Palmsonntag I (Franz Alfred Muth), Thomas Glavinic, Peter Huchel

 

Bij Palmzondag

 

Palmpasen door Cornelis ‘Kees’ Andréa (1914-2006), z.j.

 

Palmsonntag I

Jubelnd, Palmen in den Händen,
Palmen streuend auf den Pfad,
Neuen Frühlings süße Spenden,
Um den Herrn die Menge nah`t.

Kinderunsschuld, Männer, Frauen,
Immer größer wird die Schar,
Alle auf de Einen schauen,
Auf den König wunderbar.

„Hosianna, Jesse`s Rose,
Fürst der Friedenspalmen schwingt,
Der aus dunklem Todesschlooße
Leben neu der Erde bringt!”

Doch der Herr schaut düster ragen
Schon des Kreuzes dürren Stamm,
Sieht sich selbst daran geschlagen
Als der Sünder Opferlamm

Was gesündigt war vom Stolze,
Wird durch Demut nun gebüßt;
Aus dem dürren Todesholze
Licht des Lebens Palme sprießt.

Und die Welt mag Palmen brechen:
Unschuld, Liebe, Opfersinn!
Mag in Himmelsfrieden sprechen:
„Dank, daß ich erlöset bin!”

 

Franz Alfred Muth (13 juni 1839 – 3 november 1890)
De Liebfrauenkirche in Hadamer, de geboorteplaats van Franz Alfred Muth

 

De Oostenrijkse schrijver Thomas Glavinic werd geboren op 2 april 1972 in Graz. Zie ook alle tags voor Thomas Glavinic op dit blog.

Uit: Unterwegs im Namen des Herrn

„Der alte Kappenmann steigt ein und versucht mit dem Reiseleiter ein persönliches Gespräch zu beginnen, wird von diesem jedoch schroff nach hinten gescheucht.
Wir rollen auf den slowenischen Grenzposten zu. Ein vollbärtiger Beamter winkt uns durch. Rudi steuert den Bus wieder auf die Autobahn, und der Reiseleiter gibt über Mikrophon bekannt, dass in Slowenien immer der Rosenkranz gebettet werden muss, weswegen wir jetzt sofort den
Vorbetter brauchen.
Schweigen. Auch die vier Frauen neben mir schauen aus dem Fenster.
»Einen brauchen wir. Herr Thomalla! Ach so, Entschuldigung, Domweber. Nicht? Frau Josefa? Bitte, Frau Josefa!«
Schweigen. Der Reiseleiter steht im Gang und wirft durchdringende Blicke auf die Pilger.
»Herr Ludwig? Ach so, Leo, Entschuldigung. Herr Leo, doch! Kommen Sie! Nein? Herr Jim? No?«
Stille. Der Reiseleiter starrt nach hinten.
»Gar niemand? Einer muss doch. Frau Andrea, Sie können das. Aber sicher! Ach so, Anna! Am Anfang hab ich immer die Namen noch nicht so intus.«
Stille. Der Reiseleiter starrt nach hinten.
»Herr Stefan? Resi? Die Resi vielleicht diesmal? Ach so, Rosi, meiner Seel.«
Zwei, drei, vier Minuten unerträgliche Stille. Die Szene
wird immer bizarrer. Seit fünf, seit sechs, seit sieben Minuten steht der Reiseleiter vor uns, der Bus wackelt, der Reiseleiter wackelt, der alte Reiseleiterkopf wackelt bekräftigend
auf und ab, die dürren Hände krümmen sich zu einem flehenden Bittebitte um das Mikrophon. Wieder und wieder machen diese greisen Hände bitte-bitte. Bitte-bitte, bitte-bitte, bitte-bitte. Und der Kopf nickt: Ja! Ja! Ja! Oja! Und mir fällt plötzlich auf, dass er sich nur zwei Namen problemlos
gemerkt hat: Thomas und Ingo.
Nachdem eine weitere lange Minute vergangen ist, verändert sich etwas an seiner Miene. Er fixiert jemanden, das merke ich. Er sagt nichts, schaut aber eine Person im hinteren Teil des Busses unverwandt an. Dabei geht der Kopf begütigend auf und ab, ja, oja, bitte-bitte. Es sieht so grotesk aus, dass ich nicht einmal einen Schluck Wasser nehmen kann, weil ich am Wackelgesicht des Reiseleiters hänge, dessen Blick irgendjemanden hinter mir gnadenlos durchbohrt.“

 

Thomas Glavinic (Graz, 2 april 1972)

 

De Duitse dichter Peter Huchel werd geboren in Lichterfelde bij Berlijn op 3 april 1903. Zie ook alle tags voor Peter Huchel op dit blog.

 

Winterse psalm

Daar ging ik in de lome kou van de lucht
En liep de weg af naar de rivier,
Zag ik het kuiltje in de sneeuw,
Waar ’s nachts de wind
Met een platte schouder had gelegen.
Zijn breekbare stem
In de bevroren takken hierboven,
Stootte zich aan de illusie van witte lucht:
“Alles wat begraven ligt, kijkt me aan.
Moet ik het uit het stof tillen
En aan de rechter laten zien? Ik zwijg.
Ik wil geen getuige zijn.”
Zijn gefluister stierf weg,
Door geen vlam gevoed.

Waar je valt, o ziel,
Niet weet het de nacht. Want er is niets
Dan van vele wezens de stomme angst.
De getuige stapt naar voren. Het is het licht.

