Robert Frost, Gregory Corso

De Amerikaanse dichter Robert Lee Frost werd geboren op 26 maart 1874 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Robert Frost op dit blog.

 

Birches

When I see birches bend to left and right
Across the lines of straighter darker trees,
I like to think some boy’s been swinging them.
But swinging doesn’t bend them down to stay
As ice-storms do. Often you must have seen them
Loaded with ice a sunny winter morning
After a rain. They click upon themselves
As the breeze rises, and turn many-colored
As the stir cracks and crazes their enamel.
Soon the sun’s warmth makes them shed crystal shells
Shattering and avalanching on the snow-crust—
Such heaps of broken glass to sweep away
You’d think the inner dome of heaven had fallen.
They are dragged to the withered bracken by the load,
And they seem not to break; though once they are bowed
So low for long, they never right themselves:
You may see their trunks arching in the woods
Years afterwards, trailing their leaves on the ground
Like girls on hands and knees that throw their hair
Before them over their heads to dry in the sun.
But I was going to say when Truth broke in
With all her matter-of-fact about the ice-storm
I should prefer to have some boy bend them
As he went out and in to fetch the cows—
Some boy too far from town to learn baseball,
Whose only play was what he found himself,
Summer or winter, and could play alone.
One by one he subdued his father’s trees
By riding them down over and over again
Until he took the stiffness out of them,
And not one but hung limp, not one was left
For him to conquer. He learned all there was
To learn about not launching out too soon
And so not carrying the tree away
Clear to the ground. He always kept his poise
To the top branches, climbing carefully
With the same pains you use to fill a cup

Up to the brim, and even above the brim.
Then he flung outward, feet first, with a swish,
Kicking his way down through the air to the ground.
So was I once myself a swinger of birches.
And so I dream of going back to be.
It’s when I’m weary of considerations,
And life is too much like a pathless wood
Where your face burns and tickles with the cobwebs
Broken across it, and one eye is weeping
From a twig’s having lashed across it open.
I’d like to get away from earth awhile
And then come back to it and begin over.
May no fate willfully misunderstand me
And half grant what I wish and snatch me away
Not to return. Earth’s the right place for love:
I don’t know where it’s likely to go better.
I’d like to go by climbing a birch tree,
And climb black branches up a snow-white trunk
Toward heaven, till the tree could bear no more,
But dipped its top and set me down again.
That would be good both going and coming back.
One could do worse than be a swinger of birches.

 

Robert Frost (26 maart 1874 – 29 januari 1963)
Portret door Marcella Comès Winslow, 1952

 

De Amerikaanse dichter Gregory Corso werd geboren in New York op 26 maart 1930. Zie ook alle tags voor Gregory Corso op dit blog.

 

Ik ben 25

Met een liefde een waanzin voor Shelley
Chatterton Rimbaud
en de behoeftige schreeuw uit mijn jeugd
is van oor tot oor gegaan:
IK HAAT OUDE DICHTERS!
Vooral oude dichters die zich terugtrekken
die andere oude dichters raadplegen
die fluisterend over hun jeugd spreken,
en zeggen: –Ik heb toen dat gedaan
maar dat was toen
dat was toen-
O, ik zou oude mannen kalmeren
tegen hen zeggen: – Ik ben je vriend
wat je ooit was, via mij
zul je het weer zijn-
Dan ’s nachts in de vertrouwdheid van hun huizen
hun spijt betuigende tongen uitscheuren
en hun gedichten stelen
.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Gregory Corso (26 maart 1930 – 17 januari 2001)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e maart ook mijn blog van 26 maart 2020 en eveneens mijn blog van 26 maart 2019 en ook mijn blog van 26 maart 2017 deel 2.

Paul Meeuws, Joy Ladin

De Nederlandse dichter en schrijver Paul Meeuws werd geboren op 25 maart 1947 in Roermond. Zie ook alle tags voor Paul Meeuws op dit blog.

Uit: Een partij droog hout

“Even buiten de stad ging de weg naar Bartels, bergafwaarts, over in een karrespoor. Vandaar keek je over een rivierlandschap met weilanden, knotwilgen, een ondoordringbaar braambos en een beek die ergens tussen de lisdodden ontsprong.
Bij Bartels wachtte ons een mooie partij beuken. Al wekenlang was het volop zomer, het hout was droger dan ooit. Mijn vader veerde monter door zijn knieën bij het afdalen. Voor de zoveelste maal verklaarde hij zijn liefde aan het hout, zijn milde warmte, zijn verholen klank.
Ik kwinkeleerde op mijn fluitje dat plat en rond als een stuiver op mijn tong lag. Het membraampje kietelde mijn gehemelte en ik genoot van de virtuoze capriolen van mijn tong die mij, stotteraar, bij het spreken danig in de weg zat, terwijl mijn lippen nu gelukkig niets hoefden te doen. Hoe vaak had ik er niet van gedroomd met een onbelemmerd, hemels gegorgel te kunnen volstaan, een taal zonder die onuitsprekelijke labialen. Blaffen kon ik als een hond, brommen als een beer, snateren als een eend, en sinds kort, ook fluiten als een vogel.
Ik lette scherp op het gedrag van de vogeltjes die in de haag voor kleine ontploffinkjes zorgden. Blijkbaar hadden die het te druk met hun geruzie om op mijn gefluit te letten. In de hoge bomen rond de Stadsweide woonden tussen flarden van gestrande vliegers de grotere vogels, kraaien, eksters, duiven en hoog boven ons cirkelde een buizerd. Die stootte zo nu en dan kreten uit, overslaand van een onbegrijpelijke paniek.
‘Franciscus sprak met de vogels,’ zei mijn vader.
‘Maar Franciscus stotterde niet,’ sliste ik, zonder te stotteren. Ik begreep hoe belachelijk kunstmatig de vogels mijn gefluit moesten vinden.
‘Zie je wel dat het fluitje helpt,’ lachte mijn vader.
Hij spreidde zijn armen en zei dat daar het hele landschap in paste, tot en met de rivier achter het domein van Bartels en hij legde uit dat dat het perspectief was zoals schilders dat op hun schilderijen brengen. Ik mat de schoorstenen van de Electriciteitscentrale ginds tussen duim en wijsvinger, de rij bomen die de loop van de rivier markeerden en de spoorbrug waarover een haardunne trein kroop. In de manke vergelijking van een trein met een haar lag het geheim van de onmetelijke ruimte.”

