De Nederlandse priester, theoloog en dichter Huub Oosterhuis is zondag op 89-jarige leeftijd overleden. Dat heeft zijn familie maandag bekendgemaakt. Huub Oosterhuis werd geboren in Amsterdam op 1 november 1933. Zie ook alle tags voor Huub Oosterhuis op dit blog.
Gabriël Smit
Gabriël belde mij. Ik lag, de dood ontkomen, in Purmerend. Hij schreeuwde: Wat hoor ik? Heb je pijn? Ach jongen, ik ben bij je, dat weet je toch. ——————– Ik wist het. Zo uit de diepte riep hij.
Zo godverlaten bij me was hij. En is gebleven.
Moederkerk
Ben ik de boom niet zolang er vogels zijn? ben ik de moeder niet opdat er kinderen zijn – kinderen en vogels, zij zwierven weg over zee allen zijn heengegaan en niemand nam mij mee.
Vogels bevolkten mij bouwden hun nest in mij kinderen beminden mij sneden hun hart in mij – als zij dan zwerven gaan en niemand neemt mij mee ruk ik mijn wortels uit plant ik mij in de zee.
Gelofte
Hoe diep gaat de pijn van het moedernaakt maar onaangeraakt man moeten zijn.
in het niemandsland van mijn zoete vlees bekneld en verdeeld tussen hoop en vrees
Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen!
St. Johannes en St. Petrus bij het graf van Christus door Giovanni Francesco Romanelli, ca. 1640
Osterpredigt in Reimen
Verehrter Mitmensch, höre und vernimm Freundwillig mit Hulden und ohne Grimm: Dieweil es nun Ostern geworden ist, Sollst du, von welcher Art du auch bist, Ob Heide, Jude, Moslem, Christ, Durchaus vergnügt im Herzen sein, Osterwürdig und osterrein.
Mit einem Birkenreise kehre Aus deiner Seele den Geist der Schwere! Der Wenns und Abers und Achs und Os, Die hart und starr dein Herz umwindet, Dass der Geist der Leichte kaum Eingang findet, Mache dich hurtig und heiter los!
Du brauchst nichts weiter dazuzutun, Als dich im Grünen auszuruhn. Da atmet sichs sehr wonnig ein, Was dir das Herz macht frei und rein: Der jungen Blumen frischer Hauch; Und die Augen haben der Wonne auch, Denn nichts ist lieblicher anzusehn, Als wie sie da hold beisammenstehn, Blau, weiß und rosa, klar und licht, Der Erde süßestes Ostergedicht.
An ihnen dir ein Beispiel zu nehmen, Sollst du, ach Mensch, dich keineswegs schämen!
Vergiss dein Gehirn eine Weile und sei Gedankenlos dem lieben Leben Blumeninnig hingegeben; Vergiss dein Begehren, vergiss dein Streben Und sei in seliger Einfalt frei Des Zwangs, der dich durchs Hirn regiert!
Er hat dich freilich hoch geführt Und vieles dir zu wissen gegeben, Aber das allertiefste Leben Wird nicht gewusst, wird nur gespürt. Der Blumen zarte Wurzeln fühlen Im keimlebendigen, frühlingskühlen Erdboden mehr von ihm als du. Und bist doch auch ein Kind der Erde. Dass sie nicht sinnenfremd dir werde, Wende ihr heut die Sinne zu!
Das ist der festlich tiefe Sinn Der Ostertage: Mit Entzücken Sollst du zum Mutterschoß dich bücken. Gib heut, o Mensch, dich innerst zu beglücken, Der Mutter Erde frühlingsfromm dich hin!
Otto Julius Bierbaum (28 juni 1865 – 1 februari 1910) De oude markt met de katholieke kerk in Grünberg, de geboorteplaats van Otto Julius Bierbaum
De Nederlandse dichteres en vertaalster Eva Gerlach (pseudoniem van Margaret Dijkstra) werd geboren in Amsterdam op 9 april 1948. Zie ook alle tags voor Eva Gerlach op dit blog.
Veergeld 1
Liggen we ’s nachts met de doden die op ons gaan zitten ons strelen met handen van talk bergamot en citroen
bij elke beweging levender: Han met de tanden Mentja met puilende ogen, iets in ons haalt ze over
door te gaan, toe dan, aderen zwellen op vellen als gedroogd bloemblad, een schrift van verwarring
verwijzing: nu wil ik mijn oma Tsjoetsjoe, trillend, het ei van de struma beweegt
in haar hals en de hel breekt los, rent ze met loshangend haar, de doden klemmen zich vast
wie zich verstopt kan nooit meer weg, blijft daar dubbelgevouwen steken zwart in zwart – : liefje
slaap je? ik moet je smoren, jij mij tegelijk! waar is je kussen, hoe laten ze anders los –
De ochtend wekt ons met geluid van vracht wagens door de straat, de muren trillen
en we kijken naar buiten, het raam hangt scheef, in de verte zien we de bergen, maar op de manier van de vlieg.