Ik stond op de brug
Alleen voor de lome kou van de lucht.
Ademt nog steeds zwak,
Door de keel van het riet,
De bevroren rivier?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Peter Huchel (3 april 1903 – 30 april 1981)

 

Zie voor de schrijvers van de 2e april ook mijn blog van 2 april 2022 en ook mijn blog van 2 april 2020 en eveneens mijn blog van 2 april 2019 en ook  mijn blog van 2 april 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Éric Reinhardt

De Franse schrijver en uitgever Éric Reinhardt werd geboren op 2 april 1965 in Nancy. Reinhardt groeide op in een gezin uit de middenklasse, ongeveer 30 kilometer van Parijs, in Corbeil-Essonnes. Hij volgde voorbereidende lessen in Parijs aan het Collège-lycée Jacques-Decour voordat hij ging studeren aan de ISG Business School met als doel werk te vinden in de uitgeverswereld. Bij ISG schreef hij een eerstejaarsscriptie over de uitgeverscommissie van Gallimard en een scriptie over Éditions P.O.L. Na de voltooiing van zijn studie begon Reinhardt te werken in de uitgeverij voordat hij zich specifiek toelegde op het uitgeven van kunstboeken. Hij werkte bij uitgeverijen Le Castor astral, Albin Michel, Flohic Éditions en Éditions Hazan. Reinhardt begon met schrijven terwijl hij in de uitgeverij werkte en publiceerde in 1998 zijn eerste roman “Demi-sommeil” bij Actes-Sud. “Demi-sommeil” onderzocht de omgang met het verlies van de kindertijd en de liefde. “Le Moral des ménages”, gepubliceerd in 2002 is een kritiek op de middenklasse. “Existence” (2004), ”Cendrillon” (2007) en “Le Système Victoria” (2011) gingen in deze geest verder. Onderwerpen die aan bod kwamen waren onder meer de mondialisering, de mondiale financiën en het dictaat van sociale prestaties. “L’Amour et les forêts” (2014), Reinhardts eerste roman uitgegeven door Gallimard, vertegenwoordigde een verandering van onderwerp naar de wereld van het intieme in de geest van Gustave Flaubert en Guy de Maupassant. Deze roman, waarvan meer dan 100.000 exemplaren werden verkocht, won in 2014 zowel Le Prix Renaudot des lycéens als Le Prix Roman France Télévisions. “La Chambre des époux” (2017), een mix van waarheid en fictie, behandelde de ervaring van zijn vrouw met borstkanker en zijn angst haar te verliezen. “Comédies françaises” (2020) is een roman gebaseerd op echte gebeurtenissen over de ontwikkeling van het internet en de impact van lobbyist Ambroise Roux die Valery Giscard d’Estaing ervan overtuigde de Franse inspanningen stop te zetten op basis van de ideeën van Louis Pouzin. “Comédies françaises » werd genomineerd voor de Prix littéraire du Monde, de Prix Interallié, de Prix Medicis en won de Prix Les Inrockuptibles ex aequo met Constance Debré’s « Love me tender ». In 2023 verschijnt de roman “Sarah, Susanne et l’écrivain” het verhaal over de ineenstorting van een vrouw die wordt geconfronteerd met de onverschilligheid en het egoïsme van haar echtgenoot.

Uit: Sarah, Susanne et l’écrivain

“Sarah lui demanda comment il imaginait Susanne Stadler, puisque c’était le nom qu’il lui avait choisi. Qui est cette femme, finalement ? lui demanda-t-elle.
II lui répondit qu’elle avait le même âge qu’elle, quarante-quatre ans au moment des faits, il n’avait pas modifié la date de naissance. Elle était brune et grande elle aussi, mariée et mère de deux enfants, Luigi et Paloma, de dix-sept et vingt et un ans Les vrais prénoms, comme elle le lui avait de-mandé, n’avaient pas été conservés. Il avait également changé la ville. Susanne Stadler habitait Dijon.
Elle lui demanda pourquoi Dijon. Plutôt que Lens, Toulouse, Nancy, Clermont-Ferrand, que sais-je encore…
Il lui répondit qu’initialement, il avait voulu situer cette histoire dans le ventre du territoire français (si l’on peut dire), pour activer une sorte de mé-tonymie. L’idée de l’isolement par ce point géométrique où l’on est le plus éloigné des pourtours, c’est ce que lui évoquait la situation de son héroïne et il avait cherché la ville qui par sa position géographique accentuerait cette impression. II avait tapé France sur Google, il avait ouvert la carte, il avait posé son curseur sur la zone où il lui semblait que devait se dérouler cette histoire, il avait cliqué dessus et le nom d’une ville était apparu 63610 Besse-et-Saint-Anastaise. Il s’y était rendu. II avait visité les envi-rons. Il était parti en quête d’autres villes. Il voulait multiplier les hypo-thèses. On ne choisit pas une ville à la légère. Il était allé en repérages à Bourges, il était allé en repérages à Nevers, il était allé en repérages à Vichy, il était allé en repérages à Clermont-Ferrand. Il avait arpenté leurs rues, repéré des quartiers où Susanne Stadler pourrait habiter. Dans ces dif-férentes villes, il avait localisé des immeubles répondant aux besoins de la situation telle que Sarah la lui avait décrite. Il avait noté leurs adresses, pris des photographies des façades, spéculé sur la disposition des pièces. L’ap-partement où logerait la famille de Susanne Stadler devait compter de grandes et de nombreuses fenêtres, afin que l’on puisse suivre de l’une à l’autre depuis la rue l’évolution des habitants dans leur logement, avec suf-fisamment de recul et sans trop s’exposer aux regards, comme Sarah en avait elle-même fait l’expérience. Il avait hésité entre plusieurs villes. Cela avait duré longtemps. Plusieurs mois. II était du genre indécis. Il l’avait tou-jours été. Pas elle?”

 

Éric Reinhardt (Nancy, 2 april 1965)

April (William Stanley Braithwaite), Sandro Veronesi, Jay Parini

 

Bij het begin van de maand april

 

April Skies door William Wendt, 1910

 

April

At morn when light mine eyes unsealed
I gazed upon the open field;
The rain had fallen in the night —
The landscape in the new day’s light
A countenance of grace revealed
Upon the meadow, wood and height.