 

Paul Meeuws (Roermond, 25 maart 1947)

 

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.

 

In de naam van de vader

voor mijn zoon op zijn 18e verjaardag

De zoon vult de naam van zijn vader in
als een man die een hut binnengaat
die jarenlang verlaten was.

Scharnieren piepen, een spin weeft
een plakkerige glans
over het enkele raam.

De man zit, slaapt,
stampt op de vloer en laat de muren schudden, schrikt vogels op,
laat het bed onopgemaakt achter. Doet de deur achter zich op slot.

De vader verandert. De naam blijft
in de diepe bossen van het worden.
Af en toe komt de zoon terug

om zich uit te strekken op het bed
en naar de spin te kijken, boven hem druk doende ,
woede tot liefde te weven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Joy Ladin (Rochester, 24 maart 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e maart ook mijn blog van 25 maart 2020 en eveneens mijn blog van 25 maart 2019 en ook mijn blog van 25 maart 2018 deel 2.

Peter Bichsel, Joy Ladin

De Zwitserse schrijver Peter Bichsel werd geboren op 24 maart 1935 in Luzern. Zie ook alle tags voor Peter Bichsel op dit blog.

Uit: Auch der Esel hat eine Seele

“Einer war in der Stadt, und es liegt mir fern, ihn hier ausführlich zu beschreiben, der kannte die Geburtsdaten der Leute. Er hatte ein riesengroßes Gedächtnis, in ihm stapelte er Geburtsdaten auf. Er fragte die Leute nicht nach ihrem Namen, er fragte sie nach dem Geburtsdatum. Er rempelte sie später, vielleicht Jahre später auf der Straße an und preßte mit seiner schweren Zunge hervor: »Du hast gestern Geburtstag gehabt« oder er sah jemanden in der Wirtschaft und sagte: »12. April.« Er täuschte sich nie. Er konnte Zwillinge auseinanderhalten, wußte, welcher der Erstgeborene war und verstand die kompliziertesten Familienverhältnisse in seinem Kopfe zu ordnen. Dabei, das muß hier gesagt sein, gab er sich nicht mit Astrologie ab, nur mit Geburtsdaten und er suchte nichts in ihren Zufälligkeiten und Unzufälligkeiten.
Es hat einen Grund, daß ich das aufschreibe.
Er war ein Trottel. Man weiß, daß Idioten oft ein überraschendes Gedächtnis haben. Ich kannte einen anderen und verehrte ihn damals, der lernte den Fahrplan und zwar den großen, internationalen – auswendig.
Dieser nun also merkte sich Geburtsdaten, doch er gratulierte niemandem zum Geburtstag. Seine Fähigkeit machte ihm Freude. Seine Fähigkeit ließ sich auch kontrollieren und die Leute sagten etwa ›großartig‹, wenn seine Behauptung zutraf und das tat sie immer. Er wußte auch auf den Tag genau, wie das Wetter in den vergangenen Jahren war, das konnte man nicht kontrollieren und man glaubte es auch nicht, trotzdem es einen gefreut hätte, wenn es zugetroffen hätte. Er war ein glücklicher Mensch, ich hörte oft sagen: »Er ist doch ein glücklicher Mensch.« Er war weder böse noch gefährlich, alle mochten ihn gut. Wenige kannten seinen Namen und vielleicht niemand sein Geburtsdatum. Vielleicht hatte er selbst keines. Ja, bestimmt, hatte er keines. Ich glaube, er hatte keinen Spitznamen, jetzt fällt mir das plötzlich auf. Es gab bestimmt Leute, die ihm hie und da etwas schenkten. Er
verrichtete auch kleine Arbeiten und war zuverlässig. Er sah immer gleich alt aus.
Es hat einen Grund, daß ich das aufschreibe.
Sicher hatte er Gewohnheiten und er fürchtete sich nicht vor ihnen und er hatte einen Sprachfehler und er hatte einen Tick. Er hatte tiefe braune Augen, die direkt ins Gedächtnis führten. In sein großes Gedächtnis, in dem die Leute in 365, oder sogar in 366 Gruppen geordnet waren. Soviel ich weiß, kannte er die Jahrgänge der Leute nicht, um eine Ordnung aufzustellen genügt das Geburtsdatum. Mehr wußte er nicht, mehr sagte er selten, mehr schien ihm nicht Freude zu machen.
Ihm war eine Ordnung gelungen und niemand hatte etwas dagegen.
Ich versuchte oft, mit ihm ins Gespräch zu kommen. Mein
Geburtsdatum kannte er nicht. Er fragte mich nie danach und ich hätte nicht gewagt, es ihm aufzudrängen.
Mein Geburtsdatum ist verzeichnet in den Kartotheken des Staates, in Verzeichnissen von Vereinen, in den Bestandeslisten der Armee und wohl noch vielerorts. Oft bedrückt mich das. Aber in seinem Gedächtnis wäre ich gern gewesen.
Ich wäre gern in seinem Gedächtnis gewesen.”

