Norman Mailer, Anna Blaman, Alfred Kossmann, Benoîte Groult, Stefan Beuse, Marie Luise Kaschnitz, Kenzaburo Oe, John ‘O Hara, Anthony Winkler Prins, Maria Elisa Belpaire

De Amerikaanse schrijver Norman Mailer werd op 31 januari 1923 in Long_Branch, New Jersey geboren. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007 en mijn blog van 10 november 2007.

Uit: On God

“On God as the Artist

michael lennon: Scientists believe that the universe is expanding. Is this accelerating nature of the cosmos reflected in your concept of a god who can grow and develop?

norman mailer: I start from another direction. Having been a novelist all my working life, I may know a little about human beings. I should. They have been my study. You might say my theological notions come out of such questions as, Who are we? What are we? How do we develop? Why, indeed, are we in existence? And is there the presence of a Creator in what we do?

So the larger cosmic speculations are of less interest to me. In truth, I would hate to rely on the ever-changing state of advanced physics for my ideas.

In places, you’ve said that God and the Devil are lesser divinities in liege to larger powers who might be the ultimate creators. Who or what do you feel is the ultimate power in the universe? Who created the universe?

I feel the same way about the ultimate Creator as I feel about the expanding universe: All that is too large for my speculations. But I don’t see any inherent logical contradiction in saying that I do believe our God created the world we live in and is in constant conflict with the Devil.”

mailer

Norman Mailer (Long_Branch, 31 januari 1923)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Blaman werd geboren op 31 januari 1905 te Rotterdam. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007.

Zij kwam

Zij kwam, verschrikt, uitdagend, onverwacht
en wankelde mijn armen in en zag mij aan
ik zag haar ogen vochtig, donker en verleidend staan
in een vermoeid gezicht – zij bleef de ganse nacht

en stamelde mij toe dat zij een offer bracht
aan mijn verlangen – en brak in tranen uit
en lachte schamper, roekeloos en luid –
het was een vreemde trieste nacht

Wij lagen samen – O mijn geliefde, zei ik zacht
en was zo blij en moe alsof ik sterven zou
ik huilde aan de borst van een beschonken vrouw
en in de schoot van een absurde liefdenacht.

 

Dans

Ik omvat met bei mijn armen de tere ronding
van haar schouders en hals, en zijzelve
doet mij haar zachtglooiende dansende benen omhelzen
zo schrijden wij tezamen in rhythmische wiegeling

Ik zie omhooggeheven haar lief gezicht
en dit hevig bijeenzijn drijft mij dicht
en dichter tot haar – en wij dansen mond aan mond
en hart aan hart en zacht gezicht aan zacht gezicht

Blaman

Anna Blaman (31 januari 1905 – 13 juli 1960)

 

De Nederlandse schrijver Alfred Kossmann werd geboren op 31 januari 1922 in Leiden. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007.

 

De verlossing

 

Mathilde zei: ‘Mijn oren zijn mijn ziel,

Ik geef niet om mijn buik en mooie ogen.

Zolang het haar over mijn oren viel

Heb ik de wereld en mijzelf bedrogen.

 

Nu ben ik vrij en naakt. Kijk naar het deel

Dat zo verrukkelijk wegwijkt van mijn wangen

En dat ik draag met brokken in de keel

Omdat het fluistert van een fraai verlangen.’

 

Zo sprak zij en zij leefde in die zin

En trouwde in die zin een diepe schilder.

Zeer mild en zeer voorzichtig was hun min

En in de bruidsnacht werd die enkel milder.

 

Hij zei terwijl hij speelde met haar borst

En haar bevrijdde van haar nauwe kleren:

‘Ik heb naar jou met lijf en ziel gedorst

En zal mij nimmer, nimmer van je keren,

 

Zolang je ogen, blauw en groot en rein,

Mij de opwindende sensatie schenken

Dat zij maar nauwelijks aanwezig zijn

En dat zij zelf niet weten wat zij denken.’

 

Mathilde zweeg, lag stil, nam een besluit,

Steeg uit haar bed van zedeloos begeven,

Greep naar een haarspeld, stak haar ogen uit

En snikte: ‘Altijd wint dit reedloos leven.’

 

Toen ruisten vele deftige engelen neer

En zongen: ‘Droef is heel dit aards gewemel.’

Wiekslaand en kussend, kussend keer op keer

Trokken zij haar aan de oren naar de hemel.

 

KossmannCitroen

Alfred Kossmann (31 januari 1922 – 27 juni 1998)
Getekend door Paul Citroen

 

 

De Franse schrijfster Benoîte Groult werd geboren op 31 januari 1920 in Parijs. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007.

 

Elle voudrait…

Elle voudrait faire provision
de tout ce bonheur
pour après

Mais l’amour, c’est comme le soleil,
ça ne s’engrange pas.

Chaque fois est unique
et s’efface comme ces vagues
qui rentrent dans le sein de l’océan…

 

benoite_groult

Benoîte Groult (Parijs, 31 januari 1920)

 

De Duitse schrijver Stefan Beuse werd geboren op 31 januari 1967 in Münster. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007.

Uit: Verschlußzeit

„Auslöser. Vier, fünf mal hintereinander. Der Spiegel klappt zurück. Dahinter das Bild auf der Filmebene. Seitenverkehrt. Auf dem Kopf stehend. Verschlußzeit.

Sophies Zähne durchtrennen den äußeren Mantel. Wie immer: erst das goldene Papier ab, dann die Mandeldecke hochheben, bis die Waffelschale offenliegt. Sie schlägt die Beine übereinander. Ihre Mutter hat jetzt angefangen zu erzählen. Die Geschichte ihres Großvaters. Obwohl niemand da ist, der die Geschichte noch nicht kennt. Wie jedes Jahr.

Sophie läßt sich zurückfallen und betrachtet den goldschimmernden Haufen auf dem Tisch. Lauter kl
eine Schädeldecken. Daneben Objektive, Filter, ein paar Gehäuse.

Sie beobachtet ihren Vater, wie er die 300er Optik in der Linken balanciert und sich den Gurt über die Schulter zieht; mit zusammengekniffenen Augen durchquert er das Zimmer. Sieh mich an, denkt sie, noch bevor sie das Aufnahmelicht der Videokamera bemerkt, die vor der geöffneten Wohnzimmertür auf ein Stativ geschraubt ist und den gesamten Raum überblickt: Hinten den Tisch mit ihrem Geschenk. Im Vordergrund die Sitzecke; ihre Mutter mit dem Rücken zur Kamera, sie selbst im Profil, wie sie ihren Sessel jetzt nah ans Fenster rückt. Und natürlich ihren Vater, der ständig in Bewegung ist, um alles einzufangen, Jäger und Sammler kostbarer Momente, Verwalter eines lückenlosen Familienarchivs. “

 

beuse

Stefan Beuse (Münster,  31 januari 1967)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Marie Luise Kaschnitz werd geboren op 31 januari 1901 in Karlsruhe. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007.

Das Wort

Als wir uns zuerst geliebt,
Haben wir noch ungeübt
Kinderrede angefangen
In dem glühenden Verlangen,
Klang zu werden, der sich hebe
Und den frühen Tag belebe.

Dann hast Du der Dinge Namen,
Zauberkräftig starken Samen,
Ausgestreut, da hob sich schnelle
Alles fest an seine Stelle,
Stand im Mittagslicht geweitet
Welt von uns für uns bereitet.

Doch die wir ans Licht gesogen,
Hat wie bald sich uns entzogen
Hat nach eignem dunklen Streben
Der Vernichtung sich ergeben,
Ausgeblutet, notzerrieben –
Ist uns eines nur geblieben:

Wort, das nie Dein Mund mir nannte,
Scham auf meine Lippen bannte,
Aufsteigt wie die hohe reiche
Wassergarbe aus dem Teiche,
Funkelt, sprüht sein weißes Licht.
Liebe, unsre Zuversicht.

 

Maß der Liebe

Wie Du mir nötig bist? Wie Trank und Speise
Dem Hungernden, dem Frierenden das Kleid,
Wie Schlaf dem Müden, Glanz der Meeresreise
Dem Eingeschloßnen, der nach Freiheit schreit.

 

So lieb ich Dich. Wie dieser Erde Gaben
Salz, Brot und Wein und Licht und Windeswehen,
Die, ob wir sie auch bitter nötig haben,
Sich doch nicht allezeit von selbst verstehen.

 

Und tiefer noch. Denn auch die ungewissen
Und fernen Mächte, die man Gott genannt,
Sie drangen mir zu Herzen mit den Küssen,

 

Den Worten Deines Mundes und die Blüte
Irdischer Liebe nahm ich mir zum Pfand
Für eine Welt des Geistes und der Güte.

 

kaschnitz

Marie Luise Kaschnitz (31 januari 1901 – 10 oktober 1974)

 

De Japanse schrijver Kenzaburo Oe werd op 31 januari 1935 geboren in het dorp Oso op het eiland Shikoku. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007.

Uit: Prize Stock

 

“When I woke up, fecund morning light was slanting through every crack in the slat walls, and it was already hot. My father was gone. So was his gun from the wall. I shook my brother awake and went out to the cobblestone road without a shirt. The road and the stone steps were awash in the morning light. Children squinting and blinking in the glare were standing vacantly or picking fleas out of the dogs or running around and shouting, but there were no adults. My brother and I ran over to the blacksmith’s shed in the shade of the lush nettle tree. In the darkness inside, the
charcoal fire on the dirt floor spit no tongues of red flame, the bellows did not hiss, the blacksmith lifted no red-hot steel with his lean, sun-blackened arms. Morning and the blacksmith not in his shop – we had never known this to happen. Arm in arm, my brother and I walked back along the cobblestone road in silence. The village was empty of adults. The women were probably waiting at the back of their dark houses. Only the children were drowning in the flood of sunlight. My chest tightened with anxiety.

Harelip spotted us from where he was sprawled at the stone steps that descended to the village fountain and came running over, arms waving. He was working hard at being important, spraying fine white bubbles of sticky saliva from the split in his lip.”

 

Oe

Kenzaburo Oe (Oso, 31 januari 1935)

 

Voor onderstaande schrijvers zie ook mijn blog van 31 januari 2007.

 

De Amerikaanse schrijver John ‘O Hara werd geboren op 31 januari 1905 in Pottsville, Pennsylvania.

 

De Nederlandse schrijver, dichter en dominee Anthony Winkler Prins werd geboren te Voorst op 31 januari 1817.

 
De Vlaamse dichteres en schrijfster Maria Elisa Belpaire werd geboren te Antwerpen op 31 januari 1853.

 

Barbara Wood, Tijs Goldschmidt, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Richard Brautigan, Hans Erich Nossack, Anton Hansen Tammsaare, Walter Landor

De Engels-Amerikaanse schrijfster Barbara Wood werd geboren op 30 januari 1947 in Warrington. Zij emigreerde met haar familie naar de VS en woont tegenwoordig in Californië. Zij studeerde aan de University of California, maar brak haar studie af en werkte gedurende tien jaar in verschillende beroepen. In 1976 publiceerde zij haar eerste novelle Hounds & Jackals. Vanaf 1980 werkt zij als fulltime schrijfster.

Werk o.a.: Virgins of paradise, 1993, The prophetess, 1996, Perfect harmony, 1998, Sacreground, 2001, The blessing stone, 2003, Star of Babylon, 2005.

Uit: The Blessing Stone

 “…He felt a small thrill of excitement. He had already wanted to go west, to see the new country on the other side of the Rocky Mountains, maybe even to carve a whole new life for himself there. But if the Blessing Stone had told him to go east, then to Europe he would have sailed; south would have taken him to Florida, and north would have had him packing off to the wilds of Canada.

     But the stone was pointing to the word “West,” which he had printed on a large square of white paper along with the words “South,” “East,” and “North,” lining up the four cardinal points with the help of a compass. Then he had placed the smooth crystal, which his mother had christened the Blessing Stone, in the center and spun it. It had come to a rest with its narrower end pointing west.

     He could hardly contain his joy. Crumpling up the paper and returning the crystal to its special velvet-lined box, he hurried downstairs to inform his mother of his plans. But he stopped at the foot of the stairs. The curtains were drawn across the doorway to the parlor, which meant a séance was in progress and so his mother could not be disturbed.

     Matthew didn’t mind. He was young and hungry and would celebrate with cakes and milk in the kitchen until his mother’s ghost-seeking clients had left.

     As he cut himself a generous wedge of chocolate cake, he hoped his mother’s contact with the spirits was a good one this afternoon; he was not in a mood to cross words with her, or to have her refuse to let him go. Matthew needed to go; he would die here in Boston if he didn’t.

 

wood

Barbara Wood (Warrington, 30 januari 1947)

 

De Nederlandse schrijver Tijs Goldschmidt werd geboren op 30 januari 1953 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007.

Uit: De Bijenchoreograaf

“In de negentiende eeuw was de merel een schuwe bosvogel, tegenwoordig zijn er weinig andere vogelsoorten zo algemeen in de stad. Veel recenter trokken de blauwe reigers, futen, aalscholvers en sperwers de stad in. En pas nog zag ik in de Amstel bij het Amstelhotel mijn eerste Centraal-Amsterdamse dodaars. Ik kan me niet herinneren deze kleine fuut met het zachtste van alle bontsoorten hier ooit eerder te hebben gezien. Daarvoor moest je nog niet zo lang geleden een eindje de stad uit, naar Botshol bijvoorbeeld. Ook insecten trekken steeds vaker de stad in, aarden daar, en veranderen uiteindelijk in door de wol geverfde stadsbewoners. Elke apidoloog weet dat dat ook geldt voor de honingbij. Nog niet lang geleden werden ze vooral in kasten gehouden bij boerderijen op het platteland, vaak in de buurt van heidevelden, of ze kwamen ongedomesticeerd voor in holle bomen op van oudsher idyllische plekken als stinsen en borgen. Terwijl steeds meer stadsmensen verhuisden naar het platteland, verruilden de bijen het door monocultures sterk verarmde platteland voor de stad. Daar bouwden ze, vaak gehaald en geholpen door de Amsterdamse imkers, een florissant bestaan op.
Nog maar enkele decennia geleden waren er in Amsterdam veel minder imkers. De in mijn herinnering hoogbejaarde meneer Vrij, oprichter van de Cornelis Vrijschool op de hoek van de Van de Veldestraat en de Jan Luykenstraat, hield in de jaren zestig, en waarschijnlijk al veel eerder, bijen vlak onder en op het dak van de school. Ik had een speciale band met hem omdat hij sinterklaas was geweest en ik hem had ontmaskerd. Want als sinterklaas had hij me in precies dezelfde bewoordingen toegesproken als nog geen drie weken daarvoor in burger: ‘Jouw moeder zit toch in het schoolbestuur? Ze vertelde me dat jij zo goed kunt punniken.’ Dezelfde stem, dezelfde formulering, hetzelfde compliment. Had sinterklaas iets met die bijen te maken? Hij had in elk geval dezelfde trage motoriek als meneer Vrij, waardoor ik gesterkt werd in mijn vermoeden dat Sinterklaas een verklede imker was. Meneer Vrij vertelde dat wanneer je maar langzaam bewoog de bijen je niet zagen. Bovendien raken slowmotionmensen niet bezweet. Bijen zweten zelf was, maar aan mensen- en vooral mannenzweet hebben ze een hekel.”

goldschmidt

Tijs Goldschmidt (Amsterdam, 30 januari 1953)

 

De Australische schrijfster Shirley Hazzard werd geboren op 30 januari 1931 in Sydney. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007.