The sun’s light was a smile of gold,
Ere shut by sudden fold on fold
Of surging, showering clouds from view;
No sooner hid than it broke through
A tearful smile upon the wold
Where earth reflected heaven’s blue.

Each separate divided part
Of day, was as the threefold art
Of God, who dreamed three dreams and made
The morning, noon, and night parade
In ever changing guise athwart
The day’s hours, in His dreams arrayed.

The sky was as a canvas spun
To paint the new spring’s nocturns on;
A blended melody of tints —
The sea’s hue, and the myriad hints
Of garden-closes, when the sun
Hath stamped the work of nature’s mints.

 

William Stanley Braithwaite (6 december 1878 – 8 juni 1962)
De Old South Church in Boston, de geboorteplaats van William Stanley Braithwaite

 

De Italiaanse schrijver Sandro Veronesi werd geboren in Florence op 1 april 1959. Zie ook alle tags voor Sandro Veronesi op dit blog.

Uit: De kolibrie (Vertaald door Welmoet Hillen)

“De wijk Trieste in Rome is, kun je gerust zeggen, een middelpunt in dit verhaal met vele andere middelpunten. Deze wijk heeft altijd geschommeld tussen elegantie en decadentie, luxe en middelmatigheid, privilege en alledaagsheid, en dat moet voorlopig volstaan: het heeft geen zin haar nog verder te beschrijven, aangezien zo’n beschrijving aan het begin van het verhaal saai kan worden en zelfs averechts kan werken. Overigens kun je plekken het best omschrijven door te vertellen wat er gebeurt, en hier staat iets belangrijks te gebeuren.
Laat ik het zo zeggen: een van de dingen die gebeuren in dit verhaal met vele andere verhalen gebeurt in de wijk Trieste, in Rome, op een ochtend halverwege oktober 1999, om precies te zijn op de hoek van de via Chiana en de via Reno, op de eerste verdieping van een van die gebouwen die we hier dus juist niet gaan beschrijven, waar al duizenden andere dingen zijn gebeurd. Maar wat hier staat te gebeuren is, kun je gerust zeggen, doorslaggevend en mogelijk catastrofaal voor het leven van de hoofdpersoon van dit verhaal. drs. marco carrera, oogheelkundig specialist en oftalmoloog staat op het naambordje op de deur van zijn spreekkamer – de deur die hem nog even scheidt van het meest kritieke moment van zijn leven met vele andere kritieke momenten. In die spreekkamer, dus op de eerste verdieping van een van die gebouwen enzovoorts, schrijft hij een oude dame met blefaritis een recept voor – antibiotische oogdruppels, na een nieuwe of liever, kun je gerust zeggen, revolutionaire behandeling met N-acetylcysteïne die in het oog wordt gedruppeld, wat bij andere van zijn patiënten het ergste probleem van deze aandoening al oploste, namelijk de neiging chronisch te worden. Buiten staat het lot echter te wachten om hem in het verderf te storten in de gedaante van een klein mannetje genaamd Daniele Carradori, kaal en met baard, maar wel begiftigd met een – kun je gerust zeggen – magnetische blik, die zich spoedig zal richten op de ogen van de oogarts en daar eerst ongeloof, vervolgens verwarring en uiteindelijk pijn in zal druppelen die niet kan worden genezen door zijn (oogheelkundige) kennis. Het mannetje heeft deze beslissing nu eenmaal genomen en dat heeft hem tot in de wachtkamer gebracht, waar hij nu naar zijn schoenen zit te staren zonder gebruik te maken van het ruime aanbod gloednieuwe tijdschriften – niet maanden oud en beduimeld – die her en der op de tafeltjes liggen. Hopen dat hij van gedachte gaat veranderen is zinloos.”

 

Sandro Veronesi (Florence, 1 april 1959)

 

De Amerikaanse schrijver, dichter en essayist Jay Parini werd geboren in Pittston op 2 april 1948. Zie ook alle tags voor Jay Parini op dit blog.

 

Gedicht met toespelingen

De gedachten die op kleine kattenpootjes komen
zijn natuurlijk niet van mij.
Ik ben ten prooi aan alles wat ze hebben gezegd,
en geloof half in de hemel en zijn hymnen.
Ik heb mijn weg gevonden door Chapman’s Homerus
en keek hoe mijn handen, als rafelige klauwen,
’s nachts over je heen kropen.
Je leek het niet erg te vinden.
Je hebt veel gelezen en veel gehoord.
Dat hebben we allemaal, schat.
We weten niet wie wat tegen wie heeft gezegd
of waarom of wanneer. De gezichten in de metro
zien er hetzelfde uit, allemaal gingen ze
door geboorte en copulatie, zelfs door de dood zelf.
Ik had niet gedacht dat de dood zovelen ongedaan zou maken.
Op landelijke kerkhoven op de bemoste stenen,
maken hun grafschriften misschien geen indruk op de critici,
maar het kan ze niet veel schelen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jay Parini (Pittston, 2 april 1948)

 

Zie voor de schrijvers van de 1e april ook mijn blog van 1 april 2020 en eveneens mijn twee blogs van 1 april 2019 en ook mijn blog van 1 april 2018 deel 2.

Stefan Hertmans, Nichita Stănescu

De Vlaamse dichter, schrijver en essayist Stefan Hertmans werd geboren in Gent op 31 maart 1951. Zie ook alle tags voor Stefan Hertmans op dit blog.