Figuur over de rivier gebogen 2
Zullen we nou nog gaan vissen of niet. Kijk de hengels, allemaal gisteren voor je gekocht alle twintig, je kwam niet en ik kon je nergens vinden.
Dus dit is het aas het zoetste zingen en fluiten en daar staat de picknickmand vol met zelfrijzend verschiet en hier heb je eersteklas stof waarmee ik je aankleed,
wil je het. Of toch liever niet nee ik ga al blijf rustig hier bij de graten schubben en staarten. Verteer maar ik breng je nog wat.
Terug
Vannacht reed ik met je naar wat je zei, je zat voorop en riep wat je bedoelde. Wij stopten bij de horizon, daar bloeiden achter de lage dijk de sterrenvelden.
Toen kwamen kleine dieren uit de greppel de steil opsprongen tussen jou en mij, die aten van ons goed en met hun hoeven verschrikkelijk tegen onze levens sloegen.
Wij veegden elkaar schoon en liepen verder: kronen zouden wij vlechten; maar er kwam wind over ijs en water aan geblazen die ons naar huis en naar gebrek meenam.
Eva Gerlach (Amsterdam, 9 april 1948) Bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs voor poëzie door Kees Fens in 2000
Daar nog steeds heuvels, de duisternis, maar goed te beklimmen, van veraf naderen de vlaktes , met de wind mee hun gehuil.
Over het bos. De rivier komt, de berkenbosjes gaan tot aan de muur, torens, sterren rond de koepels, het gouden dak heft aan kettingen een kruis omhoog.
Daar in de donkere stilte licht, zingen, zoals onder de aarde eerst, klokken, slagen, van de stemmen het hanengekraai
en omarming van briesjes, klinkende briesjes, op witte muurtorens, de hoge torens van licht, ik heb jouw ogen, ik heb jouw wang, ik heb jouw mond, opgestaan is de Heer, zo roept, ogen, roep, wang, roep, mond, roep hosanna.
Vertaald door Frans Roumen
Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965) Borstbeeld van de dichter in de Johannes-Bobrowski-Bibliotheek in Berlijn- Friedrichshagen
Death and damnation began with my body still my own, began when I was ousted from my place, and many creatures still were left unnamed. Gone are some, now, extinct, and nameless, as though they had never been. In hell I feel their anxious breath, see their accusing eyes. My guilt is heavier than was the weight of flesh.
I bear the waste of time spent in recriminations (“You should not have…” “But you told me…” “Nay, it was you who…”). And yet I knew my wife, and this was good. But all good turned to guilt. Our first-born killed his brother. Only Seth gave us no grief. I grew old, and was afraid; afraid to die, even knowing that death had come, and been endured, when we were forced to leave our home, the one and only home a human man has ever known. The rest is exile. Death, when it came, was no more than a dim continuation of the exile. I was hardly less a shadow than I had been on earth, and centuries passed no more slowly than a single day.
I was not prepared to be enfleshed again, reconciled, if not contented, with my shadow self. I had seen the birth of children with all its blood and pain and had no wish ever to be born again.
The sound, when it came, was louder than thunder, louder than the falling of a mountain, louder than the tidal wave crashing down the city walls, stone splitting, falling, smashing. The light was brutal against my shaded eyes, blinding me with brilliance. I was thousands of years unaccustomed to the glory. Then came the wrench of bone where bone had long been dust. The shocking rise of dry bones, the burning fleshing, the surge of blood through artery and vein was pain as I had never known that pain could be. My anguished scream was silenced as my hand was held in a grip of such authority I could not even try to pull away. The crossed gates were trampled by his powerful feet and I was wrenched through the chasm as through the eye of the hurricane. And then—O God—he crushed me in his fierce embrace. Flesh entered flesh; bone, bone. Thus did I die, at last. Thus was I born. Two Adams became one. And in the glory Adam was. Nay, Adam is.
Madeleine L’Engle (29 november 1918 – 6 september 2007) De Church of the Resurrection in Manhattan, New York, de geboorteplaats van Madeleine L’Engle
Verschijningsvormen. Een kruisweg met dertig staties…
1 Op wie alle eerste woorden hoorden, ook later.
2 Die uit de knop kwam. Die bloeide. Die vrucht droeg. Die het kwadraat was van zichzelf. Van hen samen. Van hem. Appel van zijn stam, stam van zijn appel.