 

Peter Bichsel (Luzern, 24 maart 1935)

 

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.

 

Tijd verstrijkt

Ook de tijd is bang om te verstrijken, is doorzeefd met gaten
waardoor de tijd zichzelf voelt lekken.
De tijd zweet midden in de nacht
als alle andere dimensies slapen.
De tijd heeft elk beeld van zichzelf als kind verloren.
Nu is de tijd oud, leerachtig en traag.
Kan niemand meer besluipen,
Kan zich niet in het gras verstoppen, kan niet rennen, kan niet vangen.
Komt er niet achter hoe hij niet moet vertrappen
wat hij wil zegenen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Joy Ladin (Rochester, 24 maart 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e maart ook mijn blog van 24 maart 2020 en eveneens mijn blog van 24 maart 2019 en ook mijn blog van 24 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Jonathan Ames, Billy Collins

De Amerikaanse schrijver en acteur Jonathan Ames werd geboren op 23 maart 1964 in New York. Zie ook alle tags voor Jonathan Ames op dit blog.

Uit: You Were Never Really Here

“Joe lay in bed in his mother’s house. He thought about committing suicide. Such thinking was like a metronome for him. Always present, always ticking. All day long, every few minutes, he’d think, I have to kill myself. But in the mornings and before going to bed, the thinking was more elaborate. He knew it was a waste of time—it was going to have to wait till his mother passed—but he couldn’t stop. It was his favorite story. The only one he knew the ending of for sure. The past few weeks it always involved water. His plan of late was to slip into the Hudson at night, during high tide, by the Verrazano. The currents were strong, and he would be taken out to sea. He didn’t want anyone to be bothered with the body. Once, when he first got out of the Marines, long before he had gone back to live with his mother, he had nearly done it. He had been processed out of Marine Corps base Quantico and ended up in a motel near Baltimore, drinking by himself for a few days and going to a movie theater, seeing the same three pictures over and over. Then one night in the motel, he had taken a lot of sleeping pills and wrapped his head in a few layers of black plastic bags, duct-taping them around his neck. He felt himself diminishing, a shadow around the edges of his mind, and he heard a voice say, It’s all right, you can go, you were never really here.
But then he clawed off the bags and pumped his own stomach. After that, the story never involved leaving a body behind, leaving a mess behind. That was shameful. When it was time to be removed, that’s what it would be—a complete erasure. So the sea would have him. It wouldn’t mind one more piece of waste. He had nowhere else to turn.
He heard his mother downstairs and got out of bed. He did one hundred push-ups and one hundred sit-ups. His morning ritual. That, walking a great deal, and squeezing a handball as often as possible was all he did for exercise. He especially liked his hands to be strong. It was good in a fight. You break your adversary’s fingers, you have an immediate advantage. It frightened even the hardest men to have their fingers snapped, and in a fight, like a dance, you often held hands. So his hands were weapons, his whole body was a weapon, cruel like a baseball bat. Six-two, 190, no fat. He was forty-eight, but his olive-colored skin was still smooth, which made him appear younger than he was. His jet-black hair had receded at the temples, leaving a little wedge, like the point of a knife, at the front. He kept his hair at the length of a Marine on leave. He was half-Irish, half-Italian. He had a long, twisting Italian nose and eerie Gaelic blue eyes, set back and deep, Italian but for their color. It was a mournful face, a self-involved face, with a thick forehead, another weapon, and his jaw was too big and long, like the blade of a shovel. When he passed security cameras, he tucked it in. The black baseball hat that he wore most of the time hid the rest of his face, which in its entirety was not ugly but not handsome. It was something else. It was a mask he would tear off if he could. He was aware that he was not completely sane, so he kept himself in rigid check, playing both jailer and prisoner.”

 

Jonathan Ames (New York, 23 maart 1964)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Billy Collins werd geboren in New York op 22 maart 1941. Zie ook alle tags voor Billy Collins op dit blog.

 

Ararat

Jaren later, zou hij, ondanks zijn zwakke knieën,
die vulkanische piek hebben kunnen beklimmen

om de gigantische ribben te aanschouwen
van dit ding dat hij met de hand gebouwd had, het schip

het kwam in zicht als door de ogen
van een half uitgehongerde zangvogel op zoek naar een plek

om te landen. En omdat hij het had uitgehouwen,
zou hij met zijn hand langs een el hebben kunnen strijken,

het kielstuk gebleekt als een bot
en glad, gebronsd door vele dagen onder de zon.

Daar, boven de boomgrens en onder de sneeuw,
zou hij, wankel op zijn voeten, vermoeid, beseffend dat het schip

zo krap was, toen het, op zijn best,
al die beesten in paren had ingekwartierd,

ongetwijfeld hebben gehuiverd,
niet anders dan de Heer die zijn mislukte

schepping zag. Welke bouwer zou niet kijken
tussen de verwoeste tuigage en zich bewust zijn van

modderconstructies; rook van kookvuren; gedaantes
van ezels, honden, geiten, grazende schapen in de verte?

Boven het groene plateau is er altijd verdriet,
dat, bezield, de levensadem wordt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Billy Collins (New York, 22 maart 1941)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e maart ook mijn blog van 23 maart 2020 en eveneens mijn blog van 23 maart 2019 en ook mijn blog van 23 maart 2015 deel 1 en eveneens mijn blog van 23 maart 2014 deel 1 en ook deel 2.