Uit: The Transit of Venus

 

“By nightfall the headlines would be reporting devastation.

It was simply that the sky, on a shadeless day, suddenly lowered itself like an awning. Purple silence petrified the limbs of trees and stood crops upright in the fields like hair on end. Whatever there was of fresh white paint sprang out from downs or dunes, or lacerated a roadside with a streak of fencing. This occurred shortly after midday on a summer Monday in the south of England.

As late as the following morning, small paragraphs would even appear in newspapers having space to fill due to a hiatus in elections, fiendish crimes, and the Korean War – unroofed houses and stripped orchards being given in numbers and acreage; with only lastly, briefly, the mention of a body where a bridge was swept away.

That noon a man was walking slowly into a landscape under a branch of lightning. A frame of almost human expectancy defined this scene, which he entered from the left-hand corner. Every nerve – for even barns and wheelbarrows and things without tissue developed nerve in those moments – waited, fatalistic. Only he, kinetic, advanced against circumstances to a single destination.

Farmers moved methodically, leading anumals or propelling machines to shelter. Beyond the horizon, provincial streets went frantic at the first drops. Wipers wagged on windshields, and people also charged and dodged to and fro, to and fro. Packages were bunged inside coat-fronts, newspapers upturned on new perms. A dog raced through a cathedral. Children ran in thrilling from playgrounds, windows thudded, doors slammed. Housewives were rushing, and crying out, ‘My washing’. And a sudden stripe of light split earth from sky.”

shirleyhazzard

Shirley Hazzard (Sydney, 30 januari 1931)

 

De Duitse dichter en schrijver Adelbert von Chamisso werd op het slot Boncourt in de Champagne geboren op 30 januari 1781. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007.

Der erste Schnee

Der leise schleichend euch umsponnen
Mit argem Trug, eh’ ihr’s gedacht,
Seht, seht den Unhold! über Nacht
Hat er sich andern Rat ersonnen.
Seht, seht den Schneenmantel wallen!
Das ist des Winters Herrscherkleid;
Die Larve l
äßt der Grimme fallen; –
Nun wißt ihr doch, woran ihr seid.

 

Er hat der Furcht euch überhoben,
Lebt auf zur Hoffnung und seid stark;
Schon zehrt der Lenz an seinem Mark.
Geduld! und mag der Wütrich toben
Geduld! schon ruft der Lenz die Sonne,
Bald weben sie ein Blumenkleid,
Die Erde träumet neue Wonne, –
Dann aber träum’ ich neues Leid!

 

Chamisso

Adelbert von Chamisso  (30 januari 1781 – 21 augustus 1838)

 

De Amerikaanse schrijver Richard Brautigan werd geboren op 30 januari 1935 in Tacoma, Washinton.

De Duitse schrijver Hans Erich Nossack werd op 30 januari 1901 geboren in Hamburg.

De Estlandse schrijver Anton Hansen Tammsaare werd geboren op 30 januari 1878 in Albu.

De Engelse schrijver Walter Savage Landor werd geboren op 30 januari 1775 in Ipsley Court, Warwickshire.

Lennaert Nijgh, Anton Tsjechov, Romain Rolland, Olga Tokarczuk, Germaine Greer, Mirjam Müntefering, Serap Çileli, Gert Hofmann, Muna Lee, Johann Gottfried Seume

De Nederlandse tekstdichter, columnist en schrijver  Lennaert Nijgh werd geboren in Haarlem op 29 januari 1945. Nijgh maakte vooral naam als tekstdichter voor Boudewijn de Groot, een jeugdvriend met wie hij opgroeide in Heemstede. Ze bleven bevriend, al gingen ze elk naar een andere middelbare school in Haarlem. Hun eerste samenwerking was in een 8mm filmpje dat Lennaert Nijgh maakte en waarin Boudewijn de Groot twee liedjes zong. Dat De Groot in de jaren ’60 kon uitgroeien tot protestzanger en troubadour van de flower power had hij mede te danken aan de teksten van Nijgh. Hun eerste hit was Meisje van 16, een vertaling van Charles Aznavour (“Un enfant de seize ans“). De tweede, Welterusten Meneer de President, vestigde de naam van De Groot als protestzanger. Nijgh schreef niet exclusief voor Boudewijn de Groot. Hij schreef en vertaalde musicals en maakte liedteksten voor tal van Nederlandse artiesten: Astrid Nijgh (zijn eerste vrouw), Cobi Schreijer, Jasperina de Jong, Liesbeth List, Ramses Shaffy, Jenny Arean, Flairck en Rob de Nijs. Een kleine greep uit de bekendste liedjes: Malle Babbe, Jan Klaassen de Trompetter, Dag Zuster Ursula, Ik doe wat ik doe, Pastorale en Avond dat in 2005 verrassend eindigde als nummer 1 in de Top 2000 van Radio 2. Nijgh heeft bijna zijn hele leven geschreven, op periodes na waarin hij leed aan een writer’s block. In de omgeving van Haarlem is hij ook bekend geworden door zijn columns in het Haarlems Dagblad. Hij schreef meerdere boeken (waaronder zijn debuutroman Tobia) en draaide zijn hand niet om voor minder in het oog springend werk. Zo beschreef Nijgh drie jaar voor zijn dood onder de titel Met Open Mond de 150-jarige geschiedenis van Van der Pigge, een drogisterij in Haarlem waar het boek nog steeds te koop is. Eind 2002 stierf Lennaert Nijgh na een kort ziekbed op 57-jarige leeftijd. Op de Oude Groenmarkt in Haarlem is een standbeeld voor hem opgericht.

 

Ze zijn niet meer als toen

Tot nu toe was het nooit geheel volmaakt,
verbrande steden en een volk om voor te sterven,
een tomeloze liefde, een derde die het kon bederven,
tot nu toe was het nooit geheel volmaakt.

Er is gezegd: er komen andere tijden,
er is gevochten voor een nieuw fatsoen.
Er is niet geluisterd naar wat anderen zeiden,
ik heb geen zin het nog eens over te doen.

Het is nu beter al je vrienden maar te mijden,
ze veranderen snel en zijn niet meer als toen.

De grote waarheid is intussen achterhaald,
wat vroeger wet was, is nu bij de wet verboden,
de ouderen zijn niet meer zoals vroeger halve goden
en de vis wordt ook niet meer zo duur betaald.

Natuurlijk zijn er mensen die nog lijden
en vrede is nog steeds een visioen.
Het is geen tijd om nu je bedje al te spreiden,
al zijn er mensen die dat nu al doen.

Het is dus beter al je vrienden maar te mijden,
ze veranderen snel en zijn niet meer als toen.

Maar denk in godsnaam niet dat we er al zijn,
er moet zowel het een en ander nog gebeuren.
En het blijft vechten hoewel de anderen niet ophouden met zeuren
dat het vroeger beter was, zo rustig en zo fijn.

Dat zijn je vrienden die eertijds altijd zeiden
dat zij het later anders zouden doen.
Ze wilden zich van elk gezag bevrijden.
Nu doen ze niets, ze houden hun fatsoen.

Het is dus beter deze vrienden maar te mijden,
ze veranderen snel en zijn niet meer als toen.

Morgen is het weer zoals vandaag
het lijkt veranderd, maar jullie weten beter.
Al wordt de grond intussen onder jullie voeten heter,
jullie rekenen niet af, je bent te traag.

Er is gezegd er komen andere tijden,
er is gevochten voor een nieuw fatsoen.
Er is niet geluisterd naar wat anderen zeiden,
ik heb geen zin het nog eens over te doen.

Daarom heb ik besloten jullie maar te mijden,
jullie zijn hetzelfde, geen vrienden meer als toen.

 

 

Lennaert Nijgh / Boudewijn de Groot

 

 

Nijgh

Lennaert Nijgh (29 januari 1945 – 28 november 2002)

 

De Russische schrijver Anton Tsjechov werd geboren op 29 januari 1860 in Taganrog, een havenstad in Zuid-Rusland. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

 

Uit: Ein Ereignis

 

“Es ist Morgen. Durch die Eisblumen auf den Fensterscheiben fällt das helle Sonnenlicht in die Kinderstube.

Wanja, ein etwa sechsjähriger Junge, kurz geschoren, mit einer Nase wie ein Knopf und seine Schwester Nina, ein vierjähriges pausbäckiges, für sein Alter etwas kleines Mädchen, erwachen und schauen sich durch die Gitter ihrer Bettchen böse an. »Ja, schämt Ihr Euch denn nicht?« brummt die Wärterin, »alle braven Leute haben schon Thee getrunken, und Ihr könnt immer noch nicht die Augen aufkriegen . . .«

Die Sonnenstrahlen tanzen heiter auf dem Teppich, den Wänden und dem Kleide der Wärterin. Als lüden sie ein, mit ihnen zu spielen. Aber die Kinder bemerken es nicht; sie sind heute übler Laune beim Erwachen. Nina wirft die Lippen auf, macht ein saures Gesicht und fängt an zu greinen: »Thee–e–e! Marie! The–e!«

Wanja zieht die Stirne kraus und grübelt, ob er nicht auch einen Grund zum Heulen finden könnte; er blinzelt schon mit den Augen und öffnet den Mund, in diesem Augenblick schallt aus dem Salon die Stimme der Mutter: »Daß nicht vergessen wird, der Katze Milch zu geben! Sie hat jetzt Junge . . .«

Wanja und Nina machen lange Gesichter und sehen einander fassungslos an, dann schreien sie beide zugleich auf, springen aus den Betten und laufen mit lautem Geschrei barfuß und im bloßen Hemd in die Küche. »Die Katze hat Kinder«! rufen sie. – »Die Katze hat Kinder!«

In der Küche steht unter der Bank die kleine Kiste, in der Stephan sonst die Kohlen für den Kamin aus dem Keller heraufträgt. Aus der Kiste guckt die Katze hervor. Ihr graues Frätzchen drückt die äußerste Ermüdung aus. Die grünen Augen mit den schmalen schwarzen Pupillen blicken resigniert und sentimental. Man sieht es ihr an, daß zur Vollständigkeit ihres Glückes bloß »Er« fehlt, der Vater ihrer Kinder, dem sie so rückhaltlos ergeben ist! Sie versucht zu miauen, öffnet das Maul weit, aber aus der Kehle kommt nur ein heiserer Ton . . . Man hört das Quieken der Jungen.”

 

Tsjechov

AntonTsjechov (29 januari 1860 – 15 juli 1904)
Portret uit 1889

 

De Franse schrijver Romain Rolland werd geboren op 29 januari 1866 in Clamecy. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

 

Uit: Au seuil de la dernière porte, Entretiens sur les Évangiles

 

“Durant les cinq ans de captivité, où la vie était comme obstruée, elle refluait vers ses sources. J’ai rouvert mes vieux grands livres : Homère, Beethoven, les Évangiles.

Je n’avais point relu ceux-ci, depuis l’enfance. Je les nommais : « l’Évangile », sans distinguer entre les quatre bouches annonciatrices de la Bonne Nouvelle. Il m’en restait des souvenirs fragmentés, mal liés ensemble, mais très vivants. Ce furent même les doutes émis sur cette vie authentique par les rationalistes de notre temps qui ont réveillé en moi sa présence. Car à quelques doutes que puisse mener l’étude philologique des textes, je trouve d’une incroyable pauvreté psychologique ceux qui n’ont vu dans ce grand drame humain qu’un jeu de symboles et d’allégories, une crise abstraite de l’esprit, procédant de l’idée théologique au fait réel inventé et doutant que Jésus ait jamais existé.

Ce dont je suis sûr, au contraire, comme de ma propre existence, c’est de celle de Jésus. Son humanité m’est attestée par les beaux récits, naïfs, sincères, des Évangiles, que jamais un abstracteur de quintessence idéologique n’eût pu inventer : car ils abondent en traits spontanés et imprévus, comme l’apparence de faits dans la nature ; et tantôt ils livrent des faiblesses des narrateurs, que ceux-ci étaient les seuls à connaître, tantôt les grandes paroles qu’ils transmettent passent trop haut par-dessus leurs têtes, pour qu’elles aient pu sortir de leurs âmes probes, mais timorées.”

 

rolland

Romain Rolland (29 januari 1866 – 30 december 1944)

 

De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk is in Sulechów, dichtbij Zielona Góra, geboren op 29 januari 1962. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

 

Uit: Playing Many Drums

 

Sipping his drink of fine Polish vodka the stewardess brought him, he remembered the dream he’d had the night before his trip (according to the school of psychology he represented, dreams were the litmus test of reality). He had dreamed of a crow, and in the dream he had played with the big black bird. One could say – yes, he had the courage to admit it to himself – that he had petted the bird, like a little puppy. In his school’s symbolical system, the crow represented change, something new and good. He ordered another drink.