 

Bezoekingen

I
Van al deze gewichtloze vormen,
schaduwen op de wand van een beproefde grot,
zijn alleen de donkerste werkelijk licht,
ongrijpbare echo van een luidruchtige stilte.
Donkerder vlek in verduistering, zwart gat
waarin deze eetbare, krokante wereld
in verkruimelde ogenblikken opgeslokt wordt,

en zo weer in een volgende beweging zweeft:
er is een hand doende ergens boven de karavanen,
de sneeuwhozen vol geluidloze verbijstering
als aan gesloten ramen de nachtkoelte drukt,

er is een zwevende hand boven gestalten merkbaar,
een vijfvleugelige straatmus met ontelbare letters
en een borst vol glas.

 

II
Toen ik voor hem zat en handen wrong,
toen ik met het gemak waarmee men vuur maakt
in de deuropening stond en zijn drukkende
schouder voelde,
toen deze vereeuwiging in zout gefixeerd,
in fijne korrel getranscendeerd zo weer verdween
en rook in de kamer achterliet, een vage blauwe zuil
terwijl iemand op straat de wereld schiep
en het plein in wraakzuchtige steen begon te stralen,

toen wist hij, en iemand met hem,
dat zijn naam onmogelijk geworden was, –
nutteloos ook, terwijl de vlammen hoger gingen
en het hele huis, nu al tot in zijn blikveld stijgend,
opging in de gedachte dat ik voor hem zat
en zweeg.

 

III
Iemand belde drie keer aan
en de grote papyrus dauwde.
Omdat het ochtend was en lakens in de wind
herinnering aan andere lichamen wakker riepen,
wantrouwde ik het licht en deed
de vleugeldeuren op een kier.

Hij in de hoge spiegel
dronk mij uit porselein en jade toe.
Ik liep verloren in de trapzaal;
het licht drukte achter diafane opalen,
en de putti kirden in hun geniepige nissen.

In de nok, boven de treden, hing nog het
kabelwerk, het verse spek, de grote geblokte doeken
waarin het kind gewikkeld werd.

En omdat ik in de hoogte keek,
hoofd achterover en de hals gestrekt,
liep ik hem blindelings en bijna teder overhoop.
Hij drong tegen mijn borst en siste;
kromp toen, tot hij een vlek werd
op een hard geslacht,
en weer verdween.

 

Stefan Hertmans (Gent, 31 maart 1951)

 

De Roemeense dichter en essayist Nichita Stănescu werd geboren op 31 maart 1933 in Ploieşti. Zie ook alle tags voor Nichita Stănescu op dit blog.

 

Een ander soort wiskunde

We weten dat een maal een één is,
maar een eenhoorn maal een peer
geen idee hoeveel dat is.
We weten dat vijf min vier één is
maar een wolk min een zeilboot
geen idee hoeveel dat is
We weten dat acht
gedeeld door acht één is,
maar een berg gedeeld door een geit
geen idee hoeveel dat is
We weten dat een plus een twee is,
maar ik en jij, oh,
we hebben geen idee hoeveel dat is.

Oh, maar een dekbed
maal een konijn
is natuurlijk één roodharige,
een kool gedeeld door een vlag
is een varken,
een paard min een tram
is een engel,
een bloemkool plus een ei
is een astragalus.

Alleen jij en ik
vermenigvuldigd en gedeeld
opgeteld en afgetrokken
blijven hetzelfde…

Verdwijn uit mijn gedachten!
Kom terug in mijn hart!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nichita Stănescu (31 maart 1933 – 13 december 1983)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e maart ook mijn blog van 31 maart 2020 en eveneens mijn drie blogs van 31 maart 2019. 

Gerrit Komrij, Paul Verlaine

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus, polemist en toneelschrijver Gerrit Komrij werd geboren op 30 maart 1944 in Winterswijk. Zie ook alle tags voor Gerrit Komrij op dit blog.

 

Lyrisch

Wat zijn de sterren vanavond weer mooi,
Veel mooier dan de lantarenpalen, vind
Je ook zelf niet? – wat geurt het hooi,
Vooral bij deze zachte zuidenwind.

Het zuiden! Vaak sta je aan ’t strand,
De hand voor het hoofd (als Dorus Rijkers,
Die ’t nut bewees van zulk een hand
Lang voor de opmars van de kijkers)

En droomt: alles is daar zo heel prachtig…
Je wou dat je vliegen kon als de mussen.
O lyrisch, niet. Maar ook leugenachtig.
Die mesjogge zon. O, die stomme cactussen.

 

De wandelende reus

De reus met zijn machtige hoofd, dat
Ondanks steunberen als neus en oren
Nogal onaangenaam los op zijn romp zat,
Liep niet, zoals altijd, achterstevoren,

Maar had zich plotseling omgekeerd
En liep als een mens. Je zag hoeveel
Moeite het hem kostte om volleerd
Te wandelen: hij keek er haast scheel

Van. En het lukte hem niet, want zijn kop,
Zijn arme kop, was wel vijftien voet
Breed, maar zijn lijf leek op een slappe pop.
Zo’n reus komt nooit waar hij wezen moet.

 

De rijke weduwe

Er was tot aan de allerverste horizon
Geen huis als ’t hare, alles was te mooi.
De geur van kamperfoelie in het salon
Werd door een elektrieke engel rondgestrooid.

De moren die de schalks verhulde lichten
Droegen leken mijlen van elkaar te staan.
Er hingen niet te betalen vergezichten.
Het badwater kwam uit een gouden kraan,

Waarna ’t weer druppelde in een zilveren bad
Dat op een ware stoot tapijten stond.
Daarin zat zij: ze kletste op haar gat
En huilde als een oude en loopse hond.

 

Gerrit Komrij (30 maart 1944 – 5 juli 2012)

 

De Franse dichter Paul Marie Verlaine werd geboren in Metz op 30 maart 1844. Zie ook alle tags voor Paul Verlaine op dit blog.

 

Behoedzaamheid

Bij deze oude boom komen wij samen even,
de stilte ademloos beluisterend, tot zwijgen.
De nachtwind zucht en sterft tussen de grijze twijgen
die ’t blanke maanlicht dat hen liefkoost ijl doorweven.

