst nicht recht wissend, was nun mit sich anzufangen. Das war 1602. Er war so lange von der Heimat fortgewesen, daß sie ihm kaum noch Heimat war, und er fand nur Tote dort: die Eltern, die Geschwister Hedvika, Jan Jiri, Adam und Magdalena, deren verwitterte Leichensteine man heute an der Außenmauer der Kirche sieht. Zwei Schwestern, Maria Buhumila und Katharina Anna, lebten unter der Obhut einer Tante, der edlen Jungfrau Jitka von Valdstejn.
Er kam aus Italien und war vorher in Frankreich gewesen. Einige sagen, auch in Spanien, oder in England, aber das ist nicht wahr. Die Bildungsreise, wie sie zur Erziehung böhmischer Edelleute gehörte, konnte wohl auch England einschließen oder Spanien oder beide Königreiche; sie tat es in Fällen, von denen wir wissen, aber nicht in diesem. Übrigens wissen wir von Albrecht Wallensteins Grand Tour überhaupt nicht viel. Er schrieb keine Briefe, jedenfalls sind keine da; und an wen hätte er schreiben sollen? Von seinen späteren Gesprächen sind viele überliefert; aber die handeln nur von Krieg und Staatsgeschäften, nie, fast nie, von der eigenen Menschlichkeit. Genoß er erste Lieb’ und Freundschaft, so liegen sie im Dunkeln; vielleicht genoß er keine. Man legte wenig Gewicht auf das, was wir Gefühle nennen, um die Wende des 16. Zum 17. Jahrhundert. Die, welche man gleichwohl erlebte und für welche es die uns geläufigen Namen nicht gab, verschloß man in sich, vertraute sie allenfalls dem Beichtvater, dem geistlichen Berater an, der seinerseits in Schweigsamkeit geübt sein mußte. Wurden Tagebücher geführt, das kam vor, so hielten sie Begebenheiten und äußere Beobachtungen fest, nicht Reflexionen, viel weniger Selbstreflexionen. Ausnahmen gibt es, die gibt es immer, und wir werden im Lauf unserer Erzählungen noch ein paar von ihnen kennenlernen. Aber Wallenstein gehört zu ihnen nicht. Stellt er eine Ausnahme dar, so eher in der anderen Richtung; das heißt, er trieb später die Verschwiegenheit über das, was in seiner Seele vorging und was ihn zu dem gemacht hatte, was er war, noch weiter als der Durchschnitt seiner Standesgenossen.“

 

Golo Mann (27 maart 1909 – 7 april 1994)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Erica Jong werd geboren in New York op 26 maart 1942. Zie ook alle tags voor Erica Jong op dit blog.

 

Het einde van de wereld

Hier, aan het einde van de wereld,
Bloeden de bloemen,
alsof het harten zijn,
de harten ademen een duisternis
zoals Oost-Indische inkt,
& dichters dopen hun pennen erin
& zij schrijven.

“Hier, aan het einde van de wereld,”
Schrijven zij,
niet weten wat het betekent.
“Hier, waar de lucht zwarte melk drinkt,
waar de schoorsteen de lucht voedt,
waar de bomen trillen van angst
en mensen op hen gaan lijken. . . . “

Hier, aan het einde van de wereld,
bloeden de dichters.
Schrijven & bloeden,
denkt men, zijn hetzelfde;
zingen & bloeden
denkt men, zijn hetzelfde.

Schrijf ons een brief!
Stuur ons een pakketje eten!
Troost ons met spreekwoorden of gekonfijt fruit,
met praten over één God.
Leid ons af met theorieën over kunst,
Die niemand kan bewijzen.

Hier aan het einde van de wereld
zijn onze hoofden leeg,
& de wind waait er doorheen
zoals geesten
door een spookhuis.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Erica Jong (New York, 26 maart 1942

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e maart ook mijn blog van 27 maart 2020 en eveneens mijn blog van 27 maart 2019 en ook mijn blog van 27 maart 2017 en ook mijn blog van 27 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Erica Jong

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Erica Jong werd geboren in New York op 26 maart 1942. Zie ook alle tags voor Erica Jong op dit blog.

