Golo Mann, Alfred de Vigny

De Duitse schrijver en historicus Golo Mann werd geboren in München op 27 maart 1909. Zie ook alle tags voor Golo Mann op dit blog.

Uit: Wallenstein

„Er kam also aus Italien, und zwar aus Padua. Dort, so sagen ungefähr zeitgenössische Berichte, soll er Politik, ferner Mathematik, Astronomie und Astrologie studiert haben, welch letztere in seinem späteren Leben eine Rolle spielte. Wir glauben, daß er in Padua war, weil alle frühen Quellen darin übereinstimmen. Aber Weiteres ist schon unsicher. In den Matrikeln der Universität hat sich sein Name, dort wo er stehen müßte, unter der Natio Germanica, nicht gefunden. Da steht ein Zdenko von Waldstein im Jahre i600, ein Georg und ein Christian von Waldstein im Jahre 161o, aber kein Albrecht. Studierte er also wirklich in Padua, so wäre er ein irregulärer Hörer gewesen, der Art, wie die Professoren sie nicht gern haben; die unseren Albrecht auch vorher und anderswo nicht gern gehabt hatten. Ferner heißt es, er habe bei dem Astro-nomen Argoli studiert. Nur leider kam Argoli erst im Jahre 1632 nach Padua, so daß an dieser Überlieferung kein wahres Wort sein kann; der Astronom, der im Jahre i6oz in Padua lehrte, hieß Galilei.
Begleitet wurde Wallenstein auf seiner Bildungsreise von dem deutschen Mathematicus Paul Virdung. Das wird allgemein angenommen, auch von solchen Geschichtsschreibern, auf die wir sonst setzen, profunden Kennern dieser einen Sache. Worauf gründet die Annahme? Sie gründet auf einem einzigen Brief, den Virdung am 13. August 1603 an den großen Kepler schrieb, in dem er sich vor- stellt, von seinen Studien und Plänen erzählt, und auch, warum diese unliebsam unterbrochen wurden. Er sei einige Jahre mit dem edlen Baron von Waldstein durch Frankreich und Italien gereist. Cum illustri Barone a Waldstein. Illustris bedeutet hier nicht berühmt, berühmt war der junge Baron keinesfalls, sondern eben nur edel; und edel war auch jener Zdenko, der in Padua sich zur gleichen Zeit wenigstens immatrikuliert hatte. Warum also sollte Vir-dung nicht Zdenkos Begleiter gewesen sein? Wie kam Albrecht zu ihm? Warum schreibt Virdung von aliquot annorum, einigen Jahren, da Wallensteins Reise insgesamt nur zwei Jahre dauerte? —Wir lassen diese Fragen offen. Es kann so sein, wie die Historiker sagen, oder auch nicht, und kommt für unsere Zwecke nicht viel darauf an. Gualdo Priorato, ein Offizier, der eine Zeitlang unter dem Feldherrn diente und später sich auf das Schreiben von Biographien verlegte, erzählt, es habe der junge Wallenstein so manche Stadt und Provinz gesehen, die Befestigungen studiert, die Künste und Werke bewundert, die glücklichen Regierungsweisen von Fürsten und Potentaten begeistert vermerkt, am wohlsten aber sei es ihm im Garten Europas gewesen, in Italien; da habe er die süße Ritterlichkeit der Cavaliere von Neapel erlernt, die Höflichkeit der Genuesen, die florentinische Kunst des Wirtschaftens, die reife Staatsklugheit der Venezianer und so weiter und so weiter, bis er endlich im Athen Europas, in Padua, zu langem Studienaufenthalt verweilt habe.“

 

Golo Mann (27 maart 1909 – 7 april 1994)

 

De Franse dichter en schrijver Alfred de Vigny werd geboren op 27 maart 1797 te Loches (departement Indre-et-Loire). Zie ook alle tags voor Alfred de Vigny op dit blog.

 

De dood van den wolf (Fragment)

I
De wolken snelden door het schelle licht der maan
gelijk men uit een brand de rook omhoog ziet slaan
en tot de horizon was zwart de zoom van ’t bos. –
Wij liepen zwijgend verder over ’t natte mos,
door stugge hei, door struiken, tot de knieën reikend,
toen wij, bij dennen, op die van de kuststreek lijkend,
het lange klauwenspoor in ’t zand werden gewaar
van wolven opgejaagd door onze drijversschaar.
Wij hielden onze schreden en onze adem in,
en luisterden. – Door bos noch open vlakte ging
ook maar het minste zuchtje: alleen, hoog in de lucht,
maakte een roestige weerhaan een piepend gerucht.
Want de wind, spoedend zich hoog over de aarde heen,
beroerde met zijn voet de torenspits alleen,
terwijl, beneden, eiken, aan de rotswand leunend,
sliepen als slapers op de elleboog zich steunend. –
Volstrekte stilte dus. Inmiddels werd aanstonds
nader verkend; heeft de oudste jager onder ons,
zich bukkend, zich neerleggend, ’t zand bezien; en hij
die nimmer enig woord of ’t werd bewaarheid zei,
heeft fluisterend verklaard, dat dit verse spoor poten
gang en geduchte klauw verried van twee zeer grote
prairiewolven en van twee welpen bovendien.
Wij staken allen toen het mes onder de riem,
omhulden der geweren glinsterende lopen,
en, takken wegbuigend, werd langzaam voortgeslopen.
Drie houden halt, en ik – wat zien ze? denk ik – ik
zie eensklaps van twee ogen de vlammende blik,
en, daar voorbij, ga ‘k vier gestalten onderscheiden
die stoeiend dansten in het maanlicht op de heide,
zoals het immer, gaande blij en luid tekeer,
mijn hazewinden doen, wanneer ik huisw
aarts keer.