Billy Collins

De Amerikaanse dichter en schrijver Billy Collins werd geboren in New York op 22 maart 1941. Zie ook alle tags voor Billy Collins op dit blog.

 

AMERICAN SONNET

We do not speak like Petrarch or wear a hat like Spenser
and it is not fourteen lines
like furrows in a small, carefully plowed field

but the picture postcard, a poem on vacation,
that forces us to sing our songs in little rooms
or pour our sentiments into measuring cups.

We write on the back of a waterfall or lake,
adding to the view a caption as conventional
as an Elizabethan woman’s heliocentric eyes.

We locate an adjective for the weather.
We announce that we are having a wonderful time.
We express the wish that you were here

and hide the wish that we were where you are,
walking back from the mailbox, your head lowered
as you read and turn the thin message in your hands.

A slice of this place, a length of white beach,
a piazza or carved spires of a cathedral
will pierce the familiar place where you remain,

and you will toss on the table this reversible display:
a few square inches of where we have strayed
and a compression of what we feel.

 

THE AFTERLIFE

While you are preparing for sleep, brushing your teeth,
or riffling through a magazine in bed,
the dead of the day are setting out on their journey.

They are moving off in all imaginable directions,
each according to his own private belief,
and this is the secret that silent Lazarus would not reveal:
that everyone is right, as it turns out.
You go to the place you always thought you would go,
the place you kept lit in an alcove in your head.

Some are being shot up a funnel of flashing colors
into a zone of light, white as a January sun.
Others are standing naked before a forbidding judge who sits
with a golden ladder on one side, a coal chute on the other.

Some have already joined the celestial choir
and are singing as if they have been doing this forever,
while the less inventive find themselves stuck
in a big air-conditioned room full of food and chorus girls.

Some are approaching the apartment of the female God,
a woman in her forties with short wiry hair
and glasses hanging from her neck by a string.
With one eye she regards the dead through a hole in her door.

There are those who are squeezing into the bodies
of animals–eagles and leopards—and one trying on
the skin of a monkey like a tight suit,
ready to begin another life in a morc simple key,

while others float off into some benign vagueness,
little units of energy heading for the ultimate elsewhere.

 

FIFTIETH BIRTHDAY EVE

The figure alone is enough to keep me wide awake,
the five with its little stationmaster’s belly
and cap with a flat visor, followed by the zero,
oval of looking glass, porthole on a ghost ship,
an opening you stick your arm through and feel nothing.

I want to daydream here in the dark, listening
to the trees behind the house reciting their poems,
bare anonymous beings, murmuring to themselves
in lines that reach out like long branches in spring.
I want my mind to be a sail, susceptible to any breeze
that might be blowing across the lake of consciousness.

But I keep picturing the number, round and daunting:
I drop a fifty dollar bill on a crowded street.
I carry a fifty pound bag of wet sand on my shoulders.
I see fifty years leaping a fence in a field, one by one.
I fan the five decades before me like a poker hand.

I try contemplating the sufferings of others, Rossini,
for example, considered by many to be the Father
of Modern Insomnia for his prolonged sleeplessness
during the composition of the William Tell Overture.

But even a long meditation on the life of Brahms,
recognized by all as the Father of the Modern Lullaby,
will not dispel the fives and zeros, gnomes in the night,
perched on the bedposts, one straddling a closet doorknob.

By dawn, I have become a Catholic again,
the oldest altar boy in the parish, complete.

 

Sneeuwruimen met Boeddha

In de gebruikelijke iconografie van de tempel of de plaatselijke Chinees
zou je hem nimmer zoiets zien doen,
droge sneeuw over de berg
van zijn naakte, ronde schouder werpen,
zijn haar in een knot gebonden,
een schoolvoorbeeld van concentratie.

Zitten is meer zijn tempo, als dat het woord is
voor wat hij doet, of niet doet.

Zelfs het seizoen is het verkeerde voor hem.
Is het bij al zijn verschijningsvormen niet warm en klam?
Ligt dat niet verscholen in zijn serene gelaatsuitdrukking,
die glimlach die zo breed is dat hij zich rond het middel van het universum windt?

Maar hier zijn we, ons een weg banend langs de oprit,
schep voor schep.
We werpen de lichte poeder in de heldere lucht.
We voelen de koude nevel op onze gezichten.
En met elke schep verdwijnen we
en raken voor elkaar verloren
in deze plotselinge wolken van eigen makelij
deze fonteinuitbarstingen van sneeuw.

Dit is zoveel beter dan een preek in de kerk,
zeg ik hardop, maar Boeddha blijft scheppen.
Dit is de ware godsdienst, de godsdienst van de sneeuw,
en zonlicht en winterse gakkende ganzen in de lucht,
zeg ik, maar hij is te druk bezig om me te horen.

Hij heeft zichzelf op sneeuwruimen geworpen
alsof dat het doel van het bestaan is,
alsof het een teken van volmaakt leven is
dat je met de auto gemakkelijk achteruit kunt rijden
over een schone oprit, op weg
naar de ijdelheden van de wereld
met een kapotte ventilator en een liedje op de radio.

De hele morgen werken we zij aan zij,
ik met mijn commentaar
en hij gehuld in de gulle buidel van zijn zwijgen,
tot het bijna middag is
en de sneeuw hoog opgetast om ons heen ligt;
dan pas hoor ik hem spreken.

Kunnen we hierna, vraagt hij,
naar binnen gaan en een potje kaartspelen?