 

Beast, Book, Body

I was sick of being a woman,
sick of the pain,
the irrelevant detail of sex,
my own concavity
uselessly hungering
and emptier whenever it was filled,
and filled finally
by its own emptiness,
seeking the garden of solitude
instead of men.

The white bed
in the green garden–
I looked forward
to sleeping alone
the way some long
for a lover.

Even when you arrived,
I tried to beat you
away with my sadness,
my cynical seductions,
and my trick of
turning a slave
into a master.

And all because
you made
my fingertips ache
and my eyes cross
in passion
that did not know its own name.

Bear, beast, lover
of the book of my body,
you turned my pages
and discovered
what was there
to be written
on the other side.

And now
I am blank
for you,
a tabula rasa
ready to be printed
with letters
in an undiscovered language
by the great press
of our love.

 

Smoke

Smoke, it is all smoke
in the throat of eternity. . . .
For centuries, the air was full of witches
Whistling up chimneys
on their spiky brooms
cackling or singing more sweetly than Circe,
as they flew over rooftops
blessing & cursing their
kind.

We banished & burned them
making them smoke in the throat of god;
we declared ourselves
“enlightened.”
“The dark age of horrors is past,”
said my mother to me in 1952,
seven years after our people went up in smoke,
leaving a few teeth, a pile of bones.

The smoke curls and beckons.
It is blue & lavender
& green as the undersea world.
It will take us, too.

O let us not go sheepishly
clinging to our nakedness.
But let us go like witches sucked heavenward
by the Goddess’ powerful breath
& whistling, whistling, whistling
on our beautiful brooms.

 

Met de trein vanuit Berlijn

Een gevoelig liggende grens. Een niet bestaand land.
De trein lost gedienstig op in rook.
de GI naast me praat over oorlog.
Ik ken de Aziatische geest niet, zegt hij.

Neemt oude argumenten door.

In Potsdam (een bolvormige koepel,
een roze gracht die sepiabomen weerspiegelt)
stoppen we naast een kapotte oude trein
met REICHSBAHN letters op de flank.

Dertig jaar glijden weg en laten een kale klif achter.

Dit is een land dat ik niet herken.
Bot-bleke meisjes die niets met thuis te maken hebben.
Iedereen is langer dan ik, iedereen naakt.
“Het leven is daar goedkoop”, zegt hij.

Maar waarom schreeuwen we boven een spoor
dat tussen een corridor met prikkeldraad loopt?
En waarom is het buiten zo donker geworden,
zo licht hier binnen

dat zelfs de afgesneden maan onzichtbaar is?

In het raam kunnen we alleen onszelf zien,
Amerika dragen we met ons mee,
twee bange mensen die over de dood praten
in een trein die niet kan stoppen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Erica Jong (New York, 26 maart 1942)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e maart ook mijn blog 26 maart 2022 en ook mijn blog van 26 maart 2021 en ook mijn blog van 26 maart 2020 en eveneens mijn blog van 26 maart 2019 en ook mijn blog van 26 maart 2017 deel 2.

Verkündigung (Rainer Maria Rilke), Paul Meeuws, Joy Ladin

 

Bij Maria Boodschap – Aankondiging van de Heer

 

De Aankondiging door Guido Reni, 1620

 

Verkündigung

Die Worte des Engels

Du bist nicht näher an Gott als wir;
wir sind ihm alle weit.
Aber wunderbar sind dir
die Hände benedeit.
So reifen sie bei keiner Frau,
so schimmernd aus dem Saum:
ich bin der Tag, ich bin der Tau,
du aber bist der Baum.

Ich bin jetzt matt, mein Weg war weit,
vergieb mir, ich vergaß,
was Er, der groß in Goldgeschmeid
wie in der Sonne saß,
dir künden ließ, du Sinnende,
(verwirrt hat mich der Raum).
Sieh: ich bin das Beginnende,
du aber bist der Baum.

Ich spannte meine Schwingen aus
und wurde seltsam weit;
jetzt überfließt dein kleines Haus
von meinem großen Kleid.
Und dennoch bist du so allein
wie nie und schaust mich kaum;
das macht: ich bin ein Hauch im Hain,
du aber bist der Baum.