 

Vertaald door Martinus Nijhoff

 

Alfred de Vigny (27 maart 1797 – 17 september 1863)
Standbeeld in Loches

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e maart ook mijn blog van 27 maart 2020 en eveneens mijn blog van 27 maart 2019 en ook mijn blog van 27 maart 2017 en ook mijn blog van 27 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Erica Jong, Robert Frost

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Erica Jong werd geboren in New York op 26 maart 1942. Zie ook alle tags voor Erica Jong op dit blog.

 

The Poem Cat

Sometimes the poem
doesn’t want to come;
it hides from the poet
like a playful cat
who has run
under the house
& lurks among slugs,
roots, spiders’ eyes,
ledge so long out of the sun
that it is dank
with the breath of the Troll King.

Sometimes the poem
darts away
like a coy lover
who is afraid of being possessed,
of feeling too much,
of losing his essential
loneliness-which he calls
freedom.

Sometimes the poem
can’t requite
the poet’s passion.

The poem is a dance
between poet & poem,
but sometimes the poem
just won’t dance
and lurks on the sidelines
tapping its feet-
iambs, trochees-
out of step with the music
of your mariachi band.

If the poem won’t come,
I say: sneak up on it.
Pretend you don’t care.
Sit in your chair
reading Shakespeare, Neruda,
immortal Emily
and let yourself flow
into their music.

Go to the kitchen
and start peeling onions
for homemade sugo.

Before you know it,
the poem will be crying
as your ripe tomatoes
bubble away
with inspiration.

When the whole house is filled
with the tender tomato aroma,
start kneading the pasta.

As you rock
over the damp sensuous dough,
making it bend to your will,
as you make love to this manna
of flour and water,
the poem will get hungry
and come
just like a cat
coming home
when you least
expect her.

 

Erica Jong (New York, 26 maart 1942)

 

De Amerikaanse dichter Robert Lee Frost werd geboren op 26 maart 1874 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Robert Frost op dit blog.

 

Vuur en ijs

De één zegt dat de aarde sterft door vuur,
de ander zegt door ijs.
Wat ik aan hartstocht heb beleefd,
leert mij dat vuur de voorkeur heeft.
Maar als een tweede dood zal zijn vereist,
dan weet ik ook genoeg van haat
om in te zien dat voor verwoesting ijs
zich groots bewijst
en steeds volstaat.

 

Vertaald door Arie Sonneveld

 

Robert Frost (26 maart 1874 – 29 januari 1963)
Portret door Boris Chaliapin, 1950

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e maart ook mijn blog 26 maart 2022 en ook mijn blog van 26 maart 2021 en ook mijn blog van 26 maart 2020 en eveneens mijn blog van 26 maart 2019 en ook mijn blog van 26 maart 2017 deel 2.

Paul Meeuws, Joy Ladin

De Nederlandse dichter en schrijver Paul Meeuws werd geboren op 25 maart 1947 in Roermond. Zie ook alle tags voor Paul Meeuws op dit blog.

Uit: Badhuis in de sneeuw

“Om bij het badhuis te komen moest je het spoor over, de stad uit richting M., waar ook de ijsbaan lag. Het was over half vijf, tegen het spitsuur. Auto’s gleden geluidloos over de sneeuw. Hun koplampen scheerden langs de twee broers, die het egale wegdek verkozen boven de wallen van vuile sneeuw aan weerskanten van de weg, waar je tot je knieën inzakte. Servaas, de oudste, liep met vlugge, kordate pasjes naast zijn slenterende metgezel, de handen wat ouwelijk op de rug. Zo nu en dan ging er een hand, werktuiglijk als die van een saluerende soldaat, naar de rand van zijn afzakkende bril. Aloïs hield, zich al te zeer bewust van zijn buitengewone lengte, zijn hoofd bijna steels tussen de smalle, opgetrokken schouders. Er trad bij het lopen een knagende pijn op tussen zijn schouderbladen, alsof iemand hem daar hardhandig overeind hield.
Op het viaduct liepen ze de terugkerende schaatsers tegemoet. Hoewel ze dik ingepakt waren slingerden ze hun armen om zich heen om zich te warmen. Rossig was de glimp van hun gezicht tussen de fladderende sjaals en witbestoven mutsen. De ogen van de meisjes waren donkere wakken waar je in wegzakte als je niet oppaste. Servaas en Aloïs klemden hun opgerolde handdoeken wat steviger onder de arm en voelden als een schamel houvast de harde zeepdoos tegen hun ribben drukken.
Er spatte een sneeuwbal uiteen tegen Servaas’ rug. Een volgende vloog over de balustrade en belandde op een trein vol briketten die onder hun doorgleed in een kaarsrechte lijn over de wirwar van het rangeerterrein. Daar gloorde nog een laatste streep daglicht, dat glom op de rails. Boven hun hoofd zag de hemel zwart. Het zou wel weer gaan sneeuwen.
Behalve op de ouderlijke slaapkamer was er thuis maar een kraan, in de keuken, die ze deelden met hun zussen. ’s Winters was het een kwelling om je onder die ijskoude, verwrongen straal te wassen. De meisjes zetten op alle pitten van het fornuis een pan water. Als de hele keuken droop van de stoom ging de deur op slot. Je hoorde het uitgelaten gekletter van het water en het geluid waarmee iemand zich in een te krappe teil wringt, een soort binnensmonds schreeuwen. Servaas en Aloïs kregen ieder twee kwartjes en begaven zich naar het badhuis, ditmaal door de knerpende sneeuw. Dat het ver weg was beviel hun juist. Ver weg van de walmende, klotsende blootheid achter de keukendeur lokte het badhuis geheimzinnig en sereen als een lichtje in een donker bos.”