The airport in Warsaw was surprisingly small and draughty. He congratulated himself on having brought his cap with the ear flaps, a souvenir from his trips to Asia. He caught sight of his Beatrice immediately. Small and pretty, she was standing at the exit holding up a card with his name on it. They got into a tiny, beat-up car and she told him the plan for the coming week while nervously driving him around the sad, sprawling space of the city. Today was Saturday, a free day on the schedule. They would have dinner together and he could rest. Tomorrow was Sunday – a meeting at the university with students. (Yes, she said suddenly, it’s a little nerve-wracking right here. He looked out the window but didn’t notice anything in particular). Then a lecture to a psychology journal, then dinner. On Monday, if he wanted, a tour of the city. On Tuesday he had a meeting with psychiatrists at some institute; he was in no state of mind to remember the specific names of these places. On Wednesday they would drive to the university in Cracow. Professor Andrews’ school of psychology enjoyed great respect there. On Thursday, Auschwitz – he had requested that himself. To be in Poland and not go to Auschwitz… Then on Thursday evening they would return to Warsaw. On Friday and Saturday there were all-day workshops for practical psychologists. On Sunday, the flight home.“

 

Olga

Olga Tokarczuk (Sulechów, 29 januari 1962)

 

De Australische literatuurwetenschapper en publiciste Germaine Greer werd geboren in Melbourne op 29 januari 1939. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

 

Uit: Whitefella Jump Up: The Shortest Way To Nationhood

 

“Observers of white Australian life are struck by the degree of segregation between the sexes, which cannot be explained by the prevailing mores of the countries they came from. Aboriginal society, too, is deeply segregated; men and women are used to spending long periods in the company of their own sex. The more important the occasion and the larger the gat
hering, the more likely it is that women will gather in one area and men in another, just as white Australian men gather round the beer keg, leaving the women to talk among themselves. One explanation of the Australian mania for sport of all kinds is that sport is the only remaining area of human activity that is still rigorously segregated.

Australian English is studded with Aboriginal words; the unmistakable intonation and accent bear the imprint of Aboriginality. The Anglo-Celt settlers came with Scotch and Irish brogues, and the burrs of provincial England. The Australian accent bears scant resemblance to any of these. When I first heard blackfellas speak, I stupidly thought that they were imitating the way whitefellas speak, which just shows how upside-down gubbas’ assumptions can be. The transfer must have happened the other way about; the broad flat vowels, complex diphthongs and murmuring nasalities of spoken Australian English must have come to us from Aboriginal languages.”

 

Greer

Germaine Greer (Melbourne, 29 januari 1939)

 

De Duitse schrijfster Mirjam Müntefering werd geboren op 29 januari 1969 in Neheim. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

Uit: Luna und Martje

 

„Luna führt sie ins Wohnzimmer, dessen Wände wiederum tapeziert sind mit Büchern. Selbst die große Fensterfront, um den Rahmen der Tür herum sind Regale gezogen, in denen sie sich zu Dutzenden und Hunderten tummeln.
Martje steht staunend mitten im Raum.
„Hat dein Schlafzimmer auch so viele Bücherregale?“, erkundigt sie sich und bereut im gleichen Augenblick, auch nur den Gedanken zu dieser Frage gefasst zu haben. Luna scheint amüsiert.
„Nein, so viele nicht. Es sind nur ein paar ganz wenige dort. Die, die dorthin gehören.“
„Welche Bücher gehören denn, um Himmels Willen, ins Schlafzimmer?“, entfährt es Martje.
Sie sehen sich an und wenden sich beide verlegen ab.
„`Der Löwe ist los´ zum Beispiele“, räuspert Luna sich. „Oder `Der kleine dicke Ritter´. Meine alten Kinderbücher eben, die ich rübergerettet habe in mein Erwachsenenleben.“
Martje hätte gern eine Bratpfanne zur Hand, um sie sich selbst gegen die Stirn zu schlagen.
Welche Bücher gehören denn ins Schlafzimmer?
Wie kann sie nur so was fragen?
Und jetzt diese Stille“.

 

Muentefering_Miriam

Mirjam Müntefering (Neheim, 29 januari 1969)

 

De Turks-Duitse dichteres en schrijfster Serap Çileli werd geboren op 29 januari 1966 in Mersin. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

 

Unbeantwortete Fragen der Demokratie

 

Was verschleierst du, meine Schwester?
Die Wunden deiner Erfahrungen und Erinnerungen?
Deine Wut und Hass im Bauch?
Deine stummen Schreie?
Deine wahre Natur?

Was ist es, wonach du suchst, meine Schwester?
Nach den angeborenen Rechten des Individuums?
Nach einer würdigen und gleichberechtigten Welt?
Nach einem Leben ohne Nötigung?
Nach einer Welt, also, die es nicht gibt?

Wonach sehnst du Dich?
Nach Liebe, Geborgenheit und Zuneigung?
Wovon träumst du, meine Schwester?
Nach Freude am Leben und Hoffnung ohne Leid?
Wonach hungern deine Seele und dein Herz?
Nach Vergessen oder Gerechtigkeit?

Wach auf, meine Schwester, mach Dich frei.
Wach auf und sei der du bist.

 

serap-cileli

Serap Çileli (Mersin, 29 januari 1966)

 

De Duitse schrijver Gert Hofmann werd geboren op 29 januari 1931 in Limbach in Sachsen. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

 

Uit: Die kleine Stechardin

 

Einmal, vor vielen, vielen Jahren, stieg der Professor Lichtenberg in seinen Rederock und wollte mal vors Haus. Er wollte das Wetter kennenlernen. Weil er eitel war, hatte der Rederock versilberte Knöpfe. Von denen verlor er gern einen. Dann kroch er in seiner Wohnung im Gotmarstraßenflügel herum und rief: Wo ist er wieder hin? Beim Kriechen, zwischen den Stühlen hindurch, wurde es dann deutlich: Er hatte einen Buckel! Beschreiben wir ihn schnell!

Der Buckel war enorm!

Lichtenberg selber kann nicht viel größer als einen Meter dreiundvierzig gewesen sein. So zog er durch die Welt. So zog er um sein Haus herum und aus der Stadt hinaus. Er kam aber immer wieder. Manchmal trug er einen Hut, meistens trug er keinen. Sie nannten ihm “ein Kerlchen wie ein Kobold” oder “unsere Kröte”.

 

hofmann

Gert Hofmann (29 januari 1931 – 1 juli 1993)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 28 januari 2007.

De Amerikaanse schrijfster Muna Lee werd geboren op 29 januari 1895 in Raymond, Mississippi.

De Duitse schrijver en dichter Johann Gottfried Seume werd geboren op 29 januari 1763 in Posema, Sachsen-Anhalt.

Peter Verhelst, Ramsey Nasr, Ismail Kadare, Miguel Barnet, David Lodge, Colette, José Martí, Christian Felix Weiße, Hermann Peter Piwitt

De Vlaamse dichter, romancier en theatermaker Peter Verhelst werd geboren op 28 januari 1962 in Brugge. Later volgde hij de lerarenopleiding in de vakken Nederlands, Engels en geschiedenis waarna hij les gaf in algemene vakken aan het Instituut voor Voeding in Brugge. In 1999 stapte hij uit het onderwijs om zich voltijds op het schrijven te storten.  Zijn eerste dichtbundel, Obsidiaan (1987) werd bekroond met de Prijs voor Letterkunde van de provincie West-Vlaanderen en de Paul Snoekprijs. Na Obsidiaan volgden nog zes poëziebundels, waarna hij zich in 1997 in het tijdschrift De Revisor als dichter dood verklaarde. Desondanks verscheen van hem in 2003 een nieuwe gedichtenbundel, Alaska. Naast poëzie schrijft Verhelst ook proza en theater. Sinds kort is hij ook als vaste werkkracht verbonden aan het theaterhuis NTGent.

 

Fassbinder Rex

 

Matroos in Brest onder de rosse gloed van de maan.

De accordeon kriept in mijn borst. Wie die vuist in mijn rug

priemt tijdens tango’s en me plots daar grijpt is het beest

dat me vooroverdrukt op tafel en als speeksel openwolkt,

in mijn hoofd de kermende touwen losknipt zodat ik

een schip op drift ben – speeltje met zijn onweegbuik over me heen –

        tot ik begeef onder Herr Kuiper

        en er mesjes uit zijn vingers klappen

        graaiend naar mijn hart. Die snijbloem.

(Andy is dood, Nico is dood, Nomi is dood,

Rainer die vergaat is de Dom die brandt

en boven zitten twee aapjes in een kooi

ook al in elkaars vlees vast.)

 

 

 

Jean Genet

 

Man met sigaret. Man met Russisch gezicht, gemillimeterd.

Wat denk je zal bewegen uit de telefoon naar me toe;

neonletters, de zalmroze vinger van de liefde of jouw tong

die wartaal in mijn hoofd brengt als een bloedende vork?

De kamer riekt, de muren zijn oud vlees.

In de sofa zie ik in een flits een uiteenvallend skelet.

(Zijn bloed zit vast. Genet en zijn verbijstering,

in zijn linkerhand het lichaam, in zijn rechter de hoorn,

maar het snoer is stuk. Daar zit hij als geschilderd

op bed, een knie omhoog, luisterend naar de zee

in de hoorn. De mond van de latrine. Zwarte keel.

Jean luistert.)

Verhelst

Peter Verhelst (Brugge, 28 januari 1962)

 

De Palestijns-Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook
mijn blog van 28 januari 2007.

 

het complot

wetenschap we lachen er wel om

maar het is natuurlijk

om ten hemel te schreien

nooit klikte het tussen ons

        de dichter

 

        en jou

afgemeten man plus chemische vrouw

laboratoire tweeling der vooruitgang

samen petrischalen vullen jaja

leg het maar uit

op witte gangen heb ik anders gehoord

wisselen jullie in smetvrije jassen

onderling eiwitten uit kan dat

nucleotide basenparen zoiets

dan smiespelen jullie samen

en waarom doen jullie dat en voor wie

zeg op! wat zijn jullie in godsnaam!

o mijn god met ons van plan

 

dit heb ik allemaal gehoord

onlangs uit vertrouwde bronnen

maar let op mijn woord

en – lees – lippen – knul

of ook wij begaan ongelukken

via titanendonder en weerlicht

hou je vast aan schalen van richter

hoogachtend hou me vast

        hou me vast

 

        uw dichter

 

 

Een minimum

lees me dan
luister dan zacht

ik ben de muur
en muurvaste man

jarenlang zitten
mijn lief en ik stil

tegen dit plafond
van gitzwarte kas

en vanaf ons vel
begint de bodem

en daar is geen rek
om haar te omarmen

zij zit ertussen
ik zit eronder

en ja ik heb niks
jazeker ik ben niks

maar godmiljaar
ik kan overleven

ik knok tot nu
de jaren rond
van beens af aan
tot aan mijn dood
zal ik tegen u
dit plafond
en alle ogen
in uw mond
opknokken

ik zal uit mijn pree
tevoorschijn komen

meewandelen onder haar
met mijn kansarme zon

en rondbazuinen

hier staan wij
klein en fier

lijk een mens
op een plein

en ik zou met u niet willen ruilen
ik zou er geld voor willen geven

om net als u
mezelf te zijn

 

nasr2

Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

 

De Albanese schrijver Ismail Kadare werd geboren in Gjirokastër op 28 januari 1936. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

Uit: Agamemnon’s Daughter

 

In early winter, the sightless suddenly began congregating on sidewalks and in cafés. Their fumbling s
teps caused passersby to stop and stare in disbelief. Although citizens had lived for months in fear of the qorrfirman, the sight of its results rooted them to the ground, petrified them.

For some time people had allowed themselves to think that the victims of that notorious order had been swallowed up in the dark night of oblivion, that the only people you would come across in the street or the square were the formerly blind, with their unchanging appearance, the peaceful tap-tap-tap of their sticks— the kind of blind people everyone’s eyes and ears were long accustomed to. But now the first winter freeze had brought with it innumerable blind folk of a new and far more lugubrious kind.

There was something specific about them that distinguished them from the traditionally unsighted. They had a disturbing swagger, and their sticks made a menacing knock-knock-knock on the cobblestones.

They’ve not yet grown used to their new condition, some argued. Blindness came to them at a stroke, not gradually, as is usually the case, so they haven’t yet acquired the necessary reflexes . . . But those who heard such remarks shook their heads, clearly not convinced. Could that be the only reason?

What was most striking was their collective reappearance. It was probably not a coincidence, nor could it have been the result of secret collusion among them, contrary to the rumors that were being circulated by people who saw anti-state conspiracies in everything and anything. It came from the simple fact that the time needed for most of them to recover — either from the physical wounds caused by disoculation or from its attendant psychological trauma — had now elapsed.”

 

Ismail_Kadare

Ismail Kadare (Gjirokastër, 28 januari 1936)

 

De Cubaanse dichter en schrijver Miguel Barnet werd geboren op 28 januari 1940 in Havanna. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

Walking the City

 

I, too, am among the privileged
of the age.
I was nurtured on high, slender walls,
a melancholy child,
in spite of a taste for shiny shoes
and the tears of Deborah Kerr and Cary Grant.
My eyes would melt in silence
in Vedado’s shady places.
In my celluloid seat
I dreamed unspeakable things,
black women, naked
in a foamy landscape.
I myself invented all the stories of the city
and I built my castles of fear
upon the schemes of the penniless Chinese.
If I knocked at the doors of the great
it wasn’t to beg  for a crust or a star,
but to leave an open, perfumed flower.
Believe me, I have been among the privileged of my time,
without time to lament my personal sorrows.
There are things that they show me with a corroded shine
and I look at them —
what’s to do!
I will walk these streets
without fear of whatever unforeseen
may lunge at me when I’m lost in thought.
Child of the minstrel and his guitar,
like a dream beast
I will pluck the strings of my invention.
I continue walking the city,
it throbs in my skin,
and if by accident I knock at your door,
fear not, Lezama, that I’m the ghost
of a poem by Baudelaire
nor will I refrain from telling you that you are still among us,
you, and those with whom we surround you,
like a tree of dark signals,
a fountain of enameled fish.
I write this only
to tell you that my feet have not wearied
of going through these streets that were once mud,
through these palaces that Julián del Casal*
saw covered with snow
and that I carry in my pockets not stones
but the sons* of Teodora Ginés*
to distribute among solitary wanderers
and sleepers in the parks

I lean against the Malecón*
nervous about poisonous octopi and empty bottles tossing in the water.
A noisy truck passes
carrying men and women
volunteers for the harvest.
Why am I reminded of a chorus of medieval lutes.
I expose my heart to wind and salt.
I have crossed the threshold of my house of shadows
And I know now that I’ve become my own reflection.

 

Vertaald door Mark Weiss

 

Barnet

Miguel Barnet (Havanna, 28 januari 1940)

 

De Engelse schrijver en literatuurwetenschapper David Lodge werd geboren op 28 januari 1935 in Londen.

Uit: Love and the Master

 

When he congratulated his friend on the splendid way the wedding had gone off, Du Maurier sighed and shook his head. It was not that he had anything to object to in Trixy’s choice of partner. “He’s a fine, clean-cut, upstanding young man, ” he said. “I’m sure he loves her and will take care of her. But it’s a wrench you know, when the little girl you’ve been nourishing and tending and protecting for years, is suddenly a woman, and doesn’t want your protection any more.”