Zeker, antwoord ik, en ik zal wat melk opwarmen
en koppen chocolademelk op tafel zetten
terwijl jij de kaarten schudt,
en onze laarzen druipend bij de deur staan.

Aaah, zegt Boeddha, zijn ogen opheffend
en een ogenblik op zijn schep leunend
voor hij het dunne blad weer
diep in de glinsterende witte sneeuw drijft.

 

Vertaald door Chris Coolsma en Marijke Oomen

 

Billy Collins (New York, 22 maart 1941)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e maart ook mijn blog van 22 maart 2020 en eveneens mijn blog van 22 maart 2019 en ook mijn blog van 22 maart 2016 en mijn blog van 22 maart 2014 deel 1 en eveneens deel 2.

Willem de Mérode, Pim te Bokkel, Hermann Lenz

Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies vijftien jaar. Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit blog, ook nu weer een gedicht van hem. Zie ook alle tags voor Willem de Mérode op dit blog en Romenu’s eerste lustrumpagina.

 

Uw naam

Wanneer mijn lied mag leven na mijn dood,
Zal onze liefde niet vergeten wezen.
Ons zwakke hart mag voor het sterven vreezen,
Maar nooit vergaat wat zuiver is en groot.

De wereld wentelt zich in stillen nood,
Wijl stormen licht woest aan de kim ontstegen.
Wij zien den schrikkelijken vlammenregen,
Die lang geleden aan een ster ontspoot.

En zoo zal onze liefde lichtend zijn
En als een purperroode vlammenschijn
Spelen op schoone en lieflijke gezichten,
Die lezen, en zij sidderen tezaem,
Wanneer de glans van uw beminden naam
Hun oogen tegenslaat uit mijn gedichten.

 

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Bram Corbijn (een jongere vriend) en Willem de Mérode in Eerbeek – 1931 – voor de tuindeuren van De Mérode

 

De Nederlandse dichter Pim te Bokkel werd geboren in Winterswijk op 21 maart 1983. Zie ook alle tags voor Pim te Bokkel op dit blog

 

Over Barbies en God enzo

Toen werd alles anders:

de pop die als verjaardagscadeau
uit plastic en paardenhaar
naar haar evenbeeld geschapen was
werd God
en God kreeg kleertjes
die zij
een kleuter verkleed als vrouw van beneden de dertig
het mooiste vond en nee

ze kon niet even komen
want haar pop wilde graag blijven dus
bleven ze spelen

 

Maskerade

Er was geen tafel
maar we speelden dat
hetgeen ons scheidde van elkaar
die tafel was

Ik zag je
door de onrust van de wijn
in het geheven glas dat er niet was
wat waziger

Je keek me aan
gebaarde dat je me doorzag
en hield de uitdrukking van je gezicht
met beide handen
als een masker stevig vast
alleen je ogen zag ik onbedekt
als het uitzicht op
een afgrond die beklemt

Nooit hebben wij elkaar gekend

 

Zilverberk

Gebonden aan de tak, maar geboren met het verlangen van de
koolmees om de lucht in te vluchten, enerzijds helgroen, ander-
zijds als zilverfolie schitterend in lentelicht, heeft elk van de con-
fettisnippertjes een vrije wil en een gespleten geest die de dingen
niets dan twijfel bracht: links, rechts, ja, nee – ruis in het sneeuw-
beeld van je tv – of niet, nee, niet niet, aldus, daar in de slanke
boom, verward, het twitterende berkenblad.

 

Pim te Bokkel (Winterswijk, 21 maart 1983)

 

De Duitse dichter en schrijver Hermann Lenz werd op 26 februari 1913 in Stuttgart geboren. Zie ook alle tags voor Hermann Lenz op dit blog.

 

Naar Venetië

De zwarte sluier op het gezicht van een vrouw
Doet denken aan schaduwen op een röntgenfoto,
En huizen, langs de oever aan elkaar geregen,
Weten misschien iets dat standhoudt.

Iemand vraagt waar je vandaan komt
En jij denkt: vanuit de diepten van de bron.
Een dienstmeisje heeft je eruit gevist.

Verbleekt blauw op een linnen dak,
Vochtige wind op de huid van de wangen,
En het schip houdt halt bij de oever.

Terwijl het tegen de steiger schuurt,
Mensen instappen in het licht van naakte waterdruppels
En de dunne jurk van een vrouw
Je doet vragen of ze het niet koud heeft
(Je zou haar graag je sjaal lenen)
Voel je de deinende bodem.

Oud en breed, met een sluw oog zit
Een meeuw op een paal
En ziet eruit alsof hij om je glimlacht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Hermann Lenz (26 februari 1913 – 12 mei 1998)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e maart ook mijn blog van 21 maart 2020 en eveneens mijn blog van 21 maart 2019 en ook mijn blog van 21 maart 2018 deel 2 en ook Romenu’s 1e lustrum pagina.