 

Paul Meeuws (Roermond, 25 maart 1947)

 

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.

 

Psalmen

I

Er is hier niets
niet door jouw schuld, niet slavernij
van bijen aan nectarlabyrinten,

niet de groene bladerbrij
die zich uitschudt als warrig haar, niet
de vege tremor in mijn bloed

of de fantoomtred van de afwijking
spokend door mijn ruggengraat om daar
naar stukjes zelf te grijpen

zoals jij grijpt naar stukjes zelf
die je bent kwijtgeraakt
in mij, niet het gruwen

dat mijn diepzee stuwt
zoals de zeemonsters die je schiep
toen je zat in scheppingszaken,

niet de bommen
die je kinderen omgorden
voor ontploffingen in straten vol

met kinderen die je, in een flits,
lijkt te zijn vergeten. Nee, ik kan niks
jou niet aanwrijven

van ook maar een seconde licht
dat ongewenst
mijn lichaam binnendringt,

dagelijks dauw, impregnerend
met hoop, lust, behoeftigheid
een lijf dat het niet interesseert

hoe ver weg je lijkt
zelfs als je veel te dichtbij staat,
mijn neusgaten vult

met bloeiende adem,
druipnat haar druppelend
over mijn borsten,

druppels vol rook, vol aroma,
vol met je naarst
bijtende zuur,

mogelijkheid.

 

Vertaald door Joost Baars

 

Joy Ladin (Rochester, 24 maart 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e maart ook mijn blog van 25 maart 2021 en ook mijn blog van 25 maart 2020 en eveneens mijn blog van 25 maart 2019 en ook mijn blog van 25 maart 2018 deel 2.

Palmsonntagmorgen (Emanuel Geibel), Joy Ladin

 

 

De intocht in Jeruzalem door Willem van Herp, 2e helft 17e eeuw

 

Palmsonntagmorgen

Es fiel ein Tau vom Himmel himmlisch mild,
Der alle Pflanzen bis zur Wurzel stillt;
Laß dein Sehnen,
Laß die Thränen!
Es fiel ein Tau, der alles Dürsten stillt.

Ein sanftes Sausen kommt aus hoher Luft.
Still grünt das Thal und steht in Veilchenduft;
Göttlich Leben
Fühl’ ich weben,
Ein sanftes Sausen lommt aus hoher Luft.

Wie Engelsflügel blitzt es über Land;
Nun schmück’ dich, Herz, thu an ein rein Gewand.
Sieh, die Sonne
Steigt in Wonne,
Wie Engelsflügel blitzt es über Land.

Macht weit das Thor! Der König ziehet ein,
Die Welt soll jung und lauter Friede sein;
Streuet Palmen!
Singet Psalmen!
Hosianna singt, der König ziehet ein!

 

Emanuel Geibel (17 oktober 1815 – 6 april 1884)
De St. Marienkirche in Lübeck, de geboorteplaats van Emanuel Geibel

 

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.

 

Psalm

Je wilt het alletwee, de zon zijn
en de wolken die hem smoren, het hart
en hart dat het doet breken, zinloos lijden

en de waarheid
die het verlicht. Leuk werk
als je geluk hebt

maar wat geluk betreft
gun ik jou niks. Jij die je voorstelt
als een appel die zijn rood aanzet

binnen mijn bereik, bengelend
aan de laagste tak, een bouquet
van welige hermeneutiek

dat elk moment, triviaal en tragisch, drenkt
in eau d’significance. Want
wat wat heb ik te wensen? Jouw engelen

blakerden de bomen
van het leven en de kennis,
hoewel ik prima rond kon komen

schransend
van hun as. Ook jij
hebt smaak voor as. Naar as. Naar iets

dat brandde lang geleden
en nog altijd brandt
ergens dicht bij mijn mond, de rook van jou

die mijn neus verstopt,
een hulpkreet
die ik in mijn verveling

niet meer horen kan. Jij verleidt me met het fruit
van je intimiteit, infiniteit klef
als sterrenvonkhoning, fijnbepinde borstels

van vergiffenis, het amper herinnerde
koeren van een moeder
die me in slaap zingt tegen haar borst,

mijn eerste fiets, het wellende zongewarmde
moerbeiensap
van immer. Jij wast het doodgaan

van mijn handen weg
en staat daar met
je ondoorgrondelijke trekken

terwijl ik weer sterf. Geen wonder
dat je zo mijn afkeer wekt. Geen wonder
dat ik smacht naar dat je bij me bent, appel vlammend

in de vlammende takvork
die brandt in de schaamstreek der geschiedenis.