“I understand,” said Henry sympathetically, “But that’s life, my dear chap. How else would the race be renewed?”

“Yes, it’s life,” said Du Maurier gloomily. “Ce n’est pas gai.” It was one of his favourite expressions.

“After all, you took Emma away from her father – and you told me yourself he put up quite a struggle.”

“That’s true,” Du Maurier admitted. “But I believe the old devil’s motives were entirely selfish – and her mother’s. He’d lost a lot of money, you know, and they were counting on Emma to look after them in their old age. They couldn’t see much prospect of that if she married me”

“Well, I daresay your mother shed a genuine tear when you married.”

“Maman?” Du Maurier was evidently amused at the thought. “The old lady wasn’t sentimental about such things. D’you know, when I was making myself ill with anxiety and frustration over our long engagement, she advised me to take a mistress – some little grisette, or the Cockney equivalent.”

“You mean – instead of marrying?” Henry was startled by this disclosure.

“No – while I was waiting to be married.” said Du Maurier, an idea which Henry found no less shocking. “Of course I told her it was out of the question,” Du Maurier added quickly. “I told her – which was perfectly true – that I had made a vow in my heart of total fidelity to Pem, on the day we were engaged.” Henry had the sense, which he had experienced once or twice before, that his friend had inadvertently opened a cabinet drawer on contents slightly compromising to the owner, and quickly slammed it shut. A woman who could make such a cheerfully amoral suggestion to her son shattered all received notions of maternal love; and the vow Du Maurier referred to implied a less than chaste existence up to that point in his life – which wasn’t perhaps altogether surprising in someone who had been an art student in the Quartier Latin, but not the kind of behaviour one would have inferred from the irreproachable respectability of domestic life at New Grove House. The two men maintained a thoughtful silence as Du Maurier lit a cigarette.”

 

david_lodge

David Lodge (Londen, 28 januari 1935)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 28 januari 2007.

De Franse schrijfster Colette werd geboren op 28 januari 1873 in Saint-Sauveur-en-Puisaye.

De Cubaanse schrijver José Martí werd geboren op 28 januari 1853 in Havanna.

De Duitse dichter en schrijver Christian Felix Weiße werd geboren op 28 januari 1726 in Annaberg, in het Erzgebergte.

De Duitse schrijver Hermann Peter Piwitt werd geboren op 28 januari 1935 in Wohldorf bij Hamburg.

 

 

Lewis Carroll, Bernd Jentzsch, Benjamin von Stuckrad-Barre, Mordecai Richler, Ethan Mordden, James Grippando, Leopold von Sacher-Masoch, Mikhail Saltykov-Shchedrin, Ilja Ehrenburg, Neel Doff

De Engelse dichter en schrijver Lewis Carroll werd op 27 januari 1832 in Daresbury. Zie ook mijn blog van 27 januari 2007.

 

THE WHITE RABBIT’S VERSES

They told me you had been to her,

And mentioned me to him;

She gave me a good character,

But said I could not swim.

 

He sent them word I had not gone.

(We know it to be true.)

If she should push the matter on,

What would become of you?

 

I gave her one, they gave him two,

You gave us three or more;

They all returned from him to you,

Though they were mine before.

 

If I or she should chance to be

Involved in this affair,

He trusts to you to set them free,

Exactly as we were.

 

My notion was that you had been

(Before she had this fit)

An obstacle that came between

Him and ourselves and it.

 

Don’t let him know she liked them best,

For this must ever be

A secret, kept from all the rest,

Between yourself and me.

 

 

 

MY FANCY

I painted her a gushing thing,

With years perhaps a score;

A little thought to find they were

At least a dozen more;

My fancy gave her eyes of blue,

A curly, auburn head;

I came to find the blue a green

The auburn turned to red.

 

She boxed my ears this morning–

They tingled very much;

I own that I could wish her

A somewhat lighter touch;

And if you were to ask me how

Her charms might be improved,

I would not have them added to,

But just a few removed!

 

She has the bear’s ethereal grace,

The bland hyena’s laugh,

The footstep of the elephant,

The neck of the giraffe.

I love her still, believe me,

Though my heart its passion hides;
“She is all my fancy painted her,”
But, oh, how much besides!

 

LewisCaroll

Lewis Carroll (27 januari 1832 – 14 januari 1898)

 

De Duitse dichter en schrijver Bernd Jentzsch werd geboren op 27 januari 1940 in Plauen. Zie ook mijn blog van 27 januari 2007.

Dieser eine Herbst

 

Der Lärm des Verblühens, dazwischen der Wald,
Dein Leib bedeckt von den waagrechten Moosen,
Sie stellten dich vor ihren Mündungen auf,
Du fielst mit dem Laub in die Tiefe,
Die Bäume Lautsprecher, dröhnend.

 

jentzsch

Bernd Jentzsch (Plauen, 27 januari 1940)

 

De Duitse schrijver Benjamin von Stuckrad-Barre werd op 27 januari 1975 in Bremen geboren. Zie ook mijn blog van 27 januari 2007.

Uit: Festwertspeicher der Kontrollgesellschaft, Remix 2

 

„Bodylanguage

Wären alle Menschen taubstumm – im Sommer wären immer noch genügend Worte in der Luft. Auf den T-Shirts nämlich. Aus unterschiedlichsten Gründen, mit unterschied­lichsten Techniken, in unterschiedlichster Auflage werden Textilien beschriftet. Aufgebügelt, auf
gesiebdruckt, eingewebt, aufgemalt wird, was das Zeug hält. Und das Zeug hält na­türlich alles, das Zeug hat ja keinen eigenen Willen. Was manchmal schade ist. Aber dann gibt es ja immer noch die Waschmaschine, und die löst das Ganze durch buddhistische Zerrüttungstaktik – und auch die schlimmsten T-Shirt-Beschriftungen sind irgendwann abgeschrappt, bleichgespült, und der Kampf ist gewonnen. Bis dahin geht er weiter. Auch RAF­-Logo-T-Shirts verkaufen sich noch immer gut. Ein beschriftetes Shirt funktioniert wie ein Vereinstrikot, wie jede andere Art Uniform: Es weist den Träger aus als Mitglied einer Gruppe, Anhänger einer Idee, Humorsorte, Einkom­mensklasse. Der Auftritt dieser Person wird charakterisierend konnotiert, die Umwelt wird, ohne dass sie gefragt hätte, in­formiert. Bei der morgendlichen Kleidungswahl ist sich der Träger dieses Mitteilungsdauerfeuers bewusst, man kann also sicher sein, dass der Träger eines Wort-Shirts uns ohne zu sprechen etwas sagen möchte: wen er verehrt, was er ausgege­ben hat für sein Shirt, wo er schon mal war, wie er in irgend­jemandes Arm aussieht auf einem aufgebügelten Foto, wie seine Meinung daunddazu ist, bei welchem Konzert er war. Vor einigen Jahren warb MTV mit Schwarz-Weiß-Fotos jun­ger Menschen, auf deren Shirts stand, wofür sich diese Men­schen hielten oder wofür MTV sie hielt. Diese Menschen sahen ganz nett aus, die Titulierungen waren charmante Bezichtigungen. Kurz darauf waren diese T-Shirts Mode. Viel­leicht auch schon davor, und MTV hat es auf der Straße abge­guckt, das wäre ja nicht schlimm, bloß normal. Wer immer al­les zuerst entdeckt haben will, kann sich schon mal eine Schablone ausschneiden und zu siebdrucken beginnen: Ange­ber, Hosenträger.

Trotzdem ist natürlich die Codierung ein wichtiger Punkt: Auch wenn eine T-Shirt-Beschriftung ja auf Wahrnehmung durch andere abzielt – wenn sie Nachahmung in einer zu ho­hen Quote erreicht, wird sie für die Erst-, Zweit- und Dritt­träger untragbar, unerträglich, dann müssen sie sich etwas Neues ausdenken, so läuft es, und dadurch gibt es immer etwas Neues. Vor Jahrzehnten liefen auf Feierlichkeiten be­denklichen Zuschnitts fröhliche Menschen mit POLIZEI­-Shirts herum. Mittlerweile kann man die an jedem Autobahnrasthof kaufen, und damit sind sie der Trage-Avantgarde untragbar geworden, sie haben aber auch nicht genug Mus­keln, um ohne Shirt rumlaufen zu können, außerdem ist es ja fast immer zu kalt, also lassen sie sich wieder etwas Neues ein­fallen. Weiter so.“

 

BenjaminvobSTB

Benjamin von Stuckrad-Barre (Bremen, 27 januari 1975)

 

De Canadese Schrijver Mordecai Richler werd geboren op 27 januari 1931 in Montreal. Zie ook mijn blog van 27 januari 2007.

Uit: St. Urbain’s Horseman

 

Sitting with the Hershes, day and night, a bottle of Remy Martin parked between his feet, such w as Jake’s astonishment, commingled with pleasure, in their responses, that he could not properly mourn for his father. He felt cradled, not deprived. He also felt like Rip Van Winkle returned to an innocent and ordered world he had mistakenly believed long extinct. Where God watched over all, doing His sums. Where everything fit. Even the holocaust which, after all, had yielded the state of Israel. Where to say, “Gentlemen, the Queen,” was to offer the obligatory toast to Elizabeth II at an affair, not to begin a discussion on Andy Warhol. Where smack was not habit forming but what a disrespectful child deserved; pot was what you simmered the chicken soup in; and camp was where you sent the boys for the summer. It was astounding, Jake was incredulous, that after so many years and fevers, after Dachau, after Hiroshima, revolution, rockets in space, DNA, bestiality in the streets, assassinations in and out of season, there were still brides with shining faces who were married in white gowns, posing for the Star social pages with their prizes, pear-shaped boys in evening clothes. There were aunts who sold raffles and uncles who swore by the Reader’s Digest. French Canadians, like overflying airplanes distorting the TV picture, were only tolerated. DO NOT ADJUST YOUR SET, THE TROUBLE IS TEMPORARY. Aunts still phoned each other every morning to say what sort of cake they were baking. Who had passed this exam, who had survived the operation. A scandal was when a first cousin was invited to the bar mitzvah kiddush, but not the dinner. Eloquence was the rabbi’s sermon. They were ignorant of the arts, they were over dressed, they were overstuffed, and their taste was appallingly bad. But within their self-contained world, there was order. It worked.”

 

Richler

Mordecai Richler (27 januari 1931 – 3 juli 2001)

 

 

De Amerikaanse schrijver Ethan Mordden werd geboren op 27 januari 1947 in Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 27 januari 2007.

 

Uit: Some Men are Lookers

 

“Virgil and Cosgrove have a new sport they call the Commercial Game. They cruise the television with the mute button on, seeking commercial breaks for which they provide their own extemporaneous soundovers. It’s hectic but simple. All car pitches are for Subaru. All horror movie trailers are for something Cosgrove has entitled Exorcis –“You can run, you can hide,” he gloats, “but it’s coming to get you” — and all cereal spots are for Sugar Boy Pops, a brand I am unfamiliar with.

They were playing the Commercial Game one evening when Lionel dropped by Dennis Savage’s to tell us that Tom Driggers was back in the hospital for what was almost certainly the last time, and had asked to see Dennis Savage. Tom and he had been very close once — very, very close was my impression. But they hadn’t spoken in quite some time now.

“Subaru!” Virgil cried. “The car in a million!”

“With hatchback and full accessories!” Cosgrove added. “Radio, tape deck, mascara tray.”

“He’s really bought the farm,” Lionel was telling us. “All that money and power, and down he goes to nothing.”

“You’ll ride like a king!” Virgil announced. “It’s Subaru!”

“See how it goes!” said Cosgrove, as a Pontiac sailed by.

“You should be there,” Lionel went on. “He’s got a roomful of … of toadies and pimps and comparable phantasmagoria of the bad old days. That’s what he’s dying to. There’s nobody human in that room.”

Virgil, Dennis Savage’s live-in, is, like Cosgrove, considerably younger than most of our circle. So he isn’t as well informed as we are and, again like Cosgrove, often keeps one ear on our conversations, sifting through the terms and concepts for material he can use in the act: his life. I saw him sifting now, losing touch with the television as he took in this new thing about toadies and death and power.

“Tom had everything and now he has nothing,” Lionel continued. “I’m afraid to have to admit that this is a very gay story. What ups and what downs, I mean? He looks like a beanbag sculpture. So, if we could only not maximize his failure …”

Dennis Savage looked at him.

“Okay?” said Lionel.

Dennis Savage looked at me.

“As a kind of restabilizing act of mercy?” Lionel added. “For me? Okay?”

Dennis Savage said, “Not okay.”

“Ladies, aren’t you tired of your derodeant?” Cosgrove declaimed, smoothy-announcer-style. “Don’t you want Mamzelle Hint O’Spring instead?”

“That’s not deodorant, Cosgrove, that’s laundry de –”

“I think a man deserves something better than to die with all his would-be heirs drooling over him,” Lionel went on.

“What about that carpenter Tom was living with?” I asked. “With all the tattoos? I thought that was supposed to be love for life.”

Lionel sighed. He gestured then, resolute but resigned, one of those things hands do in the air when words can’t tell. “It sort of was, actually. Love. Which was very unusual for Tom. Tuffy, his name is. He isn’t around all that often. Tom won’t talk about it, but apparently Tuffy has developed a prodigious case of plague necrophobia. He’s a simple guy, you know, very basic, and he just doesn’t get it, or anything. He is very desperately threatened.”

Cosgrove heard that. I saw him whisper “He is very desperately threatened” to himself.

“What kind of man,” said Dennis Savage, “has a lover named Tuffy? What’s his morality, if you gay commissars will pardon me for asking?”

 

Mordden190

Ethan Mordden (Pennsylvania, 27 januari 1947)

 

De Amerikaanse schrijver James Grippando werd geboren op 27 januari 1958 in Waukegan, Illinois. Hij groeide op in een Roomskatho;ike familie met vijf kinderen. Hij studeerde rechten aan de University of Florida en werkte daarna 12 jaar lang als advocaat. Zijn eerste roman, The Pardon, verscheen in 1994. In dat boek introduceerde hij ook voor het eerst de strafpleiter Jack Swyteck uit Miami. Zijn tweede roman The Informant verscheen in 1996. Vanaf dat jaar werd Grippando fulltime schrijver.