3 Die donker was en bitter smaakte. En toch zoet.
4 Met wie hij in een kwartet zat. Drie ervan stonden op de foto, met twee schreven ze een gedicht, haar alleen zag hij nooit meer terug. De tweede schreef niet meer, de derde zag hij nog eens met een eendenbek op TV.
5 Die niet de vijfde maar wel zijn zevende wilde wezen.
6 Die hem vroeg ‘Doe mij pijn’. Of hij zo lief zou willen zijn.
7 Die hem tot aan de kerkdeur, die hem onder de ogen van de paus, die dronken werd van de miswijn, over wie hij niet biechtte.
8 …over wie hij wel dacht, maar niets opschreef.
9 Maar dan ook echt niets.
10 Die werkte als bibliothecaresse waarvan hij dacht dat ze Tonke Dragt was (van wie hij geloofde dat zij een jonkvrouw was).
11 Die in dezelfde trein de weg kwijtraakte.
12 Die steeds zo eenzaam was; ze bleef het. Maar nu in Brussel.
13 Die hij haatte omdat ze niet bekende; die hij niet bekende omdat hij haar haatte.
14 Die praatte en praatte maar niets zei, halt hield maar niet wachtte, niet waarschuwde maar uitdaagde, heel zachtjes schreeuwde.
15 Die meer zei dan er te zeggen bestond.
16 Waarmee hij nooit sprak maar wier boodschappers men in koptelefoons kon horen galopperen en die beeldschermen deden trillen.
17 Van wie het valse hondje zuiver werd toen het hem zag.
18 Was hij nog niet en zij geen zestien. Geen auto en geen brommer dus, alleen een mandje dat met een touw op en neer kon de balustrade langs van haar balkon.
19 Die op nummer 19 woonde. Of op 91, daar wil ik af zijn. Maar hij loopt er zo naartoe.
20 Die twintig was geworden alsof ze dertig was. En nu dertig werd alsof ze twintig was. Eerst was ze teveel, nu bleef er weinig meer van haar heel. Teveel van hem genomen, teveel aan hem verloren. Waar zou ze dat nu moeten gaan halen?
21 Zij die geen woord zei. Ook toen niet.
22 Hij gaf een vals adres op; zij een niet-bestaand telefoonnummer.
23 Die te gemakkelijk was. Veel te gemakkelijk. Nee, echt, hou op.
24 Die dacht dat het gedicht over haar ging. (Of over hem.)
25 Naar wie hij keek als ze sliep.
26 Die een engel was. Die angstaanjagend was en hij: zag niets daarvan.
27 Die Vergilius te wonen wist. En een vrijgeleide voor de hel klaarlegde. Konden ze gezellig samen…
28 Die hij uit achtentwintig dames zou herkennen, blindelings of dovelings, geboeid of geslagen.
29 Die wilde dat het kon. Maar het kon niet dat hij het wilde.
30 Zij. Die het verleiden eenvoudig oversloeg.
31 Die haar handschoenen uitleende om terug te brengen.
32 Op wier parfum hij verliefd werd. (Als ze de naam ervan prijsgeeft, zal hij ze een schadeclaim sturen…)
33 Die dat allemaal was. en meer. En niets van dat al.
Boven de muren, steen, boven de bogen de koepels van wind, samengevoegd onder de hemel, oud, die met veerboten en vlotten komt, die voor de avonden uit zingt, bijenrook vaart met hem mee, adem van de frambozenstruik, laat – wanneer de vrouwe der velden, met ronde ogen, wit haar, verstijft met haar smalle armen, licht, een essenboom,, handen uit bladeren als wolken, van de heide de bittere lucht opvangt en de drank naar de mond brengt.
Vertaald door Frans Roumen
Johannes Bobrowski(9 april 1917 – 2 september 1965)
Noem de overtreding mij, die Gij begaan hebt, Het kwaad, gekruisigd God, dat Gij gedaan hebt, Waaraan Uw volk U schuldig heeft bevonden, Noem mij Uw zonden.
Gij wordt gegeseld en gekroond met doornen, Geminacht als de minste der verloornen, En als een booswicht, die zijn straf moet dragen, Aan ’t kruis geslagen.
Zeg mij, waarom men U aldus gehoond heeft, U dus, mijn vorst, gescepterd en gekroond heeft, – Om voor mijn schuld verzoening te verwerven, Moest Gij dus sterven?