 

Vertaald door Joost Baars

 

Joy Ladin (Rochester, 24 maart 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e maart ook mijn blog van 24 maart 2021 en ook mijn blog van 24 maart 2020 en eveneens mijn blog van 24 maart 2019 en ook mijn blog van 24 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Zie ook alle tags voor Palmzondag op dit blog.

Gary Whitehead

De Amerikaanse dichter Gary Joseph Whitehead werd geboren op 23 maart 1965 in Pawtucket, Rhode Island. Zie alle tags voor Gary Whitehead op dit blog.

 

Music from a Farther Room

The flute, the sackbut, the dulcimer
in the rooms of the dying. The harp,
the cornet, the psaltery. The look

of the eyes’ last seeing when the ears
hear their final note or chord. The flats
some know as sharps. A bee batting a screen.

Thales of Crete appeased the wrath
of Apollo with paeans to end a plague,
and in all of Sparta’s rooms,

close with death, that conclusive music.
But meadowlarks, too. Finches. Thrushes
in the distant woods. Birds which are

themselves flutes, sackbuts, dulcimers
dressed in feathers. Up in Amherst
Emily’s last breath of the bobolink’s

virtuosic bubbling. A mother’s cooing,
half weeping, half exalted send-off
heard beyond a locked door. Anywhere

and often. In Pittsburgh the shrill whistle
of the steel mill; how many have ridden
that held note into infinity? In Treblinka

the shrill whistling trains, the chuff,
the cough, the high-note wail.
On the Oregon Trail the pioneer’s wheel.

The ship’s whistle for the immigrant
whose filmed eyes never did see Ellis Island.
The fading brain takes what it’s offered.

My mother’s mother, no instrument
but the clock ticking, the ice clinking
its melt in a bedside tumbler.

O, don’t we each have our deaths set
to music? Natural or manmade. The tabla,
the tabor, the steam calliope.

Beethoven’s “Moonlight Sonata” playing
tinny through headphones stuck
in someone else’s busy ears. C# minor.

What do we hear there at the edge,
the threshold, the dark verge,
when sense, no more than a warm room,

echoes emptily? How must the bedside
cello sound, how the car horn, how
the human voice hushing us at the last.

If not so much the tension of the song
resolved, at least let it be the force
of the crossing when the humming ceases.

 

Een gebruikt boek

Als ik de pagina’s open, roert mijn hond zich
vanuit zijn rust op de bank naast mij
om aan de ruggengraat te snuffelen en de snede. Zijn grijze oren
gespitst om te luisteren, en ik hoor wat hij hoort:
verkeersgetoeter, het fluitje van een theepot, het spinnen
van de katten van de lezeres op haar oude bank.

Waarom las zij zulke zware
dingen zo vroeg op een zaterdag – zon
nog niet op, haar minnaar nog in slaap?
Het boek hield haar, vermoed ik, gezelschap,
en de katten, terwijl het licht zijn vaste koers
vervolgde over haar vloer. Parijs of Londen,

stel ik me voor, ook al was het waarschijnlijk
San Francisco, een tram die voorbijrijdt
en mist die de ochtendlucht schoonspoelt. Een grijze
dag dus, net als alle andere. Het kan
zijn dat ook zij onweerstaanbaar werd getrokken
naar die plaats op een plank in een nabijgelegen

winkel, het stof eraf blies en het tweedehands kocht.
En misschien werden haar katten wakker toen ze het open
sloeg, en zij de vage geur van hond opvingen,
en kwam zij niet verder dan de proloog,
voordat ze in een ander land belandde,
waar een man een pagina tegen de wind hield.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Gary Whitehead (Pawtucket, 23 maart 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e maart ook mijn blog van 23 maart 2020 en eveneens mijn blog van 23 maart 2019 en ook mijn blog van 23 maart 2015 deel 1 en eveneens mijn blog van 23 maart 2014 deel 1 en ook deel 2.

Billy Collins

De Amerikaanse dichter en schrijver Billy Collins werd geboren in New York op 22 maart 1941. Zie ook alle tags voor Billy Collins op dit blog.

 

Taking Off Emily Dickinson’s Clothes

First, her tippet made of tulle,
easily lifted off her shoulders and laid
on the back of a wooden chair.

And her bonnet,
the bow undone with a light forward pull.

Then the long white dress, a more
complicated matter with mother-of-pearl
buttons down the back,
so tiny and numerous that it takes forever
before my hands can part the fabric,
like a swimmer’s dividing water,
and slip inside.

You will want to know
that she was standing
by an open window in an upstairs bedroom,
motionless, a little wide-eyed,
looking out at the orchard below,
the white dress puddled at her feet
on the wide-board, hardwood floor.