 

Werk o.a.: The Abduction (1998); Found Money (1999); Under Cover of Darkness (2000); A King’s Ransom (2001); Beyond Suspicion (2002); Last to Die (2003); Hear No Evil (2004); Got the Look (2006); Leapholes (voor jonge volwassenen) (2006); When Darkness Falls (2007) and Lying with Strangers (2007).

 

Uit: When darkness falls

 Sergeant Vincent Paulo couldn’t see the man who had climbed to the very top of the William Powell Bridge.  Paulo couldn’t even see the damn bridge.  He heard the desperation in the man’s voice, however, and he knew this one was a jumper.  After seven years as a crisis negotiator with the City of Miami Police Department, there were some things you just knew, even if you were blind.

Especially if you were blind.

“Falcon,” he called out for the umpteenth time, his voice amplified by a police megaphone.  “This is Vincent Paulo you’re talking to.  We can work this out, all right?”

The man was atop a lamppost—as high in the sky as he could possibly get—looking down from his roost.  The views of Miami had to be spectacular from up there.  Paulo, however, could only imagine the blue-green waters of the bay, the high-rise condominiums along the waterfront like so many dominoes ready to topple in a colossal chain reaction.  Cruise ships, perhaps, were headed slowly out to sea, trails of white smoke puffing against a sky so blue that no cloud dared to disturb it.  Traffic, they told him, was backed up for miles in each direction, west toward the mainland and east toward the island of Key Biscayne.  There were squad cars, a SWAT van, teams of police officers, police boats in the bay, and a legion of media vans and reporters swarming the bridge.  Paulo could hear the helicopters whirring all around, as local news broadcasted the entire episode live into South Florida living rooms.“

James_Grippando

James Grippando (Waukegan,  27 januari 1958)

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 27 januari 2007. 

 

De Duitse schrijver Leopold Ritter von Sacher-Masoch werd geboren op 27 januari 1836 in Lemberg.

De Russische schrijver Mikhail Saltykov-Shchedrin werd geboren op 27 januari 1826 in Spas-Ugol, Tver.

De Russische schrijver Ilja Ehrenburg werd geboren op 27 januari 1891 in Kiev.

De Franstalige, maar oorspronkelijk Nederlandse schrijfster Neel Doff werd geboren in Buggenum op 27 januari 1858.

 

Menno ter Braak, Achim von Arnim, Rudolf Alexander Schröder, Gerrit Jan Zwier, Bhai, Jan van Hoogstraten, Eugène Sue

De Nederlandse schrijver Menno ter Braak werd geboren op 26 januari 1902 in Eibergen. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

Uit: Politicus zonder partij

Een schrijver wordt brutaler, na zijn dertigste jaar, als hij ten minste op die leeftijd nog geen penny-a-liner is geworden, om met de pen het brood te verdienen, dat hij op geen andere manier verdienen kon. Hij heeft langzamerhand geleerd, niet te hoog meer op te zien tegen het handwerk, hij heeft te veel vrienden aan het handwerk verloren, om nog overmatig eerbied te hebben voor een vak, dat mensen verslindt om er ambachtslieden voor terug te geven. De ‘geheimen’ van het vak bespreekt hij niet meer met zoveel ijver als vroeger; de geheimen, waarover men zoveel spreekt, zijn gewoonlijk al lang trucs gebleken, en over de werkelijke geheimen kan men beter zwijgen, zelfs zonder een geheimzinnig gezicht.

Een schrijver wordt brutaler… als genieën, litteratuur en officiële wijsheid hem althans niet voor die tijd zulk een afkeer van het ‘vak’ bezorgden, dat hij verstomde en voorgoed opbrak uit een milieu, waaraan niets hem meer bond….

 

De verleiding om te zwijgen is mij soms te machtig.

Moet er weer een boek ontstaan? Moet er aan de ‘productie’ weer een exemplaar worden toegevoegd? Is het dan niet mogelijk afstand te doen van de schrijfdrang en een eerzaam burger te worden met hen, die brieven schrijven? Wat ‘eerzaam’! men behoeft niet eens eerzaam te worden, wanneer men leeft zonder schriftelijke stofwisseling, men kan dan zelfs royaal en zwijgend het zijne denken van de eerzame auteurs van het vak!… In die stemming heb ik mij dikwijls afgevraagd, waarom ik dit boek zou beginnen. Het kwam mij voor, dat alles, wat ik te zeggen had, zo vanzelf sprak, dat ik het rustig ongeschreven kon laten en er hoogstens over behoefde te spreken met een paar vertrouwde vrienden, die geen litteraire inkleding van node hebben en bij het eerste woord al vermoeden, wat het laatste zal inhouden. In die stemming liep ik onlangs te soezen, zonder enig verlangen naar schriftelijke klaarheid in mijn buitelende begrippen, toen ik bijna door een tram werd overreden.”

 

TerBraak

Menno ter Braak (26 januari 1902 –  14 mei 1940)

 

De Duitse schrijver Achim von Arnim werd geboren in Berlijn op 26 januari 1781. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

Uit: Holländische Liebhabereien

 

Der Adel und die Städte der Provinz wünschten diese Aufopferung zu lohnen und ließen den Bürgern die Wahl zwischen Zollfreiheit und der Errichtung einer Universität, die dem Lande zum Bedürfnis wurde, weil der Krieg und die Glaubensverschiedenheit den Besuch vieler ausländischer Universitäten hinderte. Die Stadt blieb eingedenk des höheren Daseins, dem so viele Bürger geopfert worden, sie wählte die Errichtung einer Universität. So wurde diese jetzt mit großem Ruhme bestehende hohe Schule zu einer Zeit begründet, wo das Dasein Hollands und seines Staatenbundes so ungewiß bei jedem Wurfe der Kriegswürfel schwankte wie sein Boden bei dem Andrange hoher Flut und Flußströmung. Dem höheren gesellte sich bald der niedere Gewinn, so wenig er in voraus berechnet war, denn die Universität zog reiche Schüler des Inlands und Auslands herbei. Neben diesem Ruhme erscholl aber auch der Streit gelehrter Theologen, ergriff die Menge und verbreitete auch auf diesem Wege Einsicht in Geistestiefe, wo sonst die Gewöhnlichkeit den Blick gestumpft hatte, wogegen nicht zu leugnen ist, daß dieser Kampf zwischen Herrmann und Gomar viele ausgezeichnete Männer ins Verderben gestürzt hat. Wir stehen jetzt bei der Gegenwart, ehrenwerter Herr, bei diesem 1635 Jahre nach der Geburt des göttlichen Versöhners, wo Euer Kampf mit dem Kollegen Zahnebreker über griechische Lesarten nicht minder wie jene theologischen Wahrheiten sich aller Köpfe bemächtigt und unsre Universitäten gespalten hat. Dieses Übel zu mehren, hat der Krieg in Deutschland uns eine große Zahl hochdeutscher Studenten zugeführt, die sich nach dem Vorbilde der rauhen nordischen Krieger zu einer Art halber Kriegsknechte ausgebildet haben, welche di
e wilden Gewohnheiten ihres Landes in unsre wohlgeordnete Stadt übertragen. Diese waren es nun, wie die Untersuchung ergibt, welche Eure Fenster, ehrwürdiger Herr, mit aufgerissenen Pflastersteinen wie mit Belagerungsgeschütz angriffen und zerschmetterten, ja sie schämen sich dessen nicht, sondern rühmen sich, dadurch in geziemender Art die Störung bestraft zu haben, welche Eure Anhänger durch Pfeifen und Trommeln der Aufführung des ‘Gysbert’ zufügten, welche der große Dichter Vondel unter dem Schutze Zahnebrekers in der großen Dule veranstaltet hatte. Über diese Angabe Eure Aussage zu hören, ist der Gegenstand meines Besuches und meiner Rede, ja ich zweifle nicht, daß Ihr Euch wegen dieses Vorwurfs einer beabsichtigten Störung des öffentlichen Vergnügens am Schauspiele vollkommen rechtfertigen werdet.”

 

AchimvonArnimErzaehlungen

Achim von Arnim  (26 januari 1781 –  21 januari 1831)

 

De Duitse schrijver Rudolf Alexander Schröder werd geboren op 26 januari 1878 in Bremen. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

Bremen

Uralte Stadt am grauen Strom,

Verwittert Giebelwerk und Zinnen;

Und blickst doch zum bewölkten Dom

Des Norderhimmels auf voll Minnen,

Als wärest du die junge Braut,

Die sich begibt der spröden Wehre,

Daß sie vom Gott, vor dem ihr graut,

Halbgöttliches Geschlecht gebäre.

 

Wohl bricht der Quell, der dich verjüngt,

Aus Deutschlands mittem Herzensgrunde,

Wo’s unterm Berg dem Alten dünkt,

Ihm schlage bald die neue Stunde,

Wo Eichen über dem Gebein

Erschlagner Überwinder rauschen

Und mit zerbröckelndem Gestein

Verschollenes Geheimnis tauschen.

 

Wohl raunt der Strom ohn Unterlaß

Und redet dir von Hermanns Mute,

Der seiner Welle nüchtern Naß

Wie Wein gefärbt mit welschem Blute,

Und raunt und redet Tag und Nacht

Vom Sachsenherzog und vom Kaiser,

Der ihn am Ende zahm gemacht,

Ein Dränger und ein Unterweiser.

 

Wohl wehn herein mit jeder Flut

Im salzigen Wind Tritonenchöre

Und murrn und murmeln von dem Gut,

Das in der Fremde dir gehöre,

Und singen mehr und sagen wahr

Von dem, das noch die Schriften weisen,

Da sie zu Zeiten dunkel-klar

Des Nordens Leuchte dich geheißen.

 

Oh, wohl verstehst du solche Mär,

Du, die noch stets den Nacken straffte,

Und ob dir auch durch Schild und Wehr

Bis in den Leib die Wunde klaffte.

Ja, ob um deinen alten Ruhm

Manch stolz’re Schwester aufbegehre,

Du stehst, der Freiheit Heiligtum,

Und herbergst Vaterlandes Ehre.

 

Ja, Vaterstadt, ja, sei gegrüßt

Und bleibe deinem Sohn gewogen,

Der keine Flur so selig wüßt,

Daß du ihn doch nicht heimgezogen.

Verging mit Leben und Gedicht

Der Dienst, drin ich dir, Mutter, fröne,

So sprich: er war der beste nicht,

Doch war er einer meiner Söhne.

 

Schroeder

Rudolf Alexander Schröder (26 januari 1878 – 22 augustus 1962)

 

De Nederlandse schrijver Gerrit Jan Zwier werd geboren in Leeuwarden op 26 januari 1947. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

 

Uit: Slauerhoff bij kampvuur en traanlamp

 

In zijn eerste dichtbundel Archipel, waarin de zeeën tot aan Paaseiland worden bevaren, kon Slauerhoff nog niet putten uit veel reiservaringen – hij had slechts een paar kustreisjes achter de rug – naar Bretagne en Portugal – en was een paar keer met de postboot naar Vlieland gevaren. Jules Verne en De Aarde en Haar Volken hadden toen nog een groter realiteitsgehalte dan de échte rede van Semarang of de Bond van Sjanghai. Maar ook later zou hij zijn reële reiservaringen blijven aanvullen met documentatie en blijven vermengen met fantasie. Arthur Lehning vroeg hem eens of een bepaald gedicht, dat kort tevoren was gepubliceerd, de neerslag vormde van een exotisch avontuur dat hij had beleefd. Waarop Slauerhoff hem wantrouwig aankeek en kortaf antwoordde met: ‘Nee, het was andersom! Ik schreef eerst het gedicht.’ Zijn geest had het gebied in kwestie dus eerder bezocht dan zijn zeemansbenen. In een kritiek in Greshoffs Nieuwe Arnhemsche Courant merkte hij eens op dat ‘men naar den geest een land kan behooren zonder er lichamelijk ooit geweest te zijn. Maar men kan ook een land vreemd blijven en er driekwart van zijn leven doorbrengen. Zoo gaat het vele Hollanders in Indië.’

Net als de jonge Camoës uit Het verboden rijk, werd Slauerhoffs Fernweh niet gestild door het lezen van de Odyssee. Als de zoon zich bij zijn vader beklaagt dat hij al twintig jaar is en Portugal nog nooit heeft verlaten, vraagt de vader hem waarom hij in godsnaam weg wil: ‘Waarom wil je weg? Wij hebben een groot slot en uitgestrekte bezittingen. De bergen zijn ook niet ver. Waarom blijf je niet hier en ga je niet voort met je gedichten?

Denk je dat overwinningen die toch in nederlagen verkeren, handelsondernemingen di
e eerst winst, dan verlies afwerpen, roemvoller zijn? En al het reizen doet je alleen zien dat de aarde overal gelijk is. Tracht liever Homeros te evenaren. Portugal zal vergeten zijn en onze naam dan nog voortleven.’ Waarop Camoës antwoordt met: ‘Wat heb ik er aan wat later met mijn naam gebeurt? Ik zelf leef nu en wil de wereld!’ Net als Odysseus, zal Camoës de zeeën bevaren en van alles meemaken; net als de naam van Homerus, zal die van Camoës met een gouden pen in het logboek der letterkunde worden bijgeschreven.”

 

gerrit_zwier

Gerrit Jan Zwier (Leeuwarden, 26 januari 1947)

 

De Surinaamse dichter Bhai (eig.James Ramlall) werd geboren op 26 januari 1935 in het toenmalige district Suriname. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

nivedan
(verzoek)

 

Broeder,

als ik ben gestorven,

wilt ge dan mijn moeder troosten?

 

Broeder,

als ik ben gestorven,

wilt ge dan

mijn lichaam bergen?

 

Weet Broeder weet….

dat ik zonder kreet

heb aanvaard dit bittere leven,

dat ik zonder zucht

ook sterven zal.

 

Broeder,

als ik ben gestorven,

wilt ge dan mijn moeder troosten?

 

jivan-sagar
(levenszee)

 

Het leven is een onzichtb’re zee

met vele duistere stromen,

waarop ons leven, als een wrak,

vaak weerloos ligt te drijven.

 

 

DichterBhai

Bhai (District Suriname, 26 januari 1935)

 

De Nederlandse dichter Jan van Hoogstraten werd geboren in Rotterdam op 26 januari 1662. Zijn vader was de uitgever, vertaler en dichter François van Hoogstraten en zijn moeders naam was  Hester de Koning. Van Hoogstraten was aanvankelijk boekverkoper in Dordrecht. Hij verhuisde in 1700 naar Breda en vestigde zich vervolgens in Gouda. In deze stad genoot hij bescherming van de voornaamste regentenfamilies. Zo was hij bevriend met de burgemeesters Govert Cincq en Arent van der Burgh. Hij verbleef dikwijls in het buitenverblijf Burghvliet van Van der Burgh, een trefpunt voor veel schrijvers en dichters. In zijn dichtwerk worden de bevriende Goudse patriciërs dan ook regelmatig genoemd en geprezen.