Die Engel alle bangen so,
lassen einander los:
noch nie war das Verlangen so, so
ungewiss und groß.
Vielleicht, dass Etwas bald geschieht,
das du im Traum begreifst.
Gegrüßt sei, meine Seele sieht:
du bist bereit und reifst.
Du bist ein großes, hohes Tor,
und aufgehn wirst du bald.
Du, meines Liedes liebstes Ohr,
jetzt fühle ich: mein Wort verlor
sich in dir wie im Wald.

So kam ich und vollendete
dir tausendeinen Traum.
Gott sah mich an; er blendete…

Du aber bist der Baum.

 

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Paastijd in Praag, de geboortestad van Rainer Maria Rilke

 

De Nederlandse dichter en schrijver Paul Meeuws werd geboren op 25 maart 1947 in Roermond. Zie ook alle tags voor Paul Meeuws op dit blog.

Uit: Heino’s handschrift

“Er was in zijn jonge jaren een Duitse zanger die Heino heette. Een geheimzinnige, tengere gestalte met blonde pruik en zwarte zonnebril maar met een bariton, waarmee hij een veilinghal vol huisvrouwen aan zijn voeten kreeg. Hij zong Schlagers.
Hij was toen op een leeftijd waarop, net als bij de jongeren van nu, je muzikale smaak beslissend was voor het soort gezelschap waar je mee omging. Liefhebbers van Schlagers behoorden tot een ander slag. In zíjn kringen circuleerden geruchten als zou Heino een door platenbonzen in elkaar geflanste, arisch aandoende pop zijn, een wandelend afspeelapparaat, dat de stem liet horen van een glansrijk aan de Kölner Musikhochschule afgestudeerde Namibiër.
De kleine Heino zat linksachter in de klas. Zijn naam leek hem het restant van overjarige dweepzucht, wat hem zijn eigen jeugdjaren weer in herinnering bracht, het hooghartige dwepen met moeilijke muziek en moeilijke boeken.
In niets leek de jongen op zijn wat onwezenlijke naamgenoot, althans niet op het eerste gezicht. Deze Heino was zo levend als het maar zijn kon en erg ongezeglijk. Vaak viel, met onderdrukte weerzin en steeds smekender, zijn naam. Er bestaat, zo leerde hij op deze school, een soort ongehoorzaamheid die niet, zoals de pedagoog het wil, de ongehoorzame maar de gehoorzamen te kijk zet.
Bij Heino brak nood telkens wet. Hij sprak niet, maar riep, ja, zóng bijna. Zijn nog heldere sopraan klonk hoog boven het schorre gekwaak van zijn fysiek wat meer gevorderde klasgenoten uit. De sussende gebaren van zijn leraar kregen iets verontschuldigends, alsof de omvang van zijn volume aan de oren lag en niet aan de stem.
Heino was de Benjamin van de klas. Niemand kon boos op hem worden, niet omdat er geen reden voor was, het was onbegonnen werk. Opgeruimd nam de moeilijk op zijn plaats blijvende jongen elk roer dat hij tegenkwam over, zelfs dat van zijn leraar, toen op een keer de zoveelste poging tot een gepland themagesprek uit de hand liep.
‘De juffrouw gaf altijd een werkstuk,’ zei Heino op bemoedigende toon. ‘Dan was het lekker rustig.’
Een werkstuk, leerde hij van de slimme Heino, was een soort opstel met plaatjes. De jongen rende naar de kast en wees hem onder de plank met ongebruikte exemplaren van de methode ‘DE LEVENDE LAMP’ een doos met in stukken geknipte kranten en weekbladen. Daar greep zijn voorgangster dus naar als het lesgeven niet wilde lukken.”

 

Paul Meeuws (Roermond, 25 maart 1947)
Portret door door Peter Thijs, 2022

 

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.