Beweeg niet, denk niet, droom. Vergeet wat wij ervoeren;
kijk naar omlaag, zie af van elke oude waan.
Laat liefde en geluk en hoop hun gang maar gaan:
nachtvogel-vleugels die ons nauwelijks beroeren.

Laat ons, aan liefde en geloof en hoop ontkomen,
sereen, bescheiden, nu de zon ons is ontnomen,
ónze zonsondergang voltooien, ons gedicht.

Laat ons de stilte die ons herbergt niet verbreken.
De zwijgzame godin Natuur slaapt uiterst licht.
Als zij ontwaakt zou zij zich gruwzaam kunnen wreken.

 

Vertaald door W. Jonker

 

Paul Verlaine (30 maart 1844 – 8 januari 1896) 
Verlaine rond 1866 (ingekleurde foto)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30 maart ook mijn blog van 30 maart 2022 en ook mijn blog van 30 maart 2020 en eveneens mijn blog van 30 maart 2019 en ook mijn blog van 30 maart 2018 en mijn blog van 30 maart 2017 en eveneens mijn blog van 30 maart 2014 deel 2 en ook deel 3.

Geert van Istendael, R. S. Thomas

De Vlaamse schrijver, dichter en essayist Geert van Istendael werd geboren in Ukkel op 29 maart 1947. Zie ook alle tags voor Geert van Istendael op dit blog.

 

Zevenmaal James Ensor

Salons bourgeois

Twee mensen rustig bezig, thuis, aan tafel.
De krullen van een burgerlijk salon.
Hij kent dat. Maar zijn licht pleegt al verraad,
schijnt vlekkerig, rusteloos. De vorm verwordt.

Mos op de mat, bloed aan de stoel. Hij rafelt
zelfgenoegzaamheden uit. Paniek alom.
Zijn licht is vol gevaar. Het ding verlaat
zijn randen net voor het salon instort.

 

Natures mortes

En groene kool is een gebeurtenis,
een rog een lijk, een perzik open wonde.
Hij maakt de gaven Gods te schande. Dit
leeft niet in stilte. Het schreeuwt een rauw gebod:

verafgood kleur. De felheid van de kleuren is
Gods glanzend aanschijn. Duisternis is zonde.
Tomaat, rabarber, bokking, het aanbidt
goud, purper, rood: een goddelijk genot.

 

Une boutique au 27, Rue de Flandre

Hij was al dood toen hij dit huis betrok.
De winkel werd gesloten. Maskers, conchae
verkleurden en vergingen in het stof.
Hij, zwarte kever, raakte hier ingesponnen
in schemering en pluche. Hij bleef verstokt
zichzelf herhalen. Van de muren lonken
nu foto’s van zijn werk, herhaalde straf.
Dit huis heeft hem stilzwijgend overwonnen.

 

Bal du rat mort

Het varken is geslacht, de darmen dampen,
de ratten sterven nooit, dit is hun feest.
Muziek en maskers, nachtverlichting, dansen,
de vettigheid beveelt, bier triomfeert.

Bezwete ratten springen onder lampen,
haast menselijk is de tooi van ieder beest.
Maar in de maskers blijven snuiten schransen.
In maskers is de rat tot mens verweesd.

 

Geert van Istendael (Ukkel, 29 maart 1947)

 

De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas werd geboren op 29 maart 1913 in Cardiff. Zie ook alle tags voor R. S. Thomas op dit blog.

 

De Afwezigheid

Het is deze grote afwezigheid
die is als een aanwezigheid, die me dwingt
om hem zonder hoop op een antwoord
aan te roepen. Het is een kamer die ik binnenkom

waaruit iemand net is weg-
gegaan, de vestibule voor de aankomst
van iemand die nog niet is gekomen.
Ik moderniseer het anachronisme

van mijn taal, maar hij is niet meer hier
dan voorheen. Genen en moleculen
hebben niet meer kracht om hem op
te roepen dan de wierook van de Hebreeën

bij hun altaren. Mijn vergelijkingen falen
zoals mijn woorden doen. Welke middelen heb ik
behalve de leegte zonder hem van mijn gehele
wezen, een vacuüm dat hij misschien niet verafschuwt?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

R. S. Thomas (29 maart 1913 – 25 september 2000)
Portret door Jack Jones, 1979

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e maart ook mijn blog van 29 maart 2020 en eveneens mijn blog van 29 maart 2019 en ook mijn blog van 29 maart 2015 deel 2.

Joost de Vries, Ada Limón

De Nederlandse schrijver Joost de Vries werd geboren op 28 maart 1983 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Joost de Vries op dit blog.