Friedrich Hölderlin

De Duitse dichter en schrijver Johann Christian Friedrich Hölderlin werd geboren op 20 maart 1770 in Lauffen am Neckar in het Hertogdom Württemberg. Zie ook alle tags voor Friedrich Hölderlin

Uit: Hyperion

Es ist ganz, was es ist, und darum ist es so schön.
Der Zwang des Gesetzes und des Schicksals betastet es nicht; im Kind ist Freiheit allein.
In ihm ist Frieden; es ist noch mit sich selber nicht zerfallen. Reichtum ist in ihm; es kennt sein Herz, die Dürftigkeit des Lebens nicht. Es ist unsterblich, denn es weiß vom Tode nichts.
Aber das können die Menschen nicht leiden. Das Göttliche muß werden, wie ihrer einer, muß erfahren, daß sie auch da sind, und eh es die Natur aus seinem Paradiese treibt, so schmeicheln und schleppen die Menschen es heraus, auf das Feld des Fluchs, daß es, wie sie, im Schweiße des Angesichts sich abarbeite.
Aber schön ist auch die Zeit des Erwachens, wenn man nur zur Unzeit uns nicht weckt.
O es sind heilige Tage, wo unser Herz zum ersten Male die Schwingen übt, wo wir, voll schnellen feurigen Wachstums, dastehn in der herrlichen Welt, wie die junge Pflanze, wenn sie der Morgensonne sich aufschließt, und die kleinen Arme dem unendlichen Himmel entgegenstreckt.
Wie es mich umhertrieb an den Bergen und am Meeresufer! ach wie ich oft da saß mit klopfendem Herzen, auf den Höhen von Tina, und den Falken und Kranichen nachsah, und den kühnen fröhlichen Schiffen, wenn sie hinunterschwanden am Horizont! Dort hinunter! dacht ich, dort wanderst du auch einmal hinunter, und mir war, wie einem Schmachtenden, der ins kühlende Bad sich stürzt und die schäumenden Wasser über die Stirne sich schüttet.
Seufzend kehrt ich dann nach meinem Hause wieder um. Wenn nur die Schülerjahre erst vorüber wären, dacht ich oft.
Guter Junge! sie sind noch lange nicht vorüber.
Daß der Mensch in seiner Jugend das Ziel so nahe glaubt! Es ist die schönste aller Täuschungen, womit die Natur der Schwachheit unsers Wesens aufhilft.
Und wenn ich oft dalag unter den Blumen und am zärtlichen Frühlingslichte mich sonnte, und hinaufsah ins heitre Blau, das die warme Erde umfing, wenn ich unter den Ulmen und Weiden, im Schoße des Berges saß, nach einem erquickenden Regen, wenn die Zweige noch bebten von den Berührungen des Himmels, und über dem tröpfelnden Walde sich goldne Wolken bewegten, oder wenn der Abendstern voll friedlichen Geistes heraufkam mit den alten Jünglingen, den übrigen Helden des Himmels, und ich so sah, wie das Leben in ihnen in ewiger müheloser Ordnung durch den Aether sich fortbewegte, und die Ruhe der Welt mich umgab und erfreute, daß ich aufmerkte und lauschte, ohne zu wissen, wie mir geschah – hast du mich lieb, guter Vater im Himmel! fragt ich dann leise, und fühlte seine Antwort so sicher und selig am Herzen.“

 

Aan de zonnegod

Waar ben je? dronken schemert mijn ziel van al
Jouw weelde; want zoëven was het, dat ik
Gezien heb hoe, moe van zijn reis, de
Jeugdig betoverende zoon der goden

Zijn jonge lokken baadde in een gouden wolk;
En nu nog kijkt mijn oog uit zichzelf hem na,
Maar ver is hij, naar vrome volken,
Die hem nog eren, van hier vertrokken.

Jou, aarde, heb ik lief! jij treurt met mij mee!
En onze treurnis slaat, gelijk kinderleed,
Bij ’t sluimeren om en, zoals winden
Fladderen en fluisteren in ’t snarenspeeltuig,

Totdat de meesterhand het de mooiere toon
Ontlokt, zo spelen nevel en droom rondom
Ons, tot de terugkeer der geliefde
Leven en geest in ons doet ontvonken.

 

Vertaald door Kester Freriks

 

Friedrich Hölderlin (20 maart 1770 – 7 juni 1843)
Monument in Nürtingen

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e maart ook mijn blog van 20 maart 2020 en eveneens mijn blog van 20 maart 2019 en ook mijn blog van 20 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3 en ook deel 4.

Mano Bouzamour, Roman Libbertz

De Nederlandse schrijver Mano Bouzamour werd geboren op 19 maart 1991 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Mano Bouzamour op dit blog.

Uit: Bestsellerboy

“De privéchauffeur in pak keek via de vlekkeloze achteruitkijkspiegel zo nu en dan naar mij maar als ik hem aankeek, lette hij weer op de weg. De donkerblauwe Tesla zoefde geluidloos over de trambaan op de Utrechtsestraat.
De straat herinnerde mij iedere keer aan een zinsnede van De donkere kamer van Damokles. ‘Zo nauw is de straat, dat de tramsporen naar elkaar toe kruipen en over elkaar heen gaan lig-gen.’ Ik vroeg me af hoeveel fietsers hier met hun zatte kop met hun banden tussen de trambanen terecht waren gekomen om keihard op hun bek te vallen.
De chauffeur ontweek behendig de brommers en fietsers, liet een oude mevrouw oversteken en sloeg toen links af de Herengracht op. Langs het Waldorf Astoria, waar piccolo’s de sleep van hun capeachtige jassen wegsloegen terwijl ze hoffelijk de deuren openden om de hotelgasten keurig knikkend te verwelkomen. De chauffeur stopte ernaast bij een grachtenpand waar prometheus op de pui stond, deed de autodeur open en belde voor mij aan.
Wachtend in de witmarmeren hal van de uitgeverij repeteerde ik zachtjes de zinnetjes die ik in het vliegtuig bedacht had voor het geval Mai ineens zou twijfelen.
‘Als u mijn boek uitgeeft, beloof ik u plechtig dat ik keihard mijn best zal doen. Als u mijn boek uitgeeft, ik zweer het, zal u daar geen seconde spijt van krijgen. Als u mij uitgeeft, zullen we de Nederlandse literatuur op haar grondvesten doen trillen.’
Ik haalde diep adem, tilde mijn witte Nike-schoen op en wreef wat woestijnzand weg.
Na wat telefoongerinkel en gemompel vertelde de receptioniste – bloedmooie jongedame: blauwe ogen, blonde krulletjes én rond mijn leeftijd – dat de uitgever mij in de tuin kon ontvangen; mijn hartslag ging tekeer alsof ik een sprintje had getrokken.
Ik vroeg haar lachend: ‘Loop je met me mee?’
Ze antwoordde: ‘Nee.’
‘Oeh, waarom zo gemeen?’
‘Ga alleen.’
Lichtelijk transpirerend liep ik door de hal waar om de drie meter een kroonluchter aan het rijkelijk versierde plafond hing. Beeltenissen van briljant gehouwen babyengelen, groenbronzen wandkandelaars en overal gouden ornamenten. Ik stopte even om het in me op te nemen: harp spelende cherubijntjes omgeven met trosjes druiven terwijl het grootste engeltje met een wijnpers tussen de bolle beentjes de vruchten uitperste.
Ik ging een trappetje af, liep door een zaal waar portretten van auteurs aan de muren hingen en daar, in de piekfijn onderhouden tuin, zat Mai op een witte Eames-stoel van skai. Hij zat met zijn benen gekruist, rug naar mij toe, een krant te lezen. De zon fikte op zijn kale hoofd, dat lichtelijk besprenkeld was met ouderdomsvlekjes. Op de grond om hem heen lagen kranten die hij verslonden had.”