Hoe vreemd, dat voor de schapen zijner weide De herder zelf ter slachtbank zich liet leiden, De heer zich voor de schulden zijner knechten Aan ’t kruis liet hechten!
O wonderbare Liefde, die ons denken Te boven gaat, wat kan mijn liefde U schenken, Wat ooit bereiken met de arbeid mijner dagen, Dat U behage?
O Liefde, voor dit offer van Uw leven, Wat kan ik dan mijzelf ten offer geven, Opdat ik nooit, hetzij ik leve of sterve, Uw liefde derve.
Jacqueline van der Waals (26 juni 1868 – 29 april 1922) De Paleiskerk in Den Haag, de geboortestad van Jacqueline van der Waal
De wereld is ons te nabij: wij gaan Ten onder aan verspillen en verkrijgen. Van de natuur is ons maar weinig eigen, Ons hart, pover geschenk, is afgestaan. Die zee, haar borst ontblotend voor de maan; De winden, die ons ieder uur bedreigen, Nu slaperig, als bloemen die zich neigen – Wij zijn er niet op afgestemd, verdaan Is alles wat ons raakt. O God! Indien Ik heidens was, in oud geloof geboren, En staand in deze blijde beemd misschien Een glimp opving, was ik niet zo verloren; Dan kon ik Proteus in de golven zien En de omkranste hoorn van Triton horen.
Vertaald door Wiebe Hogendoorn
William Wordsworth (7 april 1770 – 23 april 1850) Portret door Henry Edridge, 1804
Het Laatste Avondmaal, Fresco door Leonardo da Vinci in het dominicaner klooster Santa Maria delle Grazie in Milaan, 1495 – 1498
Das Abendmahl
Sie sind versammelt, staunende Verstörte, um ihn, der wie ein Weiser sich beschließt und der sich fortnimmt denen er gehörte und der an ihnen fremd vorüberfließt. Die alte Einsamkeit kommt über ihn, die ihn erzog zu seinem tiefen Handeln; nun wird er wieder durch den Wald wandeln, und die ihn lieben werden vor ihm fliehn. Er hat sie zu dem letzten Tisch entboten und (wie ein Schuß die Vögel aus den Schoten scheucht) scheucht er ihre Hände aus den Broten mit seinem Wort: sie fliegen zu ihm her; sie flattern bange durch die Tafelrunde und suchen einen Ausgang. Aber er ist überall wie eine Dämmerstunde
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926) De St. Nicolaaskerk in Praag, de geboortestad van Rainer Maria Rilke
De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.
Exit-strategie
Ik hoor het geluid van de sproeier buiten, niet het zachte soort waar we vroeger doorheen renden maar de harde soort die in één richting zwiept, dan terugdraait en opnieuw begint.
Gisteravond waren we van plan om het witte argument van de Melkweg te vinden maar we zijn twintig jaar te laat. Gisteravond heb ik de laatste sterrenkijker lelie afgesneden om in mijn haar te dragen.
Vanmorgen, de moeilijkste aardrijkskundequiz die ik ooit heb gedaan: hoe draag je jezelf van berg naar meer naar woestijn zonder iets achter te laten?
Misschien had ik harder moeten werken. Misschien had ik er beter op kunnen letten. Een berg die ik niet heb beklommen. Muziek waar ik naar verlangde maar niet kon bereiken.
Ik reis zonder kaarten, freestyle mijn geschriften, doe alsof de lucht adequaat mijn spirituele overtuigingen vertegenwoordigt.
De sproeier stopt ermee. Het gras zal nat zijn. Ik ben nog niet eens op pagina 2 van mijn leven gekomen en ik ben waarschijnlijk meer dan halverwege, wie weet wat voor wezen ik zal worden.
De koorts van mijn lied, de landwijn van mijn stem Lieten hem deinzend achter, Wolfskeel Apollo, De god die zijn knapen verstikte en zwammen, Botte messen zong, wolfskeel, grintgezang.
Toen vlerkte hij op, gesmaad, En brak mijn keel. Ik werd gebonden aan een boom, gevild werd ik, gepriemd Tot het water van zijn langlippige woorden in mijn oren vloeide, Die ingeweld begaven.
Zie mij, gebonden aan de touwen van een geluidloos ruim, Geveld en gelijmd aan een koperen geur, Gepunt, Gericht, Gepind als een vlinder In een vlam van honger, in een moeras van pijn. De vingernagels van de wind bereiken mijn ingewanden. De naalden van ijzel en zand rijden in mijn huid. Mij heeft niemand meer genezen. Doofstom hangt mijn lied in de hagen. De tanden van mijn stem dringen alleen meer tot de maagden door, En wie is maagd nog of maagdelijke bruidegom In deze branding?