 

De tijd verstrijkt

Ook de tijd is bang om te verstrijken, is doorzeefd met gaten,
waar de tijd zich doorheen voelt lekken.
De tijd zweet midden in de nacht,
wanneer alle andere dimensies slapen.
De tijd heeft elk beeld van zichzelf als kind verloren.
Nu is de tijd oud, leerachtig en traag.
Kan niemand meer besluipen,
Kan zich niet verstoppen in het gras, kan niet rennen, kan niet vangen.
Kan niet bedenken hoe niet te vertrappen
wat hij wil zegenen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Joy Ladin (Rochester, 24 maart 1961

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e maart ook mijn blog van 25 maart 2021 en ook mijn blog van 25 maart 2020 en eveneens mijn blog van 25 maart 2019 en ook mijn blog van 25 maart 2018 deel 2.

Joy Ladin

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.

 

Comfort Animal

Comfort, comfort my people …
—Isaiah 40:1

A voice says, “Your punishment has ended.”
You never listen to that voice. You really suck
at being comforted.

Another voice says, “Cry.”
That voice always gets your attention,
keeps you thinking

about withered flowers and withering grass
and all the ways you’re like them.
Hard to argue with that.

Death tramples you, an un-housebroken pet
trailing prints and broken stems,
pooping anxiety, PTSD, depression.

It’s better to be animal than vegetable
but best of all is to be spirit
flying first or maybe business class

with your emotional support animal, your body,
curled in your lap, soaring with you
above the sense of loss you’ve mistaken

for the closest to God you can get.
You want to cry? Cry about that.
Who do you think created

the animals to whom you turn for comfort,
dogs, miniature horses, monkeys, ferrets,
hungers you know how to feed,

fears you know how to quiet?
I form them, fur them,
it’s my warmth radiating from their bodies,

my love that answers
the love you lavish upon them.
Your deserts and desolations

are highways I travel,
smoothing your broken places,
arranging stars and constellations

to light your wilderness.
Sometimes I play the shepherd;
sometimes I play the lamb;

sometimes I appear as death,
which makes it hard to remember
that I am the one who assembled your atoms,

who crowned your dust with consciousness.
I take you everywhere,
which is why, wherever you go, I’m there,

keeping you hydrated, stroking your hair,
laughing when you chase your tail,
gathering you to my invisible breasts

more tenderly than any mother.
You’re right—you never asked for this. I’m the reason
your valleys are being lifted up,

the source of your life laid bare.
Mine is the voice that decrees—
that begs—your anguish to end.

When you suffer, I suffer.
Comfort me
by being comforted.

 

Een beetje oceaan

Kinderen hurken op een vlot in het midden van het water.
Het halfvolwassen hert verdwijnt

in een groepje jeneverbes en lisdodde. We weten dat schelpen
ooit in leven waren, maar het is moeilijk voor te stellen

welke stenen er ooit leefden. Moeilijk om een schepsel van de aarde te zijn
in een wereld bedekt met water. Ik maak me niet druk

om gelukkig zijn. Ik wilde voelen:
Missie volbracht.

Ik wilde de schaduw herkennen die ik wierp,
meer licht dan schaduw werpen. Mijn dochter en ik

bereiken de boeien die de lijn drijvend houden. Onder ons,
duisternis, die naar boven dringt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Joy Ladin (Rochester, 24 maart 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e maart ook mijn blog van 24 maart 2021 en ook mijn blog van 24 maart 2020 en eveneens mijn blog van 24 maart 2019 en ook mijn blog van 24 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Tonnus Oosterhoff, Lina Kostenko

De Nederlandse dichter en schrijver Tonnus Oosterhoff werd geboren in Leiden op 18 maart 1953. Zie ook alle tags voor Tonnus Oosterhoff op dit blog.