 

Mano Bouzamour (Amsterdam, 19 maart 1991)

 

De Duitse dichter, schrijver en schilder Roman Libbertz werd geboren op 20 maart 1977 in München. Zie ook alle tags voor Roman Libbertz op dit blog.

 

Big in China

Ze verspreiden zich, spelen lang,
nooit meer,
voor de helft, verdedigen,
alleen,
hun ruimtewinst,
in een nieuwe borst,
met nieuwe nieuwkomers
en
of zonder
dure aankopen,
omzetstijging,
of winst,
voor belastingen.
Het moet zich ontwikkelen
alles,
arm aan schadelijke stoffen,
geheel zonder golven,
in het supportersvak,
heel goed.
En dus vlogen ze
dit boekjaar opnieuw,
deze met een bal jonglerende trekvogels, de zee over,
naar het land van de glimlach,
het einde van de zomervakantie tegemoet. Tijd,
dat er iets een wending neemt!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Roman Libbertz (München, 20 maart 1977)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e maart ook mijn blog van 19 maart 2020 en eveneens mijn blog van 19 maart 2019 en ook mijn blog van 19 maart 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Tonnus Oosterhoff, Stéphane Mallarmé

De Nederlandse dichter en schrijver Tonnus Oosterhoff werd geboren in Leiden op 18 maart 1953. Zie ook alle tags voor Tonnus Oosterhoff op dit blog.

 

Wij hebben in verzegeld aardewerk

Wij hebben in verzegeld aardewerk
tweeduizend jaar oude bienen met zeventien vleugelen
en tweeëntwintig pootjes gevonden, in verzegeld
aardewerk gevonden en benoemd; benoemd
hoe in Artis de tijd is begonnen te vliegen.
We bestudeerden de avondklok de avondklok
nam zijn raderen onder zijn armen, vluchtte de nacht in.

Want een verschijnsel met twee voelhorentjes draait
zijn kopje en is het oude niet meer.
Het gedraagt zich tegenover het wezen ervoor
als ernaast. Het herkent ernaast niet maar eet het.

Wat wij verbinden valt in ons gele doodshoofd weer
uit en uiteen. Echter in het doodshemd van zakken
vol enen en nullen past meer dan erin kan,
zuinig met bijfiguren omspringen, dat is onzinnig.

 

Ik zit met stil lichaam

Ik zit met stil lichaam, korte armen en palmen,
maar heel lange vingers in mijn ouderwetse rookstoel.
dampweten dampweette gedampweet
dampweten deurklopper doodklap.
Rooksociëteit De Dampkring.

Waar bewaart u uw koffer? Onder het bed?
Onder het bed of op zolder?
Ik heb de ruit met een stok
stuk geslagen en ontmoette veel
rennende mensen die hun plaats niet verlieten.

 

Onafzienbaar doodsbed met luchtpomp

Onafzienbaar doodsbed met luchtpomp,
het lijk is er wegens overcompleet
onder gaan liggen.

Humor
heb je of heb je niet
onder de wriemelpootjes van het gras
ook als je je dag eens niet hebt.

Nu verlaat me niet meer.
Sta om me heen en dring in me
pijn stiller geen is er

 

Tonnus Oosterhoff (Leiden, 18 maart 1953)

 

De Franse dichter Stéphane Mallarmé werd geboren in Parijs op 18 maart 1842. Zie ook alle tags voor Stéphane Mallarmé op dit blog.

 

Grafsteen van Charles Baudelaire

De diep bedolven tempel laat de grafmond gapen
Van een riool dat modder en robijnen braakt
Waar gruwelijk een god Anubis uit ontwaakt
Om zijn laaiende bek met woest geblaf te schrapen

Of heeft het nieuwe gas de loense dot herschapen
Die om gij weet het welke schandvlek wordt gewraakt
Tot een schel licht waarin een eeuwig schaambeen blaakt
Waarvan de vlucht met de lantaarn mee vreemd gaat slapen

Welk loof verdroogd in avondloze steden bidt
Zo vroom voor zijn gedachtenis als zij er zit
Tegen het marmer tevergeefs van Baudelaire

Afwezig uit de sluier huiverend om haar
Deze zijn Schaduw zelf een gift te zijner ere
Altijd door ons te ademen zelfs met lijfsgevaar.