The complexity of women’s undergarments
in nineteenth-century America
is not to be waved off,
and I proceeded like a polar explorer
through clips, clasps, and moorings,
catches, straps, and whalebone stays,
sailing toward the iceberg of her nakedness.

Later, I wrote in a notebook
it was like riding a swan into the night,
but, of course, I cannot tell you everything –
the way she closed her eyes to the orchard,
how her hair tumbled free of its pins,
how there were sudden dashes
whenever we spoke.

What I can tell you is
it was terribly quiet in Amherst
that Sabbath afternoon,
nothing but a carriage passing the house,
a fly buzzing in a windowpane.

So I could plainly hear her inhale
when I undid the very top
hook-and-eye fastener of her corset

and I could hear her sigh when finally it was unloosed,
the way some readers sigh when they realize
that Hope has feathers,
that reason is a plank,
that life is a loaded gun
that looks right at you with a yellow eye.

 

Love

The boy at the far end of the train car
kept looking behind him
as if he were afraid or expecting someone

and then she appeared in the glass door
of the forward car and he rose
and opened the door and let her in

and she entered the car carrying
a large black case
in the unmistakable shape of a cello.

She looked like an angel with a high forehead
and somber eyes and her hair
was tied up behind her neck with a black bow.

And because of all that,
he seemed a little awkward
in his happiness to see her,

whereas she was simply there,
perfectly existing as a creature
with a soft face who played the cello.

And the reason I am writing this
on the back of a manila envelope
now that they have left the train together

is to tell you that when she turned
to lift the large, delicate cello
onto the overhead rack,

I saw him looking up at her
and what she was doing
the way the eyes of saints are painted

when they are looking up at God
when he is doing something remarkable,
something that identifies him as God.

 

Advies aan schrijvers

Zelfs als het je de hele nacht op houdt,
neem de muren af en poets de vloer
van je werkkamer voor je een lettergreep componeert.

Maak schoon alsof de koningin op bezoek komt.
Properheid is de vader van inspiratie.

Hoe meer je poetst, hoe briljanter
je schrijven zal zijn, dus aarzel niet
het open veld in te gaan om stenen te schrobben
of in het donkere bos hoge takken
en nesten vol eieren af te borstelen.

Als je terug naar huis gaat
en de schuursponzen en stoffers onder de gootsteen opbergt
zal je in het ochtendlicht
het onbevlekte altaar van je bureau aanschouwen
een schoon oppervlak in het midden van een schone
wereld.

Til uit een smalle, hemelsblauwe vaas
een potlood, het scherpste van een boeket,
en bedek de bladzijden met zinnetjes
als lange rijen, toegewijde mieren
die je volgden vanuit het bos.

 

Vertaald door Ron Rijghard

 

Billy Collins (New York, 22 maart 1941)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e maart ook mijn blog van 22 maart 2020 en eveneens mijn blog van 22 maart 2019 en ook mijn blog van 22 maart 2016 en mijn blog van 22 maart 2014 deel 1 en eveneens deel 2.

Tess Gallagher, Willem de Mérode, Pim te Bokkel, Hermann Lenz

 

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste en schrijfster Tess Gallagher werd geboren op 21 juli geboren in 1943 in Port Angeles, Washington. Zie ook alle tags voor Tess Gallagher op dit blog.

 

During the Montenegrin Poetry Reading

Mira, like a white goddess, is translating
so my left ear is a cave near Kotor
where the sea lashes and rakes
the iron darkness inside
the black mountains. Young and old, the poets
are letting us know this sweltering night,
under a bridge near a river outside
Karver Bookstore at the beginning of July,
belongs to them. They clear away debris

about politicians and personal suffering,
these gladiators of desire
and doubt, whose candor has roiled
me like a child shaking stolen beer to foam
the genie of the moment out of
its bottle. The poets’ truth-wrought poems dragging it
out of me, that confession—that I didn’t have children
probably because in some clear corner I knew I would have left
them
to join these poets half a world away who, in their language
that is able to break stones, have broken me open
like a melon. Instead of children, I leave my small dog,
quivering
as I touched her on the nose, to let her know it’s
me, the one who is always leaving her, yes
I’m going, and for her I have no language with
which to reassure her I’m coming

back, no—what’s the use to pretend I’m
a good mistress to her, she who would never
leave me, she who looks for me everywhere
I am not, until I return. I should feel guilty
but the Montenegrin poets have taken false guilt off
the table. I’ve been swallowed by a cosmic
sneer, with an entire country behind it where
each day it occurs to them how many are still missing
in that recent past of war and havoc. Nothing to do
but shut the gate behind me
and not look back where my scent
even now is fading from the grass. Nostalgia
for myself won’t be tolerated here. I’m just a beast
who, if my dog were a person, would give me a pat
on the head and say something stupid like: Good dog.

 

Tess Gallagher (Port Angeles, 21 juli 1943)

 

Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies achttien jaar. Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit blog, ook nu weer een gedicht van hem. Zie ook alle tags voor Willem de Mérode op dit blog en Romenu’s eerste lustrumpagina.

 

In school

Rustig zit de heele klas te schrijven.
Jongens buigen over ’t blanke schrift.
IJverig hun lenig-jonge lijven;
Bij de meisjes krast de harde grift.