(Een bloedkoraal ontstijgt in Vlokken mijn hongerlippen. Ik vervloek Het kaf en het klaver en de horde die op mijn daken De vadervlag uithangt – maar gij zijt van steen. Ik zing – maar gij zijt van veren en gij staat Als een roerdomp, een seinpaal van de treurnis.
Of zijt gij een buizerd – dáár – een wiegende buizerd? Of in het zuiden, lager, een ster, de gouden Stier?)
Mij heeft niemand meer genezen. In mijn kelders is de delfstof der kennis aangebroken.
Vogels
Vandaag is de vogellucht een loos gerucht
Hun gekrijs om spijs verbluft
Zij hebben voornamen Zij onthouden gezichten
Hun lawaai is vervormd tot lied
Zij weten immers niet dat een immens netwerk de planeet omspant om mensen en vogels te vangen en splinters meteoriet
Men herkent in de zwerm de raaf Hij verft zijn haar met bloed
Behoud
Behoud de begeerte. Vergeet waarvoor je in de kou wou staan en sterven toen je dacht dat de wereld een lente was of een vrouw.
Verwacht dag en nacht maar vergeet de vrees die je was. Betaal geen rente voor je gedrag.
Morgen versnelt. Gisteren zwelt liefde doodt, gaat niet dood.
Behoud geen resten. Stap over haar schreef. Zij blijft de welkriekende dreef in jouw verwoeste gewesten.
Uit: Bring mich nach Hause( Vertaald door Silke Kleemann)
„Ende der Sechziger warfen die Felder immer weniger ab, die Fabriken suchten fortwährend nach Arbeitskräf-ten, und von einem Tag auf den anderen wurde aus dem Maultiertreiber einer, der an der Fräsmaschine stand. Juans Vater verließ das Ackerland und sein Dorf, Cruces, für eine Faserzement-Fabrik in Getafe südlich von Mad-rid. Seine Mutter wiederum tauschte den steingefliesten Boden der Mühle, in der sie zur Welt gekommen war, gegen die lackierten Dielen einer gutbürgerlichen Woh-nung im Zentrum der Hauptstadt ein. Hinten im Lichthof führte für sie eine Dienstbotentreppe direkt in die Küche. Am Haupteingang öffnete ein Concierge den Herrschaf-ten die Tür. So lernten die beiden sich kennen, durch den Concierge, der ein Freund des Vaters war. Eines Sonntag-nachmittags stellte er sie einander vor, als sie aus dem Kino kamen. Sie setzten sich in ein Straßencafd in der Nähe, wo sie ihm erzählte, dass sie aus Aldeanueva de la Vera kam, in Cdceres, und hierhergekommen sei, weil kaum noch mit Wasserkraft Mehl gemahlen wurde. Er mochte ihre schüchterne Art zu lachen. Ihr fiel die wet-tergegerbte Haut seiner Hände auf und so was wie ein Weizenduft, als sie einander zum Abschied auf die Wange küssten. Sie waren zwei Jahre verlobt, bevor sie heirate-ten. Kurz nach Isabels Geburt zahlten sie die erste Rate für eine winzige, dunkle Wohnung im Arbeiterviertel Las Margaritas, gleich dort in Getafe, wo sie auch den Groß-vater väterlicherseits nach dem Tod seiner Frau aufnah-men. Als Juan geboren wurde, ersetzten sie den kleinen Seat 600 durch einen Renault 4. Jedes Wochenende stie-gen sie ins Auto und fuhren mit dem Großvater zurück nach Cruces, um im Haus dort die Fenster aufzureißen und ihn mit auf die Felder zu nehmen, denn in Getafe hatte es den Anschein, als wollten die Ziegelsteine den alten Mann ersticken, was dann letztlich auch geschah. Nachdem der Vater von der Fabrik in Frührente geschickt worden war, zogen sie schließlich dauerhaft nach Cruces. Juan war sechs Jahre alt und seine Schwester zehn. Der Großvater kehrte nicht mit ihnen zurück. Obwohl der Vater nicht arbeiten sollte, verbrachte er die ersten Monate damit, das Land zurückzuerobern – da-mals ein Gemüsegarten mit Geräteschuppen und künst-lich angelegtem Wasserbecken, Mandelbäume, einige wenige Getreidefelder und eine Stallung, in der die Fami-lie früher einmal Zicklein gezogen hatte. Mit dem Geld, das er in Getafe als Abfindung erhalten hatte, erwarb er die Maschinen einer gerade in Iliescas pleitegegangenen Türenwerkstatt, brachte sie nach Cruces und stellte sie in den alten Stall. Elf Monate, nachdem er aufgehört hatte, Asbest einzuatmen, begann er Sägemehl einzuatmen.“
Jesús Carrasco (Badajoz, 5 april 1972)
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelou op dit blog.