 

Het werk in het dok is gevaarlijk

Het werk in het dok is gevaarlijk, in slaap vallen dodelijk.
De mannen nemen hun slaapverweer mee naar de hut.
Daar is de spleet in het dak alweer: ochtend. Terug naar de scheepswand.
Achter hun verduisteringsgordijnen schrikken
van waarheidsdromen Chinese machthebbers wakker.
Sedert ik jou ken slaapt iedereen slechter.
Twee zien ’s nachts in de zwarte glansjes
in elkanders gezicht dat ze elkaar liggen aan te kijken.
‘We gaan scheiden!’ Ze weten meteen hoe ze tegelijk keken.
‘We scheiden!’ Arme geliefden in elkanders gedachten.
Het lichaam wordt over een woedend pad
naar een andere wereld gejaagd, steeds schrikt het wakker.
Voor drinken, uit plassen, zich krabben met zorgen.
Is het pijn, is het druk? Vroeger, als ik me omkeerde
sliep ik meteen. Nu moet ik met de uitslag,
het begin van de afloop, opnieuw leren wegzeilen.
Sinds ik jou ken slaapt iedereen slechter.
Het donker is groter, een wijdere grot.
Wie weet welk duizend jaar oud gevecht er
beslecht wordt, Chinese machthebbers, tot
een nieuwe dag valt in het sierlijk slot?
Het begin van de afloop verzegeld,
een eindeloze gang wit betegeld.
Zondagochtend begon met jouw voornaam,
door een stom toeval eruit gekegeld.
Draai je om, nog eens om, wilsonbekwaam.
Het werk in het dok is gevaarlijk, geen schip
heeft geen levens genomen. De baas vloekt,
de familie komt, en het werk gaat verder.

 

Zelfs wie de voorzichtigheid zelf is

Zelfs wie de voorzichtigheid zelf is wordt tevoorschijn gelokt:
‘Een beetje vertrouwen, honingbeer!
We willen je slechts enkel helpen;
weet je ik schenk je een kind!
Een troonopvolger. Jij moogt zorgen.’
In overmoed heb ik met laten zien.

Ik lig in de greppel om mijn domheid te lachen,
het lukt me niet overeind te komen.
De voorbijgangers blijven, als ze tijd hebben,
grinnikend staan; zij prikken
met stokken in mijn flank.
‘Spannend lange nagels heb jij!’

Alles wat ademtrapt waterhaalt.

 

Ze richtten zich uit de ellende op

Ze richtten zich uit de ellende op
om te veranderen, de socialisten.
Veranderen deden ze! Na honderd jaar draaide
Wim Kok gedienstig de dageraad uit
want de markt werkt het liefst in het donker.
Wie vandaag nog PvdA stemt
verdient alles wat over ons heen komt.

 

Tonnus Oosterhoff (Leiden, 18 maart 1953)

 

De Oekraïense schrijfster en dichteres Lina Kostenko werd op 19 maart 1930 geboren in Rzhyshchiv. Zie ook alle tags voor Lina Kostenko op dit blog.

 

De lach

Gelach op straat – ik hoor het door het raam –
Een vrouw barst in een geforceerde lach uit.
Misschien is ze verdrietig, deze vrouw, maar zij
zou graag willen lachen.
En ik kijk naar de rivieren van donkere straten
De hoofden van de vrolijke lantaarns,
Die kleine blikken doppen dragen,
En op de hoge vensterbank van mijn raam,
Geven kastanjebomen witte bloemen…
En ik kijk en denk na over mijn gedichten.
Als ze verdriet hebben, laat ze dan verdrietig zijn.
Tenminste, dat ze niets van een geforceerde lach hebben,
Omdat oprechte mensen de ramen sluiten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Lina Kostenko (Rzhyshchiv, 19 maart 1930)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e maart ook mijn blog van 18 maart 2021 en ook mijn blog van 18 maart 2020 en eveneens mijn blog van 18 maart 2019 en ook mijn blog van 18 maart 2018 deel 2 en eveneens deel 3 en ook mijn blog van 18 maart 2017 deel 3.

Dirk von Petersdorff

De Duitse dichter, schrijver en literatuurwetenschapper Dirk von Petersdorff werd geboren op 16 maart 1966 in Kiel. Zie ook alle tags voor Dirk von Petersdorff op dit blog.