 

Op de TYTELPRENT.

DE blyde Zangkunst van een Heylig vuur geraakt,
Om Gode in ’t Eewig Ligt haar vaarzen toe te zingen,
Wyst met haar regte hand hoe zelf Gods Liefde blaakt,
Om op dat vreugdefeest ten Hemel in te dringen.
De Lauwer voegt haar hooft als overwinnares,
Van al wat Zang en Spel hanteert, en hier beneden,
Op de ydle klank verlieft der aardse Zangmeestres,
Aan de ontugt hangen blyft en de bedorve zeden.
De Linker, die ’t Gordyn voor ’t oog houd opgeschoven,
Vertoont de werrelt ver beneen haar spoor gedwaalt;
Waar boven
Liefde Gods, verheven zegepraalt,
En ’t Zangziek hart en oor verrukt, en lókt na boven.
Verschove deugd, die in haar Liefde, en lof verdrinkt,
En ’t heylig Pinxtervuur ziet op haar voorhooft blaken:
Wenst, om haar byzyn al het aardse te verzaken,
Daar zy in ’t Hemels Koor op Davids toonen zingt.
Dus hoog verheven, om de werrelt voor te ligten,
Wil zy geen zang als die vermaken kan, en stigten.

 

Hoogstraten

Jan van Hoogstraten  (26 januari 1662 – ? 1756)

 

De Franse schrijver Eugène Sue zou geboren zijn op 26 januari 1804. Zie voor meer informatie en een fragment mijn blog van 10 december 2006 en ook mijn blog van 26 januari 2007.

Virginia Woolf, Renate Dorrestein, Somerset Maugham, Robert Burns, David Grossman, Alessandro Baricco, Vladimir Vysotsky, Eva Zeller, Daniel von Lohenstein

De Engelse schrijfster Virginia Woolf werd geboren op 25 januari 1882 te Londen. Zie ook mijn blog van 25 januari 2007.

Uit: To the Lighthouse

“YES, OF COURSE, if it’s fine tomorrow,” said Mrs. Ramsay. “But you’ll have to be up with the lark,” she added.

To her son these words conveyed an extraordinary joy, as if it were settled, the expedition were bound to take place, and the wonder to which he had looked forward, for years and years it seemed, was, after a night’s darkness and a day’s sail, within touch. Since he belonged, even at the age of six, to that great clan which cannot keep this feeling separate from that, but must let future prospects, with their joys and sorrows, cloud what is actually at hand, since to such people even in earliest childhood any turn in the wheel of sensation has the power to crystallise and transfix the moment upon which its gloom or radiance rests, James Ramsay, sitting on the floor cutting out pictures from the illustrated catalogue of the Army and Navy Stores, endowed the picture of a refrigerator, as his mother spoke, with heavenly bliss. It was fringed with joy. The wheelbarrow, the lawnmower, the sound of poplar trees, leaves whitening before rain, rooks cawing, brooms knocking, dresses rustling- all these were so coloured and distinguished in his mind that he had already his private code, his secret language, though he appeared the image of stark and uncompromising severity, with his high forehead and his fierce blue eyes, impeccably candid and pure, frowning slightly at the sight of human frailty, so that his mother, watching him guide his scissors neatly round the refrigerator, imagined him all red and ermine on the Bench or directing a stern and momentous enterprise in some crisis of public affairs.”

 

Woolf

Virginia Woolf (25 januari 1882 – 28 maart 1941)

 

 

De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein werd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954. Zie ook mijn blog van 25 januari 2007.

Uit: Echt sexy

“Hallo!

Je zult zeggen, wie is daar, maar ik ben Fiebie Koolveld ik ben dertien ik ben voor niemand bang. Ik heb mijn nieuwe h&m-topje aan. Ik heb twee mobieltjes, een laptop, een Tom-

Tom en een Xbox. Allemaal van Johnny gekregen.

Ik ben Johnny’s mascotte. Ik breng hem geluk. Daarom woon ik bij hem in huis. We hebben een jacuzzi in de tuin, en een witte rat die Baby heet. Iedere ochtend als ik wakker word, denk ik meteen: Gaaf, ik ben nog steeds hier, bij Johnny.

Ken je Power unlimited, die nieuwe game? Waarin je tsunami’s en vulkaanuitbarstingen kunt veroorzaken, of juist verhinderen? Waarin je kunt voorkomen dat dieven de Wereldbank opblazen en er met al het goud vandoor gaan, of waarin je, als je daar meer van houdt, op aarde een nieuw virus in omloop kunt brengen waarvan iedereen binnen drie uur etterbuilen krijgt en dan rochelend doodgaat? Nou, Johnny is nog honderd keer beter dan Power unlimited.Maar nu moet ik opschieten, want het is al kwart overacht.

Op weg naar school kom ik drie keer die nieuwe poster tegen die sinds kort in de stad hangt. Je ziet hem overal. Er is een vrouw in een witte bikini op afgebeeld. Ze draagt hoge hakken en staat wijdbeens. Haar halfl ange blonde haar wappert in de wind. Haar ene hand rust uitdagend op haar heup, in de andere houdt ze een mobieltje. Ze kijkt je recht aan. Kom maar halen, zie je haar denken. Naast haar staat een klein meisje, nog niet eens groep één, lijkt me. Ze heeft hetzelfde blonde haar, ze draagt dezelfde blote bikini en ook zij steekt een telefoontje naar voren, in dezelfde stoere houding, met dezelfde verleidelijke blik.”

renate_dorrestein

Renate Dorrestein (Amsterdam, 25 januari 1954)

 

De Engelse schrijver William Somerset Maugham werd geboren in Parijs op 25 januari 1874. Zie ook mijn blog van 25 januari 2007.

Uit: Of Human Bondage

“The day broke gray and dull.  The clouds hung heavily, and there was a rawness in the air that suggested snow.  A woman servant came into a room in which a child was sleeping and drew the curtains.  She glanced mechanically at the house opposite, a stucco house with a portico, and went to the child’s bed.

“Wake up, Philip,” she said.

She pulled down the bed-clothes, took him in her arms, and carried him downstairs.  He was only half awake.

“Your mother wants you,” she said.

She opened the door of a room on the floor below and took the child over to a bed in which a woman was lying.  It was his mother.  She stretched out her arms, and the child nestled by her side.  He did not ask why he had been awakened.  The woman kissed his eyes, and with thin, small hands felt the warm body through his white flannel nightgown.  She pressed him closer to herself.

“Are you sleepy, darling?” she said.

Her voice was so weak that it seemed to come already from a great distance.  The child did not answer, but smiled comfortably.  He was very happy in the large, warm bed, with those soft arms about him.  He tried to make himself smaller still as he cuddled up against his mother, and he kissed her sleepily.  In a moment he closed his eyes and was fast asleep.  The doctor came forwards and stood by the bed-side.

“Oh, don’t take him away yet,” she moaned.

The doctor, without answering, looked at her gravely.  Knowing she would not be allowed to keep the child much longer, the woman kissed him again; and she passed her hand down his body till she came to his feet; she held the right foot in her hand and felt the five small toes; and then slowly passed her hand over the left one.  She gave a sob.

“What’s the matter?” said the doctor.  “You’re tired.”

She shook her head, unable to speak, and the tears rolled down her cheeks.  The doctor bent down.

“Let me take him.”

She was too weak to resist his wish, and she gave the child up.  The doctor handed him back to his nurse.

“You’d better put him back in his own bed.”

“Very well, sir.”  The little boy, still sleeping, was taken away.  His mother sobbed now broken-heartedly.

“What will happen to him, poor child?”

The monthly nurse tried to quiet her, and presently, from exhaustion, the crying ceased.  The doctor walked to a table on the other side of the room, upon which, under a towel, lay the body of a still-born child.  He lifted the towel and looked.  He was hidden from the bed by a screen, but the woman guessed what he was doing.

“Was it a girl or a boy?” she whispered to the nurse.

“Another boy.”

 

Maugham

William Somerset Maugham (25 januari 1874 – 16 december 1965)

 

De Schotse dichter Robert Burns werd geboren op 25 januari 1759 in Alloway, Ayrshire. Zie ook mijn blog van 25 januari 2007.

 

A Man’s A Man For A’ That

Is there for honest Poverty
That hings his head, an’ a’ that;
The coward slave-we pass him by,
We dare be poor for a’ that!
For a’ that, an’ a’ that.
Our toils obscure an’ a’ that,
The rank is but the guinea’s stamp,
The Man’s the gowd for a’ that.

What though on hamely fare we dine,
Wear hoddin grey, an’ a that;
Gie fools their silks, and knaves their wine;
A Man’s a Man for a’ that:
For a’ that, and a’ that,
Their tinsel show, an’ a’ that;
The honest man, tho’
e’er sae poor,
Is king o’ men for a’ that.

Ye see yon birkie, ca’d a lord,
Wha struts, an’ stares, an’ a’ that;
Tho’ hundreds worship at his word,
He’s but a
coof for a’ that:
For a’ that, an’ a’ that,
His ribband, star, an’ a’ that:
The man o’ independent mind
He looks an’ laughs at a’ that.

A prince can mak a belted knight,
A marquis, duke, an’ a’ that;
But an honest man’s abon his might,
Gude faith, he maunna fa’ that!

 

Burns

Robert Burns (25 januari 1759 – 21 juli 1796)

 

De Israëlische schrijver David Grossman werd geboren op 25 januari 1954 in Jeruzalem. Zie ook mijn blog van 25 januari 2007.

 

Uit: De stem van Tamar

 

Er draaft een hond door de straten en een jongen rent achter hem aan. Ze zijn met elkaar verbonden door een lang touw dat verstrikt raakt in de voeten van de voorbijgangers, die mopperen en boos worden, terwijl de jongen steeds maar ‘Sorry, sorry,’ mompelt en tussen het gesorry door ‘Stop!’ en ‘Hier!’ roept tegen de hond, en één keertje, pijnlijk genoeg, een onwillekeurig ‘Hu!’ En de hond blijft maar hollen.
Hij schiet vooruit, steekt de drukke straten over, vliegt door het rode licht, en de jongen ziet de gouden vacht tussen de benen van de voorbijgangers verdwijnen en weer tevoorschijn komen, als een geheim signaal. ‘Niet zo hard,’ schreeuwt hij. Wist ik maar hoe die hond heet, denkt hij bij zichzelf, dan kon ik hem bij zijn naam roepen en zou hij misschien stoppen of op z’n minst vaart minderen, maar ik voel aan mijn water dat de hond ook in dat geval zou blijven rennen, zelfs als het touw om zijn nek zo strak komt te zitten dat hij geen adem meer krijgt, dan nóg blijft hij doorrennen tot hij de plek bereikt waar hij zo nodig heen moet, dus hoe eerder, hoe beter, dan ben ik van hem af.
Dit alles gebeurt op een ongelegen moment. De jongen, die Assaf heet, holt voort, maar zijn gedachten raken ver achter hem in de war. Hij wil ze uit zijn hoofd zetten, hij moet zich op de hond concentreren, maar de gedachten slepen achter hem aan als een sliert rammelende blikjes. Het blikje van de reis van zijn ouders bijvoorbeeld. Die bevinden zich op dit moment ergens boven de oceaan, voor het eerst van hun leven in een vliegtuig, maar waarom moesten ze ineens zo nodig weg? Of het blik van zijn oudere zus, waar hij niet eens aan durft te denken, want daar kan alleen maar ellende van komen. En er zijn er nog meer, kleine en grote blikjes, en ze rammelen en botsen tegen elkaar aan, met aan het eind het blikje dat hij al twee weken met zich meesleept, dat hem gek maakt met zijn blikkerige geluid, dat heel hard schreeuwt dat Assaf nu eindelijk eens goed verliefd moet worden op Daffi, want hoe lang wilde hij nog wachten? En Assaf weet dat hij even moet stoppen om die irritante sliert met blikjes op orde te brengen, maar de hond heeft andere plannen.”

 

Grossmann

David Grossman (Jeruzalem, 25 januari 1954)

 

De Italiaanse schrijver Alessandro Baricco werd geboren op 25 januari 1958 in Turijn. Zie ook mijn blog van 25 januari 2007.

 

Uit: Without Blood

 

The old farmhouse of Mato Rujo stood blankly in the countryside, carved in black against the evening light, the only stain in the empty outline of the plain.

The four men arrived in an old Mercedes. The road was pitted and dry–a mean road of the countryside. From the farmhouse, Manuel Roca saw them.

He went to the window. First he saw the column of dust rising against the corn. Then he heard the sound of the engine. No one had a car anymore, around here. Manuel Roca knew it. He saw the Mercedes emerge in the distance and disappear behind a line of oaks. Then he stopped looking.

He returned to the table and placed a hand on his daughter’s head. Get up, he told her. He took a key from his pocket, put it on the table, and nodded at his son. Yes, the son said. They were children, just two children.

At the crossroads where the stream ran the old Mercedes did not turn off to the farmhouse but continued toward Alvarez instead. The four men traveled in silence. The one driving had on a sort of uniform. The other sitting in front wore a cream-colored suit. Pressed. He was smoking a French cigarette. Slow down, he said.

 

Manuel Roca heard the sound fade into the distance toward Alvarez. Who do they think they’re fooling? he thought. He saw his son come back into the room with a gun in his hand and another under his arm. Put them there, he said. Then he turned to his daughter. Come, Nina. Don’t be afraid. Come here.

The well-dressed man put out his cigarette on the dashboard of the Mercedes, then told the one who was driving to stop. This is good, here, he said. And shut off that infernal engine. He heard
the slide of the hand brake, like a chain falling into a well. Then nothing. It was as if the countryside had been swallowed up in an unalterable silence.”

 

baricco

Alessandro Baricco (Turijn, 25 januari 1958)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 25 januari 2007.

 

De Russische zanger, acteur en dichter Vladimir Semjonovitsj Vysotsky werd geboren op 25 januari 1938 in Moskou.

 

De Duitse schrijfster en dichteres Eva Zeller werd geboren op 25 januari 1923 in Eberswalde.

 
De Duitse dichter Daniel Caspar von Lohenstein werd geboren op 25 januari 1635 in Nimptsch, in Silezië.