Aangeraakt door een engel
Wij, niet gewend aan moed ballingen van genot leven opgerold in schelpen van eenzaamheid totdat de liefde haar hoge heilige tempel verlaat en voor ons in zicht komt om ons vrij te maken om te leven.
De liefde komt aan en in haar gevolg komen extases oude herinneringen aan plezier oude geschiedenissen van pijn. Maar als we moedig zijn, Breekt liefde de ketenen van angst om onze zielen.
We zijn gespeend van onze verlegenheid In de gloed van het licht van de liefde durven we moedig te zijn En opeens zien we dat liefde alles kost wat we zijn
en ooit zullen zijn. Maar het is enkel liefde die ons vrij maakt.
‘En jij bent dus ook verbrand’, zei Vandersteen. ‘Dan zijn we met z’n drieën. De Bolle is er het ergste aan toe, die heeft het ook in haar gezicht. Maar ze is al aan de beterende hand. Bij jou valt het wel mee. Dat kan ik zo zien, ik heb jaren in dit ziekenhuis gewerkt. Hoe oud ben je? Ik kan het zo raden. Ik heb het altijd goed. Ik zeg vierendertig. Klopt dat? Ben je vierendertig?’ ‘Vindt ze dat niet vervelend?’ zei ik. ‘Dat u haar steeds “bolle” noemt?’ ‘Ze is toch bol?’ zei Vandersteen. ‘Ik kan het ook níét zeggen, maar dat verandert niets aan de situatie, nietwaar? Kijk, als ik jou “bol” zou noemen, dat zou gemeen zijn, want je bent niet echt bol, maar ook niet echt dun. Hoeveel weeg je?’ Ik mompelde wat. ‘Zeventig kilo? Eenenzeventig?’ Ze schoof haar leesbril wat verder omhoog en bekeek me onderzoekend. ‘Achtenzestig’, zei ik snel. ‘Zeventig dus’, zei Vandersteen. Ik wilde zeggen dat er niks van klopte, dat ze haar mond moest houden en dat ze terug in haar bed moest gaan. ‘Als u het zegt’, zei ik. ‘Nu hebben we dus twee meisjes en een ouwe taart en een meneer met een snor voor de deur. Ik zeg: met de kandelaar in de bibliotheek door mevrouw Green.’ Vandersteen vertelde dat ze had geprobeerd om een sigaretje te roken, maar dat de agent haar er niet uit had gelaten. De man gaf geen antwoord op de vraag waarom. ‘Ze kunnen u toch niet zomaar binnenhouden als u dat niet wilt?’ zei ik. Ik prutste weer wat aan het laken. Het gesloten gordijn maakte me benauwd, nu Vandersteen hier zo binnen bleef staan en ik zelf geen kant uit kon door die slang in mijn zij. ‘Je bent een schatje’, zei Vandersteen. ‘Dat zie ik zo. En zeg in godsnaam jij. Ik krijg het gevoel alsof ik zojuist uit een sarcofaag ben komen stappen met m’n zwachtels.’ Vandersteen glipte weer door het gordijn. Ik zag een stukje raam. De lucht was helderblauw. Ergens aan de andere kant van het gebouw moest de zon schijnen.”
Hanneke Hendrix (Tegelen, 4 april 1980)
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelou op dit blog.
Gekooide vogel
Een vrije vogel zweeft weg op de rug van de wind drijft mee op de vlaag tot het eind van de stroom en doopt zijn vleugel in de gloed van de zon en zegt: de hemel, die is van mij.
Maar een vogel die steeds in zijn kooitje verwijlt ziet weinig tot niets door z’n spijlen van nijd z’n vleugels geknipt en z’n pootjes gestrikt dus opent hij zijn keel en zingt.
De gekooide vogel zingt met trillers van verdriet van wat hij niet kent maar o zo graag ziet en op gindse heuvel hoort men zijn lied want de gekooide vogel zingt van vrijheid.
Een vogel die vrij is denkt al aan winden die stromen en de passaatwind die suist door zuchtende bomen en volvette wormen die wachten in glorende weiden en de hemel noemt hij de zijne.