Annie kan ’t niet laten om te kijken,
Fluistert even met de blonde Brecht:
– Zeg, wil jij eens naar mijn lintje kijken
En ’t wat vaster strikken om mijn vlecht? –

Heel voorzichtig tasten Brechtjes handen
In het voor haar hangend fijne haar,
En ze strikt de blauwe zijden banden
Met een blik naar mij: ik knipoog maar.

En dan gaan weer ijvrig, griffels tikken,
Kleine handjes rusteloos hun gang.
Dan een grapje, met verstolen blikken,
Doet weer lachjes leve’ in ’t oog, op wang.

Willem wil aan Henk een appel geven
En nu, denkend dat ik hem niet zie,
Legt hij, na wat schichtig kijken, even
’t Kleine handje op groote Henk zijn knie.

Zoo wordt ’t wichtig evenwicht gebroken
Van de tijden die eentonig gaan,
Door een lach, een woordje zacht gesproken. –
Ach! ‘k heb vroeger zelf ook school gegaan.

 

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Willem de Mérode (staande rechts) als leraar te Uithuizermeeden, 1911

 

De Nederlandse dichter Pim te Bokkel werd geboren in Winterswijk op 21 maart 1983. Zie ook alle tags voor Pim te Bokkel op dit blog.

 

Bij de geboorte van een veulen

uit de vrieskist gelicht

dooit uit de permafrost een veulen dat nog dood is maar de
hoop voedt dat de tijd wordt teruggedraaid wanneer je lang en
ernstig kijkt, alsof de herfst terugkeert als je het blad terug aan de
skeletten van de eiken hangt

een eerste lik
de streken die je tekenen als je zo opspringt

het negatief dan: tussen zwarte vegen de ruimte die je achterlaat
als je er niet meer bent en waar je nu verschijnt en nat nog droomt
dat je op ranke benen staat, als dorre takken die op breken staan

vastgelegd ben je, herboren

opgebaard
in de bekisting van een lijst

 

Vormen van stilte

Binnen

*
In de isoleercel ben ik
het vel
dat zich gespannen met de ruimte van een hartslag vult

*

De echo die ik denk
is niet de echo die ik ben
denk ik

*

Binnen deze muren
ben ik storm –
een zucht die in zichzelf gekeerd tot rust komt

 

Buiten

*

Voor de wilde eend opvloog
verbleven de eenden
met een volmaakt zelfbeeld nog
in de vijver

*

Nu de moeder niet langer op kinderen wacht
verdwijnt ze
met bankje en al in de zon

*

Tussen mij
tussen hommel en takken
de lucht
die alle dingen ruimte geeft
die me opneemt
die ik binnenstebuiten keer
en ben

 

Pim te Bokkel (Winterswijk, 21 maart 1983)

 

De Duitse dichter en schrijver Hermann Lenz werd op 26 februari 1913 in Stuttgart geboren. Zie ook alle tags voor Hermann Lenz op dit blog.

 

Kleermakershuisje

Het kwetteren van de zwaluw,
Een groet van hoog boven.
De lucht is wazig en licht,
Alsof er een gewassen spijkerrok
Aan de lijn hangt bij de bogenmaker.
Klokjes op de steenachtige helling.
Zonnig geel het gebleekte gras.
Een buizerdkreet en het tuffen van de tractor
‘s Middags tussen weide en akker.
Buiten de bergketens,
Bosjes en alleenstaande dennenbomen,
Plus een auto,
Die als een bliksemflits beweegt.
Of je volgend jaar terugkomt?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Hermann Lenz (26 februari 1913 – 12 mei 1998)

 

Zie voor de schrijvers van de 21e maart ook mijn blog van 21 maart 2022 en ook mijn blog van 21 maart 2021 en ook mijn blog van 21 maart 2020 en eveneens mijn blog van 21 maart 2019 en ook mijn blog van 21 maart 2018 deel 2 en ook Romenu’s 1e lustrum pagina.

Voorjaar (M. Vasalis), David Malouf, Friedrich Hölderlin

 

 

Pruimenbloesem door Claude Monet, 1879

 

Voorjaar

Het licht vlaagt over ’t land in stoten
wekkend het kort en straf geflonker
der blauwe wind-gefronsde sloten;
het gras gloeit op, dooft uit, is donker.
Twee lammren naast een stijf grauw schaap
staan wit, bedrukt van jeugd in ’t gras…
Ik had vergeten hoe het was
en dat de lente niet stil bloeien,
zacht dromen is, maar hevig groeien,
schoon en hartstochtelijk beginnen,
opspringen uit een diepe slaap,
wegdansen zonder te bezinnen.

 

M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)
De voormalige Jeruzalemkerk in Den Haag, de geboorteplaats van M. Vasalis

 

De Australische dichter en schrijver David Malouf werd geboren op 20 maart 1934 in Brisbane. Zie alle tags voor David Malouf op dit blog.

 

Stooping to Drink

Smelling the sweet grass
of distant hills, too steep
to climb, too far to see
in this handful of water
scooped from the river dam.

Touching the sky where like
a single wing my hand
dips through clouds. Tasting
the shadow of basket-willows,
the colour of ferns.