Uit: Rustig aan, tijger

“Goed dan, daar gaan we. Daar ben je.
Die foto die het algoritme oprispt stond in Elle.
Jaren heeft die spread op kantoor aan de muur gehangen: John en ik keken er dagelijks op uit, Molly had ’m ooit trots opgehangen (over Molly kan ik het niet hebben, sta me dat toe). Jij op de ene bladzijde, de Muis op de andere. Het ging me toen niet om jou, maar juist om die lieve Muis. Ze was kirrend van verontwaardiging van de shoot gekomen, helemaal blij dat ze iets had om boos over te zijn. Ze moest een doorzichtige blouse! Mocht geen beha aan! Niet dat je daar iets van zag op de foto, keurig decent, niets vulgairs. Haar haar leek achterovergekamd met stroop, weg krullen. Haar lippen waren ineens vol en donker als rijpe druiven. Duimpje op haar onderlip, mond een beetje open. De Muis, die zich altijd verstopte in overdreven grote truien en achter uilenbrillen, ineens helemaal glamour, helemaal sexual creature. Eens per jaar, voor het Commercial Makers Gala, kwam haar groene Filippa K-jurkje uit de kast en schoten er subtiel blikken heen en weer tussen Elias en mij: kijk eens aan, dat silhouet van de Muis. Niet dat we er raad mee wisten, niet dat ze op ons zat te wachten. Misschien keken we ook niet zo subtiel. Misschien hadden jullie alles door. John keek nooit, de directeur ook niet – mannen die aan zichzelf genoeg hadden, denk ik nu. En jij dus op de andere bladzijde van Elle, met dezelfde dieppaarse achtergrond. En profil. Je droeg een zwartpaars gewaad, vast onbetaalbaar, had je ene hand onder je kin, zoals denkende schrijvers heel serieus voor hun achterflap worden gefotografeerd. Blote arm met een dikke tegencultuurarmband om je pols. Je haar was omhooggeduwd, een pluk viel omlaag langs je oor, een chassidische pijpenkrul maar dan blond. Slaapkamerogen, donkerroze oogschaduw. Ook jij je mond open, met royaal aangebrachte lipgloss. (Sex sells – wie dat zei op de zaak, was af. Met strafpunten, zonder recht op herkansing. Mensen die dat zeggen denken dat hun succes van niets meer afhangt dan de glans van hun schoenen, die denken dat apen ons werk kunnen doen.) Je oorlel viel me op – een lange oorlel, zoals Vietnam en Cambodja aan de schelp van Azië vastzitten. Iemand vertelde me eens dat dat een teken van muzikaliteit was, André Hazes had zulke oorlellen. Klinkt niet heel sexy als ik het zo zeg, maar voor mij was je ook niet sexy toen – jij was de geliefde van de directeur, was afwisselend hartsvriendin en aartsvijand van Mickey, kaapte een hele serie opdrachten weg voor de neus van de Muis. Ik was solidair, het kwam niet in me op.”

 

Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983

 

De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.

 

Hoe het er voor ons uitziet en de woorden die we gebruiken

Al deze grote schuren hier in de buitenwijken,
zwarte creosootplaten kniediep in het veldbeemdgras.
Ze zien er zo mooi verlaten uit, zelfs in gebruik.
Je zegt dat ze eruitzien als arken nadat de zee
is opgedroogd, ik zeg dat ze op piratenschepen lijken,
en ik denk aan die wandeling in de vallei waarop
J zei: Geloof je niet in God? En ik zei,
Nee. Ik geloof in die connectie die we allemaal hebben
met de natuur, met elkaar, met het universum.
En ze zei: Ja, God. En hoe we daar stonden,
nederige dieren tussen de witte eiken, Spaans mos,
en spinnenwebben, scherven van obsidiaan in onze zakken,
een vlaag specht, en ik weigerde het zo te noemen.
Dus in plaats daarvan keken we omhoog naar de weerbarstige lucht,
zijn wolken in eenvoudige dierenvormen die we konden benoemen,
hoewel we wisten dat het eigenlijk alleen maar wolken waren…
wanordelijk, en wonderbaarlijk, en van ons.

 

Vertaald door Frans Romen

 

Ada Limón (Sonoma, 28 maart 1976

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e maart ook mijn blog van 28 maart 2020 en eveneens mijn blog van 28 maart 2019 en ook mijn blog van 28 maart 2017 en ook mijn blog van 28 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Golo Mann, Erica Jong

De Duitse schrijver en historicus Golo Mann werd geboren in München op 27 maart 1909. Zie ook alle tags voor Golo Mann op dit blog.

Uit: Wallenstein

„Sie lautet: »Im Jahre des Herrn 1595, am Freitag, dem Tage des Heiligen Matthäus, starb der wohlgeborene Herr, Herr Vilim der Ältere von Valdstejn auf Hermanitz, und hier ruht sein Körper bis
zur fröhlichen Auferstehung.« Auf der anderen Seite die Frau, mit Haube und großer Halskrause, wirkt ein wenig bucklig. Sie trägt ein Gebetbuch in ihren Händen. Wessen das Wappen zu ihren Füßen war, lehrt die Inschrift: »Im Jahre des Herrn 1593, dem Tage der Heiligen Maria Magdalena, starb die wohlgeborene Frau, Frau Markyta von Smirice, Gattin des wohlgeborenen Herrn, Herrn Vilim des Älteren von Valdstejn und auf Hermanitz, und hier ruht ihr Körper bis zur fröhlichen Auferstehung.«
Die Grabdenkmäler ließ der einzig überlebende Sohn, Albrecht Wenzel Eusebius, seinen Eltern errichten, als er neunzehnjährig von einer Reise zurückkam; in der vorzügereichen Situation früher
Selbständigkeit und eines bequemen Erbes, aber sonst nicht recht wissend, was nun mit sich anzufangen. Das war 1602. Er war so lange von der Heimat fortgewesen, daß sie ihm kaum noch Heimat war, und er fand nur Tote dort: die Eltern, die Geschwister Hedvika, Jan Jiri, Adam und Magdalena, deren verwitterte Leichensteine man heute an der Außenmauer der Kirche sieht. Zwei Schwestern, Maria Buhumila und Katharina Anna, lebten unter der Obhut einer Tante, der edlen Jungfrau Jitka von Valdstejn.
Er kam aus Italien und war vorher in Frankreich gewesen. Einige sagen, auch in Spanien, oder in England, aber das ist nicht wahr. Die Bildungsreise, wie sie zur Erziehung böhmischer Edelleute gehörte, konnte wohl auch England einschließen oder Spanien oder beide Königreiche; sie tat es in Fällen, von denen wir wissen, aber nicht in diesem. Übrigens wissen wir von Albrecht Wallensteins Grand Tour überhaupt nicht viel. Er schrieb keine Briefe, jedenfalls sind keine da; und an wen hätte er schreiben sollen? Von seinen späteren Gesprächen sind viele überliefert; aber die handeln nur von Krieg und Staatsgeschäften, nie, fast nie, von der eigenen Menschlichkeit. Genoß er erste Lieb’ und Freundschaft, so liegen sie im Dunkeln; vielleicht genoß er keine. Man legte wenig Gewicht auf das, was wir Gefühle nennen, um die Wende des 16. Zum 17. Jahrhundert. Die, welche man gleichwohl erlebte und für welche es die uns geläufigen Namen nicht gab, verschloß man in sich, vertraute sie allenfalls dem Beichtvater, dem geistlichen Berater an, der seinerseits in Schweigsamkeit geübt sein mußte. Wurden Tagebücher geführt, das kam vor, so hielten sie Begebenheiten und äußere Beobachtungen fest, nicht Reflexionen, viel weniger Selbstreflexionen. Ausnahmen gibt es, die gibt es immer, und wir werden im Lauf unserer Erzählungen noch ein paar von ihnen kennenlernen. Aber Wallenstein gehört zu ihnen nicht. Stellt er eine Ausnahme dar, so eher in der anderen Richtung; das heißt, er trieb später die Verschwiegenheit über das, was in seiner Seele vorging und was ihn zu dem gemacht hatte, was er war, noch weiter als der Durchschnitt seiner Standesgenossen.“