Maar een gekooide vogel staat op het graf van zijn dromen zijn schaduw is de gil van wie niet kon ontkomen zijn vleugels geknipt en zijn pootjes gestrikt dus opent hij zijn keel en zingt.
De gekooide vogel zingt met trillers van verdriet van wat hij niet kent maar o zo graag ziet en op gindse heuvel hoort men zijn lied want de gekooide vogel zingt van vrijheid.
De Franse schrijver, filmregisseur en scenarioschrijver Jean-Baptiste Andrea werd geboren op 4 april 1971 in St Germain en Laye. Hij groeide op in Cannes, waar hij korte films begon te maken. Later verhuisde hij naar Parijs en studeerde af in politieke wetenschappen en economie. In Parijs ontmoette hij Fabrice Canepa, en samen begonnen ze films te schrijven. Samen schreven en regisseerden ze de cult-horrorfilm “Dead End”. Zijn debuutroman, “Ma Reine” (Mijn Koningin), verscheen in 2017 en won een tiental prijzen, waaronder die voor Beste Franse Debuutroman en de Studenten Femina. Ook zijn derde roman, “Des diables et des saints”, werd meerdere malen bekroond, waaronder de Grand Prix RTL-Lire, en voor “Veiller sur elle” ontving hij in 2023 de prestigieuze Prix Goncourt en de Prix du roman Fnac.
Uit: Ma reine
« C’est le soleil qui m’a réveillé, il appuyait sur mes paupières avec ses pouces chauffés à blanc. J’ai mis un bras en travers de mes yeux pour continuer à dormir. Il y avait un grand calme autour de moi, juste le bruit de l’air qui poussait sur la terre, mais au milieu de ce calme, il y avait quelque chose d’autre, une forme sculptée par le vent, et j’ai fini par ouvrir les yeux. Elle me regardait, assise sur le rocher, le menton sur les genoux et les bras autour. J’ai sursauté et elle aussi. On s’est regardés sans trop savoir quoi faire. – J’ai cru que t’étais mort, elle a fini par dire. Elle avait une drôle de voix rauque, une voix de femme qui n’allait pas avec son corps de fille. Elle était très mince, tellement qu’elle avait l’air de pouvoir se glisser entre deux rafales de vent sans déranger personne. Ses cheveux étaient courts et blonds avec une longue mèche sur le front, un genre de coupe de garçon. Mais ce sont ses yeux qui m’ont frappé, et quand je dis frappé j’ai vraiment eu l’impression de recevoir un coup, parce qu’ils avaient l’air en colère et que je n’avais rien fait. J’ai répondu que non, je n’étais pas mort. Je voulais qu’elle me laisse tranquille, j’avais besoin de penser, c’était la première fois de ma vie que j’avais dormi loin de mes parents et il fallait que je réfléchisse pour comprendre ce que ça voulait dire, j’étais sûr que c’était important. Au lieu de me laisser tranquille, elle m’a regardé en fronçant les sourcils mais pas tout à fait comme le font les gens à qui je parle pour la première fois et qui ont toujours l’air étonné. Ça m’a énervé parce que c’était nouveau et que je n’aime pas trop ce qui est nouveau. Elle m’a dit son nom alors que je ne lui avais rien demandé. Viviane. Quand j’ai voulu lui dire le mien, elle ne m’a pas laissé parler. – Ça fait mal, ta figure ? J’ai touché ma joue, c’était dur et râpeux là où j’avais frotté la falaise, ça piquait juste un peu. J’ai grogné. Ensuite elle a désigné mon blouson, mon beau blouson jaune avec les lettres rouges dans le dos. – Shell, c’est un drôle de nom. »
Jean-Baptiste Andrea (St Germain en Laye, 4 april 1971)
De Vlaamse dichter en schrijver Charles Ducal (pseudoniem van Frans Dumortier) werd geboren in Leuven op 3 april 1952. Zie ook alle tags voor Charles Ducal op dit blog.
Vader
Het was nacht. De hoeve gesloten. Waakhonden hielden het erf in bedwang. In de stal werd een ketting verschoven, een kras op de stilte. Ik luisterde bang.
Alles scheen in zichzelf te geloven, de kamer kwam los uit het grote verband. De nacht bewoog. Ik kon het niet horen. Vermoedens likten de ruiten zwart.
Toen stak een stem het donker over, vrolijk geblaf beet de stilte kapot. Ik stond op, trok het venster open. Hij waterde, wijdbeens, standbeeld van God.