 

Ivan Ivanji, John Donne, E. Th. A. Hoffmann, Eugen Roth. Vicky Baum, Edith Wharton, Charles Sackville, Pierre de Beaumarchais

De Joegoslavische schrijver, vertaler, diplomaat en journalist Ivan Ivanji werd geboren op 24 januari 1929 in Zrenjanin. Als zoon van een joodse artsenfamilie kwam hij in 1944/45 terecht in de concentratiekampen Auschwitz en Buchenwald. Later studeerde hij in Belgrado architectuur en germanistiek. Hij was o.a. leraar, theaterintendant en tolk voor Tito. In de periode 1974 0 1978 werkte hij als culturele attaché in Bonn. Van 1982 tot 1988 was hij secretaris-generaal van de Joegoslavische schrijversbond. Bekend is Ivanji vooral als romanschrijver, maar hij leverde ook bijdragen over politieke onderwerpen aan Duitse kranten en tijdschriften als Der Spiegel. Ivan Ivanji woont en werkt zowel in Wenen als in Belgrado.

Werk o.a.: Der Tod auf dem Drachenfels, 1984, Konstantin, 1988, Die Tänzerin und der Krieg, 2002.

 

Uit: Der Aschenmensch von Buchenwald (1999)

 

Ein Körper füllt Raum aus, nimmt einen Teil des Raumes für sich in Anspruch, verdrängt anderes. Das tut auch ein Stern im All oder ein Insekt im Gras, das hat nichts mit der Beschaffenheit des Körpers zu tun. Aber ein Körper hat auch eine Gestalt, ist erkennbar in seiner Form. Er unterscheidet sich von anderen Körpern. Ist er dann vielleicht nur eine äußere Erscheinung ohne Inhalt? Ob er allein durch seine Existenz etwas über seinen Kern, seine Seele aussagt, ist nicht gewiß. Viele glauben das allerdings. Beweisbar ist es nicht. Viele Eigenschaften hat der Körper mit Gegenständen und anderen Dingen gemeinsam. Anderes jedoch ist fluid, wechselt, kann nicht genau beschrieben werden. Die Wolke aus der Asche von siebenhundertundein im Konzentrationslager Buchenwald bei Weimar verstorbenen und im Krematorium daselbst verbrannten Häftlingen besitzt bereits die Eigenschaften eines komplexen Wesens, das Wissen fast der gesamten Menschheit, beginnt aber erst, eine entsprechende, sichtbare Ausdrucksform zu suchen, von etwas Körperhaftem ist sie noch weit entfernt. Aber sie entdeckt, daß sie sich formen kann. Dies tut sie anfangs ungeschickt, wie ein Kind oder ein junges Tier, das seine Bewegungen noch nicht koordinieren kann. Sie spielt, denn die Suche nach einer ausdrucksvollen Gestalt ist Bewegung. Schabernack auch, Flirt mit unendlichen Möglichkeiten. Und nicht nur eine Gestalt muß gefunden und ihre willentliche Veränderbarkeit erlernt werden, auch die Veränderung der eigenen Konsistenz steht in ihrer Macht und will erprobt sein. (S. 116f.)

Die von Zeit zu Zeit aus dem Unterirdischen hervorbrechende Wolke unter dem Glockenturm von Buchenwald formt sich immer öfter zu menschenähnlicher Gestalt. Die ersten Versuche, vor der gemeinsamen Grablegung als Aschenflocken zu schweben, sind nicht vergessen. Im Gegenteil. Die Herkunft betont sich von selbst immer mehr. Aber dieses es wird letztlich zu einer Art von Mensch. Zum Aschenmenschen von Buchenwald. Sein Ziel hat er einstweilen zur Seite geschoben. Es, oder doch lieber er, der Aschenmensch, wie er sich von nun an selbst nennen will, experimentiert noch mit seiner Existenzfindung. Er ist nicht tot. Er war tot, aber er ist nicht tot geblieben, weil die Vergangenheit nicht tot ist, nicht tot sein kann, solange sich jemand daran erinnert. Seine Absichten hat der Aschenmensch noch nicht formuliert. Weder in Worten noch im lautlosen Plan. Das Wesen allerdings, das da entstanden ist, beginnt, sein Unwesen zu treiben.“

 

Ivanji

Ivan Ivanji (Zrenjanin, 24 januari 1929)

 

De Engelse dichter John Donne werd ergens tussen 24 januari en 19 juni 1572 geboren in Londen. Zie ook mijn blog van 24 januari 2007.

 

Love’s Alchemy

Some that have deeper digg’d love’s mine than I,
Say, where his centric happiness doth lie;
I have lov’d, and got, and told,
But should I love, get, tell, till I were old,
I should not find that hidden mystery.
Oh, ’tis imposture all!
And as no chemic yet th’elixir got,
But glorifies his pregnant pot
If by the way to him befall
Some odoriferous thing, or medicinal,
So, lovers dream a rich and long delight,
But get a winter-seeming summer’s night.

Our ease, our thrift, our honour, and our day,
Shall we for this vain bubble’s shadow pay?
Ends love in this, that my man
Can be as happy’as I can, if he can
Endure the short scorn of a bridegroom’s play?
That loving wretch that swears
‘Tis not the bodies marry, but the minds,
Which he in her angelic finds,
Would swear as j
ustly that he hears,
In that day’s rude hoarse minstrelsy, the spheres.
Hope not for mind in women; at their best
Sweetness and wit, they’are but mummy, possess’d.

 

John_Donne

John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Ernst Theodor Amadeus Hoffmann werd geboren in Koningsbergen op 24 januari 1776. Zie ook mijn blog van 24 januari 2007.

 

Uit: Der goldene Topf

 

“Am Himmelfahrtstage, Nachmittags um drei Uhr rannte ein junger Mensch in Dresden durchs schwarze Tor und geradezu in einen Korb mit Äpfeln und Kuchen hinein, die ein altes häßliches Weib feilbot, so daß Alles, was der Quetschung glücklich entgangen, hinausgeschleudert wurde, und die Straßenjungen sich lustig in die Beute teilten, die ihnen der hastige Herr zugeworfen. Auf das Zetergeschrei, das die Alte erhob, verließen die Gevatterinnen ihre Kuchen- und Branntweintische, umringten den jungen Menschen und schimpften mit pöbelhaftem Ungestüm auf ihn hinein, so daß er, vor Ärger und Scham verstummend, nur seinen kleinen nicht eben besonders gefüllten Geldbeutel hinhielt, den die Alte begierig ergriff und schnell einsteckte. Nun öffnete sich der festgeschlossene Kreis, aber indem der junge Mensch hinausschoß, rief ihm die Alte nach: Ja, renne — renne nur zu, Satanskind — ins Kristall bald Dein Fall — ins Kristall! — Die gellende, krächzende Stimme des Weibes hatte etwas Entsetzliches, so daß die Spaziergänger verwundert still standen, und das Lachen, das sich erst verbreitet, mit einem Mal verstummte. — Der Student Anselmus (niemand anders war der junge Mensch) fühlte sich, unerachtet er des Weibes sonderbare Worte durchaus nicht verstand, von einem unwillkürlichen Grausen ergriffen, und er beflügelte noch mehr seine Schritte, um sich den auf ihn gerichteten Blicken der neugierigen Menge zu entziehen. Wie er sich nun durch das Gewühl geputzter Menschen durcharbeitete, hörte er überall murmeln: »Der arme junge Mann — ei! über das verdammte Weib!« — Auf ganz sonderbare Weise hatten die geheimnisvollen Worte der Alten dem lächerlichen Abenteuer eine gewisse tragische Wendung gegeben, so daß man dem vorhin ganz Unbemerkten jetzt teilnehmend nachsah. Die Frauenzimmer verziehen dem wohlgebildeten Gesichte, dessen Ausdruck die Glut des innern Grimms noch erhöhte, so wie dem kräftigen Wuchse des Jünglings alles Ungeschick, so wie den ganz außer dem Gebiete aller Mode liegenden Anzug.

Sein hechtgrauer Frack war nämlich so zugeschnitten, als habe der Schneider, der ihn gearbeitet, die moderne Form nur vom Hörensagen gekannt, und das schwarzatlasne wohlgeschonte Unterkleid gab dem Ganzen einen gewissen magistermäßigen Stil, dem sich nun wieder Gang und Stellung durchaus nicht fügen wollte.”

 

hoffmann

E. Th. A. Hoffmann (24 januari 1776 – 25 juni 1822)

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 24 januari 2007.

 

De Duitse dichter Eugen Roth werd op 24 januari 1895 in München.

 

De Oostenrijkse schrijfster Vicky Baum werd op 24 januari 1888 in Wenen geboren.

 

De Amerikaanse schrijfster Edith Wharton werd geboren op 24 januari 1862 in New York.

 

De Engelse dichter en edelman Charles Sackville werd geboren op 24 januari 1638.

 

De Franse toneelschrijver Pierre Augustin Caron de Beaumarchais werd geboren op 24 januari 1732 in Parijs.

 

Christina Viragh, Stendhal, João Ubaldo Ribeiro, Derik Walcott, Hannelore Valencak, Antonio Gramsci

De Zwitsers-Hongaarse schrijfster en vertaalster Christina Viragh werd geboren op 23 januari 1953 in Boedapest. Zij moest samen met haar familie Hongarije in 1956 verlaten en verhuisde in 1960 naar Luzern. In Lausanne studeerde zij filosofie en Franse en Duitse literatuur. In de jaren 1985-1987 werkte zij als Teaching Assistant voor Frans aan de University of Manitoba in Winnipeg. Christina Viragh leeft en werkt tegenwoordig in Rome. Werk o.a: «Unstete Leute«, 1992, «Rufe von Jenseits des Hügels«, 1994, «Mutters Buch«, 1997, «Im April«, 2006.

 

Uit: Pilatus (2003)

 

Er begann vor Sonnenaufgang, gegen sechs Uhr. So hat es Jolans Mutter auf einem Blatt notiert, das in einer mit »Skizzen« beschrifteten Mappe liegt. An den unteren Rand des Deckels hat sie ihren Namen geschrieben: Lia. Weder ich noch Jolan haben sie so genannt, es war ein Name aus ihrer Jugend. Auch Jolan erzählt, sie seien sehr früh aufgestanden, und ich glaube, ihre spätere Gewohnheit, morgens zwischen vier und sechs in der Wohnung umherzugehen, hat mit diesem Tag zu tun. Sie weiß gar nicht, wie stark ihr Bedürfnis ist, ihn nachzustellen. In Lias Notizen steht, daß an dem Morgen der Himmel im Westen hell war. Als sie sich ans Fenster stellte und nach Westen blickte, fiel es auch Jolan auf, und sie erschrak, weil sie dachte, ihre Mutter verstehe das Licht als Warnung und Ermutigung, was das gleiche sei, denn Warnungen seien Herausforderungen, auch wenn es nicht darum gehe, ihnen geradewegs zuwiderzuhandeln, sondern darum, daß man wisse, auf welche Art etwas auf sich selber aufmerksam macht. Lia wandte sich wortlos vom Fenster ab, und auch in ihren Notizen hat sie die Helligkeit nicht kommentiert. Wahrscheinlich waren es die aus Versehen nicht gelöschten Flutlichter der Sportanlage, die am westlichen Stadtrand liegt. Bei Lia steht nur eine durchgestrichene, aber noch leserliche Notiz: »Streit mit dem P.« Paul, ihren Mann, würde ich aus guten Gründen lieber nicht erwähnen, aber es ist leider nicht zu vermeiden. Er war aufgestanden, um sich darüber zu beschweren, daß sie um diese Zeit Lärm machten. Jolan war gerade dabei, im halbdunklen Wohnzimmer ihre Brille zu suchen, hielt sich die Ohren zu, um den Wortwechsel in der Küche nicht zu hören, und brach in Tränen aus, als sie trotzdem hörte, wie der Mann sagte: »Und das arme Mädchen schleppst du mit?«
Sie fand ihre Brille zwischen der Rückenlehne und dem Sitzpolster des Sofas und saß dann eine Weile dort, mit einem blinden Ausdruck, weil die Brillengläser die Helle reflektierten. Lia hatte den Mann ins Schlafzimmer zurückgeschickt und stand rauchend in der Küche. Als Jolan und ihre Mutter ihn später an dem Tag und unabhängig voneinander zu sehen glaubten, hatten sie beide das Gefühl, ihn an dem Morgen zu wenig beachtet zu haben. Jolan stützte die Arme auf ihre einwärtsgedrehten Handrücken ab und saß völlig bewegungslos. Wenn sie so saß, ging sie den einen auf die Nerven, weil sie sich nicht vorstellen konnten, was in solchen Momenten in ihr vorging, den anderen, weil es ihnen zu offensichtlich war. Sie schien etwas auf der halbdunklen Terrasse anzustarren, die Kakteen, den Schachtelhalm oder die Zwergpalme, die sich dunkelgrau abhoben. Wäre Lia ins Wohnzimmer getreten, hätte sie Jolans geschwätziges Schweigen, wie sie es nannte, sogleich richtig gedeutet als das Nachdenken über ihren oft wiederkehrenden Traum, in dem sie ein Flugzeug war, das wegen einer auf dem Rollfeld gehenden Person nicht starten konnte. Doch Lia stand in der Küche und versuchte den Zigarettenrauch wegzufächeln, um einem Geruch auf die Spur zu kommen, der auch noch in der Luft lag. Sie ging zum Fenster und öffnete es einen Spaltbreit. Draußen roch es warm und blumig, eher nach Frühling als nach Herbst. Der Geruch durchzog in wenigen Sekunden die Küche und erreichte das Wohnzimmer, wo ihn Jolan in ihrem Traumbild als ein weißes, handbreites Band wahrnahm, das sich als zusätzliches Hindernis quer über die Startbahn legte und, als sie darauf zurollte, so plötzlich über sie kam, daß sie hochfuhr und zum zweiten Mal in Tränen ausbrach. »Warum weinst du?« sagte Lia, die jetzt neben ihr stand und auf die Tierschwänze aus Kunstpelz blickte, die Jolan mit Sicherheitsnadeln an ihrem Morgenrock befestigt hatte. Da Jolan nicht antwortete, ging sie auf die Terrasse hinaus, wo es noch wärmer schien.“

 

viragh

Christina Viragh (Boedapest, 23 januari 1953)

 

 

De Franse schrijver Stendhal werd op 23 januari 1783 in Grenoble geboren als Henri Beyle. Zie ook mijn blog van 23 januari 2007.