 

Golo Mann (27 maart 1909 – 7 april 1994)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Erica Jong werd geboren in New York op 26 maart 1942. Zie ook alle tags voor Erica Jong op dit blog.

 

Het einde van de wereld

Hier, aan het einde van de wereld,
Bloeden de bloemen,
alsof het harten zijn,
de harten ademen een duisternis
zoals Oost-Indische inkt,
& dichters dopen hun pennen erin
& zij schrijven.

“Hier, aan het einde van de wereld,”
Schrijven zij,
niet weten wat het betekent.
“Hier, waar de lucht zwarte melk drinkt,
waar de schoorsteen de lucht voedt,
waar de bomen trillen van angst
en mensen op hen gaan lijken. . . . “

Hier, aan het einde van de wereld,
bloeden de dichters.
Schrijven & bloeden,
denkt men, zijn hetzelfde;
zingen & bloeden
denkt men, zijn hetzelfde.

Schrijf ons een brief!
Stuur ons een pakketje eten!
Troost ons met spreekwoorden of gekonfijt fruit,
met praten over één God.
Leid ons af met theorieën over kunst,
Die niemand kan bewijzen.

Hier aan het einde van de wereld
zijn onze hoofden leeg,
& de wind waait er doorheen
zoals geesten
door een spookhuis.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Erica Jong (New York, 26 maart 1942

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e maart ook mijn blog van 27 maart 2020 en eveneens mijn blog van 27 maart 2019 en ook mijn blog van 27 maart 2017 en ook mijn blog van 27 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Erica Jong

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Erica Jong werd geboren in New York op 26 maart 1942. Zie ook alle tags voor Erica Jong op dit blog.

 

Beast, Book, Body

I was sick of being a woman,
sick of the pain,
the irrelevant detail of sex,
my own concavity
uselessly hungering
and emptier whenever it was filled,
and filled finally
by its own emptiness,
seeking the garden of solitude
instead of men.

The white bed
in the green garden–
I looked forward
to sleeping alone
the way some long
for a lover.

Even when you arrived,
I tried to beat you
away with my sadness,
my cynical seductions,
and my trick of
turning a slave
into a master.

And all because
you made
my fingertips ache
and my eyes cross
in passion
that did not know its own name.

Bear, beast, lover
of the book of my body,
you turned my pages
and discovered
what was there
to be written
on the other side.

And now
I am blank
for you,
a tabula rasa
ready to be printed
with letters
in an undiscovered language
by the great press
of our love.

 

Smoke

Smoke, it is all smoke
in the throat of eternity. . . .
For centuries, the air was full of witches
Whistling up chimneys
on their spiky brooms
cackling or singing more sweetly than Circe,
as they flew over rooftops
blessing & cursing their
kind.

We banished & burned them
making them smoke in the throat of god;
we declared ourselves
“enlightened.”
“The dark age of horrors is past,”
said my mother to me in 1952,
seven years after our people went up in smoke,
leaving a few teeth, a pile of bones.

The smoke curls and beckons.
It is blue & lavender
& green as the undersea world.
It will take us, too.

O let us not go sheepishly
clinging to our nakedness.
But let us go like witches sucked heavenward
by the Goddess’ powerful breath
& whistling, whistling, whistling
on our beautiful brooms.

 

Met de trein vanuit Berlijn

Een gevoelig liggende grens. Een niet bestaand land.
De trein lost gedienstig op in rook.
de GI naast me praat over oorlog.
Ik ken de Aziatische geest niet, zegt hij.

Neemt oude argumenten door.

In Potsdam (een bolvormige koepel,
een roze gracht die sepiabomen weerspiegelt)
stoppen we naast een kapotte oude trein
met REICHSBAHN letters op de flank.

Dertig jaar glijden weg en laten een kale klif achter.

Dit is een land dat ik niet herken.
Bot-bleke meisjes die niets met thuis te maken hebben.
Iedereen is langer dan ik, iedereen naakt.
“Het leven is daar goedkoop”, zegt hij.

Maar waarom schreeuwen we boven een spoor
dat tussen een corridor met prikkeldraad loopt?
En waarom is het buiten zo donker geworden,
zo licht hier binnen

dat zelfs de afgesneden maan onzichtbaar is?

In het raam kunnen we alleen onszelf zien,
Amerika dragen we met ons mee,
twee bange mensen die over de dood praten
in een trein die niet kan stoppen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Erica Jong (New York, 26 maart 1942)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e maart ook mijn blog 26 maart 2022 en ook mijn blog van 26 maart 2021 en ook mijn blog van 26 maart 2020 en eveneens mijn blog van 26 maart 2019 en ook mijn blog van 26 maart 2017 deel 2.