Het gebit
Heilige morgen. Hij voelt zich herboren. In de badkamer schept hij het licht. Het lichaam loost plechtig zijn dromen. Kalm gooit hij de nacht van zich.
Naakt. De buik nog lauw van haar zweet. De vuisten hard in het ijskoude water. Zijn oog tart de spiegel. Het beeld wrijft zich helder en schoon. Vastberaden
neemt hij het glas, het glinsterend gebit. Tergend langzaam kraken de treden. Beneden de vrouw, gedoken van schrik. Hij grijnst, schikt de tanden nog even.
Opstand
Het huis komt in opstand.
De tafel vergiftigt het eten, glazen en borden beginnen te breken, het bed houdt de lakens verlamd.
De kachel steekt brieven in brand.
Trouwe foto’s verraden de muren, de wijzers verbijten de uren, de deur slaat door ieder verband.
Het tapijt schreeuwt om moord, het mes wet de vingers, het blad wacht, naakt en gewillig.
„Der alte Kappenmann steigt ein und versucht mit dem Reiseleiter ein persönliches Gespräch zu beginnen, wird von diesem jedoch schroff nach hinten gescheucht. Wir rollen auf den slowenischen Grenzposten zu. Ein vollbärtiger Beamter winkt uns durch. Rudi steuert den Bus wieder auf die Autobahn, und der Reiseleiter gibt über Mikrophon bekannt, dass in Slowenien immer der Rosenkranz gebettet werden muss, weswegen wir jetzt sofort den Vorbetter brauchen. Schweigen. Auch die vier Frauen neben mir schauen aus dem Fenster. »Einen brauchen wir. Herr Thomalla! Ach so, Entschuldigung, Domweber. Nicht? Frau Josefa? Bitte, Frau Josefa!« Schweigen. Der Reiseleiter steht im Gang und wirft durchdringende Blicke auf die Pilger. »Herr Ludwig? Ach so, Leo, Entschuldigung. Herr Leo, doch! Kommen Sie! Nein? Herr Jim? No?« Stille. Der Reiseleiter starrt nach hinten. »Gar niemand? Einer muss doch. Frau Andrea, Sie können das. Aber sicher! Ach so, Anna! Am Anfang hab ich immer die Namen noch nicht so intus.« Stille. Der Reiseleiter starrt nach hinten. »Herr Stefan? Resi? Die Resi vielleicht diesmal? Ach so, Rosi, meiner Seel.« Zwei, drei, vier Minuten unerträgliche Stille. Die Szene wird immer bizarrer. Seit fünf, seit sechs, seit sieben Minuten steht der Reiseleiter vor uns, der Bus wackelt, der Reiseleiter wackelt, der alte Reiseleiterkopf wackelt bekräftigend auf und ab, die dürren Hände krümmen sich zu einem flehenden Bittebitte um das Mikrophon. Wieder und wieder machen diese greisen Hände bitte-bitte. Bitte-bitte, bitte-bitte, bitte-bitte. Und der Kopf nickt: Ja! Ja! Ja! Oja! Und mir fällt plötzlich auf, dass er sich nur zwei Namen problemlos gemerkt hat: Thomas und Ingo. Nachdem eine weitere lange Minute vergangen ist, verändert sich etwas an seiner Miene. Er fixiert jemanden, das merke ich. Er sagt nichts, schaut aber eine Person im hinteren Teil des Busses unverwandt an. Dabei geht der Kopf begütigend auf und ab, ja, oja, bitte-bitte. Es sieht so grotesk aus, dass ich nicht einmal einen Schluck Wasser nehmen kann, weil ich am Wackelgesicht des Reiseleiters hänge, dessen Blick irgendjemanden hinter mir gnadenlos durchbohrt.“
Daar ging ik in de lome kou van de lucht En liep de weg af naar de rivier, Zag ik het kuiltje in de sneeuw, Waar ’s nachts de wind Met een platte schouder had gelegen. Zijn breekbare stem In de bevroren takken hierboven, Stootte zich aan de illusie van witte lucht: “Alles wat begraven ligt, kijkt me aan. Moet ik het uit het stof tillen En aan de rechter laten zien? Ik zwijg. Ik wil geen getuige zijn.” Zijn gefluister stierf weg, Door geen vlam gevoed.
Waar je valt, o ziel, Niet weet het de nacht. Want er is niets Dan van vele wezens de stomme angst. De getuige stapt naar voren. Het is het licht.
Ik stond op de brug Alleen voor de lome kou van de lucht. Ademt nog steeds zwak, Door de keel van het riet, De bevroren rivier?