 

Brücken

Wenn ich im Juni, Kopenhagen, Helligkeit ausgepackt,
E-Scooter die Brücke hinauf,
vor mir ein mitziehender Zopf,
unten Hafenwasser übervoll flimmert –

stock ich, weil meine alte Mutter
jetzt ihre Brücke hinuntertappt
mit der sinnlos vollgestopften Handtasche,
Haare wie Algen, aufs dunkle Ufer zu –

und weil ich ein Kind bin, wünsch ich,
ein Schauer aller Lichtpunkte, lebenslang gesammelt,
möge wie hier übers Wasser
über ihren Rücken streichen,

führ sie nach oben.

 

An eine Dreizehnjährige

Wenn du morgens in die Küche kommst,
schaust du wie eine Eule,
in den helllichten Tag versetzt.
Diese Arme, die an dir hängen,
mit denen du schlenkerst, sind deine Arme.
Ein Tag widerspricht dem anderen:
Deine Haare bürstest du nie –
ununterbrochen bürstest du deine Haare.
Als Rätsel mit Locken
hockst du stundenlang
in unseren Sessel gefaltet, die Beine verknotet,
und aus diesem Sesselnest lächelst du
oder finsterst herab, wie der Himmel,
endlos grau – tiefstes Blau –
Warum? «Einsilbig» heißt,
alle Fragen mit einer Silbe
oder einem Knurren zu beantworten.
Denn du hast anderes zu tun,
du schnaufst, prustest, du heulst und lachst,

alles zugleich, und so sagst du die Wahrheit
über uns, denn so unfertig
sind wir auch, im Übergang, auch wir
verpuppen uns, werfen ständig etwas ab –
wie du deine Schaffelljacke,
die ich überall im Haus finde, aufsammle
und in dein Zimmer trage.
Im Sommer schlurfst du als November herum,
aber mitten im Winter
wirst du euphorisch, deckst den Tisch
für uns alle, spürst das Frühjahr,
schneidest singend Salat,
und wenn du jetzt in den Wald gingest,
kämest du mit einem Korb
voller Erdbeeren zurück.
Du bist so nah, so fern,
mein liebes Kind,
das hinter einer Glaswand steht
in einem T-Shirt mit einem blauen
Elefanten, selbst bemalt.
Vertaumelte Tage, Halbschlafwelt –
aus deinem Zimmer trage ich
einen Joghurtbecher mit Schimmelkultur
und ein Müsli, hart geworden
wie Mörtel: Man könnte ein Haus damit bauen.
Du aber willst kein Haus, sondern auswandern,
ja, du wirst auswandern,
du glorreiches Phantom –
so hüpft die Schönheit die Treppe hinunter
und berührt sie kaum.
Dann aber zerknautscht wie die große Stoffkatze,
die neben dir schläft. Das freie, unbekümmerte Kind,
bist du es noch? Irgendwie schon,
denn nichts behält seine Gestalt,
und nichts geht verloren. «Wohin gehöre ich?»,
fragt dein Zahnspangenlächeln,
wenn du abends in die Küche kommst.

 

De doorgeknipte snaar

Wat ik nodig had heeft mijn vader voor me
uit de stad meegebracht:

Er lag een tennisracket op de rieten tafel –
terwijl ik opgewonden het prijskaartje eraf knipte,
en omdat het frame zo glinsterde, sneed ik
een snaar doormidden.

Later «Aanroeping van de Grote Beer»,
een heel dun boekje van Ingeborg Bachmann,
“Gedichten”, toverspreuken, dacht ik,
die ik instudeerde in de zacht
krakende rieten stoel.

Terwijl hij, sneeuwwit, beenvlies,
wankelde, zich vloekend aan de deurpost
vasthield, liet hij me zien dat kracht en zwakte
in de schemering samenvloeien.

Als ik vandaag door het huis loop
en aan dit alles denk, komt er een gevoel naar boven,
stevig als een tennisbal,
waarvan het omhulsel zich uitstrekt tot aan de Grote Beer,

en dat beschermt als drakenbloed,
en dat houdt kwetsbaar:
Wat ik nodig heb, heeft mijn vader voor me meegebracht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Dirk von Petersdorff (Kiel, 16 maart 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e maart ook mijn blog van 16 maart 2021 en ook mijn blog van 16 maart 2020 en eveneens mijn blog van 16 maart 2019 deel 1 en ook deel 2.