 

Vertaald door Paul Claes

 

Stéphane Mallarmé (18 maart 1842 – 9 september 1898)
Portret door Auguste Renoir, 1892

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e maart ook mijn blog van 18 maart 2020 en eveneens mijn blog van 18 maart 2019 en ook mijn blog van 18 maart 2018 deel 2 en eveneens deel 3 en ook mijn blog van 18 maart 2017 deel 3.

Hafid Aggoune, Kurt Drawert

De Franse schrijver Hafid Aggoune werd geboren op 17 maart 1973 in Saint-Etienne. Zie ook alle tags voor Hafid Aggoune op dit blog.

Uit: Premières heures au paradis 

“Mme Mila était heureuse de me revoir et d’apprendre que je vivais de mon métier d’acteur, même si tout n’était pas encore comme je voulais et qu’aucun rôle ne me don-nait le droit de dire que je faisais du cinéma. Elle disait que ce n’était pas grave, que jouer dans des publicités pouvait être un excellent apprentissage, et que surtout ce qui comptait c’était de travailler, même dans des séries, comme les acteurs américains. Elle disait qu’un jour les Français compren-draient. Et elle savait de quoi elle parlait : toute sa vie son mari avait préparé les décors, jusqu’à sa mort, tué sur le coup par un projecteur en plein tournage.
En l’écoutant, je n’ai pas manqué de voir dans son regard l’inquiétude que provoquait mon retour.
J’aurais aimé avoir une grand-mère comme Suzanne Mila. Elle était toujours aussi gentille. Elle me voyait tous les jours à la télévision. Elle disait que je donnais l’impres-sion d’être un autre à chaque fois. Et quand j’ai parlé de la chambre, elle ne m’a pas demandé pourquoi je souhaitais la reprendre. Suzanne est comme ça, généreuse, rien d’une concierge indiscrète, ne posant jamais les questions qui font de la peine, vous laissant venir comme un animal blessé qu’il ne faut pas effaroucher et qui finit par ne plus trembler.
Tu l’imagines, souriante et aimable, seule, la télé tou-jours allumée sur la seule chaîne que son vieux poste arrive à capter.
Du temps où j’étais le garçon au pair des Mila, Suzanne voyait son petit-fils tous les mercredis après l’entraînement de foot et tous les samedis après le match. Devenu adoles-cent, Aurélien ne venait voir sa grand-mère qu’une ou deux fois par mois, pour l’argent de poche et un goûter à la va-vite avant de dévaler les escaliers.
Tu remarqueras que je n’aime pas les chiffres.
Je tiens ça de toi.
Dans tes romans, tu écris toujours les chiffres en toutes lettres, comme une revanche sur ces heures de cours de mathématiques où le temps semblait arrêté et où l’ennui te poussait de minute en minute dans un état intermédiaire entre l’assoupissement avachi et le désir de crier en cla-quant la porte sur ce charabia abscons.
Après cinq ans et cinq de tes romans, je renouais avec la vie de célibataire, les sandwichs du midi et les mauvais dîners à cuisson rapide, seul dans un espace minuscule et perdu dans un gigantesque labyrinthe mental.
Après quelques jours d’isolement, j’ai repris les sorties nocturnes, celles pour se sentir moins seul, entouré d’ombres inconnues, enfumé jusqu’aux os.
Pour la première fois en cinq ans, septembre allait finir sans que j’aille faire le tour des librairies avec toi, pour le simple plaisir de voir à répétition le roman de Lucille Eden sur les tables.”

 

Hafid Aggoune (Saint-Etienne, 17 maart 1973)

 

De Duitse dichter en schrijver Kurt Drawert werd geboren op 15 maart 1956 in Henningsdorf. Zie ook alle tags voor Kurt Drawert op dit blog.

 

JUST NOW, 99 AAN HET EINDE

De elektronische dagen kunnen nu maar beter verbranden,
wat ooit geschiedenis genoemd werd
en tot slot rondslingerde als bevroren uitwerpselen
van honden. Voorbij zijn de afvalproblemen,

de gedwongen ontslagen, de overuren
van de vuilnisophaaldienst. Nu wordt het allemaal heel anders
geregeld doordat niet meer voorkomt,
wat vuil maakt. Eén klik naar de volgende

internet-buurman, dan een paar links
richting het lichaam en alles blijft schoon
en onaangeroerd in de kritieke zone
tussen heup en knie. Als Lenin dat eens wist

zoveel vooruitgangsmassa in het algemeen.
Ook hij zoiets als overblijfsel,
niet gemakkelijk in een comic te krijgen,
reactionair langs de gehele mislukte linie.

Maar genoeg daarover, deze jeugd
in het huilende oog van God werd toch overleefd,
bijna zonder schade, weggehangen van mijn kant,
zoals gerookte varkensbillen.

Maar aan de andere kant zijn de oorlogen ernstiger geworden,
harder, voor de bankenbalies,
moet ik zeggen. Een blik op het bankafschrift,
en ik weet dat ik kopje onder leef. Dan de brieven,

die al beginnen te stinken, vanaf de voetnoten
omhoog en niet erg virtueel, helaas.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kurt Drawert (Henningsdorf, 15 maart 1956)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e maart ook mijn blog van 17 maart 2020 en eveneens mijn blog van 17 maart 2019 en ook mijn blog van 17 maart 2018 deel 1 en ook deel 2.