Verkündigung (Rainer Maria Rilke), Paul Meeuws, Joy Ladin

 

Bij Maria Boodschap – Aankondiging van de Heer

 

De Aankondiging door Guido Reni, 1620

 

Verkündigung

Die Worte des Engels

Du bist nicht näher an Gott als wir;
wir sind ihm alle weit.
Aber wunderbar sind dir
die Hände benedeit.
So reifen sie bei keiner Frau,
so schimmernd aus dem Saum:
ich bin der Tag, ich bin der Tau,
du aber bist der Baum.

Ich bin jetzt matt, mein Weg war weit,
vergieb mir, ich vergaß,
was Er, der groß in Goldgeschmeid
wie in der Sonne saß,
dir künden ließ, du Sinnende,
(verwirrt hat mich der Raum).
Sieh: ich bin das Beginnende,
du aber bist der Baum.

Ich spannte meine Schwingen aus
und wurde seltsam weit;
jetzt überfließt dein kleines Haus
von meinem großen Kleid.
Und dennoch bist du so allein
wie nie und schaust mich kaum;
das macht: ich bin ein Hauch im Hain,
du aber bist der Baum.

Die Engel alle bangen so,
lassen einander los:
noch nie war das Verlangen so, so
ungewiss und groß.
Vielleicht, dass Etwas bald geschieht,
das du im Traum begreifst.
Gegrüßt sei, meine Seele sieht:
du bist bereit und reifst.
Du bist ein großes, hohes Tor,
und aufgehn wirst du bald.
Du, meines Liedes liebstes Ohr,
jetzt fühle ich: mein Wort verlor
sich in dir wie im Wald.

So kam ich und vollendete
dir tausendeinen Traum.
Gott sah mich an; er blendete…

Du aber bist der Baum.

 

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Paastijd in Praag, de geboortestad van Rainer Maria Rilke

 

De Nederlandse dichter en schrijver Paul Meeuws werd geboren op 25 maart 1947 in Roermond. Zie ook alle tags voor Paul Meeuws op dit blog.

Uit: Heino’s handschrift

“Er was in zijn jonge jaren een Duitse zanger die Heino heette. Een geheimzinnige, tengere gestalte met blonde pruik en zwarte zonnebril maar met een bariton, waarmee hij een veilinghal vol huisvrouwen aan zijn voeten kreeg. Hij zong Schlagers.
Hij was toen op een leeftijd waarop, net als bij de jongeren van nu, je muzikale smaak beslissend was voor het soort gezelschap waar je mee omging. Liefhebbers van Schlagers behoorden tot een ander slag. In zíjn kringen circuleerden geruchten als zou Heino een door platenbonzen in elkaar geflanste, arisch aandoende pop zijn, een wandelend afspeelapparaat, dat de stem liet horen van een glansrijk aan de Kölner Musikhochschule afgestudeerde Namibiër.
De kleine Heino zat linksachter in de klas. Zijn naam leek hem het restant van overjarige dweepzucht, wat hem zijn eigen jeugdjaren weer in herinnering bracht, het hooghartige dwepen met moeilijke muziek en moeilijke boeken.
In niets leek de jongen op zijn wat onwezenlijke naamgenoot, althans niet op het eerste gezicht. Deze Heino was zo levend als het maar zijn kon en erg ongezeglijk. Vaak viel, met onderdrukte weerzin en steeds smekender, zijn naam. Er bestaat, zo leerde hij op deze school, een soort ongehoorzaamheid die niet, zoals de pedagoog het wil, de ongehoorzame maar de gehoorzamen te kijk zet.
Bij Heino brak nood telkens wet. Hij sprak niet, maar riep, ja, zóng bijna. Zijn nog heldere sopraan klonk hoog boven het schorre gekwaak van zijn fysiek wat meer gevorderde klasgenoten uit. De sussende gebaren van zijn leraar kregen iets verontschuldigends, alsof de omvang van zijn volume aan de oren lag en niet aan de stem.
Heino was de Benjamin van de klas. Niemand kon boos op hem worden, niet omdat er geen reden voor was, het was onbegonnen werk. Opgeruimd nam de moeilijk op zijn plaats blijvende jongen elk roer dat hij tegenkwam over, zelfs dat van zijn leraar, toen op een keer de zoveelste poging tot een gepland themagesprek uit de hand liep.
‘De juffrouw gaf altijd een werkstuk,’ zei Heino op bemoedigende toon. ‘Dan was het lekker rustig.’
Een werkstuk, leerde hij van de slimme Heino, was een soort opstel met plaatjes. De jongen rende naar de kast en wees hem onder de plank met ongebruikte exemplaren van de methode ‘DE LEVENDE LAMP’ een doos met in stukken geknipte kranten en weekbladen. Daar greep zijn voorgangster dus naar als het lesgeven niet wilde lukken.”

 

Paul Meeuws (Roermond, 25 maart 1947)
Portret door door Peter Thijs, 2022

 

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.

 

De tijd verstrijkt

Ook de tijd is bang om te verstrijken, is doorzeefd met gaten,
waar de tijd zich doorheen voelt lekken.
De tijd zweet midden in de nacht,
wanneer alle andere dimensies slapen.
De tijd heeft elk beeld van zichzelf als kind verloren.
Nu is de tijd oud, leerachtig en traag.
Kan niemand meer besluipen,
Kan zich niet verstoppen in het gras, kan niet rennen, kan niet vangen.
Kan niet bedenken hoe niet te vertrappen
wat hij wil zegenen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Joy Ladin (Rochester, 24 maart 1961

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e maart ook mijn blog van 25 maart 2021 en ook mijn blog van 25 maart 2020 en eveneens mijn blog van 25 maart 2019 en ook mijn blog van 25 maart 2018 deel 2.