A perch, spoon-coloured, climbs
where the moon sank, trailing
bubbles of white,
and school kids on picnics
swing from a rope — head

over sunlit heels like angels
they plunge into the sun
at midday, into silence
of pinewoods hanging over
a sunken hill-farm.

Taking all this in
at the lips, holding it
in the cup of the hand.
And further down the hiss
of volcanoes, rockfall

and hot metals cooling
in blueblack depths a hundred
centuries back.
Taking all this in
as the water takes it: sky

sunlight, sweet grass-flavours
and the long-held breath
of children — a landscape
mirrored, held a moment,
and let go again.

 

A History Lesson

Sweaty after a bout the young prince towels his body,
sprawls against the wall of a tennis court. His body seems
his own. He is seventeen, loves exercise,
apples, and has just discovered order
in the frets of a guitar and the disorder
his spirit leans towards where hair sweeps upward
and a tender neck’s laid bare. All this
is normal.
Miles away,
his body is the site of negotiations. Old men in furs
have laid it out between them, a treaty
is tied to the royal member as, by proxy, it is annexed, with no compliance
on his part (it is, so far as he knows, off
in a goosegirl’s placket) to the crib of a ten months’ orphan, the Staatsholder
of nine dependencies.
Somewhere peasants
work in the prince’s groin, sleep off the day’s work in its shade.
They will speak the same patois when they go back
to dealing with horizons, but their heads
have passed under harsher laws. In a trench twelve pikemen
curse white, blow on a fist as night creeps over
the edge of a boy’s body much like theirs and also forfeit.

These lives go other ways
than the documents intended. The young prince
will swell with evil fluids not drained off, his infanta
be occupied by three foreign husbands; she will never know his tongue.
One of that band of pikemen, every hair
on his head ablaze with firelight, every louse in his shirt assured of
its sweat, will get his wish. He will climb on out
of the blood of battle, eat, in a fiery sunset,
a late crust among shadows
that peck round a harvest blade, and whistling an old song, track
to its source among ferns the stream
that mutters in his head and never once says ‘history’.

But that is another story. Passed from mouth
to mouth and not set down, it covers the facts, has a beginning and has survived
its middle. Why shouldn’t it end well?

 

David Malouf (Brisbane, 20 maart 1934)

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Christian Friedrich Hölderlin werd geboren op 20 maart 1770 in Lauffen am Neckar in het Hertogdom Württemberg. Zie ook alle tags voor Friedrich Hölderlin.

 

Toen ik een knaap was

Toen ik een knaap was,
Redde een god mij vaak
Van het geschreeuw en de roede der mensen,
Toen speelde ik veilig en wel
Met de bloemen van het woud,
En het zoele des hemels
Speelde met mij.

En zoals gij het hart
Van de planten verblijdt,
Als zij u tegemoet
Hun tere armen strekken,

Zo hebt gij mijn hart verblijd
Vader Helios, en, gelijk Endymion,
Was ik uw lieveling,
Heilige Luna!

O, al gij trouwe
Vriendelijke goden!
Als ge eens wist
Hoe mijn ziel u heeft liefgehad!

Wel riep ik toen nog niet
U bij naam, ook gij
Noemde mij nooit, zoals de mensen elkaar noemen,
Als kenden ze elkaar.

Toch kende ik u beter
Dan ik de mensen ooit kende,
Ik begreep de stilte van de ether,
De woorden der mensen begreep ik nooit.

Mij voedde de muziek
Van het ruisende woud
En liefhebben leerde ik
Temidden der bloemen.

In de armen der goden groeide ik op.

 

Vertaald door Kester Freriks

 

Friedrich Hölderlin (20 maart 1770 – 7 juni 1843)
Portret door Franz Karl Hiemer, 1792

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e maart ook mijn blog van 20 maart 2021 en ook mijn blog van 20 maart 2020 en eveneens mijn blog van 20 maart 2019 en ook mijn blog van 20 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3 en ook deel 4.

Lina Kostenko

De Oekraïense schrijfster en dichteres Lina Kostenko werd op 19 maart 1930 geboren in Rzhyshchiv. Zie ook alle tags voor Lina Kostenko op dit blog.

 

Zin in een wonder, een bodempje wijn

Zin in een wonder, een bodempje wijn.
Dagen vervliegen als grijze perrons.
Kraaien – een roetzwart
boeket zonder dons –
geven de stad haar nachtelijke schijn.
Geeft niet, mijn leven loopt naar het eind.
Geeft niet, ik leefde als mens voor het ware.
Dagen verwaaien, als gitzwarte blaren.
Zin in een wonder, een bodempje wijn.
Kluisters – hoe lang nog? Ik wil graag bevrijd
waar is het gouden geluid – pastorale?
Zomertijd vliegt en de herfst klinkt nabij.
Kronkels van pijn in zwarte spiralen.
Waar kan het zaad van mijn woorden toch zijn?
Mijn Oekraïne begint weer haar ronde.
Weer, wederom deze dodelijke wonde.
Zin in een wonder, een bodempje wijn.

 

Vertaald door Arie van der Ent

 

Nothing in Particular Happened

Nothing in particular happened.
What are you to me? Someone else’s.
Life unraveled where it was unhemmed
to irony’s bitter farewell threads.
Life unraveled where it was unhemmed.
A yarn ball of pain’s all that is left.
Nothing in particular happened.
You just look a little like Kismet.