 Uit: La chartreuse de Parme

Les courtisans, qui n’ont rien à regarder dans leur âme, sont attentifs à tout: ils avaient remarqué que c’était surtout dans ces jours où Clélia ne pouvait prendre sur elle de s’élancer hors de ses chères rêveries et de feindre de l’intérêt pour quelque chose que la duchesse aimait à s’arrêter auprès d’elle et cherchait à la faire parler. Clélia avait des cheveux blonds cendrés, se détachant, par un effet très doux, sur des joues d’un coloris fin, mais en général un peu trop pâle. La forme seule du front eût pu annoncer à un observateur attentif que cet air si noble, cette démarche tellement au-dessus des grâces vulgaires, tenaient à une profonde incurie pour tout ce qui est vulgaire. C’était l’absence et non pas l’impossibilité de l’intérêt pour quelque chose. Depuis que son père était gouverneur de la citadelle, Clélia se trouvait heureuse, ou du moins exempte de chagrins, dans son appartement si élevé. Le nombre effroyable de marches qu’il fallait monter pour arriver à ce palais du gouverneur, situé sur l’esplanade de la grosse tour, éloignait les visites ennuyeuses, et Clélia, par cette raison matérielle, jouissait de la liberté du couvent; c’était presque là tout l’idéal de bonheur que, dans un temps, elle avait songé à demander à la vie religieuse. Elle était saisie d’une sorte d’horreur à la seule pensée de mettre sa chère solitude et ses pensées intimes à la disposition d’un jeune homme, que le titre de mari autoriserait à troubler toute cette vie intérieure. Si par la solitude elle n’atteignait pas au bonheur, du moins elle était parvenue à éviter les sensations trop douloureuses.

 

stendhal

Stendhal (23 januari 1783 – 23 maart 1842)

 

De Braziliaanse schrijver João Ubaldo Osório Pimental Ribeiro werd geboren op 23 januari 1941 in Itaparica, Bahia. Zie ook mijn blog van 23 januari 2007.

Uit: Brasilientexte

 

“Lula meint, eine der besten Regierungen in der Geschichte Brasiliens zu stellen, doch er ist ein Dummkopf! Er wurde zum Narren am Hofe. Vor Lulas Wahl dachte ich mir nachts im Bett, es ist doch nicht möglich, dass ich als einziger Recht habe, gegen alle Welt, die das Gegenteil denkt. Aber heute ist es doch sinnlos, noch auszurufen, na, habe ich es euch nicht vorhergesagt? Einige sind nun beschämt, andere enttäuscht oder traurig. In Wahrheit hat sich doch Lulas Arbeiterpartei schon vor langer Zeit als das entpuppt, was sie wirklich ist. Jetzt spielt Lula ein für Brasilien sehr gefährliches Spiel. Vieles läuft derzeit sehr merkwürdig – doch es ist schwierig Ungereimtheiten aufzudecken, es gibt einfach Tabus. (Ribeiro singt einen Gassenhauer:) Wenn man schreit, greift den Dieb, bleibt hier keiner mehr übrig, mein Bruder. Denn alle haben ja Schuld. Wir sind ein korruptes Land, das ist die Wahrheit.

Doch Deutschland ist auch merkwürdig, ich habe da fünfzehn Monate gelebt. Und eigentlich keine Deutschen getroffen. Seid ihr Deutsche, fragte ich. Deutsche? Nein, sind wir nicht – ich identifiziere mich viel mehr mit einem Volk wie deinem, einem so fröhlichen, überschäumenden Volk. Die Deutschen sind doch so ein dunkles, trauriges, verschlossenes, fürchterliches Volk. Übrigens bin ich kein Deutscher, sondern Preuße, bekam ich außerdem zu hören. Die Deutschen, aber auch andere Völker, mögen Kritik an sich selbst über alle Maßen. Sie mögen es, schlecht von sich selber zu sprechen. Aber nur das, was ihnen in den Kram passt. Wenn du mal was sagen willst, was sie nicht hören wollen, ah, das lassen sie nicht zu! Sie wollen nur die immergleiche abgesegnete Kritik: Deutscher Autoritarismus, deutsche Härte, deutsche Kälte, tausenderlei anderes. Aber sagt man was, das nicht in deren Kritik-Katalog vorkommt, das geht nicht, da werden sie ärgerlich – ah, das ist nicht wahr, davon verstehst du doch gar nichts! Deren Kritik-Kataloge sollte man in de
n Reisebüros verteilen, damit jeder Fremde weiß, was man kritisieren darf.”

 

Ribeiro

João Ubaldo Ribeiro (Itaparica, 23 januari 1941)

 

De Westindische dichter en schrijver Derik Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook mijn blog van 23 januari 2007.

  

A Far Cry From Africa

 

A wind is ruffling the tawny pelt
Of Africa, Kikuyu, quick as flies,
Batten upon the bloodstreams of the veldt.
Corpses are scattered through a paradise.
Only the worm, colonel of carrion, cries:
“Waste no compassion on these separate dead!”
Statistics justify and scholars seize
The salients of colonial policy.
What is that to the white child hacked in bed?
To savages, expendable as Jews?
Threshed out by beaters, the long rushes break
In a white dust of ibises whose cries
Have wheeled since civilizations dawn
From the parched river or beast-teeming plain.
The violence of beast on beast is read
As natural law, but upright man
Seeks his divinity by inflicting pain.
Delirious as these worried beasts, his wars
Dance to the tightened carcass of a drum,
While he calls courage still that native dread
Of the white peace contracted by the dead.

Again brutish necessity wipes its hands
Upon the napkin of a dirty cause, again
A waste of our compassion, as with Spain,
The gorilla wrestles with the superman.
I who am poisoned with the blood of both,
Where shall I turn, divided to the vein?
I who have cursed
The drunken officer of British rule, how choose
Between this Africa and the English tongue I love?
Betray them both, or give back what they give?
How can I face such slaughter and be cool?
How can I turn from Africa and live?

 

Walcott

Derik Walcott (St. Lucia, 23 januari 1930)

 

De Oostenrijkse schrijfster en dichteres Hannelore Valencak werd geboren op 23 januari 1929 in Leoben-Donawitz. Zie ook mijn blog van 23 januari 2007.

Uit: Das Fenster zum Sommer

 

Joachim wohnte schon lange in unserer Stadt, und es gab keine Verbindung mehr zwischen ihm und mir. Und doch waren schon in der Stille die Kräfte am Werk, die uns eines Abends veranlassen würden, die gleiche Straßenbahn zu besteigen und, so wie damals, nebeneinanderzustehen. Vielleicht wurden schon Taten vollbracht und Worte gesagt, durch die dieser Augenblick für uns vorbereitet wurde. Die Allee, in der sich der Raumpunkt befand, der jenem Zeitpunkt zugeordnet war, und durch die ich täglich heimfuhr, wurde grün. Die Blätter entsprangen, entrollten sich und breiteten sich im Licht der Sonne auS.  Sie wuchsen in ein Muster hinein, das unsichtbar vorgezeichnet war, und auch nicht einem war es erlaubt, von seinem Bauplan abzuweichen. Sie webten an der Szenerie, an der Kulisse für meine Schicksalssekunde – langsam, genau und ohne Ungeduld. Ich spürte, sooft mein Blick auf sie fiel, die Kraft, die in ihnen gespeichert war, und ich ahnte die magische Kraft, die im Warten liegt.”

 

Valencak

Hannelore Valencak (23 januari 1929 – 9 april 2004)

 

De Italiaanse schrijver en politicus Antonio Gramsci werd geboren op 23 januari 1891 in Ales op Sardinië. Zie ook mijn blog van 23 januari 2007.

 

 

Wilhelm Genazino, Lord Byron, Krzysztof Baczyński, Herwig Hensen, Rainer Brambach, Gotthold Ephraim Lessing, Ingrid Puganigg

De Duitse schrijver Wilhelm Genazino werd geboren op 22 januari 1943 in Mannheim. Zie ook mijn blog van 22 januari 2007.

Uit: Ein Regenschirm für diesen Tag

Versuchsweise stelle ich mir vor, ich nehme das Angebot von Messerschmidt an. Auf einen Schlag werde ich mit einer Großgruppe von örtlichen Wichtignehmern umgeben sein, Tag für Tag. Prompt fliegt eine kleine Schwermut heran, die ich jetzt über die Brücke trage. Ein ebenso kleiner Schmerz kaspert in mir herum und sagt: Du musst deinen Vorteil suchen und das Angebot annehmen. Mit dem Schmerz werde ich fertig, aber gegen die Schwermut muss ich etwas tun. Sie tänzelt vor mir her und will mit mir anbändeln. Ich gebe ihr den Namen Gertrud, damit ich sie wirkungsvoller verhöhnen kann. Gertrud Schwermut, hau ab. Prompt stellt sie sich vor: Gestatten, Gertrud Schwermut, darf ich Sie ein bisschen herunterziehen? Hau ab, wiederhole ich. Sie verschwindet nicht, im Gegenteil, sie fasst mich an, ich spüre ihre schwarze Wärme. Vermutlich denkt sie, sie hätte mich im Griff. Sie drängt mich zum Brückengeländer hin, ich sehe auf das dunkle Wasser hinunter. Wie wär´s mit einer Trennung vom Leben, fragt sie, wegen erwiesener Geringfügigkeit? Ich kenne diese Fragen, sie machen mich stumm. Gertrud redet auf mich ein wie ein schwer erziehbares Kind. Und doch ist sie ein bisschen verärgert, weil ich wieder nicht alles tue, was sie von mir verlangt. Eine halbe Minute kämpfe ich mit Gertrud Schwermut auf der Brücke, dann merke ich, es sind ihre Kräfte, die nachlassen, nicht meine”. 

 

Genazino

Wilhelm Genazino (Mannheim 22,  januari 1943)

 

 

De Engelse dichter en schrijver George Gordon Byron (beter bekend als Lord Byron) werd geboren op 22 januari 1788 in Londen. Zie ook mijn blog van 22 januari 2007 en mijn blog van 19 april 2006.

When We Two Parted

When we two parted

In silence and tears,

Half broken-hearted

To sever for years,

Pale grew thy cheek and cold,

Colder thy kiss;

Truly that hour foretold

Sorrow to this.

 

The dew of the morning

Sunk chill on my brow–

It felt like the warning

Of what I feel now.

Thy vows are all broken,

And light is thy fame:

I hear thy name spoken,

And share in its shame.

 

They name thee before me,

A knell to mine ear;

A shudder comes o’er me–

Why wert thou so dear?

They know not I knew thee,

Who knew thee too well:

Lond, long shall I rue thee,

Too deeply to tell.

 

I secret we met–

I silence I grieve,

That thy heart could forget,

Thy spirit deceive.

If I should meet thee

After long years,

How should I greet thee?

With silence and tears.

 

lord-byron

Lord Byron (22 januari 1788 – 19 april 1824)

 

De Poolse dichter Krzysztof Kamil Baczyński werd op 22 januari 1921 in Warschau geboren. Zie ook mijn blog van 22 januari 2007.

 

 

Elegy

Clouds of flight, sails of ecstasy, trees’ companions
upon the firmament.
My head declines to knotted hands, a head in throes,
My arms hunger.
The tall dark bird that swims beneath you:
my heart.
How do I flee anxiety to golden woods
O bird-clouds?
How then do I return, in grief, undone,
to your fluidity and flight?
Hands pierced, the cross follows me,
the duty of death.
This unworked clay thus heaps up, hardens,
cities are ablaze.
On earth am I my own grave,
my own hope?
O silent clouds! You bypass me again, o lights afloat,
distant shades.
Faith I’ll name you. Your name for me: grief’s dust,
casket, man.

 

 

Vertaald door Alex Kurczaba

 

baczynski

Krzysztof Kamil Baczyński (22 januari 1921 – 4 augustus 1944)

 

De Belgische dichter en schrijver Herwig Hensen werd geboren op 22 januari 1917 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 22 januari 2007.

Salzburger Festspiele

Twee schouders hebben u grafwaarts gedragen,
of vier misschien, mitsgaders het paard.
De rest verzaakte. Een sneeuw joeg in vlagen
en Mozart is geen keelpijn waard,

niet eens een hoestbui, of doornatte voeten.
Het leven immers maakt soms zijn bezwaar.
Touw liet u neer. En geen stem die u groette,
geen hand die grond wierp op uw baar.

Pas later heeft men getracht u te vinden.
(Het sneeuwt niet stééds, en doodgaan brengt lof.)
Maar ’t moest vergeefs zijn. Wat goden beminden
blijft onnawijsbaar in de stof.

Hoe triest voor Salzburg (Toeristische Werken):
voor gebeente juist heeft het volk een zwak.
Nu moet helaas zich de handel beperken
tot Mozart-koffie en -tabak.

 

hensen

Herwig Hensen (22 januari 1917 –  24 mei 1989)

 

De Zwitserse dichter en schrijver Rainer Brambach werd geboren op 22 januari 1917 in Basel. Zie ook mijn blog van 22 januari 2007.

Paul

Neunzehnhundertsiebzehn
an einem Tag unter Null geboren,

 

rannte er wild über den Kinderspielplatz,
fiel, und rannte weiter,

 

den Ball werfend über den Schulhof,
fiel, und rannte weiter,

 

das Gewehr im Arm über das Übungsgelände,
fiel, und rannte weiter

 

an einem Tag unter Null
in ein russisches Sperrfeuer

 

und fiel.

 

brambach

Rainer Brambach (22 januari 1917 – 14 augustus 1983)

 

 

 

Gotthold Ephraim Lessing, de grote Duitse schrijver uit de Verlichting, werd geboren op 22 januari 1729 in Braunschweig. Zie ook mijn blog van 22 januari 2007.

 

Lob der Faulheit

Faulheit, endlich muß ich dir
Auch ein kleines Loblied bringen!
O!. . . Wie. . . sauer. . . wird es mir
Dich nach Würde zu besingen!
Doch ich will mein Bestes tun:
Nach der Arbeit ist gut ruhn.

 

Höchstes Gut, wer dich nur hat,
Dessen ungestörtes Leben. . .
Ach!. . . ich gähn!. . . ich. . . werde matt.
Nun, so magst du mir’s vergeben,
Daß ich dich nicht singen kann:
Du verhinderst mich ja dran.

 

lessing3

Gotthold Ephraim Lessing (22 januari 1729 – 15 februari 1781)

 

De Oostenrijkse dichteres Ingrid Puganigg werd op 22 januari 1947 geboren in Gassen bij Afritz am See, Kärnten. Zie ook mijn blog van 22 januari 2007.