 

Out There Are Planets Far Beyond Our View

Out there are planets far beyond our view
Oh, how that far-flung bedroom must be dreary!
And yet perhaps we shine upon them too?
Perhaps we are the star when they are weary?

 

Vertaald door Ellen Poplavska

 

Vleugels

Dat is zo… die, die vleugels hebben, hebben geen grond nodig
Is er geen grond? Dan zal het een wolk zijn.
Is er geen veld? Dan zal het vrijheid zijn.
Is er geen liefde? Dan zal het de hemel zijn.

Hier is. misschien, waarheid van vogels.
Maar hoe is het met de mens? Wat is er met de mens?
Die wonen op de grond, en kunnen niet vliegen.
Maar vleugels hebben ze wel
En deze vleugels zijn niet van dons gemaakt,
Maar uit echtheid en toeverlaat.

Iemand heeft die vleugels vanuit getrouwheid in liefde gemaakt.
Iemand vanuit levenslange trachten.
Iemand vanuit oprechtheid in werk.
Iemand vanuit misdadigheid voor zorgen.
Iemand vanuit een liedje of hoop.
Of uit poëzie of droom

Mensen kunnen niet vliegen…
Maar toch wel over vleugels beschikken.

 

Vertaald door Olha Melnyk

 

Lina Kostenko (Rzhyshchiv, 19 maart 1930)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e maart ook mijn blog van 19 maart 2022 en ook mijn blog van 19 maart 2020 en eveneens mijn blog van 19 maart 2019 en ook mijn blog van 19 maart 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Tonnus Oosterhoff, Lina Kostenko

De Nederlandse dichter en schrijver Tonnus Oosterhoff werd geboren in Leiden op 18 maart 1953. Zie ook alle tags voor Tonnus Oosterhoff op dit blog.

 

Lager

De winter maakt de gehoorgangen lang.
In hun nachthok schreeuwen de witte pauwen.
Dat is aan de andere kant van de stad.

Nu het zoontje dat nog komen moet
schrijlings op zijn kleine slee
bovenaan een boshelling
klappertandend neuriënd.

Hij is gelukkig, koud en bang.
Hij weet, maar nog niet zeker,
wat gedachten maken kunnen,
wat een kop verstouwen kan.

 

Storm op til

De wind raakt van de bomen in de war.
De post bezorgt een elektrische deken.
Een hand tekent vlug voor ontvangst. Dag. Dag.
Zon en schaduw vallen van links en rechts.
De schoolkinderen rennen af en aan
over tegels vol vegen, tegels vol streken.
De oranje deuren gaan open en dicht.
De schemer wordt in de straat gespoten.
Schijnwerpers thuiskomen. Dag. Dag.
De nieuwe deken. Dat werd tijd.
Meteen maar proberen? Gekke vent.
De wind ziet opgeblazen. Hij gebruikt
medicijnen vanwege je weet wel.
Staat in het donker midden op straat,
laat alarmen afgaan. Verdomme.
Niet weer hè? Net nu ik lig.

 

Winter in Leimuiden

Het ijs ligt blindweg vuistdik.
Over wat zon leunen halflange wolken.
Ze hoesten gedwongen achter hun hand, zacht.

Maar op het onderlicht
schaatst mijn vriend pijnstekel.

Ja, achter op de Westeinder
is die onverschillige Stekel in de weer.
Volgens hem moet het zijn ijzers nu verduren,
de sporen, de verschillen die hij maakt.

Waar je niet mag zijn.

 

Tonnus Oosterhoff (Leiden, 18 maart 1953)

 

De Oekraïense schrijfster en dichteres Lina Kostenko werd op 19 maart 1930 geboren in Rzhyshchiv. Zie ook alle tags voor Lina Kostenko op dit blog.

 

Vleugels

Dat is zo… die, die vleugels hebben, hebben geen grond nodig
Is er geen grond? Dan zal het een wolk zijn.
Is er geen veld? Dan zal het vrijheid zijn.
Is er geen liefde? Dan zal het de hemel zijn.

Hier is. misschien, waarheid van vogels.
Maar hoe is het met de mens? Wat is er met de mens?
Die wonen op de grond, en kunnen niet vliegen.
Maar vleugels hebben ze wel
En deze vleugels zijn niet van dons gemaakt,
Maar uit echtheid en toeverlaat.

Iemand heeft die vleugels vanuit getrouwheid in liefde gemaakt.
Iemand vanuit levenslange trachten.
Iemand vanuit oprechtheid in werk.
Iemand vanuit misdadigheid voor zorgen.
Iemand vanuit een liedje of hoop.
Of uit poëzie of droom

Mensen kunnen niet vliegen…
Maar toch wel over vleugels beschikken.

 

Vertaald door Olha Melnyk

 

Lina Kostenko (Rzhyshchiv, 19 maart 1930)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e maart ook mijn blog van 18 maart 2021 en ook mijn blog van 18 maart 2020 en eveneens mijn blog van 18 maart 2019 en ook mijn blog van 18 maart 2018 deel 2 en eveneens deel 3 en ook mijn blog van 18 maart 2017 deel 3.